Skip to main content

Full text of "Nederlandsch Oost- en West-Indië : geographisch, ethnographisch en economisch beschreven"

See other formats


Vlaggen. 


Ingeklaarde schepen. 


1882. 


1897. 


1902. 


Nederland 1 ,to , 0 T h 

( zeilsch 

Totaal . . . 

1 ss? 


Aantal. 


1000 M 1 . 


Aantal. 


1000 M'. 


Aantal. 


1000 M J . 


64 
94 


102 
51 


«»!) 
20 


534 
72 


102 
4 


753 
15 


— 158 


153 


119 


606 


106 


768 


m 

110 


[86 
66 


278 
87 


1029 
149 


351 
11 


1454 
64 


Totaal . . . 
Frankrijk 1 f^™* 


812 


202 


315 


1 179 


362 


1518 


29 
10 


13 
6 


28 


66 


32 

5 


( J9 
22 


Totaal . . . 

n 1 1 ( stoomsch 

Duitscbl. ., , 

zcilsch 


39 


19 


28 


66 


37 


121 


13 
58 


16 

28 

44~~ 


118 
8 


850 
27 


334 

3 


864 
11 


Totaal . . . 

Denemarken 1 1 ■ 
Totaal . . . 

Zweden . ! 8t0 !T ch 
f zeilsch. . 


71 


126 


376 


337 


875 


6 


2 


2 
8 


2 

17 


4 


4 


6 


0 

mé 


10 


19 


1 * 


4 


19 


9 


1 


^^^^ 

3 





^ m 


Totaal . . . 

v „ 1 stoomsch. . . 

Noorwegen .. . 

Totaal . . . 
Oostenrijk ' .. , 


19 


9 


1 


3 







2 
64 


3 
41 


36 
12 


85 
21 


23 
10 


73 

27 


66 


44 VS 


ÏÖ6 | 


33~ 


100 


3 


2 


1 


4 


10 


63 


Totaal . . . 

f _ 4 >v rs. wt Ai>k . 


3 


2 


1 


4 


10 


63 








— 






6 
6 

18 
18 

5 836 


Nederlandsch Oost- 
en West-Indië 

Hendrik Blink 


2 
2 

5 
5 

4 821 

DiQififtd b 


A W» TQV I Uu I VI I pivuuibvui • 

andere landen. | zeilsch. . . 

Totaal . . . 




283 


1 206 


373 




~2~iï<r 


891 




1 4 553 


4 475 


6 032 



barbare College ILiurarn 




KROM TUK 

J. HUNTINGTON WOLCOTT FUND 



Establishcd in 1S91 by Kcx.ek Wolcott (H. U. 1S70), in 
metnory of his fathcr, for "the purchaac of Kookt» of 
permanent value, the preference to be rIvm to 
works of Misiory, Politiral Economy, aml 
Soclolofry," and increased la 1901 by 
a bcqueit in his will. 



Digitized by Google 



NEÜERLANDSCH OOST- 1 ISMlI. 



Digitized by Google 



ffllAKI OOST- 1 1 Ml 

GEOGRAPHI8CH, ETHNOGRAPHISCH EN 
ECONOMISCH BESCHREVEN 



DÜOK 



Dr. S. BLINK 

Privaatdocent in de Aaidrijlukuade aan de RijkvUuiveraiteit te Leiden. 



ÏWKKDK DKKL. 



BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ 
r oorneen 

E. J. BRILL. — LEIDEN. 
1907. 



Digitized by Goqole 



BOEKDRUKKERIJ voorheen E. J. BUILL. — LEIDEN. 



Digitized by Google 



VOORBERICHT. 



In het tweede deel hebben wij de beginselen, welke ons 
leidden bij de samenstelling van dit boek, en die wij in het 
eerste algemeen aanduidden, nader toegepast op de behandeling 
der verschillende gewesten onzer Koloniën. 

Is het eerste deel een „algemeene" beschrijving van de 
geographische, ethnographische en economische toestanden van 
Ned. Oost-Indië gebleven, een overzicht, dat wy noodig achtten, 
om het geheel te overzien, dit tweede deel is bijna uitsluitend 
(alleen het eerste hoofdstuk, den handel betreffend, uitgezonderd) 
gewijd aan de bijzondere geographie der eilanden en der deelen 
van onze bezittingen. Wij konden daarbjj herhaaldelijk naar het 
algemeen gedeelte verwijzen. 

Ook in dit tweede gedeelte hebben wij een breede opsom- 
ming van topographische en orographische verscheidenheden ver- 
meden, omdat daardoor dikwijls het overzicht schade lijdt, en het 
bosch niet duidelijk wordt gezien vanwege de boomen. Hoofd- 
zakelijk is het ons doel geweest ook hier voor de afzonderlijke 
deelen het typisch geographische landschapskarakter aan te 
wjjzen en te beschouwen in verband met de wordingsgeschiedenis 
des lands, met de volkseigenheden der bewoners en daarbij de 
ontwikkeling der economische, maatschappelijke en staatkundige 
toestanden te doen uitkomen, terwijl ook de opkomst en be- 
teekenis der belangrijkste nederzettingen kortelijk is behandeld, 
in verband met de factoren, die daarop invloed uitoefenden. 
Hierdoor hopen wij de betrekking tusschen land en bewoners, 
zoover dit ons mogelijk was, nader te hebben in het licht ge- 
steld. De korte historische aanteekeningen, die wij hier en daar 
maakten, dienen om de aandacht er op te vestigen, hoe het 



■ 



VI VOORBERICHT. 

heden met het verleden in betrekking staat. Door dit causaal 
verband in het oog te houden kunnen de tegenwoordige toe- 
standen beter worden begrepen. 

Aangenaam was het ons tijdens dezen arbeid van vele 
deskundigen groote bewijzen van belangstelling, aanmoediging 
en medewerking te ontvangen. Wij noemen thans geen namen, 
doch brengen hun in het algemeen daarvoor onzen dank. Deze 
dank geldt eveneens den welwillenden beoordeelaars van het 
eerste deel, die met kennis van zaken, hetzjj publiek of schrif- 
telijk aan den Auteur, het goede van het boek wisten te waar- 
deeren, en van wier heusche opmerkingen wij dankbaar gebruik 
maakten. 

Het boek is, trots de beperkingen, die wij ons oplegden, 
veel grooter geworden, dan wij geraamd hadden. De Uitgevers 
legden ons gelukkig door hun vrijzinnige opvatting niet te zeer 
aan banden; met hen was het steeds een aangenaam samen- 
werken. Diep betreuren wij het, dat wijlen de Heer F. db 
Stoppelaar, vroeger hoofd der firma, met wien wij het ontwerp 
der uitgave in hoofdzaak hadden besproken, de voltooiing er 
van niet mocht zien. Evenwel bracht dit afsterven in de goede 
samenwerking tusschen Schrijver en Uitgever niet de minste 
verandering. 

Hiermede zenden wij dit boek in de wereld. Moge het er 
toe medewerken om in het moederland de economische zoowel 
als de geographische en ethnographische toestanden van de be- 
langrijke Nederlandsche bezittingen in andere werelddeelen beter 
te leeren kennen en begrijpen, en de belangstelling daarin te doen 
toenemen. Want in dit uitgebreide gebied is nog veel voor 
Nederlanders te verrichten, zoowel tot exploitatie van de onont- 
gonnen schatten der natuur als ten behoeve der inlandsche be- 
volking. Het bezit en bestuur dier uitgebreide Koloniën legt de 
verplichting op ons de belangen dezer gewesten alzijdig te be- 
hartigen en daartoe is het in de eerste plaats noodig ze goed 
te kennen. 

Den Haag, 20 Maart 1907. Dr. H. Blink. 



Digitized by Google 



INHOUD. 



Venwig van: I. „ALGEMEENE BESCHRIJVING." 

VERDEELING DER VOORTBRENGSELEN EN INVOER VAN NEDKRLANDSCH 1NDIË. 

Rl-iflr 

Handel en achoopvaart 1 

Geographiscbo ligging in Terband met scheepvaart en handel. — Verdere ontwik - 
keling van den handel tot vrijhandel. — Ontwikkeling van de scheep aart naar en 
in Ned. Iodié. — De havent. — Scheepvaart in Ned Indië. — Handelsbeweging. 
Invoerbandel. — Straits SettlemenU en Singapore. — Verdere invoer in Ned. Indic. 

— Uitvoerhandel van Nederlandsen Indic — De tuweben- en kleinhandel. Pasara. 

— De wijze van handeldrijven en hulpmiddelen voor den handel. 

II. BIJZONDERE BESCHRIJVING DER DEELEN. 
Nederlandsen Oost-Indië. 

HET EILAND JAVA EN ZIJN HEWOMERS 

ƒ. Ontwikkeling en bronnen onzer kennia van Java 27 

Ontwikkeling un/er kennis van Java, 

II. Natuurlijke gesteldheid des landg 29 

De namen Sucnda-cilandcn en Java — Ligging t-n grootte. — ludeeling — Geo- 
logische geschiedenis van Java. Oudste tijdperken. — VulkanUebe werking en ver- 
volg der geologische geschiedenis na het Tertiair. Diluvium. — Alluviale vorming. 
Overzicht van den verticalen bouw. — Indoeling van Java in natuurlijke gewesten 
en cultuurgebieden. — Algemeen karakter der rivieren. — Waterafvoer en slibafvoer 
der rivieren. Bandjirs. — Irrigatie voor den landbouw. Organisatie. — Verkeers- 
middelen en -wegen in het land. 

III. De bewoners van Java 69 

Vergelijking van Javanen, Soemlnneizen en Madoereezen. — Badoej's en Tengge- 
ree/eo. — Wijziging van den «taalkundigen to*»tand. Uitbreiding van het Neder- 
landsch gezag. — Administratieve indeeling voor het Nederlandcch bestuur. Indoeling 
van het Inlandsen bestuur. 

IV. Economische- en cultuur-geographie van Java. Beschrijving dor dcolon 

en der nederzettingen S'2 

a. Algemeen overzicht. 

Hoofdlijnen der verandering van de economische toestanden. — Bedrijven en 
bronoen van bestaan. Productie. — Geographische verbreiding der bevolking en 
nederzettingen. — Algemeen karakter der nederzettingen De dorpen op Java en 
het landschapsbeeld. — Grootore nederzettingen. 



Yin ï yn oup. 

BUilz. 

b. Nadi're beschrijving van gedeelten des lands, der landschappen en der 
belangrijkste nederzettingen. 

1. WEST-JAVA. 112 

De kasten in het algemeen. — De kust van West-Java. A. De Westkust en 
Straat SocnJa. — B. Da Noordkust. — Bantam en Scrang. — • Vervolg der Noord- 
kust. — Cheribon. — Door het binnenland van West-Java. Het gebied der Java- 
zee. — Batavia als nederzetting in haar opkomst en betockepis. — Opkomst van 
Batavia als handelstad. — Kondom de oude stad cn nieuwe stadsgedeelten. — Buiten- 
zorg. — Verdere nederzettingen in de vlakte van West-Java. — De ProangorRcgcnt- 
schappen. — Belangrijkste nederzettingen in de PreangorT 

n. MIDDEN -JA VA. lil 

Algemeen beeld des lands. — Nederzettingen van Midden-Java. A. Aan de 

Noordkust. — Semarang. — B. Nederzettingen aan de Zuidkust. — Tjilatjap. — 
U. In het binnenland en verdere nederzettingen. 

III. OOST-JAVA. H8 

Algemeene gesteldheid des lands en rivieren. — De Solo. — De Brantas. — De 

Tonguer en Smeroe. — Vervolg Tan het overzicht. — Langs de kust. — Soernbajit, 
— Vervolg der knstbcschrijv ing en der nederzettingen aan de kust. — Verdere 
nederzettingen in Oost-Java. 

V. Eilanden rondom Java 169 

IV. H KT KI1.ANU «ADOKBA tXZ. 

Algemeene gesteldheid des lands. — Bevolking cn bronnen van bestaan. — Zout- 
monopolie. — Nederzettingen. — Eilanden om Mudoera. — Verdere eilanden nabij 



De Vorstenlanden op Java 178 

Algemeene toestand. — Agrarische toestanden. Het landelijk stelsel. — Soera- 
karta. — Djokjoknrta. 

SUMATRA EN OMLIGGENDE EILANDEN. 

I. Ontwikkeling on bionnen onzer kennis van Sumatra en zijn bewoners. 192 

Uitbreiding dor geographiseho kennis. 

II. Natuurlijke gesteldheid des lands 198 

Naam vao Sumatra. — Grootte, geographische ligging en horizontale vorm. — 
Overzicht ÏIcr orogt aphUehe gesteldheid cn van de rivieren. — Het bergland van 
West-Sumatra. — Nadere beschouwing van het bergland. — Geologische geschie- 
denis van Sumatra. — Vulkanen en jongere formaties. — Klimaat. A. Windrichting. 

— B. Regenval en andere kliinaaU-verscbijnselen. — Planten en dieren. 

III. Bevolking 225 

Bewoners van Sumatra. Volksaard. — Volksstammen <-n groepen der Inlanders. 

— I. De Maloiers. — II. Rcdjungcrs cn Lebongers. — UI. Do Larnpongers. — 
IV. De Bataks. — V. De Gajo's en Alasvolkeo. — VI. De Atjehcrs. — Ontwikkeling 
der Nederlandsche betrekkingen tot Sumatra. 

IV. Ontwikkeling der econoinischo tooatandon op Sumatra en cultuur- 
geographie 272 

Invloed der geographische ligging op de economische ontwikkeling. — De bodem 
als factor voor de economische ontwikkeling. Delfstoffen. — Bodem en planten - 
groei. — Economische toestanden. Pionnen van bestaan voor de Inlandeis. — In - 
vloed der Europeanen. Europei-sehc culture*. — Nijverheid. - HandeUontwikkcling. 

— Verkeerswegen op Sumatra" 



3 Dy V^OOglL 



INHOÜD. IX 

Bladt. 

V. Nadere beschrijving der gewesten en der belangrijkste nederzettingen. 284 

Administratieve gewcBten en natuurlijke landschappen. 

i nit i.AMPoxnst-nK pistmctkh. 286 

Algcnieene gesteldheid des land» en nederzettingen. 

Tl. PK. RF.3IT)ENTll', PKNKOKLKN. 288 

Algemecno gesteldheid en nederzettingen. 

III. HET aoUVr.HNKMENT si matra's WKSTMtST. 290 

Do Padangsche Benedenlanden. — Padang en de Emmahaven — De PadangMho 
Bovenlanden. — De rosidentie Tapanoeli. — Kilanden langt Sumatra's \S c*t - 
kust. — Pc Nassau-cilanden, — Pc Mcntawei-eilanden — l>e Batoe-cilanden — 
Niaa en de Niassers. — De Tapah- en Banjak-eilanden. Siinaloer. 

IV H KT OOIITritMrMt.NT ATJKH KW OWnKKlIO OBinWUnKK. $Q5 

Gesteldheid der kuststreken. — Opkomst en achteruitgang «nn Atjeh. Tegen- 
woordige toestand. — Puoluc Wch en dt' haven van Sabang. Beteekcnig van dc 
haven van Sabang. — Betcekenis der havona aan de Straat van Malakka. — De 
Oostkust van Atjen. 

V UK KKSII.tNTIE OUSTKUST VAM SirMATRA 'AH 

Algemeene toestand en opkomst van de residentie. Alpemeene beschrijving. — 
Europeeschc cultures en veranderde toestanden, — Werklieden — Inrichting der 
tabaksondernemingen. — Coltnnrtooatanden in vergelijking met Java. Verkeer. — 
Verdere opbrengst de» lnnds. Kortierultuur — Fntrulcutn. — Nederzettingen: Mcdan 
enz. — De verdere rivieren en kuntplaatoen. 

TI. PK UKSIIHNT1K HIOUW KM OS KKKHOORKi H KDKN. 

De Assistent-Residentie Indragiri. — Do Riouw -langpa Archipel 

VII. UK KKSIHKNTIK PAI.KMBAXCi. 338 

Algemeene gesteldheid. — Bevolking. Economische toestand. Nederzettingen. 
Palemhang. — Djsmbi (thans een afzonderlijke residentie). 

BANKA EN BILLITON. 

f- Ranka .<U4 

Algemeene beschrijving. — Middelen van bestaan. — Ontginning der tinmijnen 
en uitvoer van tin. — iSederzettingen. 

II. Billiton 353 

Algemeene beschrijving. — Bronnen van bestaan en voortbrengselen. — De tin » 
ontginning. — Nederzettingen. 

NEDERLANDSCH BORNEO EN OMLIfiflF.NDR BIT.ANDKN 

I. Ontwikkeling en bronnen onzer kennis van Borneo 358 

Overzicht der belangrijkste litteratuur en der ontdekkingen. 

II. De gesteldheid deB lands en de bewoners 363 

Algemeen overzicht. — Algemeene bouw en natuurlijke indeeling. — Het berg - 
land van Centraal- Burnco en zijn geologische geschiedenis. — Natuur de* lands in 
Contraal-Bornao. 

III. De bevolking van Borneo en de vestiging van het Nederlandsen gezag. 374 

Overzicht — De Maleiers en andere vreemdelingen op . "WoBt- Borneo. — Vesti - 
ging en uitbreiding van bet Nederlandsen gezag aan de Westkust. — DeChineezen 
in West-Borneo. — Bewoners der kuststreken van Znid- en Oost-Borneo. — Be- 



3 Dy V^iüOglL^ 



X INHOUD. 

tiukkingen met Nederland eo de grenzen ven het Ned. gezag in het Zuiden, Oosten 
en Noorden. — De inboorlingen van Borneo. — Economische en maatschappelijke 



toestanden. Productie en handelsverkeer; in- en uitvoer. 

IV. Nadere beschrijving der deelen 401 

I. IIQPXEQ' S ^ KSTKK-ArPEELI.'ïü. 401 

I. Het Kapoewas-gebied. — Pontianak. — II. Het kustgebied ten N. der Ka- 
poewaa. — 111. Ue westkust van Borneo ten Zuiden van de Kapoewas. 

If. BOKNF.Q'9 y.UlDEIt- EN QQS TKK-A FDKKI.INR. 4iü 

Borneo'» Zuidkust. De rivieren. — Nederzettingen. — De Barito, haar stroom- 
gebied en nederzettingen. — De Oostkust. I. De kuststreek van Pasir en Tanaboemboo. 
— II. Het gebied der Mahakkam of Koetei-rivier. Het rijk van Koetei. — Berou, 
Boeloengan, Tidoeng enz. 

CRLF.BES KN OMUflfiRNDK BTT.ANDKN 



I. Ontwikkeling en bronnen onzer kennis van Ceiebes en van zijne bewoners. 421 
Uitbreiding onzer kennis en litteratuur. 

IJ. Algemeen overzicht der natuurlijke gesteldheid en der bevolking van 
Celobo s 4 24 

Algemeen overzicht der natuurlijke gesteldheid. Horizontale en Terticale vorm. 
— Klimaat. — Do Bevolking. Overzicht. 

III. Beschrijving der afzonderlijke deelen en der nederzettingen 435 

a. ZUIDELIJK CKLKHKS. 435 

Het zuidwestelijke en zuidoostelijke schiereiland. De bodem. — Boegineezcn en 
Makahsaren. Economische toestanden. — Betrekkingen tot Nederland en de staat - 
kundige toestand. Nederzettingen. — Makassar. — \ erderc nederzettingen. 

b. li KM APO KW MOOHU-CKLKBBS. 445 

De residentie Menado. Betrekkingen met Nederland. — De Minahassa Gesteld - 
heid des bodem». — Bevolking. Economische en andere toestanden in Minahassa. 
■ — Nederzettingen in dc Minahassa. Menado. — Verdere nederzettingen iu Minahassa. 



— Gorontalu. 

C. rgNTRAAI.-f.KI.KnKS. 4S2 

Centraal-Celebes en de Toradja's. 

DE OOSTELIJKE EILANDEN VAN NEDERLANDSCH IND1Ë. 

A. Dn Molukken. m 

I. Ontwikkeling en bronnen onzer kennia 4bl 

Litteratuur. 

II. Beschrijving der Molukken 464 

a. AI.r.F.MV.KN OVERZICHT. Mi. 

Natuurlijke gesteldheid. — Bevolking en economische toestanden. — Litteratuur 
over Bali en Lombok. 

h HrspnRiJvran m n immii KrmnrPKW. 45Ü 

De Residentie Ternate. — De Residentie Amboinn. 



INHOUD. XI 

Bladx. 

R. Dfl Klfsinn S o fl n il a-o i ht n d p n n li Timor. 4M 

De Kleine Soenda-eilanden. 

I. Het eiland Bali 482 

Gesteldheid des lands en voortbrengselen. — Bevolking. — Volksleven, bedrijven 
on nederiettingen. 

II. Lombok 489 

Bel land. — Bevolking. Staatkundige en economische toestanden. 

III. Het ei land So embawa. , . , , . , , . , , , = = .. = = ■ 493 

Land en va lk. 

IV. Het eiland Floros 494 

Land «n Tolk. 

V. Het eiland Soamba 495 

Land en volk. 

VI. Do Alor-eilanden 496 

V I L Het e ilan d Timo r, ■ . . . ■. •. . . , , , , .. . . . , 4'J7 

Algemecne gesteldheid — Bevolking, bontaansmiddi-lcn en noderzettingeu. 

VIII. Nieuw-Guinea. . , . . . , , . , . . . . . . . . . . 501 



Algemeen overzicht. — Litteratuur. 

Ngderlandsch West-Ind ië. 

I. DE KOLONIE SURINAME. 
I. Bronnen onzer kennis van Suriname en historische opmerkingen . . .510 

Overiicht der belangrijkste litteratuur. — Nederlandtihc bezittingen in Amerika 
en historische opmerkingen over Suriname. — Ligging, naam en grenzen. 

77. Beschrijving van land en bewoners 518 

Geschiedenis Tan den bodem Tan Guyana in 't algemeen. — Da bodemgesteld - 
heid en het landschapsbeeld van Suriname. — Klimaat. — Rivieren. 

III. Bevolking 531 

Overzicht der raascn. Blanken en Kleurlingen. — Indianen. — De Bosch-Neger». 

— Verdere bevolking. 

IV. Bronnen van bestaan en economische toestanden van Suriname . . 542 

De landbouw en de factoren, waarvan hij afhankelijk is liet arbeidersvraagstuk. 

— De landbouw in Suriname. De gruote landbouw Plantage». Unlwikkeling«ge - 
schicdenia. — De kleine landbouw. — Balata-opbrengst. — Goud in Suriname. — 
Handel en scheepvaart. 

V. Beschrijving der gedeelten dea lande en der nederzettingen .... 557 

De Snriname. Parrnnnribu, — Pc Mnrowijnr Commewijnc — Wratelijk-Snrinnmc 



3 Dy V^OOglL 



XTI 



INHOUD. 



Bladi. 

II. DE KOLONIE CURACAO. 
Litteratuur. &Ü2 

I. Hot oiland Cura^ao 563 

Ligging, terreingcstcldheid en geologische boaw. — ■ Klimaa t. — Plantengroei. 
Historische opmerkingen en bevolking. — Bevolking. — Hronnen van bestaan. Kco- 
nomiiche toestanden op Curacao. — Nederzettingen. Willemstad. 

II. Hot piland Aruba 58 Q 

III. Het eiland Bonaire . , . . . , . . . , . . . , . . . . 581 

De Bilandan boven don wind . . . . , . . . , , , . . . , . 581 

IV. Het eiland St. Maarten (St. Martin) 583 

V. Het eiland SI Eustatius 584 

VI. Hot eiland Saba 5 HG 



Verbetering van pag. 336 enz. — Na het afdrukken is Djambi als afzonder- 
lijke residentie van Palembang gescheiden. Tamiang, zie pag. 328, is b\j Atjeh's 
Oostkust gevoegd. 



VERDEELING DER VOORTBRENGSELEN EN INVOER 
VAN NEDERLANDSCH INDIË. 



I. HANDEL EN SCHEEPVAART. 

Onderscheidene geographische, historische en economische 
sche ligging in factoren werkten in oude tijden samen tot de ontwikkeling van 
verband met scheepvaart en handel in den Indischen Archipel. De ligging in 

hTnde^ 60 ** et moes80n 8 ewe8t maakte het gemakkelijk zich hier op zee te 
wagen, omdat men met vrij veel zekerheid op vaste winden kon 
rekenen in de verschillende jaargetijden. Op de bewoners van het vasteland 
van Indi& is deze invloed ongetwijfeld werkzaam geweest b\j het eerste verkeer 
met de eilanden, misschien wel by het bevolken der eilanden. De verbrokkeling 
in eilanden en de ligging van deze in lange reeksen, waardoor men in den tijd 
der kustvaart langs de kusten enkel door het oversteken van smalle zeestraten 
het uiterste oosten kon bereiken, bevorderde de scheepvaart in die richting, 
zoowel van het vasteland als tusschen de eilanden onderling. Ook het bestaan 
van een rustiger binnenzee, van een middelzee, die door de eilanden van de 
groote Oceanen was afgesloten, werkte gunstig voor het verkeer, dat in de 
oudheid overal het eerst en meest over middelzeeën plaats had. Verder was het 
gelijkmatig klimaat, waarbij de moesons weinig door stormen worden afgebroken 
en verstoord (zie I, pag. 121), bevorderlijk aan de ontwikkeling der scheepvaart. 

Naast de natuurlijke gesteldheid bevorderden de verschillende economische toe- 
standen der bevolking en het verschil in productie het verkeer tusschen de eilanden 
onderling en met het vasteland. Java was reeds in de oudheid een voortreffelijk rijst- 
land, dat veel van dat produkt uitvoerde. Daarenboven werd Midden-Java destijds 
ook rijk aan goud genoemd. De oostelijke eilanden van den Archipel, de Molukken, 
bezaten grooten rijkdom aan specerijen; Sumatra was van ouds bet peperland. 
Die voortbrengselen en nog andere riepen een levendigen handel met het vaste- 
land van Indië, met China, Perzié en Arabië in het leven. 

Toch bleef de richting der handelsbeweging eenzijdig. Waren Australië met 
Nieuw Quinea en de overige eilanden economisch ontwikkelde landen geweest, 
dan zou de Indische Archipel een bemiddelende rol vervuld hebben tusschen 
Azië en Australië; daartoe was hl] aangewezen door de ligging; nu was de 
Archipel voor het vasteland, en waren do kustlanden van Azië voor don Archipel 
het einddoel der beweging. Dientengevolge was het eiland Java door z\jn 
II 1 



2 



geographische plaats aangewezen om een bemiddelende rol te vervullen tusschen 
het oosten en bet westen van den Archipel en met het vasteland van Azië. De 
ligging in het midden van de eilandenrjj, die het zuiden van den Archipel uit- 
maakt, en de betrekkelijk vele goede natuurlijke havens langs de veilige noord- 
kust van Java, tevens de kust, welke het best naar het binnenland van Java toe- 
gang aanbood, deze omstandigheden gaven aan dit eiland bijzondere voordeelen voor 
een handelscentrum. Daarbij kwam, dat de eigen produkten er al vroeg aan- 
leiding gaven tot handel, zoodat de bevolking als het ware voor het ver- 
keer over zee werd opgeleid. Deze omstandigheden maakten Java in de oud- 
heid het eerste zeevaart en handel uitoefenende eiland van den Archipel, welks 
schepen alle eilanden in het Oosten bezochten, en die op Palembang een eerste 
belangrijk handelsstation hadden in het westen. Niet onwaarschijnlijk werd de 
scheepvaart op Java weldra gedeeltelijk ook gedreven met vreerode schepen en 
onder vreemde bevelhebbers, terwijl de Javanen zelf zich meer met den land- 
bouw en andere bedrijven bezig hielden. De Madoereezen, op hun minder vrucht- 
baar eiland, de Boegineezen, langs de kust van zuidelijk Celebes, zij waren door 
hun land meer direct tot zeevaart aangewezen, maar door de gunstige ligging 
en voortbrengselen van Java concentreerde zich de handel op zijn havens, en 
van hier uit werden de andere eilanden bezocht Ook de Maleiera der kustlanden 
in bet westen dreven zeevaart over den geheelen Archipel, en daarenboven 
deden voornamelijk de Indiërs, Chineezen en Arabieren in de Javaansche havens 
zaken gedurende de middeleeuwen. Uierdoor werd Java in economisch opzicht 
het meest ontwikkelde eiland van Indië, het centrum van een levendig verkeer 
en drukken handel, het eiland met de meest dichte bevolking. Over het grootste 
gedeelte van het eiland namen de bewoners aan de economische beweging der 
kuststeden deel, wat op weinig andere eilanden in den Archipel zoo zeer het 
geval was. Daardoor bloeide naast de scheepvaart en den handel hier de land- 
bouw, die afzet vond voor de produkten des lands. 

Door die welvaart werd Java een begeerlijk bezit voor vreemden ; eerst de 
Hindoe's en later de Arabieren wisten er de macht te verkrijgen. Dit eiland, 
dat aan het eind der middeleeuwen in den meest bloeienden toestand verkeerde, 
werd in den tijd der Ned. Oost-Indische Compagnie ook het hoofdstation voor 
den Europee8chen handel en voor de vestiging van dit handelslichaam. 

Vooral voor de Europeanen, die de reis om Kaap de Goede Hoop maakten, 
was Java het aangewezen handelsstation, omdat men door de zeestraat aan 
den westkust van Java, door Straat Soenda, het gemakkelijkst den Archipel 
der Austraal-Aziatische Middelzee binnenkwam. 



Verdere ont ** et boven & 6ze 8de verklaart ons, waardoor Java het econo- 
wikkeiingvan misch zwaartepunt van den Indischen Archipel werd in den tijd 
den handel tot der oude geschiedenis en der middeleeuwen, waardoor Java het 
vrijhandel. dichtstbevolkte eiland werd. Sumatra, met een minder genaak- 
bare kust, waar het verkeer van de kust met het binnenland moeilijker was, 
ook met geringer bevolking in de kustlanden, en Borneo, met zijn te uitgestrekte, 
ondoordringbare kustmoerassen, die schaarsch bewoond waren, zij boden niet 



de natuurrUjke voordeelen aan tot ontwikkeling van landbouw en het vestigen 
van nederzettingen voor het verkeer als de kust van Java. Wel konden op 
de andere eilanden enkele nederzettingen op geschikte punten zich tot handels- 
centra uitbreiden, maar niet, zooals op Java, een geheele reeks langs de kust. 
Die eilanden, dun bevolkt als ze waren, hadden ook geen ruim economisch 
achterland, zooals Java met zijn dichte bevolking dat aanbood. De enkele kust- 
nederzettingen op genoemde andere eilanden werden handelsvestigingen, waar* 
mede Java's steden in betrekking stonden, het waren uitvoer- en invoerhavens 
van enkele artikelen en koopwaren. In het westen waren Falembang en Atjeh 
belangrijke verkeerscentra van Sumatra, en Malakka werd sedert de 13<fo eeuw, 
toen het gesticht werd, een handelscentrum. In het oosten vormde Makassar 
een belangrijk handelsmiddelpunt. 

De versnippering van den Indischen Archipel in eilanden en het gemis van 
een zelfstandige economische ontwikkeling der Inlanders in de meeste gewesten 
had ten gevolge, dat in het binnenland geen aanzienlijke handelssteden ont- 
stonden. Geen gewest bijna, of in- en uitvoer liepen er bijna direct in de rich- 
ting van de kust, maar nergens concentreerde zich aanzienlijk verkeer op binnen- 
landsche handelscentra. Alleen voor Java geldt dat niet volledig, maar toch ten 
deele. De drang tot ruilen en handelen, tot voortbrengen en arbeiden kwam 
van de kusten, en wel hoofdzakelijk door vreemden, weinig uit eigen initiatief. 
Van de kusten drongen vreemde handelaars bet land binnen, en waar zij kwamen, 
werden de .bewoners meer of minder economisch wakker of ook geëxploiteerd. 

De handel van elders op den Indischen Archipel werd gedurende de middel- 
eeuwen hoofdzakelijk gedreven door Hindoe's, Chineezen, Arabieren en Perzen. 
Voornamelijk door bemiddeling der Arabieren leerde Europa in de middeleeuwen 
de Indische produkten aan de Middellandsche zee kennen. De expansie en onder- 
nemingsgeest van Portugal leidde in 1496 den directen handel van Europa niet 
Indië in door het ontdekken van den zeeweg en sedert 1508 stond de Indische 
Archipel in geregelde handelsbetrekking met de Nederlandsche Oost-Indische 
Compagnie. Die betrekking, welke tevens een staatkundige werd, wijzigde den 
handelstoestand van den Archipel zeer. Vroeger bestond er vrijheid van handel, 
en waren de havens voor alle schepen toegankelijk. De komst der Europeanen 
leidde tot invoering van het monopoliestelsel, door onderscheidene vorsten werd 
aan de Compagnie de alleenhandel in onderscheidene artikelen bi) contracten 
en verdragen toegestaan. Voor de Molukken gold dit monopolie het sterkst, 
op Sumatra en Borneo bad het slechts betrekking op enkele plaatsen, maar op 
Java verkreeg het de meeste beteekenis. Andere Europeesche schepen werden 
uit de met de Compagnie verbonden havens geweerd. De uitvoerhandol van den 
Archipel concentreerde zich voornamelijk op Amsterdam en Rotterdam en de 
andere havens der kamers van de Compagnie. In den tyd der Compagnie 
had de scheepvaart van Nederland op Indiö aldus plaats. De schepen zeilden 
altijd vereen igd in vloten, van welke er gewoonlijk drie in een jaar Nederland 
verlieten. De meeste schepen keerden alle tezamen als retourvloot terug, 
vermeden het Engelsche Kanaal, en zeilden om Schotland heen. ten einde het 
gevaar te vermijden van aangovallen to worden. I.uzac vermeldt, dat van 1593 



Digitized by Google 



1 



tot 1648 uit Indië naar Nederland waren gezeild 334 schepen en van 1648-1700 : 
1051 schepen. Over het tijdperk van 1603 - 1781 verlieten gemiddeld niet 
meer dan 25 schepen per jaar Nederland voor de reis naar Indië, en de reis 
duurde zes of zeven maanden, soms ook wel een jaar. In de pakhuizen van 
Amsterdam waren schier altyd de Indische artikelen voor den Europeeschen 
handel te verkrijgen. 

In de dagen der Compagnie bestond er nog een levendige handel der 
Inlanders met Oosterlingen, die buiten de controle en het toezicht der Com- 
pagnie viel, soms zelfs door haar beschermd werd. Chineezen, Arabieren, Mooren, 
Klingaleezen hadden den inlandschen handel meestal in handen, voeren onder 
de beschermende vleugelen der Compagnie van haven tot haven in den Archipel 
heen en weer, en met hun onvermoeiden handel verbonden z\j ook al spoedig 
het bedrijf, om als geldschieters op te treden. Daardoor werd er ongetwijfeld 
veel inbreuk gemaakt op het monopolie der Compagnie door clandestienen handel. 
Verder bestond er een z.g. particuliere handel, dien de ambtenaren der Com- 
pagnie in 't geheim dreven in artikelen, waarvan zy het monopolie had. Wat men in 
de termen der Compagnie als „particulieren" handel aanduidde, was eigen- 
lijk clandestiene handel, welke de Compagnie door de bestaande corruptie 
niet kon te keer gaan, en wat wy tegenwoordig particulieren handel noemen heette 
destyds „gepermitteerde vrije handel." Naast het monopolie der Compagnie be- 
stond dus de Inlandsche handel, de particuliere handel, de gepermitteerde 
" vrije handel en de clandestiene handel, een mixtum van handelsbetrekkingen, 
welke aanleiding gaven tot allerlei ontduikingen van het monopolie, en waarvan 
eindelijk ook andere Europeanen gebruik maakten. 

Zoo zag men in den tijd der Compagnie meer en meer den vreemden handel 
in den Archipel opkomen. Tegen het eind der 18de eeuw hadden de Engelschen 
er zich ingedrongen en meester gemaakt van den handel op onderscheidene 
eilanden. Hun sluikhandel was toegenomen, zonder dat de Compagnie dit be- 
letten kon, en by den vrede van Parijs in 1784 was de Compagnie verplicht 
Engeland vrije vaart in de oostelijke zeeën van Indië toe te staan. Ook de geldnood 
van het bestuur der Compagnie in Indië, dat uit Nederland by den ongunstigen 
toestand der Compagnie niet de noodige kasmiddelen kreeg, maakte het noodig, 
dat vreemde hulp moest worden ingeroepen, om aan geld te komen. Daartoe werden 
koffie, tin, peper, nagelen, noten, suiker enz. aan vreemdelingen in Indië ver- 
kocht. Hiermede was feitelijk een bres geschoten in het monopolie, en op het 
eind der 18de eeuw ging het geheel te gronde, niet ten bate van den handel 
van eigen landgenooten, voor wie ten gevolge van den in 1795 hernieuwden 
oorlogstoestand alle handelsverkeer met Indië was afgesneden, maar ten bate 
van vreemde handelaren, die aller wego binnendrongen, waar wat te verdienen 
viel. Sedert verschenen vreemde vlaggen ongestoord in den Ned. Indischen Ar- 
chipel, voornamelijk waren het Amerikaansche kooplieden, die hierbij meer 
op den voorgrond traden; z;j voerden de benoodigdheden voor Java aan, 
kochten de produkten aldaar in, en de Ned. Regeering bevorderde dit. Tijdens 
bet Briteche tusschenbestuur wilde Rafflks hieraan echter een einde makon; 
by zijn komst in Indië verzekerde hy, „den handel van Amerikanen en 



Digitized by Google 



ft 

andere handelsbeunhazen en gewetenlooze gelukzoekers*' te zullen beperken. 

In de bijzonderheden der handelsgeschiedenis mogen wij hier niet treden, 
slechts enkele lijnen geven w\] aan, die in de tegenwoordige toestanden uitloopen. 

Onder het Engelsch tusschenbestuur veranderde het karakter van den handel 
nog weinig. Rafflf.s was ook vervuld van de gedachte vreemden uit te 
sluiten en den handel voor eigen landgenooten onder Britsche vlag te behouden. 
Toen in 1816 de Koloniën weder aan Nederland teruggegeven werden, luidde 
de Instructie voor de Commissarissen-Generaal, aan wie het eerst namens bet 
Ned. gezag het bestuur op Java werd opgedragen, vrijen handel te geven aan 
Ned. Indie, waarbij echter de welvaart van het moederland op den voorgrond 
moest staan. Met dit laatste doel werden o.a. de aan den lande geleverde specerijen 
aan den vrijen handel onttrokken, om voor rekening van den staat ten verkoop 
naar Nederland te worden gezonden, doch voor de overige landsprodukten zou 
verkoop in IndiS nu regel bUjven. 

Door die opvatting werd de Archipel zelf meer het handelsterrein voorzin 
produkten. De particuliere handel in de tegenwoordige beteekenis kwam nu in 
Indië spoedig tot bloei en welvaart. Batavia, destijds nog de hoofdstapelplaats 
voor den handel, leefde op. Het aantal aanzienlijke handelshuizen nam hier toe, 
van 10 in 1816 tot 16 in 1821. De statige woonhuizen, welke vroeger de Kali 
Besaar omringden, werden kantoorlokalen en pakhuizen, en dit gedeelte der 
nederzetting werd een koopmansbuurt, waar in 1818 het Beursgebouw verrees. 
Op de reede van Batavia wemelde het van vlaggen van allerlei natiën, en de 
kusten van Java hadden een levendig verkeer. Doch het leeuwendeel van dit 
verkeer was in handen van vreemde reeders en handelaren, en dit baarde het 
moederland zorg. De „Kamer van Koophandel en Fabrieken" te Amsterdam 
kwam reeds in 1817 daartegen op in een adres, en ook ten behoeve van België 
werd in Nederland het beginsel aangenomen, vreemde mededinging in Indië 
te fnuiken door bescherming van nationale nijverheid, scheepvaart en handel. 
De hoofdrichting der Nederlandsche handelspolitiek was nu geruimen tijd, om 
den invoer van Nederlandsche fabrikaten in Indië te begunstigen, als een middel 
tevens om aan de Nederlandsche markt den aanvoer van Indische uitvoerartikelen 
te verzekeren. Met dat doel werd een stelsel van differentieele rechten 
voor invoer en uitvoer vastgesteld, waarbij Nederlandsche nijverheid en handel 
in gunstiger omstandigheden gebracht werden dan de buitenlandsche. 

Toch hielp dit niet voldoende om de markt van Indische produkten weder 
in Nederland te doen herleven en den Nederlandschen handel er boven op te 
helpen. Men zocht naar allerlei andere middelen en in 1824 werd de Ned. 
Handelmaatschappij opgericht, met het doel, zooals het luidt, om de her- 
levendiging van den nationalen handel, de scheepvaart, scheepsbouw, visschery, 
landbouw en fabrieken te bevorden, met inachtneming van haar eigen belangen. 
De oprichting der Nederlandsche Handel maatschappij had bovenal een Neder- 
land sch doel, geen Indisch, en zelfs was men in Indië tegen de oprichting 
gestemd. Die tegenstand werd vooral later grooter, toen aan de Handelmaat- 
schappij door contracten van oonsignatie groote voordeelen werden geschonken 
door de Ned. Regeering. 



6 



Do Ned. Handel maatschappij heeft den Ned. Indischen handel weinig ver- 
beterd. Had men in 1824 op Java een beter muntstelsel en volledige handels- 
vrijheid gehad, en ware het moederland met meer kennis van zaken opgetreden, 
zy zou misschien nooit zijn opgericht. De Ned. Handelmaatschappij werkte in de 
eerste jaren zelfs met verlies. Eerst nadat in 1830 het Cultuurstelsel was inge- 
voerd, en de Staat als landbouwer vele produkten uit Indie verkreeg, werd dit 
anders. Uit vrees voor de concurrentie der Britsche handelaren en om andere 
redenen besloot men toen, dat de Gouvernementsprodukten niet in Indië op de 
markt gebracht, maar naar Nederland vervoerd zouden worden met Nederlandsche 
schepen. De Nederlandsche regeering kwam nu met de Ned. Handelmaatschappij 
overeen, dat zij de gouvernementsprodukten met Nederl. schepen naar Nederland 
zou transporteeren en daar verkoopen. Dit stelsel, het z.g. consignatie- 
stelsel, heeft door voordeelige bepalingen aan de Ned. Handelmaatschappij 
groote voordeelen opgeleverd, en tevens den handel in Indiscbe produkten naar 
Nederland verplaatst en aan Indiö onttrokken. Een gevolg van dit stelsel en 
de bevoorrechting van een Maatschappij was, dat een tijdperk van kwijning en 
ontmoodiging voor den Indischen particulieren handel intrad, een toestand, die 
nog verergerd werd door de slechte gesteldheid van het muntstelsel en het 
ontbreken van een goed crodiet wezen. 

Eerst met de tweede helft der 19de eeuw brak er een tijdperk van ver- 
betering in den toestand van den handel van Ned. Indië aan. De verbetering van' 
het muntwezen, de scheepvaartwet van 1850, welke onderscheidene belemme- 
ringen der scheepvaart wegnam, de langzame loslating van het consignatiestelsel, 
waardoor een gedeelte der Gouvernementsprodukten ook in Indië ter markt 
konden worden gebracht, het opheffen der differentieele rechten in 1874, en 
vooral dat het Gouvernement de rechtstreeksche bemoeiingen met de cultures 
losliet, ten einde die aan particuliere ondernemingen over te laten, dit zijn eenige 
belangrijke feiten, welke in de laatste halve eeuw op den handel en de scheep- 
vaart van Ned. Indië grooten invloed hebben uitgeoefend, en door de vrijheid 
er grooter ontwikkeling aan gaven. 

In de tweede helft der 19d« eeuw heeft Ned. Indië handelsvrijheid ver- 
kregen. De handelsverdragen door Nederland met vreemde Mogendheden gesloten 
hebben alle de clausule, „te zullen behandeld worden op den voet dor meest 
begunstigde natie", welke ook voor de Koloniën geldt. Sedert het Cultuurstelsel 
werd ingekrompen tot de koffiecultuur is de handel en zijn de cultuur-onder- 
nemingen meest in particuliere handen, en alle vlaggen staan in Indië gelijk 
met elkander. Ileeds in den tijd der Compagnie en ook onder Daendels werden 
aanzoeken gedaan tot toelating en erkenning van vreemde handelsagenten in 
den Ned. Ind. Archipel, wat evenwel niet werd toegestaan en evenmin werd 
een aanvraag van Engeland daartoe in 1819 ingewilligd. In 1855 gaf de Ned. 
Regeering toe om Consuls van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika toe te laten, 
en met meest alle landen zijn sedert overeenkomsten omtrent de toelating van 
consuls gesloten. De voornaamste voorwaarde is, dat de consuls geen diplomatiek 
karakter hebben, maar enkel handelsagenten zijn, onderworpen aan de burger- 
lijke en strafwetten des lands. Ook is het Jus asyli" niet aan de woningen 



Digitized by Google 



7 

der consuls toegekend ; zoogenaamde „exterritorialiteitsrechten" genieten zy niet 
De Regeeringsalmanak van Ned. Indië geeft de namen en standplaatsen der 
consuls in Ned. Indië op. 

De vlaggen van alle bevriende natiën worden sedert 1865 bij de groote 
vaart in Ned. Indië gelijk gesteld met de nationale Ned. vlag. Die geUJksteUing 
geldt alleen voor de groote vaart, niet voor de kustvaart. Vóór 1808 was de 
kustvaart alleen toegelaten voor schepen in Indiö te huis behoorend en voor 
inlandsche schepen; in genoemd jaar werd ook aan Ned. schepen daartoe recht 
gegeven. Alleen bh" uitzondering voor bet vervoer van suiker kan sedert 1890 
de Gouv. Gen. ook aan vreemde schepen de kustvaart toestaan, om daardoor 
de door sereh-ziekte bedreigde suiker te hulp te komen. 

De havens in Nederlandsen Indiö worden onderscheiden in havens voor 
de kustvaart, cL i. havens, waar alleen de tot de kustvaart gerechtigde 
schepen worden toegelaten, en havens voor den algemeenen handel 
geopend, die toegankelijk z\jn voor de schepen van alle bevriende natiën. 
Met het oog op de in- en uitvoerrechten worden onder deze laatste nog onder- 
scheiden de vrijhavens: de havens van Riouw, Makassar en Sa- 
bang op Poeloe Weh, welke buiten het tolgebied zijn gesteld, en die men zonder 
douanerechten vrij kan in- en uitvaren. De havens opengesteld voor 
den algemeenen handel z\jn voor alle schepen van bevriende natiën 
gelijkelijk toegankelijk, mits zij zich onderwerpen aan de verordeningen op het 
gebruik dier bavens, in- en uitvoerrechten voldoen enz. Tot deze laatste groep 
behooren de meeste havens van den Indischen Archipel. Zij zijn de volgende: 
Koepang, Anjer, Bantam, Batavia, Indramajoe, Cheribon, Tegal, Pekalongan, 
Seraarang, Djoewana, Rembang, Soerabaja, Pasoeroean, Probolinggo, Bezoeki, 
Panaroekan, Banjoewangi, Tjilatjap, Padang, Priaman, Ajerbangis, Natal, Siboga, 
Baros, Singkel, Benkoelen, Telok Betong, Palembang, Muntok, Tandjong Pandan, 
Pontianak, Pemangkat, Sambas, Singkawang, Bandjermasin en Sampit, Moeara 
Kompeh (Djambi), Bengkalis, Ketapang, Amboina, Banda, Ternate, Roepang, 
Pabean, Tamboekoes, Sangit, Loloan, Ampenan, Laboean- Hadji en Pidjoe, Me 
nado, Kema, Amoerang, Ratah-Totok, Kwandang en Gorontalo, Kroë, Oeleë 
Lheuë, Tapa Toean en Merauke. (Zie de Regeerings Almanak voor Ned. Indië). 
Verder zijn nog toegankelijk voor alle schepen zonder onderscheid de zoogen. 
Inlandsche havens, d. i. havens van Inlandsche vorsten en volken, wier 
landen niet staan onder het rechtstreeksch bestuur van het Nederl. Ind. Gouver- 
nement. De Regeerings Almanak van Nederlandsch Indië somt ook deze havens 
jaarlijks op. 



o t ikk ün W ^ zagen reeds, dat in de oudheid en in de middeleeuwen 
van de scheep? in den Archipel een levendig scheepvaartverkeer moet hebben 
vaart naar «n bestaan, en wie de belangrijkste schippers waren. Handel en 
In Ned. Indië. 8C heepvaart waren tot den aanvang der 19d« eeuw nog nauw 
met elkander vereenigd. In den tijd der Compagnie ging de Javaansche scheep- 
vaart sterk achteruit even als de eigen handel der Javanen. De handel in spece- 
rijen uit de Molukken werd onderdrukt door het monopolie der Compagnie, 



Digitized by Google 



8 



maar ook de handel in sandelhout en was met Timor, de handel in kleedjes 
en rüst met Zuid-Celebes, de diamantenhandel met West-Borneo, de kamfer-, 
goud- en benzoëvaart op Palembang, de rystvrachtv'aart op Malakka. In den 
tijd der Ned. Oostrlndische Compagnie werd die terugdringing van den Javaan- 
schen handel voltooid. 

Het die inkrimping van den handel ging ook de Javaansche scheepvaart, 
die eens zich van de Molukken tot Malakka uitstrekte, hoe langer hoe meer 
achteruit. Java was door de natuurlijke ligging, gelyk wij zeiden, de bemidde- 
laar geworden tusschen het uiterste oosten en westen van den Indischen Ar- 
chipel. Nog in het begin der 17de eeuw had Java een aanzienlijke scheepvaart 
en Bantam en Grissee waren destijds belangrijke handelshavens. Maar de handels- 
politiek en de oorlogen met de Compagnie hadden den ondergang van den handel 
en daarmede de vernietiging der scheepvaart in onderscheidene havens ten ge- 
volge. Batavia, de zetel van den handel der Compagnie, kwam op, doch bijna alleen 
voor haar handel, en andere havensteden gingen achteruit. In het midden 
der 18de eeuw was de groote vaart van Java daardoor geëindigd. De Compagnie 
bad alle scheepvaart overgenomen, en voor de Javanen bleef onkel de kustvaart 
over. Zelfs ook deze ging grootendeels in andere handen over. 

Het best bleef de scheepvaart, als kustvaart en ook binnen den Archipel 
voor de groote vaart, nog bestaan by de Madoereezen. De Madoereezen zijn 
van nature visschers en schippers, kloek en vol ondernemingsgeest, stout in waag- 
lust, een eilandertype, als de Nederlandsche Zeeuwen, dat in vele opzichten 
scherp afsteekt by den landbouwenden Javaan. De Madoereezen nemen nog 
deel aan de groote vaart, bezoeken Oost- en West in den Archipel met hun 
open vlerkprauwen en opgebouwde prauwen. Zy komen daarin overeen en stonden 
ook in betrekking met de Boegineezen en Makassaren, die zich even- 
eens door hun geschiktheid en voorliefde voor de scheepvaart onderscheiden. 
Reeds eeuwen geleden waren deze als goede zeelieden bekend en in 1676 werd 
door Amanna Gappa een handels- en scheepswetboek samengesteld, dat by 
Boegineescbe handelaren nog in aanzien is. Daardoor hebben Boegineezen zich 
ook als kolonisten op de kusten van Borneo, op Flores en verscheidene eilanden 
ten O. van Lombok gevestigd. Ook op Lingga en op de Oostkust van Sumatra 
hebben zy een rol gespeeld. Nog heden ten dage is hun scheepvaart belangrijk. 
Verder waren de eigenlijke Mal ei er s van ouds door hun scheepvaart bekend. 

De inlandsche scheepvaart wordt in de laatste halve eeuw meer en meer 
verdrongen door de Europeesche. De toepassing van den stoom op het voort- 
bewegen van schepen, welke in 1801 in Schotland met goed gevolg het eerst 
in Europa was uitgevoerd, bracht een geheele omkeering in het verkeer te water. 
Achttien jaar na het te water laten van het eerste stoomschip en oen jaar 
nadat in Amerika het eerste oceanisch stoomschip in de vaart was gebracht 
wendde de firma Deans Scott & Co. te Batavia zich tot den Gouv. üen. Van 
der Capellen met het plan, om zes houten raderbooten te laten bouwen voor 
de kustvaart langs Java. Deze onderneming kwam nog niet tot stand, maar in 
1824 werd Isaac Burgess te Batavia met uitsluiting van alle anderen het mono- 
polio verleend, om stoomschepen te bouwen en daarmede de kust van Java te 



9 



bevaren. Het eerste stoomschip, de „Van der Capellen", begon in 1825 de vaart 
door de Indische wateren. 

Intusschen was ook in Nederland de gedachte gerijpt, om stoomschepen 
van hier naar Indiö te zenden, en de ondernemende Koning Willem I bevor- 
derde dit zeer. Doch de proef met het eerste stoomschip, voor dit doel in 1827 
gebouwd, de Atlas, mislukte, en er moesten nog meer vergeefsche pogingen 
aangewend worden, vóór een stoomschip uit Nederland Indië bereikte. Het was 
de Willem I, die van Texel vertrokken den 7<fen Febr. 1836 het eerst te Onrust voor 
Batavia aankwam, en in 1836 werden ook twee ijzeren oorlogsstoomschepen, uit 
elkander genomen in Indiö aangevoerd, daar te water gelaten: de Hekla en de 
Etna. In 1839 kwam een tweede stoomboot uit Nederland in Indië aan, de Phoenix. 

Nog vele jaren, tot 1870, nadat in Indiö lang stoomschepen in de vaart waren, 
werd het directe verkeer van Nederland met Indië, een enkel stoomschip uitge- 
zonderd, b\jna uitsluitend door zeilschepen tot stand gebracht. De indirecte geregelde 
verbinding met Indië door stoomvaart werd verkregen in 1845, toen een stoomvaart- 
dienst van Suez over Ceylon en Madras naar Calcutta en Singapore werd ge- 
opend, alsmede een lijn van Ceylon over Singapore naar Hongkong, waardoor 
er een maandeujksche dienst ontstond tusschen Engeland en China. 

In aansluiting hierbij liet de Ned. Indische regeering toen elke maand een 
oorlogsschip van Batavia naar Singapore varen, om de „over landmail" te brengen 
en te halen. Uiterst traag breidde de stoomvaart zich uit. In 1847 kwam het 
eerste scbroefstoomschip uit Nederland in Indiö, maar in 1849 was er nog slechts 
één particulier stoomschip van Nederland uit in de vaart, toebehoorende aan 
de Ned. Ind. Stoomvaartmaatschappij, dat Batavia, Semarang en Soerabaja bevoer, 
en in 1853 waren in Ned. Indië slechts 7 particuliere stoomschepen. Vreemde 
stoomschepen werden tot dusverre zelden of nooit in Indië gezien; daarom ver- 
melden w\j de komst van een Engelsch stoomschip, de Bahiana, in 1859 te Batavia, 
dat een telegraafkabel aan boord had, die van Batavia naar Singapore zou gelegd 
worden. Dit schip had de reis van Liverpool naar Batavia gedaan in 68 dagen. 

In Indiö gevoelde men behoefte aan geregeld verkeer tusschen de eilanden. 
Daartoe sloot de Indische Regeering in 1852 een contract met W. Cores de 
Vries, ten einde een geregelde stoomvaart in den Indischen Archipel te onder- 
houden, die in 1854 en later werd uitgebreid. In 1865 werd de pakketvaart in 
Indië b\j contract opgedragen aan de r Ned. Ind. Stoom vaartmaatschappij," eigen» 
lijk een Engelsche onderneming met Engelsch kapitaal en met den hoofdzetel 
te Londen. Deze Maatschappij bleef het vervoer in Indië behouden tot 1891, 
toen door de Regeering een contract werd gesloten met de r (Koninklijke) Pakket- 
vaart Maatschappij", een Nederlandsche vereeniging, die hoofdzakelijk in Nederland 
haar schepen liet bouwen. Met 18 schepen begonnen, was het aantal in 1899 
aangegroeid tot 33, en in 1001 bedroeg het 45. In 1902 is met Rijkssubsidie 
ook een geregelde verbinding van Java met China en Japan tot stand gebracht. 

Reeds in 1851 waren onderhandelingen aangeknoopt met het Departement 
van Koloniën om steun te verkrijgen voor de oprichting van een Nederlandsche 
maatschappij met geregelde vaart van booten van Nederland op West-Indië, Midden- 
Amerika en Java. Doch het benoodigde kapitaal kon destijds nog niet verkregen 



10 



worden. Eerst in 1870, na de opening van het Suez-kanaal, werd een nieuwe 
poging gedaan om een directe stoomvaartverbinding van Nederland naar Ned. Oost- 
Indië te verkrijgen, en thans kwam na eenige moeite de maatschappij Neder- 
land tot stand, aanvankelijk met 4 schepen, welker eerste schip, de Willem 
III, den 18<ien Mei 1871 de reis naar Indië aanvaardde, doch door brand dit land 
niet bereikte. Eerst in 1875 begon de dienst van Nederland op Ned. Indië met 
vaste datums van vertrek om de vier weken. Sedert breidde zich het direct en 
indirect geregeld stoomvaartverkeer van Nederland en andere landen met Ned. 
Indië uit en verrezen er onderscheidene maatschappijen met dit doel. Verschil- 
lende hadden slechts een kort bestaan, doch de Rotterdamsche Lloyd, 
in 1883 opgericht, en de Oceaan bestaan thans naast de Nederland, met 
geregelde verbinding. 

De scheepvaart op Nedorl. Indië, evenals over 't geheel in het Oosten van 
Azië, heeft een groote uitbreiding verkregen na de opening van het Kanaal van 
Suez, terwijl gelijktijdig het laadvermogen der schepen sterk is vergroot. In 
Ned. Indië bedroeg het aantal ingeklaarde schepen in 1876: 7463 met een ge- 
zamenlijke inhoudsruimte van 2 294 187 M 3 , en in 1902 was het aantal inge- 
klaarde schepen gedaald tot 4475, maar was de inhoudsruimte toegenomen tot 
6 302 000 M*. (Een volledig overzicht der stoomvaartverbindingen volgt aan bet slot.) 

De havens ^° liavenö m Nederlandsch-Indiö, waarvan de scheepvaart ge- 
bruik kan maken, zyn meest nog zeer primitief. Alleen Batavia 
heeft door de haven Tandjong Priok, Padang door de Emmahaven ge- 
legenheid om de schepen aan kaaimuren gemeerd togen weer en wind veilig te 
leggen. De in 1898 opgerichte vennootschap: „Zeehaven en kolenstation Sabang" 
heeft op het eilandje Poeloe Weh nabij den noordhoek van Sumatra de in 1895 in 
de baai van Sabang geopende haven in exploitatie en er een kolenstation gevestigd, 
alsmede een droogdok, loodsen enz. De haven van Sabang is een vrijhaven. 

Do overige havenplaatsen van Indië hebben niet meer dan reeden, waar de 
schepen eenigszins beschut bn* voordeeligen wind kunnen ankeren, en vanwaar 
de gemeenschap met den vasten wal moet onderhouden worden door grootere 
en kleinere prauwen. De zoogenaamde prauwenveeren, in den laatsten tijd 
veel gecombineerd tot groote vereenigingen, brongen dit verkeer tot stand. Zelfs 
te Batavia zijn de prauwen nog niet overbodig, en zij nemen oen niet onbe- 
langrijk aandeel in het vervoer van de nieuwe haven van Priok met de oude 
stad. Doch by onstuimig weer en ongun9tigen wind wordt soms de verbinding 
van vele havens met den wal onmogelijk. Zelfs bij belangrijke havenplaatsen als 
Semarang en Soerabaja is de toestand van de havens nog bijna dezelfde als in 
den tijd der Compagnie. Op dit gebied valt er nog veel te verbeteren. 

De koopvaardijvloot van Ned. Indië, die in 1893 bestond uit 
inNcdTndi? 82 stoomschepen (76879 M»), 1890 zeilschepen (233809 M J ), waar- 
van 1627 (776 87 M') op inlandsche w«ze getuigd, bestond in 1902 
uit 157 stoomschepen (145 079 M 5 ) en 2594 zeilschepen (325 361 M s ), waarvan 
2272 U28 737 M 3 ) op inlandsche wijze getuigd. Voor het verkeer met gewesten 



11 



4 



buiten Ned. Indië nam de zeilvaart in de laatste jaren sterk af, en wordt 
vervangen door de stoomvaart. In 1875 werden in de haven van Batavia in- 
geklaard 230 geladen stoomschepen en 305 geladen zeilschepen, in 1903 : 262 
geladen stoomschepen en 11 geladen zeilschepen; te Soerabaja in 1875: 130 
geladen stoomschepen en 125 geladen zeilschepen, in 1902 reap. 223 en 2. 

Het aandeel van de onderscheidene landen in het scheepvaartverkeer van 
het buitenland met Ned. Indië leert het volgend overzicht kennen. 





Ingrklaardo schepen. 


Vlaggen. 

DO 


1882. 


18U7. 


1902 




X nntkl 

.» aniai . 




Anniai. 


iiini) Kli , 
1 wil Hl . i 


» „nt ft] 


1 HOU XI ' 


Nederland j " 


04 
'J4 


1(12 


'.)'.) 
2U 


r>3Ï^ 

72 


102 " 
4 


753 
15 


Totaal . . . 


158 


153 


llf 


oitö 


100 


7GS 


En ^ Und ! :S cb 


202 
110 


1 30 


278 
37 


1 02» 
14Ü 


351 
| 11 


1 454 
04 


Tutaal . . . 


812- 


2U2 


315 


1 17a 


1 """802 


1 518 


Frankrijk j «J^; ; ; 


2<< 

Ui 


13 
0 


28 


06 


32 
5 


!)9 

22 


Totaal . . . 


31» 


19 


28 


t;o 


37 


121 


DuiUchl. » t 7 IUftCn 

( zcilsch. 


13 


10 

28 


118 
8 


350 
27 




334 
3 


804 
11 


Totaal . . . 


71 


44 


120 


370 


337 


875 


Denemarken "" UU '» LU - 

/ zei lach 


6 


.) 


2 


2 

17 ; 


4 


4 


Totaal . . . 


0 


2 


10 




^ ... 


4~~ 


tm i \ ati>0m»ch 

« i f "«"vuinu. .... 

^ Weden • J zoiUch 


li» 


i» 


i 


3 






Totaal . . . 


!«) 


9 


1 


8 






Noorwegen j 


*> 

04 


3 
41 


30 
12 


Hó 
21 


23 
lil 


73 
•J 1 


Totaal . . 


«»J 


H 


18 


1 00 


33 


1D0 


Ooitenriik 1 8 *ooinïch 

J f zoilsch 


:i 




1 


l 


10 


03 


Totaal . . . 


3 


— 


1 


4 


10 


" 03 "" 


Italië . . 1 ^T 4 * 

1 zoiUch 


3 

23 


» 

15 


11 


32 


2 


6 


Totaal . . . 


2»> 


19 


11 


32 


2 


6 


. ., i fttoornaeh .... 
W,ka 1 zciUcl, 


33 


20 


4 


13 


5 


_ 
18 


Totaal . , . 


33 




4 


18 


5 


18 


Tot. inclnsiet' l etuomsch. 
andere landen. j zeilach . . 


l :>?-> 


0U8 


3 SS7 
2O0 


4 18(1 

3 73 


4 321 
154 


5 S30 
190 


Totaal . . . 


2 110 


8'JÏ | 


t(JU3 


;r,:>3 


4 475 


0 (132 



12 



De vergelijking van de scheepvaart op Neder). Indië gedurende de laatste 
20 jaren (1882 en 1902) wyst een sterke toeneming aan in deze periode, nl. 
van 891 000 M' tot 6 092 000 M' d. i. 500 °/ 0 . Tot ons leedwezen wy zen de cyfers 
aan, dat de Nederlandsche scheepvaart niet in die mate is toegenomen ; zy ver- 
meerderde van 153 000 M J in 1882 tot 768000 M s in 1902. d. i. met 400 °/ 0 , terwyi 
de Britache scheepvaart in dien tyd toenam met 650 °/ 0 . De Britsche scheep- 
vaart in den Indischen Archipel begon reeds in het laatst der 184» eeuw over- 
heerschend te worden en sedert dien tyd nam zy buitengewoon toe. Ook de 
Duitsche scheepvaart heeft in den laatsten tyd op Ned. Indië grooteren omvang 
verkregen, zooals het overzicht leert. In 1875 werden slechts 8 stoomschepen 
en 49 zeilschepen onder Duitsche vlag in Indtè ingeklaard, in 1902 totaal 337 
schepen. Die toeneming is een gevolg van de geregelde betrekking van Ham- 
burg met Duitsch Nieuw-Guinea, welke schepen ook Ned. Indio aandoen. 

De havens, die de aanzieniyksto betrekking met het buitenland hebben, 
zyn de volgende, waarby aangegeven is het aantal ingeklaarde schepen en den 
inhoud in M J voor 1902: Batavia (273 sch. 1 014000 M 3 ), Soerabaja 
(174 sch. 571O0OM 5 ), Semarang (90 sch. 284000 M J ), Padang (90 sch. 
665 000 M*), Belawan Deli (621 sch., 427000M»), Tandjong Poera (417 
sch. 100 000 M 3 ), Oeleë Lheuö (178 sch. 348 000 M 3 ), Bengkalis (428 sch. 
88 000 M 1 ), Makassar (80 sch., 246 000 M 3 ), Edi (109 sch. 226 000 M 3 ), 
Riouw (597 scb., 145 000 M 3 ), Pontianak (142 sch. 91 000 M 3 ), Tjilatjap 
(13 sch. 72 000 M. 3 ), Cheribon (13 sch., 32 000 M 3 ), Palembang(48 sch., 
36 000 M»), Karimon (326 sch. 24 000 M 3 } en Muntok (87 ach., 77 000 M 3 ). 

Wy wyzen er op, dat deze cyfers niet de totale scheepvaart dier havens 
aangeven, enkel de inklaringen van buiten in Ned. Indië. Die inklaringen 
geschieden in de eerste haven van aankomst, doch worden by een later be- 
reikte haven niet weer gerekend. Ook de kustvaart is hierin niet begrepen. De 
kustvaart van den Ned. Ind. Archipel wordt hoofdzakeiyk tot stand gebracht 
door inlandsche vaartuigen. 

Handelsbe- Volgens de offlcieele handelsstatistiek van Ned. Indië had in 
weging. In- 1902 de totale invoer een waarde van ƒ202 958 040 (voor Gou- 
voerhandel. vernementsrekening en die van particulieren tezamen), de uitvoer 
van /265 471484, zoodat de uitvoer den invoer met een bedrag van f62,5 
millioen overtreft. De invoer door particulieren, totaal ± 180.5 mill. gulden, 
heeft in rangorde plaats uit de volgende havens en landen, in mill. guldens 
voor 1902: Singapore 56,2, Nederland 54,2, Engeland 20,9. Poeloe 
Penang 19,2, Saigon 8,8, Australië 2,7, Amerika 2,4, China 1,3 en 
Frankryk 1,2. De voornaamste handelsbetrekking, wat den invoer betreft, heeft 
aldus plaats met de haven van Singapore, en daarop volgen Nederland en Erfgeland. 

In 1875 bedroeg de algemeene invoer aan goederen (specie er buiten) in 
den Archipel een waarde van /lil 948 000, waarvan voor 3,7 mill. gulden voor 
het Gouvernement. In dit jaar had de invoer plaats uit de volgende landen; 
uit Nederland: 53,04 mill., uit Singapore voor 26,68 mill., uit Engeland 14,4 
mill., uit Saigon 6,1 mill. uit China 2,9 mill., uit Amerika voor 2,4 mill., uit 



13 



Siam voor 2,2 mill. en uit Australië voor 1 mill. gulden. De invoer is sedert dien 
tijd, naar de waarde gerekend, niet geheel verdubbeld. Echter kunnen de 
cijfers van invoer volgens de waarde van 1875 en 1902 niet met elkander ver- 
geleken worden, om daaruit de toeneming van den invoer af te leiden. Beide 
z\jn berekend volgens de waarde, maar de waarde van vele artikelen is in 
1875 verschillend van die van 1902 berekend. De katoenprijzen o. a. zijn thans 
veel lager, zoodat bij afneming van het bedrag in guldens er nog meer kan zijn 
ingevoerd. ') 

Gaat men het aandeel van Nederland in den totalen invoer door particu- 
culieren na voor 1875 en 1902 dan heeft men cijfers, die zijn te vergelijken. 
In 1875 bodroeg de invoer door particulieren van Nederland uit 49 °/ 0 van den 
totaal-invoer, in 1902 slechts 30 °/ 0 . In 1875 bedroeg het aandeel van Singapore 
ongeveer 23'/ 3 8 / 0 van den totaalinvoer, dat van Groot-Britannie ± 13 °/ 0 ; in 
1902 had Singapore 31°/ 0 (dus toeneming van 7'/, °/ 0 ) en Groot-Britannië 12 •/,. 
Terwijl het Nederlandsche betrekkelijke aandeel in den totaal invoer is afgenomen 
sedert 1875, is het Britsche vrijwel stationnair gebleven en het aandeel van 
Singaporo sterk toegenomen. 

De oorzaak van dien toenemenden invoer uit Singapore moet voor een groot 
deel gezocht worden in de groote economische opkomst van Oost-Sumatra ge- 
durende de laatste 25 jaren. Tabak en petroleum hebben Oost-Sumatra een groote 
beteekenis gegeven voor den handel, en door de ligging heeft zich het verkeer 
met Singapore hier sterk ontwikkeld. 

Straits Seitle- Singapore is de belangrijke handelshaven, waarmede Neder- 
ments en Sin- landsch Indiö het meest in betrekking staat. Daarom hier ter plaatse 
gapore. een enkel woord over deze haven. Het eilandje Singapore was 

in het begin der 19de eeuw nog een nest van zeeroovers, onder het bestuur 
van den onafhankeiyken sultan van Djohore. Rafkles had tijdens zijn verblijf 
op Java de gunstige geographische ligging van dit eiland voor de zuidspits van 
het schiereiland Malakka duidelijk ingezien, vooral met het oog op de toekomst 
van den Oost-Aziatischen handel. Toen nu in 1810 de laatste sultan van Djo- 
hore stierf zonder rechtmatigen troonsopvolger, wist Engeland het recht van 
nederzetting op het eiland Singapore te verkrijgen, waar in Febr. 1819 voor het 
eerst de Britsche vlag werd geheschen en in 1824 werd het eiland gekocht. 
In dien tijd was Singapore slechts door 20 Malelsche visschersfamiliën bewoond 
en als zeerooversnest zeer berucht. 

De Engelschen vestigden een nederzetting op Singapore en maakten het met 
praktischen blik tot een vrijhaven, die in 1867 aan de Engelscho kroon overging. 
Met nog andere bezittingen in de Straat van Malakka werd hier in 1867 de 
Britsche kroonkolonie „Straits Settlements" gevormd, d. i.: nederzettingen 



1) In de Nederl. officieole statistiek behoudt men bij de berekening der waarde steeds de- 
zelfde officieel e waarde, in Ned. Indié wordt de officieels waarde telkens met de werkelijke ia 
overeenstemming gebracht. Eea last is het, dat dc officieele waarde, waarnaar de berekening 
zewhiod i», niet telkens in de statistiek wordt vermeld. 



14 



in de straten, nl. de „Straat van Malakka." Hiertoe behooren: het eiland Singa- 
pore, het eiland Pinang (Poeloe Penang), de provincie Wellesley, de provincie 
Dinding en de Stad en het district Malakka. 

Singapore is als vrijhaven snel opgebloeid tot een hoogst belangrijke handels- 
stad, die thans ± 162 000 inwoners telt Singapore had langen tijd het natuurlijk 
monopolie van den handel van Oost- Azië met Britsen Indië, en vooral in den tijd, 
toen de beschermende rechten het verkeer in Nederlandsch Indië drukten, was do 
vrijhaven van Singapore van veel belang. Alle voortbrengselen van den Indischen 
Archipel en van de havens van Achter-Indiö, vooral koffie en rijst, worden van 
Singapore uit verscheept. Tegenwoordig is Singapore als tusschenhaven aan den 
handelsweg van den Indischen Oceaan en Oost-Azië door het toenemend eco- 
nomisch leven in het oosten een havenstad van groote beteekenis, vooral be- 
langrijk als transitohaven voor Oost-Azië. 

Naast Singapore is Georgetown op Poeloe Penang (men spreekt meest 
van Pinang) in de Straat van Malakka ook als haven van veel beteekenis, 
eveneens een vrijhaven. Echter moet het bh Singapore achterstaan. De concurrent 
van beide havens is in den laatsten tijd de Nederlandsen© vrijhaven Sabang, 
nabij de kust van Noord-Sumatra, geworden, die door haar ligging een dergelijke 
beteekenis kan erlangen. 

De handelsbetrekking van Ned. Indië met Singapore en Penang leert ons 
het volgend overzicht in hoofdzaak kennen, voor 1902. 



Uitfoer uit Ned. Indië naai: 



Singapore. 



enanp. 



Invoer naar Ned. Indië uit: 



Singapore. 



Penante. 





in mul. 




in mill. , 




in mill. 




in mill. 


Petroleum . . 


42.9 Lit 


Petroleum. . 


16,1 L. 


Rijst (gep.) . 


155,1 KG. 


Rijst (gep.) 


71,0 K G. 


Suiker .... 


41.3KG 


Pinang-noten 
Copra .... 


10,5 K.G. 


Visch. Gedr. 




Suiker . . . 


3.7 ,. 


Copra 


31,3 „ 


5.1 „ 


or gezouten) 


28,9 „ 


Zout .... 


2,6 , 


Rotting. . . . 


20.1 „ 


Peper, zwarte 


4/» „ 


, Zout .... 


17,6 „ 


Meel .... 


2,1 , 


Sago 


16,3 „ 


Rijst. Gepelde 


2,6 „ 


Meel .... 


6,0 „ 


Ratoenen(i;e- 




Tabak (niet v 




Tabak (niet v. 




Visch (n.a.g. 


4.5 „ 


yerfd).. . . 


1.3 „ 


inl. markt) . 


9.7 „ 


inl. markt . 


1.6 * ; 


Gambier . . 


3,3 „ 


Visch (gez of 




Pinang-noten. 


7,3 * 


Visch (gezou- 




Ratoenen(ge- 




gedr ) . . . 


1.4 n 


Pcrtjah. . . . 


4.1 „ 


ten of gedr.) 


1,1 , 


verfd) . . . 


2,0 Gld. 


Visch (n.a g.) 


1.2 , 


Gomelastiek . 


3.0 „ 




! 


Manufact.tn. 








Gom dnmar . 


3.4 .. 




i 


a.g.) . . . 


2.4 „ 






Visch (Gedr. 








Suiker . . . 


2,2 KG. 






of gezouten.) 


2.8 .. 






Kleederon (n 


1,8 Gld. 












a.g). . . . 














Klapperolie 


1,5 L. 














Thee .... 


1.1K.O. 














Kramcrijen . 


1,1 Gld. 







Bedragen beneden 1 mill. zyn hierbij n <ot vormold. (N. a. g. = niot anders 
genoemd). 



Don loop dor handelsbetrekking der onderscheidene gedeelten van Ned. 



15 

Indië met Singapore geeft ons het volgend overzicht volgens de consulaire ver- 
slagen. 





ravot:*, m 


SINGAPORE. 


ni 


vokr urr 


SINGAPORK. 






In dniiend dollar*. 






In d uitend d»ll*rt 






1 OOK 

1885. 


1895. 


1900. 


1901. 


1885. 


1895. 


1900. 


1 AAI 

1901. 


Natoena eilanden. . 




520 


724 


914 




420 


603 


681 




2 356 


6151 


13 205 


11 633 


1 463 


5 408 


9 929 


9 395 


Java 


8 085 


5 970 


10 708 


9 320 


6 087 


13 486 


15 689 


17 729 


Rionw 


1 884 


1 785 


1 771 


1 684 


651* 


982 


976 


987 


Bali 


565 


2 190 


2 415 


1 574 


1 501 


1 894 


1 784 


1 487 


Andera Bezittingen. 


6 795 


8 173 


1 18 007 


17 850 


5 050 


6 347 


11887 


11 369 


Totaal . . . 


14 636 


25 328 


46 S25 


42 975 


! 14 759 


28 587 


40 318 


41 648 



Hieruit blijkt dat Sumatra verreweg bovenaan staat in de toeneming van 
den handel op Singapore. Doch ook voor andere gedeelten van Ned. Indië is de 
handel op Singapore toegenomen, behalve invoer van Riouw. Deze cijfers wijzen 
op de groote beteekenis van Singapore voor den handel van Ned. Indië. 



Verdere In- ^ n ne ' onderstaande geven wij den invoer en het betrekkelijk 
voer in Ned. aandeel in 1874 en 1902 van Nederland in den invoer in Ned. 
Indié. Indië agjj voor de belangrijkste artikelen. 





Totale in- 


Aandeel van 




Totale in- 


Aandeel van 




voer in mill. 


Nederl. in °/ 0 Tan 




voer in mill. 


Nederl. in °/ 0 van 




Gld. inl902. 


den invoer. 




Gld. inl902. 


den invoer. 






In 1902. 


In 1874. 






In 1902.! 


In 1874. 


Katoenen ma- 








Meel 


2,r. 


0.2% 


20 


nufacturen . . 


33.5 


47°/ 0 


67 


Petroleum . . 


2,0 




12 


Eetwaren . . . 


19,8 


19 


39 


Wijn 


1.4 


44 


2S 


Uier en ftnal 


7,7 


61 




Zijden stoffen 


M 


16 


ir, 


Machines . . . 


5,5 


63 




Wa» 


1,2 


22 


46 


Garen* .... 


4.1 


20 


56 


Bier 


1.2 


4» 


77 


Steenkolen. . . 


3,5 


17 


S3 


Wollen en half- 








Kramerijen . . 


3.4 


38 


63 


wollen »toffen 


1.1 


52 


67 


Gedistilleerd . 


2.4 


55 


77 


Sigaren . . . 


1 0,1 


76 


8,3 



Dit overzicht leert ons, dat in vergelijking met den totaal-invoer onze 
handel somzet in Indië nog niet is, wat zij worden kan, en dat het aandeel 
in enkele artikelen van invoer betrekkelijk is afgenomen. Ook Dr. N. P. v. d. 
Berg sprak het vroeger uit, dat de Ned. Handelsstatistiek van Ned. Indië in de 
laatste jaren niet tot gunstige conclusies leidt. Sommon wy de belangrijkste 
artikelen, welke uit Nederland in Indië worden ingevoerd, nog op, dan vinden 



16 



w\j de belangrijkste : gebleekte katoenen stoffen (ƒ7,1 mill.), geverfde of ge- 
drukte katoenen stoffen (f5,2 mill.), ruw ongebleekt katoen (ƒ3,2 mill.), fabriek- 
en stoomwerkt. (ƒ3,4 mill.), manufacturen n. a. g. (ƒ2,1 mill.), meststoffen (ƒ2,1), 
rollend spoorwegmateriaal (2,5 mill. K.G.), eetwaren, boter (ƒ1,3 mill.), andere 
eetwaren n. a. g. (ƒ1,6 mill.), machines voor suikerfabr. (ƒ1,5 mill.), krameryen 
(/ 1,2 mill.), verschillende Ijzerwaren, / 1,6 mill.). Hinder dan voor 1 mill. gulden 
werden nog ingevoerd uit Nederland: aardewerk (ƒ955), bier (ƒ570), blikwerk 
(ƒ731), cement (ƒ574), drogerijen en medicijnen (ƒ517), garens (ƒ822), jenever 
(ƒ577), spoorstaven (ƒ659), lucifers (ƒ559), wollen en haltwollen stoffen (ƒ655), 
mineraalwater (/494), papier (ƒ915), tabak, sigaren (ƒ682), verfwaren (/424), 
alles in 1000 gulden uitgedrukt, enz. 

Uit andere landen wordt bovenal ingevoerd ryst: voor 29 mill. gulden, opium 
(voor 3,8 mill. guld.), mest en meststoffen (3,4 mill. guld.), en verschillende 
artikelen, waarvan wy boven de verhouding van den invoer tot dien van Neder- 
land vinden. 

De handel van Nederland op Indië draagt thans een geheel ander karakter 
dan in den tyd der Compagnie, en vooral de invoerhandel in Indië. Is thans de 
invoer van Europeesche waren in Inditf zeer aanzienlijk, de Compagnie kon 
daaraan nog minder doen, en haar invoer in Indië was zeer beperkt. Levens- 
middelen, alt\jd en overal het voornaamste handelsartikel der volken, hadden 
de Inlanders niet noodig en kleederen evenmin. Zy vervaardigden deze zeiven 
zoo goed en zoo goedkoop, dat het voor Europeanen wegens de aanzienlijke 
kosten van vervoer onmogelijk was in de levering van kleedingstoffen met de 
Inlanders mede te dingen. Lijnwaad werd zelfs door de Compagnie uit Indië 
uitgevoerd naar Nederland, hier verder geverfd enz., en dan verkocht. De 
uitvoer naar Indië bepaalde zich in den tyd der Compagnie tot levensbehoeften 
voor haar ambtenaren en de kolonisten, die daar gevonden werden, benevens gou- 
den en zilveren voorwerpen en andere fabriekswaren, die door de Inlanders gaarne 
in ruil werden aangenomen. Daarbij paste de Compagnie haar stelsel van duur 
verkoopen sterk toe, en wist zij onbeduidende artikelen tegen kostbare in te 
ruilen. Toch maakte zy van den invoer van waren weinig werk, de markt 
was er niet ruim genoeg. De voornaamste koopwaar, waarvoor de Com- 
pagnie de Indische produkten inruilde, was goud en zilver, waarvan zy' in de 
tweede helft der 18de eeuw jaarlijks voor een groote waarde, van 4 tot 6 miilioen 
uitzond. Daar het groote winst gaf om met koperen duiten te betalen, die in 
Indië een vierde stuiver golden, en dus tweemaal zooveel als in Nederland, 
terwijl z\j by de Inlanders op Ceylon en Java zeer gewild waren, omdat zy ze 
als algemeen ruilmiddel noodig hadden, werden die door do Compagnie veel 
ingevoerd en geraakte deze munt in Indië zeer in zwang, wat later tot moeie- 
ïykheid aanleiding gaf om het muntstelsel te regelen. Ongeloofelyke hoeveelheden 
duiten, van 1771-1780 meer dan honderd miilioen, zyn door de Compagnie 
naar Indië verzonden, en zy wist haar winst nog te verhoogen door aan de 
muntmeesters, die tot dusver voor honderd gulden aan duiten honderd gulden 
aan zilver ontvingen, tien percent minder te geven, waardoor de munt werd 
verzwakt, de innerlijke waarie der duiten verminderde. 



n 

Tegenwoordig vormen katoenen manufacturen het belangrijkste artikel van 
invoer uit Nederland in Nederlandsen Indië. Vroeger leverde Voor-Indië vooral 
de fijne kleedjes aan Java, de ruwere weefde ieder er zelf voor eigen behoefte. 
(Zie I, pag. 568.) 

In het midden der achttiende eeuw begon de Compagnie reeds katoentjes naar 
Java uit te voeren, doch nog in zeer kleine hoeveelheid. Eerst nadat door de toe- 
passing van de stoomkracht sedert het laatst der 18d© eeuw in Europa de groot- 
industrie de handwerksnljverheid overvleugelde, begon de invoer van katoenen 
stoffen toe te nemen, omdat de huisnijverheid der Inlanders niet tegen het goed 
koope fabrieksprodukt kon concurreeren. 

Raffles schreef in 1814, dat gedrukte katoenen stoffen van bijzonder patroon 
gaarne op Java gekocht werden. Maar toch was de invoer daarvan destijds nog 
gering. Zelfs Van ij en Bosch noemde in 1818 als artikelen, die hoofdzakelijk in 
Indie getrokken werden : „equipage" goederen, zeildoek, touw, teer, fijne lakens 
voor het leger, Ijzer en staal aan staven, gewerkt Ijzer, en als artikelen van weelde: 
zilvergoed, gouddraad, byouterieën, meubilaire goederen, schoenen, laarzen, zadels, 
kramerljen. Lijnwaden noemt Van den Bosch hierbij nog niet, en men kan 
aannemen, dat de invoer daarvan op groote schaal, zooals die thans plaats heeft, 
toen nog in opkomst was. De invoering van het Cultuurstelsel, de opkomst 
van de groote Europeesche cultuurondernemingen, en de daarmede zich uitbrei- 
dende geldhuishoudkunde hebben er toe bijgedragen, dal de Inlander de huis- 
industrie begon te verwaarloozen, waardoor de invoer van goedkoope manufac- 
turen wel moest toenemen. 

De rijst, thans een belangrijk artikel van invoer, werd in de 18de eeuw uit 
Indië nog meer uitgevoerd. D. Van Hogendorp schreef in 1798 nog, dat de 
rust van Java niet alleen tot hoofdvoedsel der bewoners van dit eiland strekte 
maar ook een belangrijk handelsartikel uitmaakte; Malakka, Palembang, Riouw, 
Borneo, de plaatsen van den Overwal, Amboina, do Molukken en Timor ver- 
kregen alle rijst als hun hoofdvoedsel van Java. Wy zagen, dat die verhouding der 
rystproductie tot de behoefte op Java verbroken is (I, pag. 489 enz.). Ook de invoer 
van andere eetwaren, o. a. van visch uit Siam, is in de laatste kwarteeuw sterk 
toegenomen, (Zie I pag. 548) verder de invoer van lucifers. De meststoffen, 
chemische kunstmestsoorten, werden destijds nog niet ingevoerd, maar zijn in 
de laatste kwarteeuw met de meer wetenschappelijke beoefening van den land- 
bouw op groote schaal ingevoerd. Echter is het gebruik daarvan nog hoofd- 
zakelijk bepaald tot de groote Europeesche cultuurondernemingen. 



Uitvoerhandel 0ver ae produkten van Nederlandsen Indiö hebben wij reeds 
van Neder- in het algemeen gehandeld, en de productie der belangrijkste 
landsch Indië. art^ien \ 9 korteiyk beschreven. Thans rest ons nog den uitvoer 
der belangrijkste landsprodukten te overzien, zoowel met het oog op de rich- 
tingen en de landen, waarheen de artikelen uitgevoerd worden, als op de geo- 
graphische verbreiding der productie over do geweston van den Archipel, die 
ze leveren. Wij zullen een en ander statistisch voorstellen, wat het overzicht 
vergemakkelijkt. 

II 2 



Digitized by Google 



■j E» i~ rc — = <C i - 1 - o-i *. co to — 




s 



en 

00 
OD 



a 

S 
g 

s 



i 

3 



3 



S 



9 



l 

! 

2. 



00 t© —> 

D H os 
o p P 

i 
S 



O O O O • 

wtoa 



lil I 
- i 



OSO«6(0»HH(0».9 *> 

b> V- V "o- o ÓS B< - 

=» O O OS *J IC C> Ot Oi o> 



5 QC 



r-2 

> t£i va 



to co 



«— m- o o >— 1 •— ' f wosuuou — ■ _o j— 1 •— 1 o 

CS cn "en ~3 O V K> cn C CO "« ^1 O» (O O « Vi O "o "o > 



O <30 
O» CO 



O 

<D «O CO 
"» O» 40 



I «O 00 — tö 



>— ■ «O . 



co cn 



O-'O'OKOCtl-KIOt-OCOlü'ICXtiM^-JUOXir» O <3>-J — 



DUSt'^ jiii-ccï-ir. : 

ia 

g. 



CC ic 



3 5* 5' 5 2 2 S 5 5' 5' o 5 5 2 " * 



*p 



9 9 V O 



"•3332,2.3333333-5; 

Sj'^'to'SC^'S^* ao'cc'5 tö 3 "T 

9~jt0,u5if;»Mcii»O->Co<£ 




S 




lat. ^ ^ !? E Pï - d CA 



" — . o 3 s S H*6>S w 'K ~ Z "-a " 
n p rn "(W O a P B S.J » o B 

a 2 ° ïr U » 2. 2» 5B o* 5*°*= 

S.§> g li g g" :_J s 

. 0" St 4- ~? _ ÏT M Wc» 



od *» * Si » o» 

f HOI >— • 

^ tOÏ-' - £- CA! 2? 

" C/2 5 " 

e- o B o <B "b ~ 
B BJ 5 i« J| o 



6 Ni? - 



• s. 

<» o 

=- = 

2 5 
5 1 



O' 

CC- 



OD 3 
•4 



O- , C^ UI 



«Se 

o s °* 55 =» » 
S5*> » 2- O 



S ° ET 

^ i— c>^ 

M»-j.)Oi^ ar> 
ca c ■ - «c 03 

E = 5 B i - S 
g | g. g 5 S tr 

ia s^riüs 

^ «.j O NJ — - 

2. co- ^ ' 

*" 3 S" p S S 

£. =• n 2. 5 



*■ co co H- 

° 

■ D P B CO 

— ^ e. 
"tS ? o ■* <* * 

-- z - x o - 

IJ Éii^Hri 3 

2 1 c- c r 5? -3 » 

g ° B ^ S» C « 2- 

3 — ,|*s ~ "o 2 .o» jt* 



«o 



F 00 CO K> 3 " f - 

Cï — • ^ - 



Cs 



Kl 



2 e» 
d g 

PT 
-I 

»=: cc 



Èmê" I B ) 
- B C— 



p 7 S. Q<a p 
o fin ö hio p 

C- s ■ ~1 — 



2. ■ CA 



— O. 



to 

00 (-J 



ar."» 



e. tb 
I £. 

B 6 



d 



Ou c R' 

3 l* 

~ Cl 



c 



P 



3 o ~ w 

S Kl 

- c» 



> 

5 E? 
5 2. 

il 



!s.r*cc 

"9= • » 

o —-2 o • 



O CO O 

■ O 



o c . . er 

• ; •« r .- 
o b 2 3 

O 



1 p 



QC 



2 5 



O C 



,|» e-i 
p » 



■ 53" »- 3 

^' _ > O ~ 
C g ^ • 



a m 

3 B. 

2 5° 



in" " 



N> 
CO 



5 



ij 
p 



s 



□ 



p r olS"§ 
r: o ^ 

ra . » h- »r 
— » 5 n°S 

^ B nJ *g o 



S 3 

gr 



2. > 
c 

5ï 

- -i 

- m 

5? ~ 
o a 

s ca 



b 



00 

Bi 
B 



Sm 2 c ai 
2 co D ~ 



(jq E. >f-- 5.-= 

W P tCC C5 

~ - -■ pt^, 

°b Z« ot 

■ — - ' — ' • •CC' — ^ . , 

- - — - 



p 

3 

p. 
- 

E 



Pm ^' 

2 Ë 



B 

s 



oo. 
e 

O 

0 



* 2 

B B 5>» 

BtBufi 

as» 

? 3 



O 



§ a 

p a 

? c 

« SC 

I S 

B W 

5 B 



* 2 

CS 7! 

(/. 

5 M 

e > 

3 S 

Z B 



UlylllZSQ Dy VjU 



19 



Het statistisch overzicht van den uitvoer, dat wij op pag. 20-21 geven, 
stelt ons den uitvoerhandel voor oogen, zooals die geographisch verbroid is 
naar de uitvoerhavens der artikelen; de tabel op pag. 18 wijst de richtingen aan, 
waarin zich de uitvoer der artikelen beweegt en het aandeel van Nederland 
daarin. 

Als men den tegen woord igen uitvoerhandel met dien uit den tyd der Com- 
pagnie vergelijkt, biykt ook hierin een groot verschil. De Compagnie werd in 
de eerste plaats aangelokt door de specerijen der Molukken, waar zij zich van 
het monopolie, eens door de Portugeezen verkregen, meester maakte. Muskaat* 
noten en kruidnagelen waren hier de produkten, die de grootste waarde hadden, 
zoodat de Molukken eens het zwaartepunt van den handel der Compagnie uit- 
maakten. Daardoor werden deze eilanden vroeger wel de „Groote Oost" genoemd. 

Verder leverden destijds Timor en Celebes: was, schildpad, sandelhout, sago, 
rijst, olifantstanden (van Borneo afkomstig P), kamfer, katoen en gember. Borneo 
leverde: diamanten, kamfer, suiker, was, benzoë, cassia, schildpad; Sumatra: goud, 
benzoë, kamfer en peper. Java leverde suikor en rijst, Bantam ook peper 
en verder indigo. Later kwam daarbij voor Java ook de koffie, de oudste cultuur. 
Een groot verschil tusschen de tijden der Compagnie en tegenwoordig is, dat in 
den vroegeren tijd de Inlanders de handelwaren meest zelf leverdon, zij het ook 
gedwongen door contingenten en opgelegde leverantiün, terwijl zij in de 19do eeuw 
meest de opbrengst zijn van Europeesche ondernemingen in Indië. Behalve wat 
rijst, en ook hierbij is Europeesche invloed niet buitengesloten om ze geschikt 
te maken voor den uitvoer, wat kapok, en wat huiden van Java en van 
de Buitenbezittingen afkomstig, verder peper, boschprodukten, rotting en schild- 
pad en maïs zijn de belangrijkste uitvoerartikelen voortbrengselen van vreemde 
ondernemers, maar met werkkrachten en grondstoffen uit den Archipel. Wel 
zijn er enkele gedeelten van den Archipel, waar de inheemsche bevolking ook zelf 
op toenemende schaal produceert voor den bandel, zooals in Palembang, op 
Celebes, op Bali en op Timor, maar zonder de hulp van Europeesch kapitaal en 
Europeesche kennis kan Indië vooralsnog geen suiker, indigo, tabak, thee, 
specerijen noch iets meer van dien aard in ruil geven tegen de nijverheidsvoort- 
brengselen, uit Europa ingevoerd. 

Het geographisch zwaartepunt dor productie van den Noderlandschen handel 
in Indië heeft zich allengs verplaatst. Na de Molukken werd Java het belang- 
rijkste productieland van den Archipel voor den Europeeschon handel, terwijl de 
Molukken in hun beteekenis in de 10do eeuw geheel zijn achteruitgegaan. Doch 
in de laatste kwarteeuw is naast Java opgekomen als productieland Sumatra, 
vooral Sumatra's Oostkust, dat tegenwoordig een belangrijke rol vervult, terwijl 
ook de kustlanden van Borneo, Minahassa en Celebes in beteekenis toenemen. 

Hoofdprodukt van uitvoer is tegenwoordig de suiker, welko voornamelijk 
door Java geleverd wordt. Verder is sedert 1870 van beteekenis geworden de 
tabak van Oost-Sumatra en Java. De koffieuitvoer is sterk verminderd. 
Maar groote beteekenis heeft de coprah verkregen als uitvoerartikel, een handel, 
die voornamelijk in de laatste 25 jaren is opgekomen, en waarvan de productie 
door den toenemenderi aanplant van klapperboomen zeer wordt uitgebreid, zoo- 



O 



.2 
«2 

T3 



3 

I 
1 

3 



> 

•rt P 

03 - x 

<V cS 

en 

a ^ 

* .2 

8 -2 
> 

'3 ^ 

a * 

P 

P 



"© 
5 

O 

'5 
o 

c 

■s 

I 

O 

§ 

O 



I 

c 
© 

.O 

© 

I « » 

c 
© 
© 

§ 

>• 

c 
© 

O 
O 

> 



c 
© 

2 

60 

T3 
C 
© 

'3 

T3 

.5 
c 



u 

O 
O 

> 



c 

c 
s* 

o 

~3 



© 

s 



1 " 


„, «««««i 


N/1 VVAf 


•vjno|i«n' <ta i:\Vf 


_ ------ - - - 

** ? ":i >fl ./ 1- k irj us c S ad M <M — 1 ^ 
^ c ' ~ ' - ' ~* — ■-• — '* ci ^ -X) ■.^ 1 , O » ia t 1 -» 

™ " •* (- « ..t ei 11 




y t i.i ■ ] 


1 M 1 1 S M 1 , i j 1 rg" 1 I 1 




1 1-5 = ^. 1 1 1 | ; 1 1 1 1 ; 1 ; | 7 1 [ l ; 


ÏM-Uipijr,.,;,; 

T i ■ 1 1 1 * i i i , r » 

1 •' |' U< * IJ ■» J i ' 1 1 1 ,|, 


1 t 1 1 1 1 1 1 1 1 : 1 1 1 ! j ! | I l l ; 1 ! 




1 1 M , 1 S | | | | | 2 | |S 1 | | | | | | | 


jjuij : ij 


1 I 1 : 1- ; ! 1 ! 1 n ; i j 1 |^ ig i ; , 


1 

- 


'.[11:11 ,[ V 


1 1 1 1 3 : ; 1 1 . 7 1 1 % 1 r - 11 : 1 k 


'ii-»l •"! "I 


1 1 : 2 1 ^ 1 1 1 1 1 u 1 i * 1 1 'i a 1 i , : 
— — 


1 


.x.ji [j- ,, )i"M 
■.r.;i.is ïiiur'|iMi: | '.| ip 
■ Ml •"r'tii.'.l. ■ui::;i;i| 
Tl 1 ■> • ••••s i ; 


mimi' i-'ïÜ- \m : 


'|i'iiiJ'!v HJ i:iïi-i:u->r 
■m:- f | [ — M-niJiij .i 
1 ,WJ.>> 1 !I.I -JJI'in/ 


1 l 1 1 \ t : 1 1 1 : i 1 1 \i i 1 11 Z§ 1 ' 




pi i ;.i iB-i \\ ^," 'u;i»il 

C.' 1 ,11 i Jl 


1 i ! 1 1 !> ; M | ; ; 1 | | | ~ | | ; , T, g | " 




tl >1 |M;| 


1 I 1 1 ; s 1 1 1 1 i t 1 ! 1 1 1 $ ; : M g 


i:;uv,[ 


- 1 1 1 ! 1 i 1 I ! : ! 1 - I 1 1 1 f M i I ! 


„. = 

Ui V, 2 


ü r!v ;;iti ] 


1 1 1 l - 1 l 1 ' 1 1 l , ! 1 = : : : l j ^ i 1 


11.UII|IU\ i 


! 1 i ; l 1 1 1 i 1 l 11 : : 1 l 1 1 ! 1 


< 

< 

r: 


> - 




rn m is 1 Ti 1 tt is 1 1 1 1 1 1 1 1 


I 1' "'I •'<•;•■!, 

1 J • 11 Tl 1 11*. \\ |ti'>0 


-M — 1 1 - .- • - — ^ ƒ 7t / r- 34 

^ -t 0 r | 1 1 rr. ~ \ - — '.<-. 1 ,n I | 
1 - -i r: :i M f l:i- 1 ~ ^, 1 




l.|i.i:'H 


1 1 1 1 1 U f r | I M 1 istl 1 1 1 


::uii([iim;w,[ 


1 — - t 1 1 - j / i 1 1 ? 1 r 1 : Y 1 '~ rO f i ~i \- 


..-|jH.1:.'i|irll|-J 


i 57 2 ! 1 1 1 l 1 1 1 l§S i M | | [ | | | 




t 1 1 11 : 1 t t 1 1 1 1 1 ! 1 i 1 : ! " 3 l | 


i:j 41:11:11 v,- 

l"\ii 1 t 1 1 - .-iii 


7 t V" -~ — ^ / " i '^2 i ■ ~ , 

1 r: o 1 - - ( lil M hl 1 1 1 - ^ _ 




tl 1-00 1 U ij V ] U.< 1 ;,i 

•'S ' '««'IVS ' < ' r ' : 'l 
':[-'i|<i|Hii'lV .M.i.'ii 

-r.lv, '.. ,-| ' |i| 


' r. — T -.1 -f 
1 1 1 ' l 1 '-^ II ' 1 |= 1- ] II 1 1- 1 1 

• — 


"1 '11 - 'I •' '! -li 


1 1 1 1 !S32 | 1 1 Ï1 l£ 1 l| | | | f || | 


s 

< 


' ^ 

. - . -: . . -; . 

-1 - ■ 

— - * J - ..*--■-- c • • . • ■ 

: l -1 5 -5 : ^ 1 §-1 U.= 1 è- l-i r 1 ss II 1 I 




— -m co O i.- -/-o w — -i ^ -» O O c- =o O — »M -» 



Digitized by Google 











o *n >n ia iii 

».j »u tra ta iTj Cw Cw C0 




co u» 

O 


«* e» 1 O ■* ao 

co 3 S£ II"! 


■* 00 Ok 1 O 00 r~ 

1 — III III 


1 1 


1 04 1 


CO «O 
i— 1 -f" O» | | 1 

1 III 


ioeo<*9)Q4043kOa 
— 00 cfl >n t~ 


O* 1 


1 1 1 IS 1 IS 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 


1 1 . 


lllllll 


1 1 1 1 1 1 1 1 


o» 1 
1 


1 1 1 1 5 1 1 1 1 


1 1 1 1 1 1 S 1 | I II II 


1 1 


1 1 1 


lllllll 


MIMI 


1 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 1 1 15 1 1 1 i5TJ 1 


1 ! 


1 1 1 


lllllll 


lllllll! 


1 1 


1 |2 | | | | | | 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 


1 1 1 


lllllll 


1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 




1 1 


1 1 1 


o c »o | , , aa 
| j | ao 


1 1 1 1 1 1 1 1 

i 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 


1 l§ 1 1 1 l~ 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 "Fl ! 


1 1 




•-^ hQ 

i i rs« i 


1 1 1 1 1 1 1 1 


1 , 


i i-gs 1 |~" 


1 2 1 | | | | 1 -» | | | 


1 1 


«o oo o o» 10 eo 


1 1 1 1 II 1 1 


, , 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 


IS 1 1 M 1 1 1 1 ] H 1 


1 1 


i l i 


iiiiiii 


II 1 1 1 1 1 1 


1 1 


1 1 1 1 1 1 1 i i 


11*1*111111111 


1 *~l 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 




22 1 1 1 || I 1 


O O co 
| j o* j o» | im j 


« | 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 




1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 1 1 1 1 1 II 1 1 1 1 1 


1 1 

1 1 




iiiiiii 




1 ! 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 


i i li iTTTm i Tm 


I 1 
1 1 




iiiiiii 


i i i i i i i i 
i i i i i i i i 




l« 1 1 1 1 l 1 


^llllloolllolll 

co 


1 i 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 II 


, 1 


\% 1 1 18 1 1 1 


111 — 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 




I S 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 1 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 
1 1 1 -> 1 1 1 l 1 1 1 1 1 1 


1 1 




iiiiiii 


i i i i i i i i 
i i i I i i i l 


1 1 
1 


1 1 1 l« 1 1 1 1 


OC . O i-i vl * t- . . . . . . 

(£ | iSC^^Or- < «— i | | | j | | 


1 ! 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 




1 ** 1 1 2 1 1 1 1 


1 1 2 1 M 1 1 1 1 1 | 1 1 


T i 




iiiiiii 


l l l l l l l l 


I' 


1 1 1 1 S 1 1 I I 


«o o o i 1 1 1 I 1 I i i | 1 

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 


1 "* 1 

1 CC 1 


iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 II 






1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 




1 1 1 1 §é*«© 1 
1 1 1 1 ~ o» 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 




1 I 1 15 1 1 1 1 


1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 


1 1 




iiiiiii 


1 1 1 1 1 1 1 1 



04 



«: 

6 



Z 

| 



! 8 



« 

. V 
Cl 

■j 



■1 



O 0 o 

° S 5 d 

3 ww o.SSi'e .±.2 

^ - - - w -2 3 B B □ 
3 «4 « C « B 

2iS 



-= • • «o = a «» «s 



* « 

— 1 tl 

v d 

O O 



o «I 

a-3 



S3 



-3 

a 
o 

□ «* 

'' — '' 

m o 
3- > 



I I 



I I I 



B • 



I 



« n » 



«8 .S 
ÉS 



« 52. 



2 * 



' 4) 
O 

e 

r] 



S 3 



5 

— o 

o .2 
o — 



'f- 



s 

' a 
:=» 
u 

S 
a 



4-1 O 



a 

a o 

i g 

>êlO?SO 



Co 
S ?1 



§1 • 

g f- o 
1-9 Jj O 



» 



c 



a 

(i < et 



' -a 
u 



— t • 

s s s 



^ooo»0222ï!2 ,st '** 0rt *i rt '* ,0 « c, "«» 0 ' -,ï|!, ' , ' ,0 ® , ~*®ci'* t1 «''' 0 «t*«»Oi-' 



"3 



I 



.2 



"2 
a 

09 

i 

1 



S 

! 

ef 

o 

d 

I 

O 
w 

s 



g 

> 

a 

o 
t» 
a 
M 

% 
1 



1; 
s • 

1-° 

m 

O 

^ 3 



2 .= 

- 



Digitized by Googje^ 



22 



als de laatste verslagen melden. Gomsoorten, thee, petroleum, 
steenkolen, kina en tin zyn belangrijke handelswaren, die Indië tegen- 
woordig oplovert, en welke in de 18de eeuw niet of nog weinig verhandeld 
werden. Maïs is in de laatste jaren een belangrijk uitvoerartikel van Java ge- 
worden, meest naar Nederland. 

De tusschen- ^ e v ördeeling van de ingevoerde artikelen onder de Inlandsche 
en kleinhan- bevolking en de levering van vole produkten der Inlanders en 
del. Pasars. van ki e i ne ondernemingen aan den groothandel wordt in den In- 
dischen Archipel vooral tot stand gebracht door Chineezen, Kodja's (d. z. Mo- 
hammed. Voor-Indiërs) Klingaleezen, Arabieren, op Java ook door enkele Ja- 
vanen, Soendaneezen of Madoereezen, meestal hadji's. Het is wel opmerkelijk, 
dat de Inlanders op Java, echte schacheraars als zy zyn, zooals blijkt op de 
markten en anderszins, het marskramorswezen en den kleinhandel, waarmede 
het meest valt te verdienen, zoo weinig hebben ter hand genomen, en wie van 
hen dit nog doen, komen meest uit industriegewesten of hebben als hadji's 
veel meer van de wereld gezien. De Chineezen werden door de Compagnie 
reeds gezocht, omdat zy het best in staat waren met de Inlanders handel te drijven. 

Algemeen bekend zijn op Java de Chineesche klontongs, rond venters, 
die met manufacturen, galanterieën enz. in manden of op schalen van ge- 
vlochten bamboe geborgen en aan den draagstok over den schouder gedragen, 
rondventen, dikwijls van een inlandschen koeli als drager vergezeld. Met een 
soort rammelaar, naar welk voorwerp de koopman „klontong" heet, kondigt hy 
zijn komst aan. De klontongs weten goede zaken te doen en door zuinigheid, 
beleid en echte koopmansgeest zich dikwijls tot welvaart of rykdom op te 
werken. 

De marskramer komt door ontwikkeling van zyn zaak van den kleinhandel 
tot den eigenlijken tusschen handel. Terwyi hy de dorpen rondgaat om zyn 
waren te verkoopen, koopt hy tevens de produkten des lands op van de kleine 
landbouwers, om die elders onder de Inlanders of naar de havens getranspor- 
teerd aan de groothandelaars weer te verkoopen. Hy brengt de verbinding tusschen 
consument en producent, maar ook tusschen producent en groothandelaar tot stand. 
Hierby treden de Chineezen bovenal op den voorgrond. Zy trekken de desa's door en 
de pasars rond, waar zy de produkten der Inlanders weten machtig te worden, 
die zy vervoeren naar de groote steden aan de kust, om ze weer aan groot- 
handelaars over te doen. Op Java vervullen deze een rol als de Joden op het 
platteland van Nederland lang vervulden en nog ten deele vervullen. Tegenover do 
eenvoudige, kinderiyk zorgelooze Javanen staat de handelsgeest der Chineezen en 
Arabieren vaardig, om van de omstandigheden party trekken, en den Inlander zoo 
noodig gaarne voorschotten verleenend om hem daardoor te kunnen beheerschen en 
afhankeiyk te maken. Ook de andere vreemde Oosterlingen doen hieraan mede 
en zoo heeft zich by den tusschenhandel en de marskramery der vreemdelingen 
een stelsel van woeker govormd, dat zwaar drukt op de Inlandsche maat- 
schappy. 

Aldus zyn het de vreemde Oosterlingen, die de weinig economisch ont- 



23 



wikkelde Javaaosche maatschappy exploiteeren, die zich opwerken tot tweede- 
handshandelaars en gezeten kooplieden, terwyi de Inlanders in hun soberen 
toestand bhjven voortleven. En toch, in den tegen woordigen toestand zouden 
die Oosterlingen nog moeieiyk te missen zijn. 

In het Inlandsche handelsleven speelt de pasar, ook passer en passir 
geschreven, een groote rol. Hiermee duidt men in het Mal., Jav. Ngoko, (in 
het Kromo peken, in het Menangkabausch pakan) een markt, marktplaats 
en marktdag aan. Op Java en in Gouv. Sumatra's Westkust heeft de pasar een 
groote beteeken is. ') In byna elke desa wordt deze op een bepaalden dag in de week 
gehouden, en uit den marktkring gaat men daarheen om te koopen en te verkoopen. 
Ernstig, met Iangzamen, geUJkmatigen stap ziet men de marktgangers in lange 
ryen, de vrouwen voorop en de mannen achter haar aan, ter pasar gaan, zonder 
eenigen haast, soms zich onder weg nederzettende, om zich by een warong 
wat te versterken, en vervolgens kalm den weg vervolgend. Behalve de vasto 
kooplieden, die hun waren in kramen en winkels te koop hebben opgeslagen, 
veel Chineezen en Arabieren, vindt men op de pasar allerlei personen, die 
het een en ander aanvoerden: een kip, wat ryst, pisangs, turksche tarwe enz. 
om eenig geld te maken. Vooral de vrouwen zyn het, die hier handeldryven; de 
desa-vrouw is handelaarster in merg en been, die op de kleintjes weet te 
passen. Om een kleinigheid te verdienen, biyft zy daar den geheelen morgen 
mede zitten. Op de pasars wordt schier alles ten verkoop aangevoerd. Daar 
wordt geschacberd op een echte manier. Sedert in 1852 de pasarbelasting is 
afgeschaft, zyn de pasars zeer toegenomen in beteekenis, en zyn zy als het 
ware de polsslag van de inlandsche welvaart. Tevens is de marktdag op 
Java een feestdag. Ook in de Buitenbezittingen nemen de pasars toe mot 
de geldhuishoudkunde, doch uit den aard der zaak komen zy het meest 
voor in de dichtstbevolkte gewesten, en dus op Java. In de Minahasa vond 
men in den tyd, toen de handel uitsluitend ruilhandel was. in de binnen 
landen geen eigenlyke pasars of markten, en er waren strenge verorde- 
ningen noodig, die de Inlanders dwongen hun waren als boom- en veld- 
vruchten ter markt te brengen op de pasars, zooals eerst in den laatsten 
tyd geschiedde. Maar ongewoon en te beschaamd om er geld voor te vragen, 
bleven zy vaak den geheelen dag met hun onverkochte waren zitten, en om 
niet de moeite te hebben ze weer terug te voeren, werden zy niet zelden weg 
gegeven om niet. 



1) Oorspronkelijk werd de pasar om de vijf dagen op dezelfde plaats gehouden. Een vijf- 
tal dorpen voteenigden zich tot dat doel, hadden beurtelings de markt en na vijf dagen keerde 
die op dezelfde plaats terug. Naar dezen periodieken terngkuor vnn de markt rekende men ook 
bij pasarweken van vijf dagen. Wij wijzen er op, dat in Nederland op het platteland, bijv. 
zaaitijd, oogsten enz. gerekend worden te moeten plaats hebben omstreeks oen bokenden naburigon 
marktdag. 

In Benkoelen wordt een doip of wijk, waar de winkels zijn, de markt gehouden wordt en 
de vreemdelingen vertoeven, pasar genoemd; zulke pasars staan direct onder Kuropecsch be- 
stuur. In Polembang noemt men pasars de plaatsen, waar vreemdelingen dio zich in de binnen- 
landen vestigen, zich zooveel mogelijk behooren te verzamelen. 



Digitized by Google 



21 



_ De handel in Indië had in de eerste helft der 19de eeuw een 

De wijze vsn 

handeldrijven gehsol ander karakter dan thans. Handel en landbouwnijverheid 
en hulpmidde- waren gedurende dien tyd zoo goed als één of ten minste finan- 

handel° r *** cieel nauw mot elkanfler verbonden. De toenmaals op Java ge- 
vestigde handelshuizen bepaalden hun operatiën niet tot het van 
de hand zetten van invoerartikelen en het verkoopen van uitvoerprodukten, 
maar waren voor het meerendeel, wat de exporthuizen betreft, tevens de geld- 
schieters, de bankiers, die aan de weinige particuliere landbouwondernemingen 
het bedrijfskapitaal verschaften voor de zaak. Dit geschiedde door de handelshuizen 
niet met het hoofddoel om rente te kweeken, maar bovenal stond op den 
voorgrond, om zich hierdoor de voorkeur te verzekeren op het beschikbaar 
komend produkt des lands. Zoo wisten vele exporthuizen door het verstrekken 
van voorschotten een soort van monopolie te verkrügen, en niet dan tegen zware 
offers konden dikwijls anderen de handelsvoortbrengselen op Java bekomen, omdat 
de particuliere landbouw byna geheel afhankelijk was van de geldschieters. 

Die toestand wees op de behoefte aan een verbeterd credietwezen. 

Een belangr\jke credietinstelling was wel de Javasche Bank, in 1828 
opgericht, maar z\j hielp schier uitsluitend den groothandel, minder de cultuur- 
ondernemingen, vooral in den eersten tyd. Later werd haar arbeidsveld grooter. 

De taak van de Javasche Bank bestaat thans in: het disconteeren van 
wisselbrieven, assignatiön en orderbriefjes, en van schuldbrieven oi rentebewijzen 
van Ned. Indische, Nederl. of vreemde schuld, binnen vier maanden aflosbaar; 
in het beleenen van effecten, aandeelen en obligatiën van goederen, waren en 
koopmanschappen, munt en muntraateriaal, in het verleenen van credieten of 
voorschotten in rekening-courant, het koopen en verkoopen van wisselbrieven, 
buiten Indië betaalbaar, in den handel in goud en zilver, in het ontvangen van 
gelden in rekening courant, het betalen van assignatiën en incasseeren van 
waarden, en het inbewaring nemen van gelden en waarden enz. Z\j geeft bil- 
letten uit van ƒ1000, 500, 800, 100, 100, 50, 10 en 5, op vertoon betaalbaar. 

Zoo lang het gouvernementsmonopolie heerschte en de particuliere ny ver- 
heid en handel zich weinig konden ontwikkelen, viel het gemis van een goed 
credietwezen nog niet zoo sterk in het oog. Doch na het loslaten daarvan door 
het Gouvernement, toen nijverheid en handel door vrijheid tot leven kwamen, 
werd de behoefte aan credietinstellingen sterk gevoeld, ook in verband met den 
slechten toestand van het muntwezen. Vooral in 1857 kwam dit aan het licht, 
toen voor het eerst op Java een deel van de Gouvernementsprodukten ver- 
kocht werd. Om daaraan tegemoet te komen werd in 1857 de Nederlandse h- 
Indische Escompt o-M aatschappy opgericht, een particuliere depositobank, 
die gelden in deposito nam tegen vaste rente en deze weder uitleende aan 
ondernemers van handel en nijverheid. 

Toch werd door beide genoemde instellingen niet voldaan aan de toenemende 
behoefte aan kapitaal. Mede door den slechten toestand van het muntwezen, 
ontstond er omstreeks 1862 een spanning op de Indische geldmarkt, welke zorg 
baarde. De discussie hierover vestigde nader de aandacht op de behoefte aan 
uitbreiding van credietinstellingen, en in 1863 werden er onderscheidene tego- 



25 



Ujk opgericht. De eerste was de Nederlandsch Indische Handelsbank 
1663, verder volgden de Rotterdamsche Bank en de Internationale 
Crediet- en Handelsvereeniging te Botterdam. Door deze banken kwam 
de wisselhandel, die nog altyd op Java in een primatief stadium stond, volgens 
de nieuwe eischen tot ontwikkeling, en het vroeger op Java onbekende stelsel 
van credietwissels en documentaire wissels kwam in zwang. De geschiedenis 
dier bankinstellingen, de oprichting van andere en den loop van het credietwezen, 
hebben wy niet na te gaan. 

Enkel wyzen wy de belangrijkste Handelsinstituten, werkzaam in Nederl. 
Indië, aan. Zy zyn: De Javasche Bank, opgericht 1828, - de Factory 
der Ned. Handelmaatschappy ') opgericht 1824, — de Nederl. Oost- 
Indische Handelsbank, opgericht te Amsterdam 1863, - de Koloniale 
Bank, opgericht te Amsterdam 1881, - de Nederl. Indische Escompto- 
Maatschappy, opgericht te Batavia 1857, - de Charter ed Bank of 
India, Australia and China, opgericht 1853, vertegenwoordigd te Batavia 
sedert 1862; — de Hongkong and Shanghai banking Corporation, 
opgericht 1865, — de Mercantile Bank of India Limited, gerecon- 
strueerd in 1893; — de International Banking Corporation, opgericht 
1902; het Kantoor tot administratie van Ned. effecten te Batavia, 
opgericht 1882, - de Ned. Indische Hypotheekbank, opgericht te Ba- 
tavia 1891; de Nederl. Indische Crediet- en Bankvereeniging, op- 
gericht te Amsterdam 1894, en daar gevestigd en de Nederl. Indische 
effectenbank, opgericht 1896 te Batavia. 

De meeste banken in Ned. Indië, zoover zy zich niet uitsluitend met eigen 
lyke bankzaken bezig houden (als de Javasche Bank, de Ned. Ind. Escompto- 
Maatschappy en de agentschappen van de Chartered Bank of India, Australia 
and China en de Hongkong and Shanghai Banking Corporation), hebben 
een min of meer gemengd karakter, d. i. verrichten gewone bankoperatiën en 
zyn tevens cultnurbanken, of dry ven voor eigen rekening goederenhandel. 

Naast de ontwikkeling van het credietwezen was voor den handel ook van 
groote beteekenis de verbetering van het muntstelsel in Nederlandsch Indiö. 
De geschiedenis van het Muntwezen in Indië vindt men uitvoerig en helder 
behandeld door Mr. N. P. van den Berg (Encyclopaedie v. Ned. Indië), waar- 



1) De Nederl. Handelmaatschappij heeft tot werkkring: het drijven van goederenhandel voor 
eigen rekening en in commissie, den handol in geld, wissels en edele metalen en verder alles, 
wat tot het bankiorsbodrijf behoort, verder het verschaffen van bedrijfskapitaal aan en het deel- 
nemen in ondernemingen van landbouw, visBchcrij, nijverheid, handel en scheepvaart. De Nedor- 
landsche Handelmaatschappij heeft, laatstelijk geregeld bij de wet van 18 Juli 1904, voor den tijd 
van vijf jaren, in te gaan 1 Jan. 1905, op zich genomen om als commissionair de Indische 
Gonvernementsprodakten, voor zooverre zij door de Kegeering in Nederland ten verkoop be- 
stemd worden, af te schepen, to vervoeren, op te slaan, te beheeren en le verkoopeu. Voor 
deze verrichtingen geniet zij lj°/ 0 van de door haar verkochte en verantwoorde gonvernementspro- 
dakten. In Ned. Indië wordt de Handelmaatschappij vertegenwoordigd door baar Factorij te 
Batavia en agentschappen heeft zij te Semarang, Soerabaja, Shanghai en Singapore, vervolgens 
velo subagentschappen. 



Digitized by Google 



I 

26 

naar wij verwijzen. Wy mogen daarbij niet stilstaan. Enkel zij hier vermeld, 
dat er veel verwarring in het muntwezen heerschte, totdat in 1854 het Indisch 
Muntstelsel in overeenstemming met dat vamhet moederland werd gebracht. 
De enkele zilveren standaard werd in 1845 in Ned. Indië op gelijken voet als 
in Nederland ingevoerd. Toen in Nederland door den loop der zilverprijzen de 
gouden standpenning in 1875 moest worden aangenomen en het zilvergeld als 
teekenmunt bestendigd bleef, werd dit beginsel in 1877 ook voor Indië door- 
gevoerd, en zoo bleef de eenheid gehandhaafd. 

De verbetering van het credietwezen en de wijziging der toestanden heeft in 
de laatste 30 jaren ook een geheele verandering gebracht in het karakter der 
landbouw- en nijverheidsondernemingen in Nederlandsch IndiO. Vóór 1870 vond 
men schier alleen persoonlijke ondernemingen van mannen, die met eigen kapitaal 
werkten, zij het ook gesteund door geldschieters. Behalve prauwenveeren en 
assurantie-maatschappijen vond men in Ned. Indië toen zoo goed als geen naamlooze 
vennootschappen met aandeelenkapitaal, zooals die in Britsch-Indië reeds vele 
bestonden. 

De agrarische wet van 1870 heeft aanleiding gegeven, dat ook in Indië 
grootere cultuurondernemingen konden opkomen. De eerste was de in 1870 
te Amsterdam opgerichte Deli-maatschappij (zie by tabakscultuur), gevolgd door 
andere ondernemingen op Deli (Deli-Batavia-Maatscbappi) e. a.). In Java trad in 
1874 te Semarang de Maatschappij Poendoeng op ter voortzetting dor exploitatie 
van de suikerfabriek van dien naam in Djokjokarta. Dat waren de eerste groote 
maatschappijen. Eerst na de crisis in den handel van 1884 werd de aandacht 
van het geldbeleggend publiek in Nederland meer gericht op Indische onder- 
nemingen, en sedert nam het aantal cultuurmaatschappijen en andere vennoot- 
schappen, die in Indië werken, sterk toe, die gedeeltelijk in Nederland, ge- 
deeltelijk in Indië gevestigd zijn. Deze ondernemingen kan men onderscheiden 
als : Koffiecultuur-maatschappijen, suikercultuur-maatschappijen, thee-cultuur- 
maatschappijen, kina-cultuur-maatschappijen, en diverse cultuur-maatschappijen, 
mijnontginnings-maatschappijen enz. De Rogeerings-almanak van Ned. Indiö geeft 
daarvan een overzicht en bij J. H. de Bussy verschijnt jaaryks een Hand- 
boek der Ctüluur- en Handelsondernemingen in Ned Indië, l7do Jaarg. 1905. 



Digitized by Google 



HET EILAND JAVA EN ZIJN BEWONEKS. 



/. ONTWIKKELING EN BRONNEN ONZER KENNIS VAN JAVA. 

Ontwikke ^ e ' cenn * s van "* ava trapsgewijze uitgebreid, naarmate de 

ling onzer Compagnie door oorlogen en verdragen meer met de volken van 
kennis van Java in aanraking kwam, en er haar gezag over nieuwe deelen 
Java. van ve8 tigde. Telkens werden dan kaarten van gedeelten van Java 

gemaakt» die langzamerhand verbeterd werden, en eerst in de 19d* eeuw een 
groote mate van nauwkeurigheid bereikten. De geschiedenis der Kartographie 
hebben w\) reeds behandeld (I pag. 14), zoodat w\j daarnaar verwezen. Een 
nauwkeurige kennis des lands geven de Residentickaarten van Java, op de schaal 
van 1:100000 en de Overzichtskaart van Java en Madocra, 1:600 000, in 1905 
verschenen. Verder bestaan er nog onderscheidene kaarten van residenticn op 
de schaal van 1 : 250 000 en van verschillende hoofdplaatsen en omstreken van 
1:20000, enkele van 1:50000. Ook wijzen wj) op de Bcvloeiingslcaartm van 
enkele irrigatie-afdcclingen 1:20000 en 1:10000. Een gedetailleerde opgave van 
al deze kaarten vindt men elk jaar in den Reyceringsalmanak van Ned. Indiê. 
Deze uitmuntende kaarten leveren ook de beste bouwstoffen voor de kennis 
van de oro* en hydrographische gesteldheid van Java. 

Na het verzamelwerk van Valentijn in 1726 (I, pag. 13), dat vele bijzonder- 
heden over Java en de Javanen mededeelt, zijn in den loop der 19de eeuw onder- 
scheidene werken verschenen, waardoor Java in z\jn geheel beschreven wordt. 
Een algemeen overzicht, waarin ook op den economischen toestand de aandacht 
wordt gevestigd, gaf Dirk van Hogendorp in 1799 : Beschrijving van htt eiland 
Java en deszelfs voortbrengselen. Daarna moeten w\j in de eerste plaats noemen 
Raffi.es (Thomas Satmford), History of Java 1817, waarin land en volk in 
samenhang z\jn beschreven, het eerste vrü volledige werk over dit eiland. 

De natuurlijke gesteldheid van Java is meesteriyk beschreven door Fr. 
Junchuhk, Java, deszelfs gedaante bekkvding en inwendige structuur, eerste druk 
1850, een werk, welks natuurbeschrijvingen nog altijd groote waarde hebben. De 
geologische gesteldheid van Java is het eerst in haar geheel beschreven, grooten- 
deels op grond van uitgebreid eigen onderzoek, door Dr. R D. M. Verbeek en R. 
Fennema, Geologische beschrijving van Java en Madocra, in twee deelen 1896, 
en door dezen is ook het eerst een Qeologisctic kaart van Java, in 26 bladen, 



28 



schaal 1 : 200000, met geol. overzichtskaart 1:500 000 bewerkt. Deze publicatie 
is een wetenschappelijke standaard-arbeid, het resultaat van veel onderzoek en 
stadie, waarin ook de vroegere resultaten van anderer onderzoek verwerkt en 
de publicaties zijn aangewezen, zoodat men hieruit tevens de geologische litte- 
ratuur kan leeren kennen. Verder heeft Dr. Verheek in het Jaarboek van het 
Mijnwezen overzichten gegeven van de geschriften handelende over geologie, 
mineralogie, topographie en mijnwezen in Ned. Indië, het eerst in 1875, II, pag. 
189. Deze opgave is aangevuld door: l»t« Vervolg 1876, I pag. 190; — 2de 
Vervolg 1877 II, pag. 220; — 3de Vervolg, 1880 I 2G9; - 4de Vervolg, 1886 
Techn. en administr. gedeelte, pag. 136 ; - 5de Vervolg, 1903 pag. 148. Op de 
geologische onderzoekingen van Ned. Indië in het algemeen hebben w\j reeds 
vroeger gewezen, en eveneens op de ontwikkeling der kennis van klimaat, dieren 
en planten (zie deel I de betrekkelijke hoofdstukken), zoodat wy hierbij voor 
Java niet stilstaan. 

In den loop der 19de eeuw hebben onderscheidene beschrijvingen van geheel 
Java het licht gezien, hetzij afzonderlijk van Java en Madoera, hetzij alsdeelen 
van oen algemeene beschrijving van Ned. Indië, alsook voor gedeelten van Java. 
Van deze noemen wij P. P. Roorda van Evsinga, Handboek der land- en 
volkenkunde, geschied; taal; aardrijk»' en staatkunde van Nederlandsch Indië, 
waarvan het lilde Boek, 1849-1850, aan Java is gewijd. Dr. J. J. de Hol- 
lander gaf: Handleiding bij de beoefening der land- cn volkenkunde van Nederlandsch 
Oo8t-Indi' : , twee deelen, eerste druk 1861 en 1864. Door den schrijver zelf werden 
hiervan vier drukken bezorgd, na zijn overlijden werd de vijfde druk bewerkt 
door R. van Eck in 1895. Vorder noemen wij als algemeene werken die van 
Van der Lith en Schuiling. (Zie I, pag. 266). 

Het belangrijkste werk, geheel Java omvattend, is P. J. Veth Java, Gco- 
graphisch, cthnologisch, historisch, waarvan het eerste deel in 1875, het derde 
en laatste deel in 1882 verscheen. Ken nieuwe druk van dit boek werd be- 
werkt door Joh. F. Snellkman en J. F. Niermkyer, waarvan het eerste deel 
in 1896 en het tweede in 1898 verscheen, beide de geschiedenis behandelend, 
terwijl het derde deel, Geogrophie, in 1903 het licht zag. Dit deel behelst de 
beschrijving van het landschap, klimaat, hydrographie, planten en dieren, en 
orographie, in verband met speciale landschapsbeschrijving. De bevolking enz. en 
de verdere geographie werd tot nog toe in den herdruk niet behandeld. 

Een beknopte doch zeer zaakrijke en methodisch belangrijke beschrijving 
van Java in zijn geheel gat Prof. C. M. Kan in de Encychpacdie van Ned. 
Indië, artikel Java, terwijl in genoemde Encyclopaedie over de onderdooien van 
Java belangrijke artikelen voorkomen. De Zeemansgids voor den Indischen Ar- 
chipel, uitgegeven door de Afd. Hydrographie van het Ministerie van Marine, 
deel I, 1899 en deel III, 1903, leert de kusten van Java kennen benevens de aan- 
grenzende zeeën. Over de tijdschriftlitteratuur op gedeelten van Java betrekking 
hebbende, licht ons het Repertorium van Hooykaas, voortgezet door Haktmann, in. 

Wij noemden hier alleen de algemeene bronnen; op enkele belangrijke 
speciale studiën wijzen wij nog in noten van den tekst. 



29 



II. NATUURLIJKE GESTELDHEID DES LANDS. 

De namen ^ e v * er grootte eilanden van den Nederlandsch- 
soenda-eiian- Tndischen Archipel : Java, Sumatra, Borneo en Cele1)es 
den en java. WQrden tez amen veelal met den naam Groote 

Soenda-eilanden aangeduid, terwijl de reeks van eilanden 
ten 0. van Java van Bali tot Timor Kleine Soenda-eilanden 
genoemd wordt. De verzamelnaam „Soenda-eilanden", op deze 
eilanden toegepast, is te danken aan de Portugeezen. De naam 
„Soenda" is van de Hindoe's afkomstig; hij hestond in het 
jaar 1000 reeds voor geheel West- Java, en bleef als zoodanig 
bewaard. In de 15 do eeuw werd de naam van het aangrenzend 
gewest ook reeds toegepast op de zeestraat tusschen Java en 
Sumatra, die sedert den naam „Straat Soenda" behield. Toen 
omstreeks het midden der 16 do eeuw de handel der Portugeezen 
op Java zich tot het westen van dit eiland moest beperken, 
trad de naam Soenda bij hen meer op den voorgrond, en spraken 
zij steeds van de eilanden van Soenda („as ilhas" da Sunda), 
een naam, dien zij ook vroeger ten onrechte wel voor geheel Java 
gebruikt hebben. De ruime toepassing vau den naam Soenda dooi- 
de Portugeezen vond ingang, mede door het veel gelezen gedicht 
van Camöens de Lusiaden, waarin hij wel „Soenda" maar Java 
niet noemt. Zoo is historisch het gebruik van den naam Soenda- 
eilanden verklaarbaar. Doch deze benaming is ten onrechte 
toegepast, zegt Rouffaer," die van dezen naam studie maakte, 
hij is „een anomalie en tegennatuurlijk." Eigenlijk zouden zij 
J a v a-e i 1 a n d e n moeten heeten, omdat Java, politiek en moreel, 
den grootsten invloed gehad heeft in den Archipel. De benaming 
„Kleine Soenda-eilanden" werd analoog, in tegenstelling 
met die der „Groote" gebruikt, en schijnt niet voor de eerste 
helft der 19 do eeuw in gebruik te zijn gekomen. 

De naam Java was reeds bekend in de oude Sanskrit-litte- 
ratuur uit het begin onzer jaartelling, en luidde toen Jawa 
dwïpa (zie I, pag. 1). De verklaring, vroeger gegeven, als zou 
de naam „giersteiland" beduiden, is sedert het afdrukken van 
het eerste gedeelte door Roüppaer verbeterd; hij toonde aan, 
dat de naam Rij st-ei land beduidt. Met den naam Java duidde 
men aanvankelijk echter niet uitsluitend dit eiland aan, doch 



30 



tevens Sumatra, dat vroeger ook wel „klein of oneigenlijk Java 1 ' 
werd genoemd, terwijl het tegenwoordig Java daarnaast „groot- 
Java" of „eigenlijk Java" heette. 

Ligging en ^ ava Denoort tot de groote reeks van eilanden, 
grootte.— in- die zich in een gebogen lijn met de convexe zijde 
dcehng. naar ^ n T n( iischen Oceaan gekeerd uitstrekken van 
Kaap Negrais in Birma over de Andamanen en Nieobaren, Su- 
matra, Java en de Kleine Soenda-eilanden tot Timor, waar de 
reeks zich nog voortzet in de Zuid-Wester- en de Zuid-Ooster- 
eilanden, en zich ombuigt naar Ceram. Men kan deze reeks be- 
schouwen als het resultaat eener opplooiïng der aardlagen, die 
in den Archaeischen tijd is aangevangen (Zie I, pag. 60 enz.) 
en zich later heeft voortgezet, voornamelijk in den jongsten 
Tertiairen tijd en in het Quartair, terwijl aan de Zuid- en 
Zuidwestkust de reusachtige verzakkingen en ingressies in den 
loop der tijden plaats vonden, welke den Tndischen Oceaan deden 
ontstaan en de inhammen van de Zuidkust vormden. Ook werd 
de plooiingsrug door dwarsbreuken met verzakkingen, in ver- 
schillende tijden ontstaan, verdeeld en loste de ontstane keten 
zich op in een tal van deelen, welkt! gedeeltelijk later door 
vulkanisme of aanlanding vereenigd, in den loop der geolo- 
gische geschiedenis de tegenwoordige eilanden en zeestraten 
deden ontstaan. 

De genoemde eilanden vormen van de noordpunt van Su- 
matra tot aan Poeloe Seroea (Zuid-Oostereil.) een cirkelboog 
met een straal van 3000 K.M. of 27° van de N. punt der Phi- 
lippijnen getrokken, en Java ligt ongeveer in het midden van 
dien boog; de lengteas maakt in de richting O. Z.O. een hoek van 
104° met den meridiaan. Tusschen Sumatra en Bali gelegen, wordt 
Java van het eerste gescheiden door Straat Soenda, van het 
laatste door Straat Bali. Java strekt zich van Java's l» to punt 
in het W. op 105° 12' O.L. v. Gr. tot Tandjoeng Seloko, de ooste- 
lijkste punt van het schiereiland Balambangan, op 114° 36' O.L., 
van het W.N.W. naar het O.Z.O. uit, d. i. over ruim 9 lengte- 
graden, een lengte van 1060 K.M., welke ongeveer overeenkomt 
met den afstand van Amsterdam naar Weenen. Legt men de kaart 
van Java op die vau Europa met Java's l 8t0 punt op Amsterdam, 



31 



dan komt Batavia bij den Dollard, Semarang bij Berlijn, Soerabaja 
nabij Posen en Banjoewangi in Polen nabij Krakau te liggen, — 
aldus vergelijkt Verbeek de afstanden op Java met die in Europa. 
De noordelijkste punt is St. Nicolaaspunt in het N. van 
Bantam op 5° 52" Z.Br., en het zuidelijkste punt op het schier- 
eiland Balambangan in het 0. ligt op 8° 46' Z.Br. De breedte 
van het eiland wisselt af tusschen 22 en 81 K.M. De grootste 
breedte heeft Java tusschen Djapara en Patjitan (SI K.M.), de 
geringste breedte van Probolinggo naar het Z. (22,2 K.M.). De 
Straat van Madoera vormt hier een jonge inzinking der aard- 
korst, waardoor Madoera van Java is gescheiden, anders zou 
hier de grootste breedte bewaard zijn gebleven. Het gedeelte 
van Java tusschen Djapara en Cheribon heeft eveneens een 
aanzienlijke versmalling, welke ook door geologisch jonge in- 
zinkingen in het N. en Z. is' ontstaan. In West- Java ligt een 
versmalling door de geologisch jonge inzinking van de Wijn- 
koopsbaai in het Zuiden. 

Java heeft met Madoera, dat in geologisch opzicht er een 
geheel mede uitmaakt, een oppervlakte van 131 508 K.M. 5 Het 
is het kleinste der Groote Soenda-eilanden in oppervlakte, doch 
overtreft ze alle in aantal inwoners verre (zie I, pag. 451). Java 
heeft bijna de grootte van 4 x Nederland, komt overeen met 
Roemenië, en beslaat ongeveer V4 der oppervlakte van Frankrijk 
en Duitschland ieder. Doch niet 28,7 mill. heeft Java 1 de 
helft van het aantal inwoners van Duitschland en 10 mill. minder 
dan Frankrijk. 

Naar de eigenaardigheden der orographische gesteldheid 
des lands kunnen bij Java drie typisch verschillende gedeelten 
onderscheiden worden, welke wij aanduiden als: 1. West- Java, 
ongeveer tot de rivieren de Tji-Losari en de Tji-Tandoej of 
tot de oostgrens van Cheribon en de Preanger; II. Mhhlm- 
Java, het gedeelte ten oosten daarvan tot daar, waar het eiland 
zich verbreedt, d. i. de lijn van Djapara recht naar het zuiden 
getrokken, ten oosten langs de vulkanen Merbaboe en Merapi. 
Het overige gedeelte wordt als III. Oost-Java aangeduid. Wij 
wijzen vooraf op deze indeeling, die later meer wordt toege- 
licht, omdat het gemakkelijk is volgens die benamingen de deelen 
van tijd tot tjjd te kunnen aanduiden. 



:\2 



Geologische P a °* 65, I hebben wij er reeds op gewezen, dat 

geschiedenis volgens de voorstelling, die Suess (hoofdzakelijk op 

ouite'tjd- 8 ron ^ der onderzoekingen van Nederlandsche geo- 
perken. logen) van de oudste geschiedenis van den Indischen 
Archipel gaf, in den Archaeischen tijd er een plooiingszone van 
Archaeische gesteenten bestond over Sumatra, Java enz., terwijl 
de voortzetting van een andere plooiingslijn over Malakka, Banka 
en Billiton, Karinion Djawa liep, die hier onzichtbaar wordt. 

Voor Java kan men echter op grond van positieve gegevens 
niet meer dan een vermoeden dienaangaande uitspreken, om- 
dat gesteenten van de Archaeische periode op dit eiland niet 
bekend zijn. De gesteenten der oudste Sehieferformatie zijn wel 
op Sumatra, Banka en Billiton en de Karimon Djawa-eilanden 
gevonden, en omdat tusschen de laatstgenoemde eilanden en 
Java de zee slechts een geringe diepte bezit, en men hier het 
bestaan van een breukrand niet kan aannemen, acht Verbeek het 
waarschijnlijk, dat lagen van genoemde oude gesteenten onder 
Java zullen doorloopen. Ook graniet is op Java als vaste rots 
niet bekend, doch het werd wel als rolstukken in grove Eocene 
en Oligocene conglomeraten gevonden. Uit deze gegevens trekt 
men de conclusie, dat Java op denzelfden ondergrond ah Su- 
matra, Banka en Billiton gebouwd is, hoewel op Sumatra meer 
oude gesteenten aan den dag komen dan op Java. Het niet 
zichtbaar worden dier oudste gesteenten op Java wordt ver- 
oorzaakt, doordien zij overal door zware, jongere lagen overdekt 
zijn, zoodat de oppervlakte van den bodem op Java, die de 
geologische kaart ons leert kennen, uit gesteenten van jongere 
formatie bestaat. Volgens de plauimetrische bepalingen op de 
geologische kaart van Verbeek en Fennema. werden aan de opper- 
vlakte van Java en Madoera met Bawean en Karimon Djawa 
gevonden de volgende formaties, in °/ 0 over de geheele oppervlakte. 

Oudste schiefers (alleen op Karimon Djawa) 0,046 °/ t 
Krijtformatie (met de eruptief gesteenten : 

gabbro, diabaas, kwartsporfieriet) . . .0,152 „ \ 0/ 
Eoceen (met de eruptiefgesteenten). . . .0,232 , ^ Ll ' u 
Oligoceen („ „ „ „ ). . . .0,004 „ 
Oudste andesiet en bazalt 0,723 „ 



33 



Of 

lo 



Jong Tertiair 1 ') ) *M 19 

Jong Tertiair 2 jong Tertiair 13,526 „ 37,752°/ 

Jong Tertiair 3 ) 9,S07 „ j 

Leuciet- en Phonoliet-gesteenten .... 1,590 „ | 
Vulkanen 26,031 n \ " 

Quartair (Diluvium) 21,024 , | 

Novair') (Ailuvium) 12,446 „ I * 6Ai " • 

Uit het overzicht blijkt, dat de Krijtformatie op Java bijna 
niet is vertegenwoordigd of niet bekend is. Slechts op een drietal 
plaatsen vindt men daarvan eenige gesteenten, nl. bezuiden de Tji- 
Letoe baai (den Z.W. hoek der Preanger, aan zee), op de grens van 
de residenties Banjoemas en Bagelen en in het gebergte bij Djiwo 
(dicht bij de grens van Djokjokarta en Soerakarta ten Z.0. van 
Klaten). Ook voor dit geologische tijdperk is onze kennis van Java 
dus gering; wij weten niet, of het diep onder de zee lag (waar- 
door er geen bezinksels gevormd werden), dan wel of het land was. 

Met het Tertiaire tijdperk der aardgeschiedenis begint er 
meer licht te komen. Het oudste Tertiair, het Eoceen, heeft 
wel reeds grooter verbreiding op Java dan de Krijtformatie, 
maar komt nog slechts op enkele plekken der oppervlakte van 
Java aan het licht. Wij zullen die verbreidingsplaatsen niet op- 
sommen; de geologische kaart van Java van Verbeek en Fknnema, 
die o. a. verkleind is overgenomen in schoolatlassen, wijst ze 
aan. Echter vestigen wij de aandacht op het voorkomen van 
Eocene gesteenten in Zuidelijk Bantam, waar er kolenlagen in 
gevonden worden (Zie 1, pag. 558). Tn de diepte heeft het Eoceen 
zeer waarschijnlijk grooter verbreiding, doch daaromtrent is niets 
bekend, daar men het nog niet bij boring heeft gevonden. Even- 
eens is het Oligoceeu bijna niet bekend, en zelfs bestaat er nog 
geen onaantastbare zekerheid omtrent de bepaling van de ge- 
steenten, die wel tot het Oligoceeu gerekend worden. Echter 
moet er op gewezen worden, dat gedurende den Krijttijd en 
het Eoceen herhaaldelijk vulkanische erupties hebben plaats 

1) Verbeek verdoolt hot Jong Tortiair nog in 3 nfdcelingen, hier door de cijfer» aan- 
geduid. 

2) Novair noemt Verbeek do jongste vormingen, die meest als Alluviaal worden 
geduid, en Quartair, wat wij Diluvium noemen. 

II 3 



Digitized by Google 



gehad, waardoor de sedimentaire lagen van dien tijd door- 
drongen werden met eruptieve gesteenten. 

Aan het eind van den oud-Tertiairen tijd, waaruit de Eocene 
en Oligocene formatie dagteekenen, moeten op Java belangrijke 
verschuivingen en verzakkingen der aardkorst hebben plaats ge- 
grepen, waarbij scheuren en breuken ot zwakke plaatsen in de 
korst ontstonden. Deze boden het magma der diepte gelegen- 
heid aan de oppervlakte te komen. Dat de plooiingen van de 
aardkorst, welke in dien tijd in Java's bodem gevormd werden, 
die erupties hebben doen ontstaan of althans met andere oor- 
zaken hebben bevorderd (zie I, pag. 90), is zonder twijfel, doch 
het is niet mogelijk aan te wijzen, welke de hoofdoorzaak was 
van die werking. Wel hadden ook tijdens de Krijtformatie enkele 
erupties plaats gevonden, doch zij vallen in aantal en omvang 
geheel in het niet bij die, welke in het begin van den Miocenen 
tijd te voorschijn treden. Tot de produkten der erupties uit dezen 
tijd behooren niet alleen de nu nog aanwezige oud-Miocene 
andesieten en bazalten, maar ook het grootste gedeelte der middel- 
en jong-Tertiaire lagen van Java, gevormd uit het gruis der 
eruptieve massa's. Van de hoeveelheid eruptief materiaal, die 
hierbij aan de oppervlakte kwam, verkrijgt men eenigszins 
een voorstelling, als men bedenkt, dat de Tertiaire lagen, uit 
dat verweerde vulkanische materiaal opgebouwd, op verschil- 
lende plaatsen dikten hebben van 3000 tot 0000 M., terwijl 
zeker meer dan '/j van Java hiermede overdekt is. (Zie I, pag. 92). 

Zoo kunnen wij ons Java aan het begin van Miocenen tijd 
voorstellen als het tooneel van hevige vulkanische werking, 
waardoor op het bergland reusachtige vulkanische bergmassa's 
werden gevormd. Sommige van die vulkanische bergen verkregen 
een kegelvormige gedaante, evenals de tegenwoordige; echter 
de meeste komen in langere of kortere reeksen voor en geven 
door den vorm, waarin het materiaal ligt, blijk, dat zij ontstaan 
zijn door erupties langs spleten, waaruit het materiaal naar boven 
perste, en aldus zacht afhellende plateaus deed ontstaan. 

De verweering van de vulkanische bergen deed in den 
loop der tijden de vaste rots aan de oppervlakte vernielen, ver- 
brokkelde het gesteente, en het stroomend water voerde dit 
materiaal mede in de omringende dalen of in de zee, die de 



35 



vulkanen omspoelde. Die stukken vergruisde rots werden samen- 
gebracht met slibachtige bezinksels, welke laatste een cement 
vormden voor het grove materiaal, en het samenvoegden tot 
lagen van brecciën en conglomeraten, welke de overgebleven 
kernen van de oude vulkanen omsluiten met een zwaren mantel 
van jongere Miocene gesteenten, vooral in den jong-Tertiairen tijd 
gevormd. Een gedeelte van die brecciën is stellig boven water 
gevormd, een ander gedeelte is in de zee afgezet, zoodat men 
moet aannemen, dat enkele vulkanen van het tegenwoordig 
Java nog als eilanden bestonden. Leisteen en zandsteen vormen 
het verbindend element der brecciën en deze vormen te zamen 
de Miocene étage. Overal waar de rivieren dien mantel van 
Miocene gesteenten hebben doorsneden, vindt men de bedding 
der eruptieve gesteenten, waarop zij zyn neergelegd. Die eruptieve 
gesteenten bestaan uit andesieten en bazalten, welke gelijken 
op jong vulkanische gesteenten, maar men vindt er ook gesteenten 
met een diabaas-karakter bij. 

In den loop van den Miocenen tijd verzwakte de vulkanische 
werkzaamheid, maar had de vorming van zware en uitgestrekte 
sedimentaire lagen plaats, een proces, dat zich in den Pliocenen 
tijd voortzette, welke formaties tezamen het jong-Tertiair vormen. 
Deze jong-Tertiaire lagen, die zich ovei; geheel Java van Straat 
Soenda tot Straat Bali uitstrekken, beslaan op enkele plaatsen 
zelfs de geheele breedte van het eiland, doch werden in groo- 
tere gedeelten nog weer door jongere gesteenten, vooral vul- 
kanische, overdekt, die op de geologische kaart de oppervlakte- 
lagen voorstellen en de jong-Tertiaire lagen in een zuidelijk 
en een noordelijk terrein verdeelen. Men kan aannemen, dat 
in dien jong-Tertiairen tijd Java grootendeels onder water lag, 
en dat de bergen daar boven uitstaken, die het materiaal voor 
deze sedimenten in de omringende zee leverden. Enkele étages 
van deze formaties ontbreken in het binnenland van Java en 
komen alleen aan de noord- en zuidkust voor, zoodat in den tijd 
der vorming het binnenland waarschijnlijk droog lag (waardoor 
er geen afzetting van sedimentaire lagen plaats kon hebben). 

Nabij de noord- en de zuidkust van Java liggen de jong- 
Tertiaire lagen veelal tamelijk wel horizontaal en vlak, en vormen 
óf tlauw hellende plateaus, met één doorloopende helling, óf 



3fi 



een opvolging van bekkens en zadels met zwak hellende lagen, 
waarin de anticlinalen ( ^^^^ ) en synclinalen ( ) 
dezelfde hellingen hebben als de gebergteruggen. In het midden 
van het eiland daarentegen zijn de lagen vaak steil hellend of zelfs 
loodrecht opgericht, en vormen zij veel spitse zadels en bekkens. 
(Steile standen vindt men o. a. in de Preanger, Batavia, Cheri- 
bon, Semarang, Pekalongan). Die verschijnselen wijzen op de 
krachtige beweging der aardkorst door persing ot plooiing, waar- 
aan Java in den tijd na het ontstaan dier lagen, d. i. in den 
jongsten Tertiairen tijd (Plioceen) en in den aanvang van het 
Quartair blootstond. Die opplooiingen hadden de uitbreiding der 
eilanden ten gevolge, waardoor later mede het materiaal ge- 
leverd werd voor nieuwe sedimenten in de omringende wateren. 
Maar tevens werden bij die plooiingen scheuren in de vaste aard- 
korst gevormd, en langs de scheuren had een stelsel van verzak- 
kingen en verglijdingen plaats. Gedeeltelijk ontstonden deze 
evenwijdig aan de lengteas van Java, gedeeltelijk in een richting 
rechthoekig hierop, als dwarsscheuren. Niet minder dan 35 van 
zulke aanzienlijke verzakkingen (Verwerfungen) somt Verbeek 
op, doch hun aantal bedraagt honderdtallen, en alleen nadere 
onderzoekingen kunnen die volledig leeren kennen. 

Men stelle zich evenwel niet voor, dat alleen de opgeplooide 
bergen of vulkanische massa's het materiaal leverden voor 
nieuwe sedimenten of aanlanding in zee. Ook de dieren der zee, 
de rif bouwende koralen en andere dieren (I, pag. 109) hebben 
door hun levensproces daartoe veel bijgedragen. Zij deden de kalk- 
banken aan de kusten der eilanden ontstaan, die deze omringden, 
ot welke als platen verder in de zee gevormd werden, en daarna 
ook medededen in het proces der bewegingen van de aardkorst. 

In dezen jong-Tertiairen tijd en in den eersten Quartairen 
tijd had, door het proces van plooien en verzakken, de groote 
bergvorming plaats, welke de hoofdketens van Java deden ont- 
staan. Het proces der bergvorming, dat nooit geheel genist 
had, openbaarde zich toen met groote energie. In dezen tijd valt 
ook de verbinding van Java met Sumatra en met Celebes door 
landbruggen, (zie I, pag. 78), waardoor de Aziatische fauna zich 
hier kon verbreiden. 

Met het eind van bet jong- Tertiair werd die verbinding 



37 



weer opgeheven. De Soendastraat en de Wijnkoopsbaai ten Z.W. 
van Java ontstonden toen door een inzinking, tevens een ingressie, 
en aan de noordkust van Java had eveneens verzakking van land 
plaats tusschen Japara en Indramajoe, waardoor deze breede 
inham der zee ontstond, terwijl eveneens op de zuidkust daar 
tegenover een verzakking tot stand kwam. De bergketens van 
N. 0. Java, die zich op Madoera voortzetten, werden in dien tijd 
van het hoofdeiland gescheiden door de vorming der straat van 
Madoera. 



Vulkanische In hoofdtrekken was het geraamte van Java vol- 
werking en tooid geworden in den Tertiairen tijd ; de groote be- 
S£ wegingen der aardkorst, nl. die van rijzen, dalen en 
nThitTe" 18 vouwen > hoewel nog geenszins volkomen geëindigd, 
Sair. dü£ hadden hun sterkste intensiteit verloren. Toch was 
vium - Java nog niet één geheel ; het bestond op zijn minst uit 
een achttal eilanden. In Oost- Java vond men een tweetal eilanden: 
de Ringgit en het Tertiaire gebergte tusschen Poeger en Gra- 
djagan, en verder een in het Zuidelijk deel van Djokjokarta 
tusschen Loemadjang en Djokjo. Andere eilanden lagen benoorden 
en bezuiden de lijn, loopende over Sidoardjo, den zuidkant van 
den Pandan, den noordkant van den Lawoe en voorts over Solo 
en Djokjo naar de zuidkust bij Mantjingan, welke lijn toen de 
noordgrens van Java vormde. In het westen hingen de eilanden 
meer samen dan in het oosten. 

Aldus ongeveer liet het Tertiair de eilanden van het tegen- 
woordig Java achter, de lagen verstoord en gebroken door vouwen 
en dislocaties. Die verbreking van de soliditeit der aardlagen 
had mede tengevolge, dat in dit gebied met krachtig werkend 
vulkanisme, de aardkorst geen weerstand kon blijven bieden aan 
de inwendige krachten der vulkaanhaarden. Hierdoor openbaarde 
zich de vulkanische werking weder en ontstond er zelfs een tijd- 
perk van levendige eruptieve actie. Deze ving aan met het eind 
van het Tertiair om zich in het Quartair voort te zetten en in dezen 
tijd haar maximum te bereiken. Daardoor werd het Tertiaire 
gebergte van Java met een reeks van hooge kegelbergen over- 
dekt. Want terwijl de oudere Tertiaire vulkanen meest werk- 
ten door spleten (zie II pag. 35), deed thans het vulkanisme 



38 



centrale vulkanen ontstaan, waardoor het eruptiemateriaal 
om enkele uitbarstingspunten werd opgehoopt tot vulkanische 
kegelbergen, veelal met kraters, die evenwel bij nieuwe uit- 
barstingen herhaaldelijk vernietigd werden door instorting, en 
een andere gedaante verkregen door de vorming van nieuwe 
kraters. Dit sluit niet uit, dat die centrale eruptiepunten, welke 
ook in massieve aardlagen kunnen ontstaan (zie I, pag. 90), 
toch meestal moesten voorkomen in zekere lijnen van zwakken 
weerstand, en daardoor een of meer vulkaanreeksen vormden, 
wat op Java duidelijk is. 

De reeks van vulkanen en de vulkanische bergen, die sedert 
ontstaan zijn, hebben in de lengte over het midden van Java 
de Tertiaire lagen met jongere vulkanische gesteenten overdekt 
voor een groote uitgestrektheid. Daardoor beslaan de jong vul- 
kanische gesteenten ongeveer 26% der oppervlakte van Java 
en Madoera. Bij enkele embryonische vulkaan tjes op Java en 
Sumatra, die kort na hun ontstaan ophielden te werken, kan 
men zien, dat bazalt en andesiet waarschijnlijk de oudste van 
de uitbarstingsprodukten waren, en den grondslag uitmaken 
ook van de hooge vulkanen. Bazalt, andesiet en losse produkten, 
groote blokken, vulkanisch zand, vulkanische asch en lava- 
stroomen zijn de hoofduitwerpselen der jonge vulkanen, verder 
glasachtige produkten, peksteen, obsidiaan en puimsteen, die 
in geringer hoeveelheid voorkomen. 

Deze vulkanische werkzaamheid heeft het reliëf van den 
bodem nog belangrijk gewijzigd; vulkanen vormen de hoogste ge- 
deelten des eilands, die zelfs de plooiingen der gewone bergvorming 
met hooge toppen overtreffen, terwijl zij door de gemakkelijke 
verweerbaarheid der vulkanische gesteenten het bergkarakter in 
al zijn afwisseling en woestheid doen uitkomen. In economisch 
opzicht zijn de vulkanen van groot belang, omdat zij door de 
gemakkelijke verweerbaarheid een bodem leveren, die rijk is aan 
soda- en kalkzouten, welke daardoor een groote vruchtbaarheid 
bezit, en steeds tot aanzienlijke hoogte met een rijk plantenkleed 
wordt bedekt. 

Welke beteekenis de vulkanen voor het reliëf van Java 
hebben blykt hieruit, dat 14 hunner toppen hooger zijn dan 
3000 M., 45 tusschen 2000 en 3000 M., 50 toppen tusschen 1000 



39 



en 2000 M. en 22 toppen beneden 1000M. De jonaste vulkanen 
van Java zijn de hoogste; de oude andesieten met hun bree- 
ciön gaan niet hooger dan ^ 1900M., en de bergplooien der 
sedimentaire gesteenten gaan niet hooger dan 1350 M. 

Van dit aantal vulkanen zijn een gedeelte uitgedoofd, of 
is althans geen vulkanische werking er van in historischen tijd 
bekend, hoewel dit nog geen absolute rust verzekert. Andere 
verkeeren in een zoogenaamden solfatarentoestand, d. i. stooten 
enkel gassen uit, voornamelijk waterdamp en zwavelige zuren, 
bijv. de Lawoe, de Welirang, de Merbaboe. 

Van andere zijn in historische tijden nog uitbarstingen van 
vaste stoffen en lavastroomen, zand, asch en steenen bekend, 
hoewel zij nu sedert lang niet meer werken. Toch is voornamehjk 
van deze de rust niet verzekerd, zooals bij Krakatau bleek, 
die voor de uitbarsting in 1883 gedurende 203 jaren in rust 
had verkeerd. Van een 14-tal vulkanen zijn in historischen 
tijd herhaalde uitbarstingen bekend, zoodat zij tot de wer- 
kende vulkanen kunnen gerekend worden. De meest wer- 
kende van deze zijn de volgende zeven: Rawoen, Lamon- 
gan, Semeroe, Keloet, Merapi (in Solo), Goentoer, 
en Gedé (Preanger). 

Een overzicht van de ligging der vulkanen op Java toont 
aan, dat de belangrijkste in een bijna rechte lijn liggen, die 
de hoofdas van Java midden over dit eiland vormt en een hoek 
van 104 7 4 ° met den meridiaan maakt. In de oostelijkste verbree- 
ding van Java bestaat evenwel een dubbele rij, waarvan de 
noordelijkste loopt van den Idjen over den Argopoero (Hijang) 
Lamongan, Ardjoeno, Andjasmoro en Telomojo naar den Goe- 
noeug Praboe, de zuidelijkste van den Ajak Ajak over Kawi, 
Keloet, Willis, Koekoesan, (Lawoe), Merapi en Beser naar den 
Penoesoepan (Slamat) en dan in West-Java met flauwe ver- 
buiging over Simpaj, Tangkoeban Prahoe, Boerangrang en Karang 
naar Krakatau loopt. De verbindingslijn van Penoesoepan tot 
den Prahoe loopt over den Slamat en den Rogodjambangan. 

Tn de Preanger zijn op twee plaatsen verschillende aan 
de hoofdreeks evenwijdige reeksen te herkennen en wel in de 
West- Preanger een reeks van den Gedé over Pangrango en 
Salak tot den Gagak, en in Oost-Preanger drie reeksen, waar- 



Digitized by Google 




by Google 



41 



van de noordelijkste van den Sedakeling naar den Kendeng 
Loehoer, de middelste van den Sawal (in Cheribon) over Geloeng- 
goeng naar den Patoeha, de zuideijjkste van den Tjikoeraj over 
den Papandajan naar den Sitoe Tjirompang loopt. 

Van deze lijnen, die min of meer evenwijdig zijn aan de 
lengteas van Java, kan men hier en daar dwarsrichtingen aan- 
nemen, waar langs weder een tal van vulkanen gerangschikt zijn. 

Geheel geïsoleerd van de overige vulkanen en uit afwijkende 
gesteenten bestaande liggen de Ringgit, de Loeroes, de Moeria, 
de Tjilering en de vulkaan van Bawean. Hoewel enkele hunner 
in den post-Tertiairen tjjd nog gewerkt hebben, zijn de laatst- 
genoemde toch meest in den Tertiairen tijd gevormd, en der- 
halve ouder dan de overige Javaansche vulkanen. (Verbeek). 

De geographische verbreiding der vulkanen op Java wijst 
er op, dat in de lengte door het eiland een zone gevonden wordt, 
die voor vulkanische uitbarstingen was gedisponeerd, en waarin 
op de meest gunstige plaatsen, als er vorming van actieve vulka- 
nische haarden plaats had, de erupties volgden. In die zone vindt 
men de vulkanische terreinen, de nog werkende vulkanen, de 
regelmatige kegels, de ingestorte kraters en kraterwallen, de 
parasietische kraters, enz., die door hun samenvallen, hun in 
elkander vloeien of naast elkander oprijzen, het eigenaardig 
vulkaanrelief aan het landschap geven. 

De meeste vulkanen zijn thans bergruïnes, kegels, die door in- 
storting hun top verloren hebben en welke dus vroeger aanzienlijk 
hooger waren dan thans. Alleen de spitse, kegelvormige toppen 
als de Tjerimaj, Slamat, Soembing, Sindoro, Semeroe en eenige 
andere met zeer kleine kraters hebben hun oorspronkelijken 
vorm behouden tot dezen tijd, maar elke uitbarsting kan daarin 
verandering brengen. De vulkanen zijn instabiele bergvormen. 
Wanneer men uit de overgebleven gedeelten van eenige vul- 
kanen, als van den Tengger, den Hijang, den Tdjen en den 
Ringgit weder den oorspronkelijken vorm door constructie ver- 
krijgt, dan blijkt het, dat zij 4000 tot 5000 M. hoog zijn ge- 
weest, en waarschijnlijk heeft geen enkele vulkaan van Java 
ooit grooter hoogte bereikt. De Ringgit in Bezoeki is een merk- 
waardig voorbeeld van een oude vulkaanruïne, die door instor- 
tingen en latere uitspoeling haar tegenwoordige gedaante ver- 



42 



kreeg. Verbeek heeft die nader beschreven en de geschiedenis 
er van als volgt samengevat. Het begin was de opbouwing 
van een zeer grooten vulkaankegel uit een krater ongeveer ter- 
zelfder plaatse van den tegenwoordigen top Ringgit. Een gedeelte 
dezer erupties was onderzeesch en viel in de Tertiaire periode. 
Waarschijnlijk was die berg ± 3000 M. hoog. Vervolgens stortte 
de vulkaan in, waarbij een groot gedeelte onder de oppervlakte 
der zee verdween en alleen het zuidelijk gedeelte gespaard 
bleef. Later volgden nieuwe erupties uit een krater, die na- 
genoeg geheel samenviel met den vroegeren, en er volgde de 
bouw van een nieuwen Ringgitkegel. Deze stortte op twee 
gedeelten in het zuidelijk gedeelte in. Daarmede volgde het 
eind der erupties, en vervolgens had er uitspoeling der rivieren 
plaats, die evenwel den ouden vulkaanvorm geenszins onken- 
baar maakte. 

Verweering en erosie door het stroomend water, dat als 
gevolg van de vele regenbuien om de vulkanen langs de hel- 
lingen afstroomt, heeft de vulkaanmantels steeds meer en meer 
afgedragen en de dalen dikwijls een bijzonderen vorm gegeven. 
Kenmerkend bij de kegelvormige vulkanen is voornamelijk, dat 
langs de hellingen van boven naar beneden breeder wordende 
dalvormen zijn ontstaan door het van den berg afstroomend water, 
dat boven slechts een kleine beek vormt, die grooter wordt naar be- 
neden en met toenemende snelheid een steeds breeder dal erodeert. 
Daardoor verkrijgen vele kegelvormige vulkanen in een regenrijk 
land ongeveer den vorm van een spitse, gespannen paraplu. 

De vulkanen hebben door hun produkten krachtig mede- 
gewerkt om den vorm van het eiland Java te voltooien. Zij 
hebben niet alleen de bestaande Tertiaire eilanden met nieuwe 
lagen overdekt, maar ook verschillende dalen en zeestraten, 
die er nog tusschen de onderscheidene eilanden, van het toen- 
malige Java bestonden, aangevuld, en de deelen met elkander 
verbonden tot een grooter geheel. 

De plooiingen der aardkorst schijnen na het Tertiair meest* 
geëindigd te zijn, zeiden wij ; alle jongere aardlagen liggen, een 
enkele uitgezonderd, horizontaal. Alleen in den oudsten Quartairen 
tijd, gedeeltelijk gelijktijdig met de krachtige werking van het 
vulkanisme, had er blijkbaar nog een verhooging van den zee- 



Digitized by Google 



43 



spiegel plaats. Hoe hoog die waterstand ging, is niet na te 
gaan, maar dit schijnt zeker, dat voor een gedeelte de Quartaire 
afzettingen langs noord-Java van Straat Soenda tot Semarang 
in zee werden neergelegd. Gedeeltelijk schijnen ook de vulkanische 
erupties de rivieren niet zelden te hebben verstopt, deden die 
buiten hun oevers treden en bij hooge vloeden en soms meren 
vormen. Het losse materiaal der vulkanische uitbarstingen en het 
verweeringsmateriaal der bergen, die nog niet veel weerstand 
boden aan den invloed van lucht en water en andere oorzaken, ver- 
oorzaakten de verplaatsing van een groote hoeveelheid stoffen 
door het water, die den voet en de Tertiaire heuvels rondom 
de vulkanen met zware lagen overdekten. Dit proces kan men 
dat der Diluviale vorming noemen. Het legde een zwaren 
mantel van Diluvium over de Tertiaire heuvels heen, en 
neemt ongeveer 21°/ 0 der oppervlakte van Java in beslag. 
Daardoor werden ook lagere gedeelten aan de zee onttrokken, 
vooral toen het niveau der wateren in het Quartair weder 
daalde, terwijl tevens de kustzee ondieper werd door de sedi- 
menten. Langs de kusten der eilanden van het Tertiair hadden 
verder kalkafzettingen en koraalvormingen plaats. 

De Diluviale sedimenten hebben op Java alle een plateau- 
achtig karakter, en liggen 100 a 110, soms 120 M. hoog. Tot 
die hoogte moet de zee dus ongeveer gestegen geweest zijn. 
Echter zullen de hoogst liggende Diluviale lagen aan den voet 
der bergen door rivieren zijn afgezet in inhammen der zee, 
en deze laatste hebben uit den aard der zaak een meer hellende 
ligging. Het materiaal, waaruit deze Diluviale lagen gevormd 
zijn, is voor het grootste gedeelte vulkanisch gruis, asch, zand, 
steenen, soms met fijne klei- en kaolienlagen afwisselend, in 
Bantam met veel puimsteentuffen, en slechts hier en daar met 
verweeringsprodukten en rolsteenen van de aanliggende Ter- 
tiare gebergten vermengd. Over 't geheel zijn dat grondsoorten, 
die hoogst vruchtbaar kunnen zijn. 

Verder hebben er in den Diluvialen tijd meervormingen 
plaats gevonden in gesloten bekkens, die gevormd werden 
door afsluiting van dalen met vulkanisch materiaal of ook reeds 
vroeger bestonden. Ook in deze werd het materiaal door stroo- 
mend water aangevoerd, dat er tot bezinking kwam, en toen 



44 



later die ineervlakten droog kwamen te liggen, doordien de 
rivieren den afsluitingsdara doorknaagden, werden de meer- 
bezinksels zichtbaar. Deze oude meerbodems vormen nu veelal 
zeer vruchtbare en gedeeltelijk ook zeer gezonde hoogplateaus. 
De voornaamste dezer drooggelegde zoetwaterbekkens op Java 
zijn: de vlakte van Bandoeng, 680 M. hoog, het grootste 
hoogplateau van Java ; de vlakte van Garoet, 700 M. hoog, 
door vulkanisch terrein omringd; de vlakte van Soeme- 
dang, 460M. hoog; de vlakte bezuiden Telaga, de 
vlakte van Banjoemas of de Seraj oe-vallei, die droog 
gelegd werd nadat de Serajoe-rivier den Tertiairen bergrug ten 
W. van Banjoemas had doorsneden, aan den voet van den Slamat 
70 M., aan den zuidrand 16M. hoog; de vlakte bij Amba- 
rawa, 460 M. hoog. 

Alluviale Aan het eind van het Diluvium daalde het niveau 
vorming. der zee geleidelijk ten opzichte van het land. Wij nemen 
hierbij het dalen van den zeespiegel aan, omdat de Dilu- 
viale lagen nergens bewijzen van oppersing of helling vertoonen, 
zoodat waarschijnlijk het land zich niet zal hebben geheven. 
Bij een oppersing der aardlagen zouden deze toch in hun hori- 
zontale ligging gestoord zijn geworden. Bovendien komt het 
verschijnsel dier wijziging van de grens der zee ten opzichte 
van het land op vele eilanden ongeveer in denzelfden zin voor, 
zoodat men wel een algemeene daling van den zeespiegel moet 
aannemen. Door die daling van den zeespiegel kwamen de Di- 
luviale lagen, welke Java (en ook de andere eilanden) omsluiten, 
niet alleen bloot te liggen, maar zelfs hier en daar vrij hoog 
boven het tegenwoordig niveau der zee, zooals wij boven zeiden. 
Een gordel van Diluviale sedimentaire aardlagen omsloot hier- 
door de oudere kernen, hier breeder en daar smaller, en ver- 
een igde verder de laatste nog gescheiden deelen van het eiland. 

Na de drooglegging der oud-Quartaire lagen had Java 
ongeveer geheel de gedaante verkregen, die het tegenwoordig 
bezit. Alleen was het tegenwoordige kust-Alluvium nog door de 
zee bedekt. Blambangan in het O. en de Moeria in het N. 
waren nog eilanden, die door aanslibbing van het Alluvium met 
het land werden verbonden. Aan de monden van de Solo en de 



45 



Brantas liepen diepe inhammen van het O. in het land, die werden 
aangevuld. Het noordelijk gedeelte van Batavia, Krawang en 
Cheribon bestond nog niet, maar werd thans gevormd. In het 
zuiden van midden-Java lag een groote inham ten N.W. van 
Tjilatjap, en de kust ten 0. daarvan lag verder landwaarts. 

De ontwikkeling van Java in het laatst van het Quartair en 
in het Alluvium geschiedde geleidelijk, slechts zelden door groote 
catastrophen afgebroken, hoewel ook deze niet bleven uitgesloten. 
Die catastrophen waren vulkanische werkingen, maar meer van 
localen aard telkens. Hoofdzakelijk had er aanslibbing plaats langs 
de kusten en in de inhammen door fijner en grover steengruis, 
hetwelk de rivieren aanvoerden uit het binnenland. Dit materiaal 
bestaat voor het grootste gedeelte, op zijn minst voor 90°/ o , uit 
vulkanisch gruis, verder zand en klei van grauwe kleuren, doordat 
zij meestal plantendeelen bevatten, die een reduceerenden in- 
vloed op het ijzeroxyd uitoefenen, waarbij ijzer-oxydule zouten 
gevormd worden. De Diluviale kleibezinksels en zanden daar- 
entegen bevatten bijna alle het ijzer in den vorm van ijzer- 
hydroxyd en zijn verbindingen, waardoor zij donkerbruin ge- 
kleurd zijn, zoodat de kleur hen meestal reeds van de jongere 
lagen onderscheidt. Verder liggen de Alluviale terreinen lager, 
beneden 10 M., en op de grens met de Diluviale afzettingen 
ziet men niet zelden een klein terrasje, met een drempel van 
1 — 3 M. hoog, een klein kustterras, dat op den overgang naar 
een oudere formatie wijst. Men vindt die terrasjes o. a. in zuidelijk 
Batavia en Krawang; elders hebben echter de overgangen van 
Diluvium tot Alluvium onmerkbaar plaats. 

De Alluviale lagen hebben aan de noordkust van Java 
hun grootste uitgestrektheid, aan de zuidkust bezitten zij veel 
geringer oppervlakte. Verschillende oorzaken werkten hiertoe 
samen. De ondiepe Java-zee doet de sedimenten eerder tot aan- 
wassen worden, dan in de diepe zee van het zuiden het geval 
kan zgn. Daarenboven voeren stroomingen der zee de slibdeelen 
in de Java-zee meer naar de kust, gesteund door de zeewinden, 
welke de oostmoesson aan de'ze kust zelfs tot een O.N.0. wind 
doet worden. Hierdoor is de noordkust van Java omzoomd met 
modderbanken. De krachtige golfbeweging van den Indischen 
Oceaan daarentegen verbreidt de slibdeelen verder van de zuidkust. 



Digitized by LiOOQlc 



46 



En eindelijk heeft de noordelijke afhelling van Java het grootste 
aantal en de langste rivieren, welke het meeste slib medevoeren. 
Zoo heeft het westelijk gedeelte van noord-Java de breedste 
aanslibbingen. De grootere regenrijkdom van W. Java (zie I, 
pag. 165 enz.) en de aanzieulijke regenval hij den N.W. moesson 
hebben ongetwijfeld de vorming van de talrijke rivieren alhier 
ten gevolge gehad, terwijl de bouw van den bodem, die door 
de helling naar het N. gelegenheid gaf op korten weg naar zee 
te stroomen, en dus het slib snel te transporteeren, de aan- 
slibbing over de geheele westelijke noordkust bevorderde. Ten 
O. van Rembang verhindert de kustketen het water den kortsten 
weg naar zee te kiezen, en daardoor stroomen Solo en Brantas 
naar het 0., waar zij hun slib voeren naar Straat Madoera 
en de Trechter. Hierdoor bleef de aanslibbing aan deze noord- 
kust geringer, maar werkt zij krachtig, om eenmaal Madoera 
met het land te verbinden, wat evenwel door kunst zooveel 
mogelijk wordt tegengehouden. 

In den Aliuvialen tijd werd onmiddellijk langs de zeekust 
op enkele plaatsen een strook blauwe zeeklei gevormd, op andere 
plaatsen vindt men zeezand langs de kust, dat hier en daar 
tot echte duinen is opgestoven. Aan de zuidkust van de Preanger 
hebben de duinen, produkten van koraalzand, ruim 30 M. hoogte, 
in Bantam aan de noordkust tot 20 M., aan de noordkust van 
Madoera bij Amboenten tot 27 Meter. Het zeezand bestaat veelal 
uit kwartssteentjes, vermengd met veldspaat, pyroxeen, hoorn- 
blende- en magneetijzerdeeltjes. 

In den jongsten tijd zijn ook de koraalbanken aan de kust 
ontstaan (zie I, pag. 109), voornamelijk aan de zuidkust. Enkele 
van deze zijn boven water geheven, wat ons wijst op een ver- 
heffing van den bodem in den lateren tijd, die echter slechts 
enkele meters kan bedragen. Op andere plaatsen schijnen zij 
door vergruizeling de grondstof voor duinvorming te hebben 
geleverd, zooals wij boven zeiden. 

Voegen wij bij de genoemde geologische processen nog de 
werkzaamheid der tegenwoordige actieve vulkanen, de verweering, 
de denudatie en erosie door het stroomend water, de afzettin- 
gen van warme bronnen, bestaande uit kalkspaat-, arragoniet- en 
dolomiettuf, soms met een weinig kiezelsinter, de werkzaamheid 



Digitized by Google 



47 



der slijkbronnen, die kleiachtige stoffen aan de oppervlakte bren- 
gen, dan hebben wij daarmede de belangrijkste processen genoemd, 
die den bodem van Java in den tegenwoordigen tijd veranderen. 

. UA De geschiedenis van het ontstaan van het eiland, 

Overzicht van ° ' 

den verticalen in het bovenstaande overzicht, meest naar Verbeek 
bouw ' beschreven, leert ons reeds in hoofdtrekken den vcrti- 

kalen bouw kennen, dien het eiland hebben moet, en geeft 
ons daarvan een verklaring. 

Over 't geheel vindt men langs de noordkust van Java een 
Alluviale, lage kustvlakte, die in het westen het breedst is, in 
Midden-Java in breedte afneemt en ten 0. van Japara zeer smal 
is. In het W. bedraagt de breedte van het Alluvium in Bantam 
■*= 4 K.M., te Batavia bij de Tji-Taroem-delta 40 K.M. en bij 
Tangerang weer 12 K.M. , vervolgens wordt de breedte met af- 
wisseling iets geringer tot Cheribon, om daarna meestal slechts 
een smalle zoom te vormen. De berg Moeria is door Alluvium 
aan het land gehecht. 

Men kan aannemen, dat deze vlakte zich van de hoogte 
van den zeespiegel verheft tot ± 10 a 15 M. Ten Z. hiervan 
gaat de kustvlakte voor de geheele lengte van Java over in 
een strook van Diluviaal heuvelland, die in het oosten met 
breede streken diep in het eiland doordringt, en de verschil- 
lende eilanden, welke er aan het eind van het Tertiair bestonden, 
verbonden heeft. Te Batavia beslaat het Diluvium of oud-Quartair 
een breedte van 20—40 K.M., bij Krawang 20 K.M., in het oosten 
wisselt de breedte sterk af. 

Het Tertiair heeft meer afwisseling in hoogte dan de ge- 
noemde gronden, maar vormt toch niet meer dan een golvend 
terrein, met heuvels overdekt, tot 100 M. a 150 M. hoogte. 

In West- en Midden-Java vindt men een vrij regelmatige rij- 
zing van de noordelijke Alluviale en Diluviale vlakten en heuvels 
tot het bergland, dat het midden des eiland* geheel inneemt en dat 
in het Zuiden met steiler hellingen en sneller overgangen over- 
gaat tot een smalle kustvlakte. In Midden-Java is die het best ont- 
wikkeld, maar in West- en Oost-Java over 't geheel uiterst smal. 

In Midden-Java dringen van het N. en van het Zuiden de 
vlakte en het heuvelland van beide kanten dicht naar elkander 



48 



toe, en zij sluiten slechts een smal bergland of een bergketen in, 
terwijl in West- Java het bergland een hoogland vormt, een 
plateau. Op dit hoogland zijn de vulkanen gezet, terwijl onder- 
scheidene plooiingen, niet lang doorloopend en telkens na kortere 
afstanden afgebroken, er een bergkarakter aan verleenen. Deze 
vormen zijn een gevolg van persingen en stuwingen, welke de 
aardkorst in het jong-Tertiair ondervond. Diezelfde plooiiugen 
maken ook het bergland van Midden- Java uit, doch zij zijn hier 
samengedrongen in een s mallen gordel, waardoor de vulkanen 
de keten meest beheerschen. 

In Oost- Java heeft het bergland een geheel ander karakter. 
Hier vindt men niet de plateauvorming maar is Java over de 
geheele breedte met onderscheidene reeksen vrijwel evenwijdig 
loopende plooiingen overdekt. De lagen van jong-Tertiaire Kalk- 
steen en jong-Tertiaire mergels vormen hier breed uit elkander lig- 
gende, lage, parallelle berg- of heuvelketens. Niet ver van denoord- 
kust loopt een dergelijke keten uit evenwijdige vouwen van kalk- 
gesteenten ten N. van den benedenloop der Solo, op de kaarten 
als Noordelijk Kalksteengeb. aangeduid, en verder zuide- 
lijk loopt een soortgelijke keten, Middelste Kalksteengeb. 
genoemd, uit jong-Tertiaire mergels bestaande, die ten N. van 
den benedenloop der Brantas met eerstgenoemde convergeert 
in de richting van Madoera, waar zij meer samengedrongen zijn. 

Diluviale lagen omringen deze laatste keten, nemen de 
vallei tusschen beide ketens in, en breiden zich naar het zuiden 
uit, Gedeeltelijk te midden dier Diluviale lagen verheffen zich 
geheel geisoleerd de vulkanische massa's van Lawoe, Wil is 
Keloet met Ardjoeno en Kawi e. a. Lang3 de zuidkust 
komen weer de plooien van het Zuider-Kalksteengeb. aan 
het licht, vrij steil uit de zee oprijzend. Deze twee noordelijkste 
kalksteenketens zijn niet hoog, op zijn meest slechts 300 M., 
de zuidelijke gaan in het midden tot 1000 M. De op zich zelf 
staande vulkanen maken aldus meer indruk. 

Ook in de oostelijkste versmalling van Java verheffen zich 
meest op zich zelfstaande vulkanische bergtoppen, als van T e n g- 
ger, Lamongan, Idjen e. a, die het geheele midden met 
aan elkander sluitende vulkanische massa's overdekken, door 
vlakten omgeven en met ketenvormige verheffingen. 



Digitized by Google 



49 



indeeling van De verticale bouw van Java doet natuurlijke 
java in na- verschillen ontstaan in landschapskarakter, klimaat, 
Jes^enencui- plantengroei en cultuurgewesten. Op grond daarvan 



kan men Java algemeen in verticale gordels verdeelen, 
gelijk wij reeds vroeger aanwezen voor den plantengroei (zie 
I, pag. 200), en verder horizontaal in de deelen : West-, Midden- 
en Oost -Java. Binnen deze gebieden kunnen nog locale landschaps- 
typen of gewesten onderscheiden worden. Prof. Kan, die daarvan 
speciaal studie maakte, deelde ons mede, op Java steeds 18 
natuurlijke landschappen te onderscheiden, elk met typische 
natuur- en cultuurverschijnselen, verschillend van de omgeving 
en meerendeels berustend op de eigenaardigheden van het bodem- 
relief, die deze landschappen een bijzonder karakter geven. 

Wij vangen aan met een overzicht der verticale zonen. 
Jünghuhn onderscheidde op Java in hoofdzaak vier hoogtezonen. 
Deze strekken zich in de lengte uit, ongeveer evenwijdig aan de as 
van het eiland, zoodat de hoogtegordels elkander voornamelijk 
in de richting N.—Z. trapsgewijze opvolgen, terwijl de grootste 
hoogten meest in de lengte midden door het eiland worden ge- 
vonden, in het Westen en Midden aaneengesloten, in het Oosten 
meer als geïsoleerde verheffingen. * 

Deze orographische bouw beheerscht de verschillen in 
klimaat, die zich openbaren door een toeneming van den regen- 
val in de richting van het bergland, voornamelijk op de over- 
gangsterrassen, en een afiieming van de gemiddelde temperatuur 
met toeneming der temperatuurschommelingen met de hoogte 
(zie I, pag. 132 en 168). In de richting N.—Z. volgen de over- 
gangen van klimaatzonen vrij snel op elkander. Daar de hoogte- 
zonen zich dwars op de richting van passaat en moesson uit- 
strekken (den Z.0. passaat en N.W. moesson), heeft Java over 
't geheel van twee zijden toeneming van regenval tot een 
bepaalde hoogte, hoewel bij de breede noordhelling dit verschijnsel 
het meest spreekt. 

De verticale verheffing in verband met de daaruit voort- 
komende temperaturen, regenval en regenverdeeling heeft niet 
alleen de natuurlijke verbreiding der planten beheerscht, maar 
eveneens de ontwikkeling der cultures, waardoor die verhef- 
fing voor de economische geographie van groote beteeken is 

II , 4 



Digitized by Google 



50 



is. Men kan de verticale zones als cultuurzones beschouwen. 

De laagste of heete zone van 0 — 650 M. beslaat de grootste 
oppervlakte des lands (+ 2 */js)» en is meestal geheel door de 
menscben in gebruik genomen ; de bodem werd voor economische 
doeleinden in vele opzichten veranderd van gedaante en van 
plantengroei. Moerassen zijn hier drooggelegd en in de laagvlakten 
zijn de uitgestrektste bevloeiingen aangelegd om de cultures uit te 
breiden. Daardoor is deze zone in de eerste plaats het gebied 
der sawah's, die zich van hier met naar boven smaller wor- 
dende tongen uitstrekken door het terrasland en bergland, terwijl 
daar tusschen onbesproeide velden liggen. De temperatuur is 
van 23°— 26° C. 

De cultuurplanten der laagste zone zijn voornamelijk de 
volgende. De rijstvelden nemen hier de grootste oppervlakte 
in beslag, en daarnaast teelt men er mals, aardvruchten en 
groenten voor den Inlander (Zie I, pag. 497). Hier vindt men 
voornamelijk de gronden voor de teelt van indigo, kaneel, suiker- 
riet en tabak, hoofdzakelijk Europeesche cultures. 

De tweede of gematigde zone, 650 — 1500 M. hoog, die niet meer 
dan V 50 der eerste beslaat, meest uit terrassen en berghellingen 
bestaande, omvat ook onderscheidene hoogvlakten, als die van 
Garoet, Bandoeng (ruim 700 M.) e. a. Dit is het terrein, waar 
vooral de koffie-, kina- en theecultuur gevonden wordt. Behalve 
deze produkten voor de Europeesche markt kweekt de Inlander 
hier nog onderscheidene gewassen voor eigen gebruik en voor 
de Europeanen. De bevolking neemt met de hoogte in dicht- 
heid af, de dorpen liggen meer verspreid, de hoofdplaatsen der 
afdeelingen liggen verder uit elkander, en meer en meer ruimte 
wordt ingenomen door maagdelijke bosschen, terwijl de cultuur- 
landen naar boven inkrimpen. Terwijl Kokos- en Pinangpalmen 
nog in de laagste gedeelten dezer zone groeien, vindt men hooger 
op de Nangka-, Doeren-, Kemiri-, Pisang- en andere vrucht- 
boomen, maar bovenal de suiker- en toewak (palmwijn) leverende 
Arènpalm. Mals neemt hier meerde plaats der rijst in: aardappelen, 
kool, uien, salade, rapen, erwten, selderij, artisjokken en andere 
Europeesche groenten komen hier voor, en ook aardbeien en 
perziken slagen hier goed. Wij zijn in het gebied der berg- 
cultures (Zie I, pag. 499), met een temperatuur van 18,7°— 23,7°C. 



51 

Op de hoogte van den derden of koelen gordel (van 1500 — 
2500 M.), die slechts 7 50 oo der oppervlakte van de eerste zone in 
beslag neemt, en waartoe het Diëng-plateau (21 OOM.), het hoog- 
land tusschen den Goenoeng Rawoen en den G. Idjen, en enkele 
zachtglooiende ruggen van het Tenggergeb. behooren, benevens 
vele vrjj steile hellingen der vulkanen, wordt de bewoning ge- 
ringer of uiterst dun, de temperatuur daalt tot 18— 13°C. De 
bebouwde velden verdwijnen hier, slechts een enkele koffie- 
tuin en kinaplantage komt er nog voor. Alleen op het Diêng- 
gebergte heeft de tabaksteelt de Inlanders geleid zich in dorpjes 
tot ruim 1800 M. hoogte (het dorp Simpoengan) te vestigen en 
ook de Chineezen worden voor den handel in dit produkt tot 
hier gelokt. De G. Tengger is ook tot ruim 1700 M. hoogte 
bevolkt door de Tenggereezen, die hier nog maïs en Europeesche 
groenten telen. Doch overigens is deze zone niet produktief; 
men vindt er schrale grasvlakten (op den Diêng o. a.), moerassen 
en meren met moerassige oevers. Wij wijzen op het meer 
Patengan aan den voet van den G. Patoeha, op de kleine meren 
in het Diënggeb., op die der voorbergen van den G. Lawoe, den 
G. Tengger enz. 

Hiermede zijn wij aan de bovengrens der cultuurzone 
gekomen. 

Uit het vorenstaande blijkt, dat het laagland de bodem- 
vorm is van Java, die de meeste waarde heeft voor de bewoners, 
in de eerste plaats gesteund dóór het heuvel- en terrasland. 
Het hoogland heeft alleen in West-Java grooten omvang, en 
leidde daar tot de zelfstandige ontwikkeling van het karakter 
der Soendaneezen (zie later); elders op Java is het hoogland te 
weinig omvangrijk om als anthropo-geographisch element een 
zelfstandigen ontwikkelingsvorm te geven aan een grooter deel 
van het volk. Het bergland richtte door het reliëf des bodems 
en de ligging zjjn economische verbindingslijnen meest naar de 
vlakte en werd daarvan afhankelijk, economisch en staatkundig. 

De indeeling van West-, Midden- en Oost-Ja va, die 
wij vroeger aannamen (zie pag. 31), berust eveneens op natuur- 
lijke verschillen, hoofdzakelijk uit den bouw des lands voort- 
komend, en welke ook zichtbaar zijn in het economisch leven. 

In West-Java, met zijn breede vlakte in het N. en zijn 



Digitizeci by Google 



52 



hoogland in het Z. het dichtst nabij de kust, met zijn open zijde 
naar de Java-zee gekeerd, beweegt zich door den bouw des lands 
het verkeer meest naar het noorden, en hierdoor wordt het 
bergland bovenal met de noordelijke vlakte economisch verbonden. 
Alleen Palaboehanratoe aan de Wijnkoopsbaai vormt in het 
zuiden een kleine uitvoerhaven. 

In Midden-Java is dat anders ; de ligging van het bergland 
in het midden, met vlakten aan beide zijden, deed de richting 
van het yerkeer zoowel naar het Z. als naar het N. loopen, 
zij het ook meest naar het N. In West- Java woont de dichtste 
bevolking in het N., in Midden-Java aan beide zijden, en in 
Midden-Java vindt men ook in het zuiden een goede handels- 
haven. 

In het breede gedeelte van Oost-Java is het anders. Daar 
sluiten kustketens het land naar het N. en Zuiden af, en geven 
de parallelle O. — W. ketens met lengtedalen de verkeerswegen 
een loop naar het noordoosten, kronkelend om de vulkanen in 
het midden van het eiland. Hier ligt het economisch meest 
productieve gebied in het binnenland, en de handelsstroom gaat 
midden door het eiland hoofdzakelijk naar het N. O., naar de 
Straat van Madoera. 

Ook het klimaat wijst verschillen aan. In West- Java vindt 
men den aanzienlijksten regenval langs de randen van het 
Preanger-plateau, op de terrassen van het hoogland en om de 
vulkanische toppen, terwijl het binnenland der hoogvlakte, bij 
Garoet en Bandoeng, in het hart van Java droger is. 

In Midden-Java ligt het regenrijkste gebied in het midden 
des eilands, wat langs de bergketen van den Diëng van den Prahoe 
tot den Slamat het duidelijkst is uitgesproken. Oost-Java, met 
minder regenval in het algemeen, heeft in het binnenland bij gemis 
aan een doorloopend bergland slechts enkele meer uitkomende 
regeneilanden, welke de vulkanen de Wilis, Keloet, Kawi, Ard- 
joeno, Semeroe, Tengger, Lamongan, Argopoero en Idjen omringen. 
In Oost-Java heeft de oost-moesson bovenal het karakter van 
een drogen wind (zie I, pag. 172), wat het sterkst uitkomt 
langs de noordelijke gedeelten, en hier meer dan in het westen het 
geval is. Ook hierop heeft het reliëf invloed, doordien de Z.O. 
wind zonder stijging veelal door de passen tusschen de bergen 



53 



waait, en daar dus minder tot regenvorming komt dan in het 
midden en westen, waar het gebergte stijgingsregen doet ontstaan. 

De genoemde kenmerkende verschillen tusschen West-, 
Midden- en Oost- Java geven een redelijken grond voor de aan- 
genomen geographische indeeling van het eiland, en maken van 
elk dezer deelen een gedeeltelijk zelfstandig natuurlijk land- 
schap, dat naar de hoogte, als boven werd aangetoond, weer 
in zonen verdeeld kan worden, elk met locale onderlandschappen. 

Algemeen Java > hehoorende tot de regenrijkste gewesten der 
karakter der aarde, moet daardoor wel rijk aan rivieren zijn. Van de 
ri ' ieren ' hellingen der bergen slingeren een ontelbare menigte 
beken naar beneden, die zich in hun loop met elkander ver- 
eenigen en vervolgens kleinere of grootere rivieren vormen. 
Daar de helling van Java een hoofdrichting bezit, welke nagenoeg 
overeenkomt met de geringste breedte des eilands, kunnen vele 
rivieren slechts een korten loop hebben, en geen hunner heeft een 
groot stroomgebied. De waterscheiding van Java loopt meestal het 
dichtst nabij de zuidkust, en dientengevolge hebben de rivieren, 
die naar het noorden stroomen, den langsten loop. Alleen in 
Midden- Java, waar het bergland in het midden ligt, is het ver- 
schil in lengte tusschen de zuidelijke rivieren en de noordelijke 
niet zoo groot. 

De rivieren in West- en Midden-Java hebben een hoofd- 
richting Z.— N. en N — Z. De overgang van het bergland naar de 
vlakte heeft meestal zeer snel plaats met stroomversnellingen en 
watervallen. De benedenloop in de vlakte is voor Midden-Java 
kort In den benedenloop zijn onderscheidene riyieren voor 
prauwen wel over korten afstand bevaarbaar, maar uitmuntende 
verkeerswegen vormen zij niet. De rivierscheepvaart, die men 
bijna alleen bij de noordelijke rivieren vindt, is daardoor dan 
ook sterk afgenomen in West- en Midden-Java. 

In het breede gedeelte van Oost-Java, waar in het binnen- 
land meer vlakten liggen, hebben de rivieren den langsten loop. 
De Solo, de grootste rivier van Java, heeft een stroomlengte, 
welke ongeveer de helft van die der Weichsel bedraagt. In dit ge- 
deelte is de benedenloop door de gesteldheid des terreins langer, 
en gaat de bevaarheid het verst. De groote rivieren hebben hier 



54 



een hoofdrichting naar het noordoosten, waar zij in de zeestraat 
tusschen Madoera en Java uitmonden. 

De vorm van het eiland en het reliëf des bodems verhin- 
deren, dat naar de oostkust (aan Straat Bali) en de westkust 
rivieren van beteeken is stroomen. 

l)r. Vkrbkek heeft door planimetrische meting bepaald welk 
aandeel de kusten van Java hebben in de stroomgebieden. Hij 
vond de volgende bedragen. 

Het stroomgebied der Noordkust 7950S K.M\ 

„ Zuidkust 4K124 „ 
„ Westkust 2646 „ 
„ n „ Oostkust 2144 „ 

Totaari25622K.M. 2 

De rivieren, worden gedeeltelijk gevoed door bron- 
en siibafvocï nen, maar grooteudeels direct door den regen. Waar 
Bwidjirs ierCn ^ e regenval sterk met de jaargetijden verschilt, zoo- 
als in het moessongebied, verschilt ook de waterstand 
der rivieren zeer met den drogen en den natten tijd. Bovenal 
openbaart zich een sterk verschil bij rivieren met een korten 
loop; zij zijn meer onmiddellijk de uitdrukking van het locale 
weer in het stroomgebied, en hebben een instabielen waterstand 
met snelle schommelingen en groote amplitudes. Dat is alge- 
meen het karakter der West-Javaansche rivieren. 

Het vallen van zware regenbuien in het stroomgebied (het 
absoluut dagelijksch maximum in 15 jaren bedroeg te Buitenzorg 
190 m.M., het gemiddeld maximum 132 m.M., per dag) kanvoor 
terreinen, welke een grooten waterafvoercoêfficient hebben, plot- 
seling in den bovenloop de rivier doen rijzen. Dan vormt zich 
hier een groote watergolf in den stroom, en deze plant zich van 
boven door de rivier voort naar beneden. Dergelijke golf veroor- 
zaakt op de plaatsen, welke zij passeert, een snelle rijzing van het 
water, soms in korten tijd tot wel 10 M., om daarna weer door 
een snelle daling gevolgd te worden. Deze snelle rijzing van het 
water duidt men in Indië aan als bandjir of stortvloed, een 
naam, die eveneens wordt toegepast op de overstroom ingen, welke 
daarmede gepaard gaan. Een enkele zware regenbui veroorzaakt 



55 



reeds spoedig daarna een rjjzing van het water, die sneller of 
langzamer volgt, al naarmate het stroomgebied door gesteldheid 
der hellingen, de dichtheid of poreusheid van den bodem, de 
bedekking met bosch of planten, enz. het water sneller afvoert 
en de regenbui minder of meer hevig is. De tijd, die er ver- 
loopt vóór de bandjir de benedenrivier bereikt, hangt bij elke 
rivier in 't bijzonder af van de gesteldheid van haar gebied, maar 
kan vrijwel bekend zijn. Geeft een enkele hevige regenbui reeds 
een kleine bandjir, herhaalde en samenwerkende buien kunnen 
de kleine bandjirs vereenigen tot een reuzengolf, welke de rivier 
afloopt, de velden ver overstroomt en alles medesleurt. Het ken- 
merkende van een bandjir is voornamelijk het plotseling op- 
komende van den watervloed, die in bergstreken als een door 
modder grijsgekleurde muur met donderend geweld langs de 
bedding van een stroom naar beneden stort, en op zjjn weg 
niet alleen veel slib opneemt, maar ook rotsblokken, boomen, 
inlandsche huizen enz. medesleurt. 

Naarmate streken lager gelegen zijn, neemt de was van 
het water een minder hevig karakter aan, en kenmerkt zich 
dan vooral door een vrij snelle rijzing, een stilstand en een vrij 
spoedig daarop volgenden val. Is de rivier lang en neemt men 
het water nabij de monding waar, dan heeft men een nog lang- 
zamer rijzing van het water, een betrekkelijk minder groot 
maar langduriger maximum, en een meer geleidelijke daling. 
Het tijdsverloop tusschen het begin van den was en den terug- 
keer tot den normalen stand is aanmerkelijk vergroot. Men 
kan de beweging van een bandjir, die van het gebergte af- 
komende geleidelijk overgaat in een hoogwaterstand aan de 
monding der rivier, eenigszins vergelijken met een reusachtigen 
druppel, die door een steeds minder hellende goot naar beneden 
rolt en op zjjn weg voortdurend afplat, zoodat de hoogte ver- 
mindert maar de lengte veel grooter wordt. Bepaalde cijfers om 
het verloop van zulk een bandjir in bijzonderheden na te gaan 
staan omtrent de Indische rivieren niet ten dienste. ') 

Meesterlik is de bandjir door Multatuli in het algemeen beschreven. 
Doch w\j laten hier volgen de beschaving van een buitengewonen water- 

1) Zie: J. £. dk Metiks, in hot hoofdituk: Bevloeiiogen. (Waterbouwkunde 1891). 



50 



vloed, die in 18G1 Midden- Java teisterde, door den hoofdingenieur C. A. Pet 
daarvan gegeven. J ) „Een wolkenmassa, die naar het schijnt aan een orkaan 
bezuiden Java haar ontstaan te danken had, toog over het land, bleef tusschen 
de bergen hangen en wierp toen een drietal dagen een watermassa neder van 
niet veel minder dan 1 M. In sommige rivieren steeg het water 12 a 18 M. 
boven den middelbaren waterstand. In de bergstroomen hoorde men een ge- 
donder als van kanonschoten, veroorzaakt door het tegen elkander klotsen der 
omlaag gesleurde rotsblokken. Op sommige plaatsen vloeide het water niet 
langer de rivieren af, maar het spoot er doorheen. Bij zekere bocht in de Gebang- 
rivier spoot bet water recht vooruit over een hoogte heen, terwijl het eenige 
lager gelegen velden, iets meer stroomopwaarts bezijden de rivier gelegen, 
ongemoeid had gelaten. Op nauwelijks één plaats in Bagelen was men veilig. 
Noch in de hoogte, waar de grond wegzakte onder den voet, noch in de laagte, 
waar alles onder water en slib werd bedolven. Nieuwe rivieren ontstonden; op 
een stuk land in Kaliwiro, waar zich nimmer water vertoond had, werd een 
rotsblok weggewenteld van 30 M. in omtrek. Een veld onder Kretek, waar vóór 
de overstrooming niets dan gras was te zien, lag daarna geheel bedekt met rol- 
steenen van ongeveer 0,60 M. middellijn. Te Koetoardjo steeg het water tot boven 
de telegraaflijn. Zoover het oog reikte, was na den vloed het groen grootendeels 
verdwenen en had voor een akelig vaal zand plaats gemaakt: in de bergen, 
doordat de aardlaag, die de rotsen en vaste grondlaag bedekte, met velden, koffie- 
tuinen, boomen en al naar de diepte was gegleden ; in de vlakten, doordat deze 
bedolven waren onder de onmetelijke hoeveelheid slib, van de bergen afkomstig. 
De Kawah-Wawar, een meer in de nabijheid der zee, was op sommige plaatsen 
meer dan 3 M. opgeslibd. Nagenoeg alle bruggen en leidingen waren vernield. 
Ganscbe dorpen verdwenen spoorloos met hun huizen, boomen, vee en be- 
woners; duizenden menschen kwamen om." 

De verderfelijke nadering van den zwaren bandjir wordt 
door een inderdaad donderend geluid aangekondigd, een gevolg 
van den weerstand van het bruisende water op rotsen, woningen 
boomen enz. en zendt aldus een schrik voor zich uit. In de 
streken, waar Europeesche cultures gevestigd zijn, waarschuwt 
men elkander per draad, als de bandjir in aankomst is. Bijna 
elk jaar wordt het verkeer op eenige spoorwegen en langs andere 
wegen gestoord door bandjirs, die niet zelden deelen van den 
weg uiteenslaan, aardverschuivingen veroorzaken. Tot bescher- 
ming der plaatsen aan de rivieren wei-den wel bandjirkanalen aan- 
gelegd, zooals te Batavia en Semarang, om de bandjirgolf van 
de nederzettingen af te leiden, en laatstelijk is met den aanleg 
van een bandjir-kanaal te Soerakarta aangevangen. 

1) Bij de Mk.ïieh, l.c 



Digitized by Google 



57 

De korte loop der rivieren, hun snelle overgang van het 
bergland naar de vlakte en de voeding door de hevige regens 
op de hellingen van het bergland, hebben ook ten gevolge, dat 
de rivieren onnoemelijke hoeveelheden slib en vaste stoflen van 
het bergland medevoeren naar zee, waar zij aan de monden 
het materiaal, dat zij uit de hoogere gedeelten van Java af- 
voerden nederleggen tot nieuwe aanlandingen. Dat proces van den 
afvoer der vaste stoffen heeft in vroegere geologische tijdperken 
(zie II pag. 43) enorme uitgestrektheden van sedimentaire lagen 
doen ontstaan, welke thans den bodem van Java overdekken, en 
nog altijd zet het zich voort aan de noordkust (Zie I, pag. 82). 

De slibafvoer der rivieren is, evenals de waterafvoer, nog 
onvoldoende of niet onderzocht; bij de Solo zijn beide bekend 
geworden. Hij bedraagt bij de Solo gemiddeld per jaar 2.75 K.G. 
per M 3 . Wat die hoeveelheid beteekent valt in het oog, als wij 
bedenken, dat de boven-Rijn in Nederland 0,054 K.G. slib per 
M 3 afvoert, als gemiddeld cijfer. De slibafvoer der Solo over 
een geheel jaar kan gesteld worden op 23 millioen M 3 in drogen 
toestand, bij een soortelijk gewicht van 1,35 en een water- 
afvoer van 11,3 milliard M 3 . De boven-Rjjn in,Nederland heeft 
een slibafvoer van 2,75 millioen M 3 per jaar in drogen toestand, 
met een soortelijk gewicht van 2 en een waterafvoer van 80 
milliard M\ Terwijl de Rijn 7 maal zooveel water afvoert als 
de Solo, bedraagt de slibafvoer der Solo in volume 12 maal 
en in gewicht 8 maal zooveel als van den Rijn, zoodat de Solo 
ongeveer 66 maal zoo zwaar met slib is beladen. Het slibgehalte 
der Brantas is in den benedenloop geringer en wordt als maxi- 
mum gesteld op 1,7 K.G. per M 3 (bij de Solo is het maximum 
6 K.G. per M 3 ). Een groot gedeelte van het rivierslib wordt bij 
bevloeiing op de velden gebracht, een ander gedeelte wordt 
naar zee gevoerd. 

Irrigatie voor Het water oefent vooral een zegenryken invloed uit op bet 
den landbouw, land door de bevloeiing. De landbouw op Java, bovenal de ryst- 
Organisatie. de 8U ik er teelt 6 n de teelt van tweede gewassen (zie deel 

I pag. 487 enz.) hangt voornameiyk af van een doelmatige bevloeiing der 
gronden. Gebrek aan bevloelingawater is dikwyls de oorzaak van het mis- 
lukken van den oogst in een geheel© streek. In het gebergte bestaat daarvoor 
minder gevaar, doordien de regens er overvloodiger zijn en de bodem er minder 



Digitized by Google 



58 



uitdroogt. Doch in de vlakte zyn de omstandigheden dienaangaande veel on- 
gunstiger, en juist hier zyn de uitgestrektste sawah's gelegen en is in den 
loop der tijden de dichtste bevolking gevestigd. 

Het nut der bevloeiing, waardoor het water in den rechten tyd en volgens 
doelmatige beginselen over het land wordt gevoerd, was den Inlanders reeds 
vroeg bekend, en de sawah-rystbouw werd, zooals Dr. Brandes heeft aange- 
toond door de Javanen al toegepast vóór de komst der Hindoes, zoodat die 
niet aan dezen moet worden toegeschreven, geiyk lang geschiedde. Van den 
toestand en inrichting der oude irrigatie weten wü echter weinig. Maar wel 
kan met zekerheid worden aangenomen, dat gedurende eeuwen de Inlanders 
op Java de kunstmatige irrigatie op vry groote schaal hebben toegepast, en 
met betrekkeiyk geringe hulpmiddelen er een groote vaardigheid in hebben ver- 
kregen. Uit den aard der zaak bepaalde zich deze irrigatie onkel tot die streken, 
waar zy zonder groote werken was uit te voeren. 

Het doel met de irrigatie tot bevordering van den landbouw moet zyn: 
1. het regelmatig aanvoeren van water al naar de behoefte van den landbouw 
in de onderscheidene tyden des jaars, 2. het stelselmatig verdoelen daarvan over 
de velden, en 3. het behooriyk en op tyd afvoeren van het gebruikte water, 
nadat er zooveel mogeiyk nut van is getrokken. Aan deze vereischten voldoet 
de bevloeiing door de natuur op Java niet voldoende. In de eerste plaats is de 
regenval ongelijkmatig over het eiland verdeeld en eveneens ongelijkmatig over 
de maanden des jaars (zie I pag. 166), en in de tweede plaats heeft de regen- 
afvoer door de rivieren uit het bergland uiterst ongelykmatig plaats, zoodat tyden 
van waterovervloed met tyden van waterbehoefte of gebrek afwisselen. Het doel 
der kunstmatige irrigatie is die onregelmatigheid van den watervoorraad te regu- 
leeren naar de behoeften, en tevens om water te brengen op plaatsen, waar 
de natuur het niet aanvoert, teneinde zooveel bouwgrond mogelyk de voordeeion 
der gewenschte bevloeiing deelachtig te doen worden. De middelen, die hiertoe 
aangewend moeten worden, hangen voornameiyk af van den regenval, van den 
regenafvoer des lands en van den vorm en aard dor terreinen ; zy verschillen 
derhalve veel met de geographische gesteldheid des lands. Zy zullen hier met 
weinig omslag, elders alleen met hooge kosten en groote inspanning tot stand 
kunnen gebracht worden. Do beschikking over kapitalen, over technische hulp- 
middelen en organisatie der belanghebbenden bepalen, of de irrigatie op ruimer 
of kleiner schaal kan worden uitgevoerd. 

Verschillende wyzen van irrigatie hadden de Inlanders reeds toegepast. Een 
eenvoudige methode van kunstmatige irrigatie bestaat in het aanleggen van 
vyvers of vergaarkommen, wadoeks genaamd, waarin men in tyden 
van overvloed het water bewaart, om het te kunnen aftappen in tyden, dat 
men het noodig heeft. De wyze, waarop dit geschiedt, is drieërlei. In de eerste 
plaats kan een wadoek of vy ver worden aangelegd in een terreinplooi, door die met 
een dyk benedenwaarts af te dammen. Verder kan men in de vlakte lage gedeelten 
of oude rivierarmen omdyken, deze by hooge waterstanden vol laten loopen en 



1) Tijdwhr. Bat. Gen. 1889 pag. 127. 



59 



dan afsluiten. In de derde plaats heeft men kleine gegraven kommen, zoogen. 
tolaga'8, die tevens voor drink- en badwater dienen, waar putten geheel ontbreken. 
Het water wordt ook wel op hooger gelegen velden geschept door middel van 
een hoosvat. Doch uit den aard der zaak is die wyze, om in de bevloeiing te 
voorzien, zeer beperkt en geheel onvoldoende. Als toeslag op hetgeen de regen 
levert is zy echter van belang, om by lang uitbleven van den regen de ryst 
in het leven te houden. 

In de residentie Soerabaja vervullen die wadoeks een belangryke rol by de 
bevloeiing van terreinen der Solo-vallei; in de afdeeling Lamongan (Soerabaja) wordt 
± 12000 bouw daaruit bevloeid, een irrigatie, waarby ruim 200 desa's belang 
hebben. Diepere vergaarkommen, in ravünen der bergstreken, die aan het be- 
nedeneind zijn afgedamd, vindt men voornameiyk in Pasoeroean. Soms ook doet 
zich op Java de gelegenheid voor, dat een bergmeer een lagere uitwatering kan 
gegeven worden, en men het aldus als vergaarkom kan laten dienen. Een 
voorbeeld hiervan is het meer Elakah in Probolingo, 36 '/ a H.A. groot, waar 
men door het bouwen van een sluisje het water kan aftappen tot 3,80 M. lager. 

Meer algemeen toegepast en beter is de bevloeiing uit de rivieren. De kunst om 
uit bronnen en rivieren aan de bouwvelden een geregelden toevoer van water 
te verschaffen en de daarmede gepaard gaande terrasvormige aanleg en indyking 
dier velden, is sedert overoude tyden op Java toegepast. De wyze, waarop dit 
geschiedt, verschilt veel, omdat hierby plaatseiyk rekening moet gehouden worden 
met onderscheidene omstandigheden, waarvan de voornaamste zyn: de hoeveel* 
heid water, die door de rivieren of uit bronnen stroomt, het peil, waarop het 
water daar voorkomt in vergehjking met de ligging van bet aangrenzende terrein, 
de hoogte der te bevloeien velden, de afstand, waarop die van den natuuriyken 
loop van het water verwyderd zyn en de aard en de gesteldheid van het tusschen- 
liggende terrein. 

Het eenvoudigste geval doet zich voor, als de bouwvelden gelegen zyn langs 
de oevers van kleine waterstroomen en door middel van aftappingen de be- 
vloeiing direct uit de rivier kan plaats hebben. Zyn de te bevloeien gronden op 
verderen afstand van den natuuriyken waterloop, dan moet een kanaal worden 
gegraven om het water de gewenschte richting te geven. In het gebergte stroomt 
het water nog in verschillende beken door de lagere gedeelten van het terrein, 
en kost het weinig moeite het te leiden waar men het hebben wil. 

In den verderen loop naar de benedenlanden vereenigen zich de beekjes 
tot rivieren, die in den regenmoesson aanzienlyke hoeveelheden water met groote 
kracht voortstuwen. De erodeerende kracht van het water heeft hier dikwyis 
het ontstaan van diepe ravynen ten gevolge, en op den bodem daarvan stroomt 
het water soms tientallen meters beneden het omliggende terrein. Om hier 
het water der rivier tot irrigatie te kunnen afleiden, vervaardigden de Inlanders 
stuwdammen, van riviersteen opgestapeld binnen houten geraamten of bamboe- 
korven, soms ook aarden dammen, gestut door een staketsel van klapper- of 
andere boomen. Doch by bandjirs en hooge waterstanden bezwyken niet zelden 
die stuwdammen. 

Het maken van dergeujke dammen wordt daarom zooveel mogelyk nagelaten 



Digitized by Google 



GO 



en de Inlanders geven er de voorkeur aan bet water hooger op van de rivieren 
af te tappen en het, door terreinplooiingen of gegraven leidingen, die een ge- 
ringer verhang hebben dan het verval der rivier bedraagt, naar de te bevloeien 
velden te voeren. In sommige gevallen stroomt het water van zelf in de leiding, 
doch veelal is ook hier nog een dam noodig om het water te stuwen. Maar 
hierbij kost die aanleg minder aan onderhoud en aan materialen. 

De afstand, welken het water van de prise d'eau moet doorloopen tot de 
velden, bedraagt dikwijls verscheidene K.M. Trots de geringe hulpmiddelen weet de 
Inlander die kanalen goed aan te leggen ; een nauwkeurige, praktische terreinkennis 
stelt hem daartoe in staat. Evenwel hebben deze inlandsche imgatiewerken 
groote gebreken, omdat veelal het water der rivier door een open mond in 
de leiding komt, en lage waterstand van de rivier tegelijkertijd watergebrek 
geeft voor de bevloeiing. Eveneens rijst b\j bandjirs bet water in de leiding 
zeer snel en brengt aan deze niet zelden groote nadeelen toe. 

De bevloeiingen, door de Inlanders tot stand gebracht, bleven slechts be- 
perkt tot de gunstigst daarvoor gelegen terreinen; in de streken, waar meer 
waterbouwkundige kennis tot uitvoering vereischt wordt, zijn zij onvoldoende' 
Vooral aan den benedenloop der rivieren, waar de stroomen breed en machtig 
zijn te midden van lage landen, juist streken waar de dichtste bevolking 
gozeteld is, waren de inlandsche irrigatiewerken slecht. Ook een nadeel 
is het, dat de Inlanders den toevoer van water niet regelmatig weten te leiden, 
dat er groote watermassa's onbenut naar zee stroomen, terwijl langs de rivieren 
uitgestrekte sawahvlakten geheel van bevloeiingswater verstoken zijn, omdat 
het water te groote kracht en te groot volume heeft, om door de Inlanders te 
worden beheerscht. 

Voor de technische en economische verbetering der irrigatie hebben de Euro- 
peanen er zich mede bemooid. In den tijd der Compagnie werd het eerst onder 
Nederlandsche leiding één gebied op Java van bevloeiingswerken voorzien, nl. 
het middengedeelte der Batavia'sche Ommelanden, waar in 1753 een kanaal, 
de Ooster-Slokan uit de Tjiliwong, en in 1776 een kanaal uit de Tjidani, de 
Wester-Slokan, werd gegraven. Deze kanalen, aanvankelijk met een nevendoel 
aangelegd, bet eene voor de scheepvaart, het andere om de grachten van' Batavia 
van water te voorzien en te spuien, ztfn later uilsluitend voor bevloeiingen ge- 
bruikt. 

Toen het Gouvernements Cultuurstelsel op Java werd ingevoerd, zag do 
Regeering van Ned. Indiö het directe belang voor haar in, om de bevloeiing der 
velden uit te breiden en te verbeteren, ten einde de opbrengst der cultures te 
vermeerderen. Toch bleef men aanvankelijk de uitvoering nog meest aan de In- 
landers overlaten. Eerst in de laatste helft der 19<l« eeuw valt voornameUJk de 
regeering8bemoeiing met de irrigatie onder leiding van geschoolde ingenieurs, 
gedeeltelijk om de inlandsche bevloeiingen te verbeteren, gedeeltelijk om ze uit 
te breiden. En nog altyd is de uitbreiding van irrigatie op groote schaal oen 
belangrijk vraagpunt voor de bevordering van de welvaart der Inlanders, om- 
dat de rijstteelt en enkele andere gewassen, als suikerriet, palawidja enz. voor 
een groot deel afhankelijk zijn van doelmatige irrigatie. 



61 



Sedert dien tijd zijn onderscheidene groote werken voor de irrigatie op Java 
tot stand gebracht en vooral na 1885 heeft men zich niet enkel bepaald tot de voor- 
name kunstwerken, doch in verschillende gewesten op grond van nauwkeurige 
opneming en karteering der terreinen een geheel net van verdeelingskanalen aan 
gelegd. In 1891 werd een indeeling van Java in 15 irrigatie-afdeeliogen in het 
vooruitzicht gesteld, ieder het bassin omvattende van één of meer belangrijke 
rivieren met hun bijstroomen, begrensd door de afvloeiing des bodems volgens 
natuurlijke waterscheidingen en dus door natuurlijke geographische grenzen. Tot 
nu toe zijn er nog slechts drie dezer irrigatie-aldeelingen tot stand gekomen: 
1. die van Serajoe in 1892 (het grootste gedeelte van Banjoemas en geheel 
Bagelen), 2. van Se rang 1892, de stroomgebieden van Serang en Toentang 
en de vroegere residentie Japara omvattend), en van 3. Brantas in 1901 
(omvattende Zuid-Soerabaja, Kediri, en geheel Pasoeroean behalve Probolinggo). 

De irrigatie-afdeeling der Brantas is een der belangrijkste; zty omvat 
15630 K.M. 3 met meer dan % der oppervlakte laagland en telt 4 mill. inw., 
d. L 256 per K.M. 1 De cultuurlanden van dat gebied omvatten ± % der totale 
cultuurlanden van Java. De oppervlakte van 353 000 H A. gecultiveerde gronden 
in dit gebied omvat ±230000H.A. niet-geirrigeerde rijstvelden, d. i. % VJ *n 
de totale niet-bevloeide rijstvelden van Java. Belangrijk is dit gebied door de 
81 suikerfabrieken en 12 indigo-labrieken, hier aanwezig. 

Bij de werkzaamheden der irrigatie-afdeeUngen krijgt men te doen met de 
volgende stelsels: 

1. irrigatie-systemen, geheel ontworpen en uitgevoerd door den Ned. Ind. 
waterstaat, 

2. stelsels van inlandache irrigatie, verbeterd door belangrijke kunstwerken, 

3. stelsels geheel van inlandsche irrigatie. 

Het is de bedoeüng de administratie der stelsels 1 en 2 successievelijk te 
doen overgaan onder beheer van het technisch personeel der betrokken irrigatie- 
afdeeling. Waar deze nog niet zijn ingesteld, omdat de kosten vooralsnog te 
boog zijn tegenover het voordeel, van dit beheer aan het bestuur te onttrekken, 
zijn toch plaatselijke regelingen getroffen, als in Tegal en bij de Pekalen- werken 
in Pasoeroean, die later voor uitbreiding vatbaar zijn. 

De irrigatie heeft voornamelijk plaats in de vlakten, doch de sawah's 
gaan ook tot 1200 a 1250 M. hoogte in het gebergte. De rivieren op Java, welke 
de belangrijkste bevloeiingen langs hun oevers hebben, zijn : de Solo, Taroem, 
Toentang en Serang in Semarang, Serajoe en zijrivieren en de Brantas. De 
best bevloeide gewesten zijn: Cheribon, Pasoeroean, Bezoeki, Pekalongan en 
Kedoe, Kediri en Batavia; het minst: Madoera, Bantam, Rembang enSoerabaja. 

De betrekkelijke verbreiding van de irrigatie leert ons het volgend overzicht 
kennen. In % van de rijstvelden werden in 1902 geïrrigeerd in Bantam 37,7%. 
Batavia 63 °/ 0 , Preanger Regentschappen 53%, Cheribon 85°/ 0 , Pekalongan 77%, 
Semarang 61%, Rembang 13°/,, Soerabaja 48%, Pasoeroean 81%, Bezoeki 80%, 
Banjoemas 57 %, Kedoe 75%, Madioen 80%, Kediri 67%, en Madoera 8,5% '). 



1) Cijfer» volgen* J. E uk MeïUük, Irrigation in Java (International Engineering Congres 



< 



u 

O 
O 
■r. 

<o 

-0 

a 

03 



O 

B 
> 



a> 

ai 

4) 

0 
I 

e 

s 

s 

s 

S o 

_ 03 
© n3 
-»-» 

P 

£ > 

2 S 

c5 

> sf 

^» > 
JZ CS 

c s 

a> es 

I - 

_ 0 

0 03 

03 -»5 

ai 
03 



03 
0 

N 

03 



0 

03 

03 

0 



03 
03 



0 £ 

03 03 



a 



0 



03 
H3 



^3 

03 

-4— • 



0 

03 

.2 0 



O 



0 

03 
ÖD 0 

O 43 
03 

& I 



> 



S 
•o 
o 

O 



a 

K 

• 

>-, 

o 

> 

8 

O 



co 



c0 

> 



a. 

o 

C 
O 



04 & 



S 

a> 
T3 

M 

'3 

lx 

.O 
O 

U 
*-> 

O 

> 

.5 



1 



1 

O 

J2 
.o 

!2 
'3 



O 

Ui 
o 



* s 



-3 
c* 



° t 

te J 

O g -O 3 H 

a .S .s . _ 



O .5 O 



ttf O *J« 3 O ü 

* > " ° 2 - 8 



-° iS £ .S ■» .2 



g.2 4 

^3 b« V v 

5 £2 li 



c c 



— C3 
*5 



5 « 8 * - 

t J o • < 



J55.S 



-o 

* a o 

-5 > » c 

J 5 S " 



55 
W 
H 



HJ N J» 00 « » 

O 

■-• « C- O O» r- 



10 o o ce 
00 ic a> to in os 



-H 'f t- O 

00 e OO 10 



to<No*o»eot-eo>ot»a> ■* co o 
oowocoioeooiflMBeo 





X 


CT 1 


31 


Ti 










cc 


X 




0 


Tl 


-* 






0 


1 - 




Tl 


1 — ' 








X 1 


X 




CC 






0 




; /~ 






- J 




' " 


«•^ 






— _ 








X ; 








.0 


-M 


ir.i 


X 


0 






X 


cc 






oc 


0 


■O 


H 






Ti 






U3 


Tl 




■cc 


Cl 




— 


X 


IT 


O 








■+ 




TJ 


CO 


Tl 


tri 


















rf3 


^1 


— 1 




Cl 


CC 


( - 




— i 


f— 


-* 


-f 


Cl 


CO 


Cl 


•O 


■— 


O 


O 






TM 




-* 


1 - 


0 


-f 


Ti 


■* 


5C 






p — ' 




Cl 


Cl 




Cl 




re 


X 




iro 


-1> 


cc 






O 


1—* 








iro 


O 


■ — 


Cj 


F— 




Ti 


>T 






«O 


04 






C*T 




1 








1 ^" 


X' 




-■~ 


T*l 




iO 


•— 1 








Tl 


Ti 




CC 


cc 


CM 


— " 


Tl 


cc 


CN 


Tl 


00 




.O 




CT 


ï= 


O 


O 






Tl 


Tl 


Ti 








cc 




< 


->) 




~. 




— 


•c 




CC 


cc 


C. 










<n 




l- 


X 


1 - 




X 


c 


Cl 


CC 




» T 








t~ 


0 




^» 


=s 


Ti 


CC 


X 


X 






t— 










»T 






« 






i - 




< - 




••c 


X 


X 




O 




a* 










T'J 


Tl 


^* 


Ti 


co 


CM 




' — ' 




CM 




07 


■* 








CC 




cc 


-x 


Ti 


O 


- 


Tl 


— • 


X 


0» 


ao 


<JP 








CC 




c - 


CC 


.O 


O 


X 


c. 


CC 




co 


co 


00 




cc 


Ti 


t- 






— 


1- 


c 


0 


rX 


Tl 


X' 


<a 




c— 






*• 








Ti 


Tl 


CC 




CC 


O 




0 




<M 






X 


Ti 


CC 


•a 


>.C 


-f 


CU 


c^ 




c - 


TM 


..T 


f 






Tl 












*"* 














CO 






CC 


Tl 




TJ 


X 


-* 


0 




c; 






CC 




1- 






a> 




cc 




T 


X 


CC 




31 


CC 




X 




«c 






cc 


X' 




X 


c. 










iO 








00 






.T. 






' — ' 


Cl 


<— < 


c 




TT 


- 


04 


Q 


















— ' 












— • 




t- 




— c 




— 1 


■ ~ 




0 




l-< 


Cl 




— 




O» 








30 




'■2 




5 


CC 






«s 


ë 


X- 




*> 


| 






— 


»T. 




Ti 


cc 


/■ 


Ti 




^ 


Ti 




»-T 






*a 
«t 


■s 


— 


X 
Tl 




CS 

n 


Oi 






!c 




CC 


CS 
Tl 


1 








— 
































— 




X 


c 




.0 


-!• 


X 


Tl 


Tl 


O 


0 


00 


i- 




,T 


CC 


X 


i.T 


cc 




Cl 


1- 




Tl 


-f 




O 


O 








c - 




X 


=■ 


Ti 




cc 


'C 


i.T 




ao 


«0 








r. 


cc 


Cl 




.T 


IT 


- 


<c 


c. 


Ti 


X 


co 


0 










X 


c-. 


TJ 


Ti 


- 


cc 




















Ti 


— 1 




Tl 




•— 








— 1 


— < 








s 

— 

a 
et 



c 



« » s 0 s ° y 

«J-BgeSS B -a "2 T3 ^ 

dl <n ■ ^ 



ai i 

d 



IT 
■* 

O* 



(O 
00 
■* 

«0 

O» 
X 



Tl 
O» 

co 



c- 
O 



X 

31 

ao 



e» 
1- 



Tl 
O 
X 



'3 • 



•3 ■=• 
8 S 



3 



I 



Digitized by Google 



63 



De irrigatie kan het best tot stand gebracht worden gebracht, als er 
samenwerking bestaat tusschen de bezitters der landen, en men voor een 
complex van eigenaren één enkele aftapping maakt, het water door één leiding 
naar de bouwvelden voert, en gezamenlijk de onderhoudskosten draagt of den 
arbeid er toe verricht. In de Preanger heeft zulks plaats op kleine schaal 
en ook in enkele streken van Midden- en Oost-Java, doch regel is het daar, 
dat in zake het onderhoud van leidingen en dammen het initiatief genomen wordt 
door de dorpshoofden, en dat de landbouwers eenvoudig afwachten tot zij be- 
velen kragen. Het werken aan irrigatiewerken geschiedt dan in heerendienst 
of in desadienst, al naar gelang van de belangrijkheid der werken en der noo- 
dige herstellingen. Hierin ligt een onbillijkheid, zegt de heer Liefrinck '), om- 
dat die werken niet strekken ten nutte van een geheel district of zelfs van 
eenige desa's, maar speciaal voor de groep sawah's, die door deze werken be- 
vloeiingswater ontvangen. In de irrigatie-afdeelingen trachtte men de werkzaam- 
heden in heerendienst te vervangen door dte van vrije arbeiders, maar toch is 
het aantal dezer nog in de minderheid. 

Op Bali is de toestand anders; daar heeft de sawahbouw aanleiding ge- 
geven tot het ontstaan van landbouw vereenigingen, die ten doel hebben de irri- 
gatie eener zekere uitgestrektheid gronden te bewerkstelligen, de noodige werken 
aan te leggen en te onderhouden, en zooveel mogelijk de gemeenschappelijke 
belangen van de aandeelhouders in dat complex van gronden te behartigen, 
zonder te kort te doen aan ieders individueele bezitsrechten op zijn eigen aan- 
deel. Die instellingen, op Bali „soebak" geheeten, komen veel overeen met de 
Nederlandsche waterschappen, hebben hun eigen bestuur, door belanghebbenden 
gekozen, en houden geregeld vergaderingen. Niet onwaarschijnlijk heeft Java 
ook dergelijke gemeenschappen gehad, die onder den invloed van vreemden op 
het desabestuur en door het cultuurstelsel te niet zijn gegaan. 

Het groote belang van den Inlandschen landbouw bi) het water brengt ons 
tot de vraag omtrent het waterrecht. De algemeen gehuldigde opvatting is, dat 
het water in de rivieren en bronnen toebehoort aan de landbouwers, ten einde 
dezen in staat te stellen een goed produkt van hun velden te verkrijgen en 
daarvan landrente te betalen. Doch in de tijden van het Cultuurstelsel is dik- 
wijls hiervan misbruik gemaakt, en werd het bevloeiingswater soms aan den 
inlandschen landbouw onttrokken voor cultures en de fabrieken. Maar eveneens 
wordt door de Inlanders van het gebergte en eveneens van de vlakte misbruik 
gemaakt van het irrigatie water. 

Door de desa's wordt in de meeste streken nog eenigszins toezicht gehouden 
op het waterrecht. In sommige gewesten was oudtijds het geestelijke lid van het 



1904). Zie rerder: J. E. DB Mktikh, Betloeiing (in: Waterbouwkunde VII). — F. A. Likkrinck, 
De verbetering van het irrigatiewezen op Java (Ind. Gid» 1896 II). — MkivCHIOü. Bevloeiing*- 
werken op Java. (Ind. Gids 1897). — Verslag van de Commissie van advies nopens de werken der 
Solo-vallei 1900. — J. F. Nierheyer, De bevloeiingswerken op Java (Tijdichr. v. u. Kon. 
Ned. A.rdr. Gen. 1908). 

1) Zie F. A. LrKPKiNCK. Dc rerbetcring van het irrigatiewezen Op Java. (Ind. Gid» 1896 
II pag. 1164. 



64 



dorpsbestuur de man, die met de waterregeling belast was. H\j toch, als inner 
eu aandeelhebber in de djakat (bet deel van het produkt door landbouwers voor 
voostel yke doeleinden afgestaan), had belang by het gelukken van den oogst, 
liet Ned. bestuur heeft die bemoeiing verboden, maar soms een afzonderlijk lid 
aan het dorpsbestuur toegevoegd, speciaal belast mot behandeling der irrigatie- 
aangelegenheden. Op andere plaatsen is die zorg opgedragen aan het desahoofd. 
Om de belangen van verschillende desa's, die uit dezelfde rivieren water aftappen, 
met elkander in overeenstemming te brengen, z\]n door het Gouvernement 
mantri's aangesteld, voor sommige residenties nagenoeg in elk district één, elders 
slecbts enkele in een geheel gewest. Echter hebben zy hun taak meestal slecht 
verricht. Veelal wordt in de praktyk de regel gevblgd, dat elke desa zich 
zooveel van het in de rivieren beschikbare water toeeigent als zy noodig heeft 
en krygen kan. Desa's, die het dichtst by de bron oener rivier liggen, verkeeren dan 
in de gunstigste conditie. Die toestand berokkent soms veel nadeel aan enkele 
streken, doch het waterrecht is moeilijk te regelen. Eenheid bestaat hierin nog niet. 



Verkeers- Het verkeer op Java had sedert ouden tijd plaat3 
ele ?nhet l an 8 s de talrijke rivieren, die door prauwen of booten 



land. en vlotten voor een korter of langer afstand bevaren 

konden worden, op onderscheidene plaatsen de zee met het 
binnenland in handelsbetrekking brachten, en aanleiding gaven 
tot het ontstaan van havens, meest langs de noordkust. 

Tusschen die havens heeft een belangrijk kustverkeer 
plaats, dat door de lengte-uitgestrektheid van het eiland nog 
groote beteekenis heeft, wegens goedkoopte en veiligheid. Echter 
is het waterverkeer op het eiland uiterst gebrekkig, vergeleken met 
de moderne behoeften. Want de Solo en de Brantas, rivieren van 
Oost-Java, zijn schier de eenige, welke over een vrjj groote lengte 
bevaarbaar zijn voor vaartuigen van niet te groote afmetingen. 
Doch rivieren als de Tji-Taroem, Tji-Manoek, Tji-Tandoewi, en 
de Serajoe hebben slechts in zeer bescheiden mate aanspraak op 
den naam van waterwegen. -Ook de scheepvaartkanalen zijn meest 
slechts van locale beteekenis; het prauwvaartkanaal van Semarang 
naar Deinak is eenig op Java. Uit den aard der zaak zijn de 
kanalen alleen tot de kustvlakten beperkt. 

Het binnenlandsch verkeer moest dus meest geschieden langs 
landwegen. De terreinverschillen legden hieraan moeielijkheden 
in den weg, die bij de keuze van de routes der wegen zooveel 
mogelijk geneutraliseerd moesten worden. Daardoor sluiten de 
oorspronkelijke wegen zich nauw aan bij de terreingesteldheid. 



G5 



Er waren door Inlanders pedati wegen aangelegd voor smalle twee- 
wielige rijtuigen, en waar die door het terrein onmogelijk werden 
gemaakt, gingen zij over in paden, enkel voor paarden begaan- 
baar, op enkele plaatsen in voetpaden. 

Van deze slechte oude landwegen zijn er nog overgebleven 
in de afgelegen streken. Een groote verbetering bracht hierin 
Daendels, die van 1807 — 1810 den Grooten Postweg aan- 
legde, een schoone, breede grintweg, welke van Anjer oostwaarts 
loopt naar Batavia, dan zuidwaarts de Residentie Batavia door- 
snijdt, verder oostwaarts door de Preanger Regentschappen, 
buiten Krawang om naar Cheribon, en vervolgens op korten 
afstand van de noordkust zich voortzet naar het O., tot waar 
hij bij Soemberawa aan den noordoosthoek van het eiland eindigde. 
Op elke 400 Rijnl. roeden (1506,94 M.) staat een paal als afstands- 
wijzer, en die afstand wordt algemeen op Java nog een „paal" 
genoemd. 

Deze keuze der route van den weg werd hoofdzakelijk bepaald 
door de terreinvormen. Tn de residentie Soerabaja scheidt zich van 
den Grooten weg een tak af, die later werd aangelegd, en den naam 
draagt van Zuidelijken weg. Deze loopt aanvankelijk door 
het midden van het breede Oost-Java, volgt hier de vlakten 
en slingert met groote bochten, evenals de rivieren, om den 
voet der bergen, loopt langs Kediri, Madioen, Soerakarta en 
Djokjokarta en vervolgens langs de zuidkust naar Tjilatjap. Van 
den Grooten weg strekken zich verder in alle richtingen een 
menigte zy takken uit naar de voornaamste plaatsen, voor rij- 
tuigen of paarden bruikbaar. 

De Groote weg, die door Daenuels met ijzeren vuist en 
door het oppermachtig gebruik maken van heerendiensten werd 
tot stand gebracht (I, 464), gaf een groote verbetering aan het 
verkeer. Hierdoor werd de reis van het westen naar het oosten 
over Java, die voor dien tijd ongeveer 40 dagen duurde, ver- 
minderd tot een duur van 6 a 7 dagen. Door den Grooten weg 
was het verkeer op Java in dien tijd de meeste koloniën vooruit, 
en Raffles kon reeds- schrijven, dat weinig landen beter en een 
meer uitgestrekt net van wegen hadden dan Java. Langs den 
geheelen weg waren op regelmatige afstanden poststations ge- 
vestigd en stallen voor postpaarden gebouwd. 

u 5 



Digitized by Google 



60 



„Het reizen langs dien goed onderhouden grooten postweg, in den gemak - 
kelyken wagen gezeten, leverde vroeger een van de groote aantrekkelijkheden 
van een tocht over Java op, al waren er ook bezwaren, en soms gevaren aan 
verbonden. Vliegend snel trok men door het wonderschoone landschap, terwijl 
de koetsier, die alleen het vierspan bestuurde, in den regel zelfs by de Bterkste 
hellingen de snelle vaart niet inhield, zijn paarden met lossen teugel in vollen 
galop liet voortrennen. En weigerden de paarden hun diensten, welnu, dan sprongen 
de loopers of Inlandsche palfreniers van den wagen en spoorden de onwilligen 
door luid geschreeuw, of zoo dit niet hielp, door het werpen van steenen en 
het toedienen van onzachte slagen zoolang aan, totdat de dolle vaart weder 
begon en niet eindigde, voor men aan een poststation kwam, waar versche 
paarden wachtten, om den rit onmiddellyk voort te zetten; althans indien de 
reiziger het niet zoo ongelukkig trof, dat het eenige span, hetwelk aan het station 
voorhanden was, dien dag reeds geloopen bad, in welk geval men soms een 
zestal uren moest wachten. Daar een dergelyk poststation gewoonlyk uit niets 
anders bestaat dan een dak op palen, over de breedte van den weg opgeslagen, 
en alleen goed om den reiziger tegen de brandende hitte te beschutten, kan 
men zich het lot van den ongelukkige voorstellen, die zonder eenig middel om 
de verveling te bestrijden, uur aan uur moest wachten, totdat de paarden de 
noodige krachten hadden herkregen. Gevaarlijker nog dan de snelle vaart 
der Javaan sche posteryen scheen aan hem, die nooit Java had bereisd, het 
overtrekken der vele rivieren toe. Soms geschiedde dit met zeer primitieve ponten 
(aassaks), niet voel beter dan gewone vlotten, en ook thans trekt men som- 
wijlen den stroom over op hangende bruggen, grootendeels van bamboe en rotan 
vervaardigd, zonder dat er een spijker voor is gebruikt. Haar constructie bestaat 
uit twee sterke kabels van rotan, die evenwijdig van den eenen kant naar den 
anderen zijn gespannen, en aan zware boomen bevestigd worden. Daaraan zijn 
koorden van slingerplanten vastgehecht, die op een voet afstand van elkaar zijn 
geplaatst en de eigenlijke brug dragen, welke uit aan elkander verbonden bamboe- 
latten bestaat. Over deze zwiepende, zwaaiende en krakende brug wordt het 
rijtuig in vollen ren gevoerd." (Van dkb Lmi). 

De Inlanders gebruikten als middel tot vervoer van pro- 
dukten, soms ook wel van menschen, lange, ruwe houten vracht- 
karren, in 't Mal.: pedati genoemd, (Jav. : grobak, Soerab. : 
tjikar), bestaande uit een vierkanten bak met losse sluitstukkeu 
voor en achter, zonder veeren rustende op een as, waaraan twee 
houten wielen draaien. Vroeger waren dit z.g. schijfwielen, ver- 
vaardigd uit cirkelvormige schijven van één stuk hout, doch 
tegenwoordig worden die meest overal door betere wielen ver- 
vangen. Die wielen met scherpe kanten, welke spoedig bij het 
rijden den cirkelvorm hadden verloren, waren slecht voor de 
geharde wegen op Java, en daarom werd het verboden, die 



Digitized by Google 



fl- 
op den Grooten weg te gebruiken. Om de Inlanders te helpen 
werden nu voor het gebruik der pedati's naast de groote wegen 
p e d a t i-w e g e n aangelegd, die men nog op Java vindt. Java werd 
aldus langzamerhand in alle richtingen vrij goed met wegen door- 
sneden. Naast de harde rijwegen vindt men in het bergland en in 
de weinig bewoonde streken nog de wegen of paden, enkel voor 
rij- en lastdieren bruikbaar, en verder de voetpaden der Inlanders. 

De uitbreiding van het transportwezen is in de 19 de eeuw 
een belangrijk onderwerp van overweging en zorg voor het Gou- 
vernement geweest, om hiermede te kunnen voldoen aan de hoo- 
gere eischen des tijds. Vooral in den eersten tijd van het Cultuur- 
stelsel (1830 — 1840) kwam de behoefte aan betere transport- en 
gemeenschapsmiddelen sterk aan het licht. Zelfs werden door den 
Minister J. C. Bauo een 40-tal kameelen uit Teneriffe naar Java 
gezonden, met het doel om ze voor transport te gebruiken, en 
later ezels en ezelinnen. Na dergelijke zonderlinge proefnemingen 
werd in 1840 een onderzoek ingesteld, of met het oog op de 
terreinsgesteldheid spoorwegaanleg mogelijk zou zijn, en het 
resultaat was, dat in 1842 een Kon. Besl. werd uitgevaardigd, 
gelastende, dat ter bevordering van het transport van produkten 
en goederen van Semarang naar Kedoe en de zoogenaamde 
Vorstenlanden vice versa een ijzeren spoorweg zou worden 
aangelegd, bestemd om te worden bereden met ijzeren wagens, 
getrokken door buffels, ossen of paarden. Dit besluit bleef echter 
onuitgevoerd. Nog ging een tijdperk van 20 jaren met heel wat 
plannen en besprekingen der vraagpunten voor het verkeer en 
van aangevraagde concessies voorbij, en eerst in 1862 werd door 
het verleenen der concessie voor de lijn Semarang- Vorstenlanden, 
twee jaar later gevolgd door een concessie voor de lijn Batavia — 
Buitenzorg, met den aanleg van spoorwegen een begin gemaakt 
door de inmiddels opgerichte „Nederlandsen- Iudische Spoorweg- 
maatschappij." Financieele moeielijkheden, waarmede de maat- 
schappij, trots krachtige staatshulp, nog had te strijden, belette 
vooreerst de uitbreiding van den spoorweg-aanleg, waardoor de 
Regeering tot de overtuiging kwam, dat aanleg van spoorwegen 
door den Staat allicht minder risico medebracht dan rentegarantie 
aan maatschappijen. Bij wet van 6 April 1 875 werd nu de eerste 
machtiging tot aanleg van een staatsspoorweg in Ned. IndiC ver- 



6S 



leend, nl. voor de lijn Soerabaja— Pasoeroean— Malang. Sedert 
kwamen door verschillende wetten de staatsspoorwegen op Java 
en Sumatra tot stand en tevens werden nog onderscheidene con- 
cessies verleend voor stoomtrams en particuliere spoorwegonder- 
nemingen. 

De stamlijn van het ijzeren spoorwegnet op Java is de lijn 
Batavia— Buitenzorg — Soekaboemi, verder over het plateau der 
Preanger- Regentschappen, en bij Tjilatjap de zuidkust naderend, 
deze op korten afstand volgend tot Djokjokarta, om daarna 
meer schuin naar het N.O. het land te doorsnijden naar Soera- 
baja. De nieuw aangelegde spoorweg Batavia— Krawang— Poer- 
wakarta— Padalarang (ten W. van Bandoeng) snijdt den omweg 
over Soekaboemi thans af en zal deze lijn meer tot een 
zijlijn maken. Naar het W. loopt van Batavia een lijn met twee 
armen naar Anjer en Laboean aan Str. Soenda. Doch het rijkst is 
Oost-Java van spoorwegen voorzien; de staatsspoor loopt daar thans 
door tot Banjoewangi en heeft onderscheidene zijtakken, waarvan 
de lijn Kertosono — Blitar— Malang — Bangil de voornaamste is. 

Naast spoorwegen zijn er op Java talrijke stoomtram- 
wegen aangelegd, het meest in Soerabaja en Kediri. Aldus heeft 
Java thans een vrij aanzienlijk spoorwegnet. In het geheel waren 
in 1903 op Java en Madoera in exploitatie 1788 K.M. staats- 
spoorweg, 261 K.M. particuliere spoorweg en 1838 K.M. stoom- 
tramweg, totaal 3887 K.M. Dit geeft voor Java een spoorweg- 
lengte van 0,028 K.M. per K.M. a oppervlakte, terwijl Nederland 
een spoorweglengte heeft van 0,086 K.M. per K.M. 2 , Frankrijk 
van 0,08, Britsch-Indië van 0,008 K.M. per K.M 2 . 

Vergeleken met Britsch-Indië verkeert Java in een gun- 
stiger toestand van spoorweglengte, doch geheel Ned. Indië als 
gemiddelde genomen, met 0,004 K.M. per K.M. 2 , staat er bjj achter. 
In Britsch O.-Indië had men per 10,000 inw. in 1901: 1,4 K,M. 
spoorweglengte, en Ned. Indië 0,7 K.M. 

De spoor- en tramwegen zgn voor Java van groote be- 
teekenis, doordien het verkeer te water in het land zoo gering 
is. Door den aanleg der spoorwegen en stoomtramwegen is 
het karretransport veel verminderd. Hoewel dit bedrjjf dus is 
achteruitgegaan, heeft het beter verkeer ten gevolge, dat de pro- 
dukten van den Inlander gemakkelijker ter markt kunnen worden 



69 



gebracht, dat die daardoor stijgen in prijs, terwijl bij gebrek 
aan levensmiddelen, als door misoogst, gemakkelijker en goed- 
kooper in de behoefte kan worden voorzien. De prijzen, die bij 
slecht verkeer locaal veel verschillen, worden er door genivel- 
leerd. Ook de groote cultures nemen er door toe in beteekenis, 
en verder afgelegen landen kunnen in cultuur worden ge- 
bracht. De uitvoer van olie en coprah van Java is mogelijk 
geworden door den aanvoer van petroleum, en de laatste was 
een gevolg van den aanleg van spoorwegen. De inlandsche markt- 
plaatsen komen door de spoorwegen meer direct in betrekking 
met den groothandel, en daardoor werken zij gunstig op het 
economisch leven. Evenwel de kleine marktplaatsen gaan door 
dit verbeterd verkeer achteruit, omdat gemakkelijk grooter pasars 
kunnen bezocht worden. 



II. DE BEWONERS VAN JAVA. 

Vergelijking neDDen reeds vroeger (I pag. 268 enz.) de in- 

van Javanen, deeling der bevolking van den Archipel op anthropo- 
e^MadwwM? logische gronden en volgens taalfamilies beschouwd, en 
«en. zagen, dat op Java in hoofdzaak te onderscheiden zjjn 

eigenlijke Maleiers en de gemengde bevolking in de kuststeden, 
de Soendaneezen in West-Java, de Javanen in Midden- 
en Oost- Java, de Madoereezen op Madoera en Oost- Java, 
terwijl Badoejs in zuidelijk Bantam en de Tenggereezen 
in het Tenggergeb. van 0. Java als restes van een oud en oor- 
spronkelijk ras, dat der Indonesiërs, moeten aangemerkt worden. 

De hoofdbevolking van Java vormen de Javanen, Soenda- 
neezen en Madoereezen, die zich naar getalsterkte ongeveer 
verhouden als 11:4,5:1. Hieruit blijkt, dat de Javanen de 
meerderheid der bewoners uitmaken van Java. 

Een vergelijking van deze drie hoofdgroepen wijst in het oog- 
vallende lichamelijke en karakter-verschillen aan. Madoereezen, 
Soendaneezen en Javanen komen daarin overeen, dat zij meest 
landbouwers zijn, de eersten echter daarnevens ook visschers 
en zeelieden, en hun zeemanschap ging niet zelden in zeeroof over. 

De Soendaneezen en Javanen verschillen in lichaamsuiterlijk, 



70 



in karakter, en in maatschappelijke instellingen. De Soendanees 
is niet groot van gestalte, eenigszius ineengedrongen, sterk ge- 
bouwd en goed gespierd; hij heeft zwaar, niet krullend, zwart 
haar, weinig baard, sterk ontwikkelde wenkbrauwen en smalle, 
donkere oogen, die min of meer scheef staan, liet voorhoofd 
is vrij hoog, de wangbeenderen zijn breed, de neus kort en breed, 
de mond is vrij groot, en achter de dikke lippen heeft hij fraaie, 
witte tanden, die echter, evenals bij vele stammen in den Ar- 
chipel, afgevijld en zwart gemaakt worden. De huidkleur is 
lichtbruin of licht koffiekleurig. De Soendaneezen beschouwen 
zich zelf als de »djelma boemi", de oorspronkelijke bewoners 
des lands, en komen het meest met het algemeene type van 
het Maleische ras overeen. In het bergland der Preanger hebben 
zij het best het oorspronkelijk type bewaard. 

De Javanen zijn over 't geheel iets langer dan de Soenda- 
neezen, gemiddeld 5 — 5'/ 2 voet, maar daarbij zijn zij ranker 
van lichaamsbouw, de armen en de ledematen zijn schraal, de 
beenderen meer fijn, de gewrichten lenig; het middel der vrouwen 
is aanmerkelijk dunner. Het gelaat is minder vierkant, de neus 
niet zoo plat, zelfs is de haviksneus niet zeldzaam; de mond 
is meer vooruitstekend, de gelaatstrekken zijn krachtiger en 
hebben meer uitdrukking. De oogen van den Javaan staan na- 
genoeg horizontaal. Het dragen van slecht ontwikkelde knevels is 
bij de mannen vrij algemeen. 

De Javanen verschillen in huidkleur over 't geheel weinig 
van de Soendaneezen ; zij is over 't geheel vrij donker geelbruin. 
Vooral onder de bergbewoners treft men dikwijls personen aan 
met donkere huid. Echter vindt men onder de Javanen uit den 
gegoeden stand ook lichtgelen en zelfs een naar het blanke over- 
gaande gelaatskleur. De schoonste gelaatskleur acht de Javaan 
de licht-goud-gele kleur, door hem „kocht langsep", d. i. de 
kleur der rijpe vruchten van den Langsepboom, genoemd. 

De Madoereezen staan in lichaamsgrootte ongeveer gelijk 
met de Javanen, doch zijn sterker gebouwd en krachtiger ge- 
spierd. Verder verschillen zij er van door den vorm van het 
hoofd; zij hebben een breed, kort en zeer plat achterhoofd, een 
hoog, breed, aan de slapen afgerond en naar achter gebogen 
voorhoofd en uitpuilende jukbeenderen. De oogleden zijn veel 



71 



wijder gespleten dan bij de Javanen ; de gelaatstrekken drukken 
meer karakter uit dan bij de Soendaneezen en Javanen. 

Ook de geestelijke eigenschappen dezer drie volksgroepen ver- 
schillen. Bjj de Soendaneezen heeft de invloed van het Hin- 
doeïsme niet zoo sterk gewerkt als bij de Javanen ; als ras zijn zy 
in hun bergland zuiverder gebleven en meer aan eigen ontwik- 
keling overgelaten. De Soendaneezen hebben meer oorspronkelijks, 
maar hoewel minder Hindoesch, zijn zij sterker onder den invloed 
van den Islam gekomen, die er het volksleven geheel doordringt. 
(Zie I, pag. 334). Wat het karakter betreft, wordt de Soendanees 
beschreven als teruggetrokken, stil, zichzelf gelijk, zelden in een 
andere dan zijn gewone stemming. Hij is schroomvallig, angstig, 
waar werkelijk of vermeend gevaar dreigt, maar driest en over- 
moedig, als hij overtuigd is geworden, dat er niets te duchten valt. 
De vrees is onder Soendaneezen een machtig ding. Allen vreezen 
booze geesten, minderen vreezen de hoofden, en dezen wederom 
voor het bestuur. Woest en wreed zijn de Soendaneezen in geenen 
deele, maar hoewel goedaardig kunnen zij, in drift geraakt, bloed- 
dorstig en wreed worden en met groot behagen hun slachtoffers 
martelen. Zij zijn achterhoudend, vooral jegens Europeanen, en 
verstaan bij uitstek de kunst om zich te beheerschen in tegen- 
woordigheid van hun meerderen. Hun aandoeningen van droefheid 
en vreugde kunnen wel eens hartstochtelijk zijn, maar ze zijn 
niettemin oppervlakkig en kort van duur. In hun spreken zijn zjj 
langzaam en bedachtzaam, en zij komen, als zij iets aan hun meer- 
deren hebben mede te deelen, niet zonder omwegen tot de zaak. 
Zij zijn eenvoudig van levenswijze, zonder evenwel van pronk- 
zucht en overdaad een afkeer te hebben, tevreden met weinig, 
zonder het vele te versmaden. Aan het gebruik van sterken 
drank maakt de Soendanees zich niet schuldig en opium is in 
de Preanger verboden (zie I, pag. 403), maar toch is hij buiten 
het verboden gewest er niet afkeerig van. Van het spel zijn 
de Soendaneezen groote liefhebbers; op de groote plaatsen wordt 
ontzaglijk gedobbeld. Eerlijkheid is een algemeene deugd, goe- 
deren en personen zijn er in het binnenland zeer veilig, doch 
waar opium en spel voorkomen, is die karakterdeugd niet zelden 
verloren gegaan. Van twisten heeft de Soendanees een afkeer; 
vechten is zelfs onder de jongens zeldzaam. 



Digitized by Go 



72 



Godsdienstig is de Soendanees in hooge mate, maar zijn 
Mohammedaansche godsdienst is ten sterkste vermengd met 
de elementen van het oorspronkelijk geloot (zie I pag. 312 enz.) 
Het Soendaneesche volk bezit vele eigenschappen, welke het 
aantrekkelijk maken voor vreemdelingen, en dat zijn hun recht- 
vaardigheid, beleefdheid, voorkomendheid, gastvrijheid, weinige 
pretenties en lust tot den vrede. 

De vatbaarheid voor ontwikkeling wordt door velen niet 
zeer hoog gesteld; de heer Grashuis zegt, dat de Soendaneezen 
in dat opzicht staan beneden den Maleier, den Javaan en den 
Alfoer. Weetgierigheid is hun vreemd, nieuwsgierigheid is hun 
eigen even als andere menschen. De leeslust is gering; alleen 
die geschriften vallen in den smaak, welke op de eene of andere 
wijze de zinnen prikkelen. Gevoel voor het schoone in de natuur 
bezitten zy niet. Zingen doen en kunnen zij niet; het eerste 
Soendaneesche lied moet nog gemaakt worden. Alleen de een- 
tonige en melancholische Inlandsche muziek streelt hun oor. 
Landbouw valt in hun smaak, maar zy beoefenen dien zooals hun 
voorouders deden, leeren in dezen niets, achten bemesting over- 
bodig. Ook drijven de mindere standen bij voorkeur handel, 
maar van ambachten, die zij voor eigen behoefte niet noodig 
hebben, houden zij niet. 

Het karakter der Javanen en hun levenswijze komt ten 
deele voort uit hun geschiedenis en levensomstandigheden. Van 
het Hindoeïsme is er in dit volksleven iets overgebleven, dat 
bij de Soendaneezen niet gevonden wordt ; in het gewoonterecht 
leven nog beginselen daarvan voort. (Zie I, pag. 334 enz.). Maar 
het Mohammedanisme wordt er minder zuiver gevonden, mede 
door de overblijfselen van het oude heidendom. 

Over 't geheel is de Javaan van zachtmoedig en volgzaam 
karakter, zwak en bijgeloovig, zoodat hij gemakkelijk tot iets 
ongerijmds is over te halen. In den omgang is hij steeds vor- 
melijk en tegenover zijn hoofden en andere hooge personages 
is hij zeer eerbiedig en hoofsch. Misschien zijn hierin sporen 
te herkennen van den Hindoe-invloed met het sterk gescheiden 
kastestelsel. Zelfs in de taal heeft zich de onderscheiding van 
hooge en lage taal bjj de Javanen sterker ontwikkeld dan bij 
Soendaneezen en Madoereezen (I pag. 294). Hun hoofschheid 



73 



ontaardt niet zelden in kruipende onderdanigheid, mede een ge- 
volg van het despotisme, waaronder hij eeuwen heeft gezucht. De 
Javaan is gehecht aan zijn geboortegrond en aan zijn familieleden, 
wien hij niet zelden opofferende liefde toedraagt. Van zijn kin- 
deren houdt de Javaan veel ; hij is niet zelden zwak en toegevend 
tegenover hen, maar als hij eens begint te straffen, kan hij zijn 
drift dikwijls niet meester blgven. Tegenover zijn medemenschen 
is hij gastvrij en hulpvaardig, soms tot het overdrevene toe en 
met opoffering van eigen belangen. Hij is niet onvatbaar voor 
trouw en dankbaarheid ten opzichte van allen, die hem goed 
behandelen, is kalm van temperament, van nature niet wreed, 
wraakzuchtig of jaloersch, geduldig en vergevensgezind, hoewel 
hij, als zijn drift is gaande gemaakt, tot uitersten kan vervallen. 

Hoewel van aard niet oorlogzuchtig, is de Javaan toch 
geen slecht soldaat, en als hij behoorlijk wordt aangevoerd, ont- 
breekt het hem niet aan moed. Doch in het dagelijksch leven 
vermijdt mj gekrakeel en tracht gaarne geschillen bij te leggen. 
Men verwijt den Javaan soms luiheid, doch dit is onbillijk, zoo- 
als blijkt bij de Javanen in het binnenland, waar geen vreemde 
invloed het karakter nog gewijzigd heeft. Dat de Javanen niet 
arbeidzaam en spaarzaam zijn, zooals men in Europa dat kent, 
is mede een gevolg van hun economische geschiedenis (zie I, 
pag. 456 enz.). En tegenover het verwijt van onzindelijkheid, dat 
den Javaan dikwijls treft, staat, dat hij zich op zijn minst twee- 
malen per dag baadt en wascht, terwijl hij ook op zijn eten keurig 
is. Dat huis en kleeding minder zindelijk zijn, is mede een gevolg 
van de uiterst sobere inrichting der woningen. (Zie I, pag. 367). 

Bij vele deugden vallen ook eenige ondeugden sterk in het 
oog. Bjjgeloovigheid, goedgeloovigheid, te ruime begrippen van 
zedelijkheid, te ver gedreven gulheid, mildheid en verkwisting, 
een zucht om soms buitengewoon te pronken, dit zijn veel voor- 
komende schaduwzijden van het Javaansche karakter. Maar erger 
zijn voor hem zelf de voorliefde voor dobbelspel en weddenschap, 
en de verslaafdheid aan het gebruik van opium. 

Scherp van beide voorgaande typen onderscheiden zijn de 
Madoereezen. In lichaamsgrootte staan zij ongeveer gelijk met 
de Javanen, zijn echter meestal iets kleiner, doch sterker ge- 
bouwd en meer gespierd. Overigens verschillen zij er van door 



Digitized by Google 



74 

den vorm van het hoofd; zij hebben een breed, kort en zeer 
plat achterhoofd, een hoog, breed, aan de slapen afgerond en 
naar achter gebogen voorhoofd en zeer uitpuilende jukbeenderen. 
De oogleden zijn veel wijder gespleten dan bij de Javanen. De 
gelaatstrekken drukken meer karakter uit. 

De Madoereesche vrouwen hebben dikwijls iets lomps over 
zich en zijn eer leelijk dan mooi ; onder die van Bangkalan komen 
echter ook mooie typen van flink gebouwde vrouwen voor, die 
eveneens niet zeldzaam zijn onder het gemengd Javaansch-Madoe- 
reesche ras. Eigenaardig is, dat de Madoereesche vrouwen steeds 
de lasten op het hoofd dragen, terwijl de Javaansche vrouwen 
die op den rug dragen. 

Ook itf karakter verschilt de meer zelfstandige, zich zelf 
bewuste Madoerees zeer van den hoffelijken, slaatschen Javaan. 
Ten opzichte van zijn meerderen heeft de Madoerees een fier- 
heid van uitdrukking en een ongedwongenheid in toon, die in 
het oog springt. Voor de rechtbanken worden de Javanen meest 
gebracht wegens diefstallen, de Madoereezen wegens gewelddaden. 
Voor den Javaan dient de kris bovenal als een sieraad om zijn 
costuum te voltooien ; voor den Madoerees is de kris een wapen, 
om zijn woorden zoo noodig kracht bij te zetten en om zijn 
hartstochten te dienen. Zelfs een verdiend verwijt, een onaan- 
gename scherts van zijn buurman, een steelsche blik door zijn 
vrouw een ander toegeworpen, kan hem het lemmer uit de 
scheede doen brengen. Als het Gouvernement werkvolk tegen 
loon noodig heeft, zal de Madoerees zich niet licht daartoe leenen, 
hij wil geen koelie zijn; doch heeft men hem noodig om zijn 
heerendiensten te vervullen, dan komt hij gaarne uit zich zelf: 
hij beschouwt dat als zijn plicht. Waar de Madoereezen zich 
onder de Javanen nederzetten, trekken de laatsten zich allengs 
terug. De Madoerees houdt van prikkelende dranken; het ge- 
bruik van palmwijn (toewak) neemt op West-Madoera steeds 
grooter omvang aan. Het peil der zedelijkheid wordt overigens 
geacht bij de Madoereezen hooger te staan dan bij de Javanen. 

Vanwaar het energieke, het vooruitstrevende, dat den Ma- 
doerees over 't geheel kenmerkt? De ligging en de gesteldheid 
van den bodem van zijn land hebben er ongetwijfeld toe mede- 
gewerkt, om die eigenschappen te ontwikkelen. Op hun oor- 



Digitized by Google 



75 



spronkelijk eiland aan alle zijden door de zee omringd, wordt 
de bevolking er als van zelf toe gebracht om de zee als een 
voorname bron van inkomsten te beschouwen, te meer door 
de onvruchtbaarheid van Madoera, welk eiland slechts djagoeng 
(maïs) en katjang (aardnoten) oplevert en in geringe hoeveel- 
heid rijst, niet voldoende om in de behoefte te voorzien. 
Daardoor was de Madoerees van ouds gedwongen om in andere 
richting zijn bestaansmiddelen te zoeken, in de eerste plaats in de 
vischvangst, daardoor in de scheepvaart, die wel eens in zeeroof 
ontaardde, en verder in handel en nijverheid. Toen door toeneming 
der bevolking ook deze hulpmiddelen niet een voldoend bestaan 
opleverden, zocht de Madoerees, genoodzaakt door den drang der 
omstandigheden, een uitweg door emigratie, eerst naar de 
omliggende eilandjes, en later naar den overwal, naar de ge- 
westen Bezoeki, Probolinggo, Pasoeroean en Soerabaja. Het valt 
den Inlander, aan zijn geboortegrond gehecht, zwaar zijn land 
te moeten verlaten, maar de Madoerees moest wel, hij werd door 
armoede er toe gedwongen en ook de vrouw stond hem hierin bij. 

De Madoereesche vrouw werkt hard, en ook op Java, 
hoewel in andere omstandigheden komende, geeft zij de blijk 
reeds vroeg aan handenarbeid te zijn gewend. Een zwart baadje, 
van voren een weinig of over de geheele lengte opengesneden, 
iets boven de heupen omgevouwen en om het lijf geslagen, 
daaronder direct de saroeng, op het hoofd een mand vol dja- 
goeng, rijst, lombok, visch, vleesch of andere ingrediënten, op 
de pasar na lang bieden en loven gekocht, de haren slordig 
opgemaakt, eenigszins brutaal rondziende, de lippen zwartrood 
van de sirih, den mond ontsierd door zwarte tanden, ziedaar een 
beeld van de Madoereesche vrouw, die vroeg oud wordt, en al 
op betrekkelijk jongen leeftijd iets mannelijks en rimpeligs heeft. 
Vrouwelijke handwerken kent zij niet, zelfs kan zij dikwijls 
niet naaien; moet de man een buisje hebben, zij koopt het 
kant en klaar op de pasar, en heeft de vrouw een badjoe 
noodig, zij koopt de stof en laat het kledingstuk vervaardigen 
door een kleermaker. 

Weinig vrouwen, die niet aan den handel doen ; dat is haar 
liefste bezigheid, en allerlei zaken biedt zij te koop aan. Doch bij 
dit alles wordt aan het huisgezin weinig aandacht geschonken. De 



Digitized by Google 



76 



werkzaamheden te huis bepalen zich veelal tot het schoonhouden 
van het erf en een eenvoudig potje koken. Verder batikt zjj, 
echter niet zoozeer om er een broodwinning van te maken, 
maar hoogstens voor eigen gebruik en voor eenige bijverdienste. 

De mannen der Madoereezen dragen slechts zelden een sarong, 
maar gewoonlijk een korte broek, naar nationaal model zeer nauw, 
een echte spanbroek, tot boven de knieën loopend, bestiktopde 
naden en randen, met een schuif om het middel en met kwasten en 
knoopen voor den buik. Die knoopen doen denken aan de boeren- 
daaldersknoopen, welke vroeger in Zeeland werden gedragen* 

Over den woningbouw van Javanen en Madoereezen spraken 
wij reeds (I pag. 366). De Madoereesche woning is over 't ge- 
heel vuil en ook het erf ziet er verwaarloosd uit. De welvaart 
bij de Madoereesche woning kenmerkt zich gewoonlijk door het 
gebruik van roodpannen daken, soms door houtsnijwerk aan de 
deuren, in huis door een ronde talel, een petroleum hanglamp 
en een houten kist. Maar alles is met een laag stof bedekt. 

In het bedrijf bestaat tusschen deze drie volksgroepen ook 
verschil. Javanen en Soendaneezen zijn meest landbouwers, de 
Javanen ook werklieden, en de Madoereezen zijn meer veehouders, 
schippers, visschers en handelaren. De veestapel der Madoereezen 
is van groote beteekenis. (Zie I, pag. 543). 

Aan de noordelijke kuststreken van Java en in de groote 
handelsplaatsen woont een zeer gemengde bevolking; daar hebben 
zich vele echte Maleiers gevestigd en vreemde Oosterlingen, 
die sterke ras- en taalvermenging deden ontstaan. 

Badoej's en Geheel op zich zelfs taan de volkselementen vormen 
Tenggereewn. nog de Badoej's en Tenggereezen (zie I pag. 
269). Over dezen een enkel woord. 

De Badoej's wonen in de bosschen van het Kendeng geb. 
in het Zuiden van Bantam en maken een kleine volksgroep 
uit van misschien niet meer dan 300 zielen. Door strenge af- 
zondering van de buitenwereld hebben zij zich hier staande 
gehouden in het woest bergland. Men vermoedt, dat zij over- 
blijfselen zjjn van de oorspronkelijke bevolking van West-Java, 
die bij den val van het Rijk Padjadjaran zich niet aan de Mo- 
hammedaansche overheerschers wilden onderwerpen en naar het 



77 



binnenland vluchtten, waar zij hun heidenschen godsdienst be- 
waarden. De naam Badoej's is hun misschien door de Arabieren 
gegeven en beteekent dan, evenals bedoulnen : woestijnbewoners. 

De Badoej's zijn over 't geheel kloeke, forsche gestalten, 
grooter dan de overige Bantam mers. De huidkleur schommelt 
tusschen lichtgeel en vuilbruin; over 't geheel zijn zy iets lichter 
getint dan de Bantammers. Misschien is dit een gevolg van hun 
leven in de bosschen, waardoor zij minder aan de zonnestralen 
zijn blootgesteld. Het hoofdhaar is lang, dik en grof, zwart 
van kleur, en de baard is dun. Hoewel de kindersterfte bij hen 
groot is, en zij zelden meer dan twee kinderen in leven houden, 
blijven zij toch in stand, ook al is er geen toeneming bij te be- 
merken. 

Het karakter der Badoej's wordt geschetst als veel verschil- 
lend van dat der overige Maleische volken. Zij hebben allen 
zonder uitzondering iets liefelijks en openhartigs, iets dom-eerlijks 
en kalms in hun gelaat, dat hen aantrekkelijk maakt. Men 
ziet in hen eerder groote kinderen dan volwassen menschen. 
De Badoej is niet als de Javaan gebonden aan slaafsche vormen 
tegenover zijn meerdere, en daardoor mist hij ook het kruipende 
van deze; hij ziet ieder vrjj in 't gezicht Hoewel hun ontwik- 
keling zeer laag staat, geven zij toch wel blijken van gezond 
verstand. De zedelijkheid der Badoej's staat hoog, kuischheid 
wordt in eere gehouden, de meisjes staan onder streng toezicht 
der moeders, en ook de getrouwde vrouw staat onder strenge 
tucht. (Voor de verdere kennis van de Badoej's wijzen wij naar : 
Dr. J. Jacobs en J. J. Meter, De Badoejs 1891.) 

De Tenggereezen, d. i. „hoogland menschen" wonen in 
het Tenggersche geb., op de grenzen van Passoeroean en Pro- 
bolinggo. Men beschouwt hen als een overgebleven volksgroep 
uit het vroegere Hindoerijk Madjapahit, welks beschaving uit 
de laatste periode zij nog bewaard hebben. Zij vertegenwoor- 
digen de eigenaardige tusschenperiode van het Midden-Ja vaansche 
tijdperk uit de 15de eeuw. Daardoor vormen de Tenggereezen 
een interessante volksgroep (Zie G. P. Roüfpaer Encyclopaedie 
v. Ned. Ind. art. Tenggereezen). In den laatsten tijd schjjnen 
er echter vermengingen met Javanen bij hen plaats te hebben en 
overgangen tot den Islam. 



7S 



De Inlanders van Java hebben nooit een staatkundige een- 
den at kun- neid uit «emaakt, en wanneer zy vereenigd werden onder één 
digentoestand. bestuur, dan was dat onder vreemde overkeerschers. Energie 
Uitbreiding en initiatief tot ontwikkeling van een zelfstandig, groot staatsleven 

van het Neder- 8Cü y n t bij deze volken niet te hebben bestaan, 
landsch gezag. « v 

Tegenwoordig is geheel Java met Madoera, (alleen de Vorsten- 
landen in beperkten zin) onmiddellijk onderworpen aan het Nederlandsch staats- 
gezag, vertegenwoordigd door den Gouverneur Generaal en vormt z.g. Gouver- 
nementsgebied (Zie I, pag. 431). Die staatkundige vereeniging onder één 
bestuur bestaat alleen gedurende de laatste tyden. Uit een staatkundig ver- 
snipperd gebied heeft de Nederlandsche heerschappü op Java deze eenheid lang- 
zamerhand doen voortkomen. 

Wy moeten enkele grepen doen uit de geschiedenis, om de ontwikkeling 
dier toestanden in algemeene trekken in het licht te stellen. In het midden 
der 15do eeuw werden op Java twee groote Hindoe-ryken gevonden: dat van 
Madjapahit in het oosten en van Padjadjaran in het westen. De invoe- 
ring van den Islam in den loop der 15de eeuw had den ondergang dezer beide 
rüken ten gevolge: van Padjadjaran omstreeks 1443 of later, en van Madjapahit 
omstreeks 1518. In plaats van deze twee rijken ontstonden er nu vele op zich zelf 
staande Mohammedaansche staten op Java, waarvan de voornaamste waren: 
Demak, Padjang, Gresik (Grissée), en Kediri in oostelijk, Gheribon, 
Jakatra (Djakarta) en Bantam (Banten) in westelijk Java, terwijl Bang- 
kalan, Pamekasan en Soemenep op Madoera ontstonden. De staten van 
oosteujk Java losten zich langzamerhand op in het grooto r\jk van Mataram, 
dat uit Mataram, een leenstaatje van Padjang, ontstond, en in de laatste helft der 
16de eeuw alle andere rijkjes van Oost- Java vernietigd of aan zich cijnsbaar gemaakt 
had. Alleen in den Zuid-oosthoek van Java, in de latere gewesten Banjoewangi 
en Bezoeki, hield zich het Hindoeïsmo nog lang staande in den strijd tegen 
de Mohammedanen, en hier bestond het machtige Hindoerijk Balambangan, 
waarheen vele Javanen, die de nieuwe leor niet wilden aannemen, vluchtten. 
Dit rijk bleef lang onafhankelijk, doch de Babsche vorsten verkregen er een 
zekere suprematie. 

In 1639 werd ook Balambangan aan den sultan van Mataram onderworpen, 
het land werd ontvolkt en vele bewoners werden als slaven overgebracht naar 
Mataram. Toch schijnt het rijk nog zekere zelfstandigheid te hebben behouden 
tot 1697, toen de laatste vorst uit zijn rtfk werd gezet. Madoera, dat vroeger 
door Madjapahit werd overheerscht, werd later evoneens door Mataram onder- 
worpen. Zoo werd Mataram in de 17de eeuw het machtige ryk van Oost- Java, 
dat zyn gezag uitbreidde over vele vroegere kleine rijkjes. 

In West-Java behielden de kleine Mohammedaansche rijkjes een meer zelf- 
standig bestaan. Cheribon, waartoe ook de Preanger-landeu gedeeltelijk be- 
hoorden, had zijn eigen sultans, hoewel het eenigennate de opperheerschappy 
van Mataram erkende. Jakatra schijnt nagenoeg onafhankelijk gebleven te 
z\jn, totdat het in 1619 werd onderworpen door Bantam. Bantam was in het 
W. een machtig ruk geworden, dat ijverde voor de uitbreiding van den Islam, en 



79 



dat trachtte de Bovenlanden van een groot deel van West- Java onder z\]n gezag 
te verkrygen. Dat gaf aanleiding tot strijd met Mataram, hetwelk hier eveneens 
naar heerschappij streefde. Toen dit laatste zijn gezag in de Preanger-regent- 
schappen erkend zag, trachtten ook de Bantamsche vorsten aldaar op verschillende 
punten invloed te verkrijgen door de vestiging van Bantamsche kolonies. Zoo 
drong men van beide zijden dit gebied binnen en aan deze nederzettingen is 
o. a. te danken, dat het gebied van Krawang aan de oevers der Tji-Taroem, 
hetwelk tot de Preanger Bovenlanden gerekend werd, in cultuur werd gebracht, 
en door kolonisatie van Soendaneezen en van Javanen bevolkt werd. 

In 1619 werd het Nederlandsch gezag op West-Java gevestigd, toen J. P. 
Koen het gebied van Jakatra aan de Bantammers ontweldigde, en den grond 
legde voor de stichting van Batavia. De grensscheiding tusschen het gebied der 
Compagnie en Bantam werd het eerst geregeld en omschreven b\j verdrag van 
1G59. De stichting van Batavia had ten doel den levondigen handel van Bantam 
hierheen te verleggen en de handelsnayver van Batavia met Bantam gaf aan- 
leiding tot voortdurenden strijd. Zooals in de oude geschiedenis Rome niet rustte 
vóór Karthago ten ondergang werd gebracht, (eveneens de handelsnaijver van een 
jongere tegenover een oudere handelsstad), was ook het doel van de Compagnie 
Bantam, den grootsten handelsconcurrent der Compagnie in dien tijd, ten onder 
te brengen. Dit gelukte na veel strijd. Het voor Bantam nadeelige verdrag 
van 1684 met de Compagnie is het begin van het verval van het Bantamscho 
rijk, en sedert werd hot gebied der Compagnie ten koste van Bantam verder 
uitgebreid. In 1731 werd Poeloe Pandjang, en in 1776 werden de Duizend- 
eilanden aan de Compagnio afgestaan; in 1752 erkende de sultan van Bantam, 
na het beëindigen van den opstand in West-Java, de suzereiniteit van de Com- 
pagnie, en in 1774 werden de landgrenzen der Compagnie hier uitgebreid. 
Daendels bracht in 1808 en 1810 de strandgewesten en grensgedeelton van 
Bantam onder direct Nederlandsch gezag, doch liet den sultan het bestuur over 
de Bovenlanden. Onder het Britsche tusschenbestuur werd in 1813 het geheele 
sultanaat opgeheven ; de sultan werd in 1832 verbannen, en eerst in 1846 maakte 
het toen ingevoerde geregelde bestuur een eind aan de vele onlusten in dit 
gebied, en kon de bevolking beschermd worden tegen de afpersingen der ver- 
vallen adellijke geslachten en der priesterkaste. 

Van Jakatra breidde de Compagnie haar gebied langzamerhand over Java uit, 
door omstandigheden daartoe geleid. De eerste uitbreiding vond in 1677 oostwaarts 
plaats; van het tot Mataram beboerende gebied werd het gedeelte ten W. der 
Tji-Taroem verkregen. In 1678 werd het grondgebied van Krawang tot aan 
de Pamanoekan door Mataram afgestaan en eveneens Semarang met alle landen en 
dorpen, daaronder ressorteorende. In 1705 was Mataram genoodzaakt de Preanger- 
landen, Torbaja, Oemoelak by Semarang, Soemenop en Pamakasan op Madoera 
af te staan aan de Compagnie, terwijl Cheribon vri) verklaard werd, dat reeds 
in 1680 onder het middellijk gezag der Compagnie was gekomen. In 1748 
werden alle overige gedeelten op Madoera en al de noorderstranden van Java 
oostwaarts van Cheribon: Tegal, Pekalongan, Semarang, Japara, Rembang, 
Soerabaja, Pasoeroean, Malang, Bezoeki en Banjoewangi, in 1746 de nog 



Digitized by Google 



so 



ontbrekende strandgewesten van Cheribon en Semarang afgestaan aan de Com- 
pagnie. 

Dat proces der uitbreiding van bet Gezag der Compagnie ten koste van Ma- 
taram, waarvan wij enkele feiten noemden, had de Compagnie oppermachtig 
gemaakt op Java. In 1749 ging hot door tweespalt verscheurde rijk van Mataram 
formeel te gronde, toen de Soesoehoenan Pakoe Boewana II, zyn einde voelende 
naderen, voor zich en zyn afstammelingen vrij willig afstand deed van al zyn 
rechten aan de Compagnie. Doch de Compagnie moest het rijk nog veroveren 
op de prinsen, die zich wilden handhaven. 

Na een korten Inwendigen strijd werd in 1755 en 1757 het laatste ge- 
deelte van Matarara door de Compagnie gesplitst in drie deelen: Soera- 
karta, onder een Soesoehoenan, en Djokjokarta, onder een Sultan, terwijl 
een prins onder den titel van Pangéran Mangkoe Negaran, eenig onaf- 
hankeiyk gebied verkreeg. Van dien tijd af worden deze overblijfselen van Mataram 
aangeduid als de Vorstenlanden, die aan de Compagnie schatplichtig waren. 

Hiermede was de onderwerping van Java bijna voltooid, al moest de eigenlijke 
inbezitneming en regeling der rechten in vele deelen nog volgen. In den oosthoek 
van Java lag Balambangan, dat door den Soesoehoenan van Mataram als zijn 
bezit werd beschouwd, en in 1743 door dezen aan de Compagnie was afgestaan; 
hier bleef men nog altijd de heerschappij van Bali erkennen en het gewest strekte 
tot een schuilplaats van zeeroovers en vijanden der Compagnie. Eerst in 1777 
werd het voor goed onderworpen en te Banjoewangi het fort Utrecht gesticht. 

Nog hadden er sedert uitbreidingen van het Europeesch gezag plaats, o. a. 
in 1812 toen de Vorstenlanden afstand deden van Kedoe, Patjitan, Grobogan, 
Blora, Djipang, Djapan en Wirasoba. Nog had er grenswijziging plaats met de 
Vorstenlanden in 1825, en in 1830 had verder de grootste wijziging hier plaats, 
doordien na den strijd met Diepo Negoro en diens onderwerping de landschappen, 
waaruit de latere residentiën Banjoemas, Bagelen, Madioen (zonder Patjitan) 
en Kediri werden gevormd, werden afgestaan. Het toen nog overgebleven ge- 
deelte der Vorstenlanden werd zoodanig verdeeld, dat Djokjokarta, het wes- 
teüjk gedeelte, bestond uit de provincies Mataram en Goenoeng Kidoel en Solo 
of Soerakarta, het oostelijk gedeelte, uit Padjang en Soekawati. Daarnaast be- 
staan nog de onafhankelijke landen van Mangkoe Negoro en Pakoe Alem. In 1899 
werden deze verstrooid door elkander gelegen ryken meer afgerond. Aldus zijn de 
Vorstenlanden ontstaan, met hun tegenwoordige grenzen. Over de verhouding dier 
landen tot het Gouvernement spreken wy later ; alleen zij hier vermeld, dat slechts 
een schaduw van de vroegere onafhankelijkheid voor hen is overgebleven. 

Op Madoera, waar eveneens de vorsten aanvankelijk waren gehandhaafd 
als vazallen van den Nederlandschen souverein, en waar die in het begin der 
19de eeuw zelfs in aanzien verhoogd waren, heeft men sedert 1840 in tegen- 
gestelden zin het zelfbestuur beperkt, en na den dood der beide Sultans van 
Soemenep en Bangkalan in 1879 en 1882 dit opgeheven, zoodat Madoera thans 
ook onder rechtstreeks Nederlandsch bestuur staat. 

De uitbreiding van het gezag der Compagnie en van het Ned. Gouvernement, 
die wij boven in hoofdresultaten de revue lieten passeeren, was niet alleen een 



81 



strijd geweest ten koste der vroeger onafhankelijke rijken Bantam en Mataram, 
maar was tevens gericht tegen de kleine plaatselijke hoofden en regenten, die als 
leenmannen dikwijls een groote zelfstandigheid bezaten of zich bijna onafhankelijk 
gevoelden. Eerst was het veelal een uitbreiding van het Nederlandsen oppergezag, 
het verkregen der souvereiniteitsrechten van de leenheeren, en dit moest ge- 
volgd worden door feitelijke onderwerping van de leenmannen en het stellen 
der landschappen meer direct onder Nederlandsen opperbestuur. Het direct 
Europeesche gebied op Java, dat in de 17<lo eeuw zich uitstrekte over 16°/ 0 , 
werd in de 18d« eeuw over 48'/i %, in de 19<lo eeuw nog met 33'/i % uitge- 
breid, tezamen tot 93 °/ 0 der totale oppervlakte van geheel Java ; de Vorsten- 
landen, die alleen indirect Nederlandsen bestuur hebben, beslaan thans 7%. 

Administra- Java worat voor het Nederlandsch bestuur ingedeeld in ge- 
tieve indeeling westen, residentiën genoemd (zie I, pag. 487), welke staan 
voor het Ne- onder Europeesche ambtenaren, residenten, die met gouver- 

derlandsch be- , . . », 

stuur Indee- neurs en assistent-residenten hoofden van gewestelnk be- 
ling van het stuur heeten. Java is, laatst gewijzigd in 1901, verdeeld in de 
Inlandsen be- volgende residentiën : 1 Bantam (5), 2 B a t a v i a (5), (de vroegere 
8tuur - residentie Krawang werd in 1901 hierbij ingelijfd), 3Preanger 

Regentschappen (6), 4 Cheribon (5). 5 Pekalongan (5), (hierbij werd 
het vroegere Tegal ingelijfd) 6 Semarang (8), (de vroegere residentie Japara 
werd hierbij ingelijfd), 7 Rembang (4), 8 Soerabaja (6), 9 Madoera (4), 
10 Pasoeroean (6), (de vroegere residentie Probolinggo werd hierbij inge- 
lijfd), 11 Bezoeki (4), 12 Banjoemas (5), 13 Kedoe (5), (Bagelen werd 
hiermede vereenigd), 14 M ad i oen (5) en 15 Kediri (5). 

De gewesten op Java worden nog weder in afdeelingen ingedeeld. Het 
aantal afdeelingen van elke residentie gaven wij boven aan ( ); zljstaan onder 
assistent-residenten of rechtstreeks onder den resident. 

Voor het i n 1 a n d s c h bestuur worden op J ava en Madoera de gewesten, alleen 
de Vorstenlanden en het oude Batavia uitgezonderd, verdeeld in regentschap- 
pen, aan welker hoofd de regenten staan (I pag. 438). De instelling der 
betrekking van regent is van ouden oorsprong; zij is afkomstig van de oude 
Javaansche vorsten, die aan het hoofd der provinciën, waarin hun rijk verdeeld 
was, personen stelden, gewoonlijk van hooge afkomst, om die namens hen te 
besturen, onder verplichting zekere opbrengsten uit te keeren, in geval van 
oorlog hen bij te staan, en op bepaalde tijden hen hun hulde te komen brengen. 
Verscheidene dier „Boepati's", die met Europeesche leenmannen der middeleeuwen 
kunnen vergeleken worden, verwierven groote zelfstandigheid, enkelen stichtten 
zelfs nieuwe rijken. Toen de Compagnie souvereiniteitsrechten verwierf, liet zij in den 
regel die organisatie bestaan, alleen Batavia uitgezonderd. De Regenten werden toen 
aan de Compagnie ondergeschikt, en moesten de opbrengsten, vroeger aan de 
Vorsten verschuldigd, als contingenten en verplichte leverantiën aan de Compagnie 
uitkeeren, volgens akten van verband met de vorsten gesloten. Maar het be- 
stuur over den Inlander liet de Compagnie aan de Regenten over. Onder Daendels 
werden de regenten ambtenaren; hij voorzag hen van akten van aan- 
11 6 



Digitized by Google 



82 



stelling, en bierdoor werden z\j nader aan het Europeesch gezag verbonden. 
Thans wordt by de opvolging rekening gehouden met nabestaanden, als die in aan- 
merking kunnen komen. (I, pag. 438). Gewoonlijk is een Regent in elke AfdeeUng 
aanwezig, zoodat deze inlandache ambtenaar steeds nevens den Resident of Assistent- 
resident werkzaam is. De bezoldiging der Regenten is in den regel ƒ12000. Aan hun 
rang zyn bepaaldo onderscheidingsteekenen verbonden, o. a. vooral het zonnescherm 
(pajoeng of songsong), dat door zyn kleuren en cirkels den rang aanduidt van hem, 
dien het achterna wordt gedragen. De indeeling van Java in Regentschappen 
en Afdeelingen vindt men in den Regeering s- almanak van Ned. Indiê. 

In de residentie Batavia wordt thans alleen één Regent gevonden in het daaraan 
in 1901 toegevoegde gedeelte Krawang (te Poerwakarta); in het oude Batavia 
was het inlandsen bestuur geheel opgeheven. Reeds toen Jakatra veroverd was, 
liet de Compagnie het verkregen gebied onmiddellijk besturen door haar dienaren. 
Ook de groote uitgestrektheid van particuliere landerijen was in die residentie 
een aanleiding om er het inlandsch bestuur op te heffen, wat in 1864 geschiedde 
met den Regent van Buitenzorg. 

De regentschappen zyn weder verdeeld in districten, met aan het hoofd 
van ieder district een wedono of districtshoofd, en de districten worden 
weder in onderdistricten verdeeld. De bestuurders zijn inlandsche ambte- 
naren. Over de desa's hebben wij reeds gehandeld (I, pag. 439). 

Het bovenstaande wijst aan, dat de oude rangverschillen der bevolking b\j 
de organisatie van het Europeesch bestuur nog meerendeels in stand z\jn gehouden. 
Daardoor leett de Inlander nog ten deele zijn eigen staatkundig leven, komt hij 
weinig in aanraking met het Europeesch bestuur, maar vormen de oude Inlandsche 
vorsten en aanzienlijken den schakel tusschen volk en souvereine bestuurders. 



IV. ECONOMISCHE EN CUETUURGEOGRAPHIE VAN JAVA. 

A. ALGEVEEN OVKRZICHT. 

Hoofdi n n W ^ hebben reeds aangewezen (II, pag. 2 enz.), hoe in de 
der verande- oudheid en tot de I9d« eeuw Java het economisch zwaartepunt 
ring van de van den Indischen Archipel werd, en waardoor dit eiland destijds 

toestanden^ 116 a ^ 8 8ta P e ^P' aats voor den tusschenhandel die groote beteekenis 
had. In den loop der 19de eeuw is de beteekenis van Java als 
handelscentrum voor het Oosten verminderd, en hebben Singapore en Penang 
de eerste plaats veroverd, die Java vroeger innam. Wijziging der staatkundige 
toestanden, de overheerschendo invloed, dien Engeland op den handel in het 
Oosten in de 19do eeuw veroverde, de protectionistische handelspolitiek door Neder- 
land lang in Indio volgehouden, en de verschuiving der verkeersroutes na het 
doorgraven van de landengte van Suez, deze oorzaken werkten samen, dat Java 
zyn bevoorrechte stelling in het Oosten gedeeltelijk verloor. De vermindering 
der beteekenis van de Molukken in do 19de eeuw, en de verschuiving van het 
economisch zwaartepunt in den Archipel naar het westen, brachten Java uit 
zijn centrale economische ligging in Nederlandsch Indiü. 



83 



Door deze wijziging der economisch-geographische verhoudingen in den 
Indischen Archipel moest de betoekenis van Java voor het Moederland ook ver- 
anderen. Met den achteruitgang als handels-emporium diende wel naar andere 
middelen gezocht te worden om Java opnieuw vruchtdragend te maken voor den 
moederlandschen handel. Java werd nu meer aangewezen tot exploitatie van 
eigen productievermogen. De economisch-geographische geschiedenis van Java 
in de 19de eeuw is door dit streven gekarakteriseerd. Onder dien invloed zyn 
op dit eiland in de 19de eeuw geheel veranderde economische toestanden ont- 
staan, en werden er nieuwe takken van bedrijf ontwikkeld, om aan de eischen 
van den wereldhandel te voldoen. De invloed ging van buiten uit, de ontwik- 
keling was geen spontane evolutie der Inlandsche huishoudkunde, en daardoor 
was zy niet zelden tegennatuurlijk, niet constant, werkte soms schadelijk voor 
de Inlandsche belangen. Maar in economischgeographisch opzicht had dit proces 
tengevolge, dat Java in den loop der 19do eeuw het hoofdgebied werd voor de 
Europeesche cultures. 

Op het eind der 18de eeuw waren rijst, suiker, koffie, indigo, peper, ka- 
toenen garens en hout de hoofdprodukten, die het eiland zelf leverde. Maar 
de ontwikkeling der productie daarvan was onder het stelsel der gedwongen 
leverantiën en contingenten gering, en toen de beteekenis van Java als centraal 
handelsgewest achteruitging, govoelde het moederland behoefte aan do uit- 
breiding van productieve cultures op Java voor de Europeesche markt, om 
produkten te hebben voor den uitvoer, en om de koopkracht by de Inlanders te 
doen toenemen. Aan dat streven had het Gouvernementscultuurstelsel in 1830 
zijn oorsprong te danken, en by gewijzigde inzichten omtrent het optreden van 
den Staat later de Agrarische wet van 1870. Het Cultuurstelsel was de eerste poging 
op groote schaal om Java tot een georganiseerd productieland te maken van land- 
bouwvoortbrengselen voor de Europeesche markt, en leidde tot de invoering van 
onderscheidene cultures, die er vroeger niet bekend waren, of tot stolselmatige aan- 
plant op groote schaal van reeds daar bekende cultuurgewassen. De Gouvernements- 
cultures, successievelyk op Java ingevoerd, waren die van indigo, suiker, 
peper, tabak, cochenille, thee en kaneel, terwyl de koffie er ook 
by gerekend kan worden, buiten 't Cultuurstelsel later de kina-cultuur. De 
Gouvernementscultures zyn sedert 1890, de koffie en de kina uitgezonderd (zie I 
pag. 488), vervallen, maar na de totstandkoming der agrarische wet van 1S70 (I pag. 
483), die den vreemdelingen gelegenheid gaf land ter beschikking te vorkrygen, 
hebben particuliere ondernemingen het werk voortgezet, om door groote stelsel- 
matige bedryfdondernemingen Java als tropisch landbouwgewest te exploiteeren. 
Zoo zyn sedert 1830 de Inlandsche landbouwers meer en meer aan hun zelfstandige 
ontwikkeling onttrokken geworden, en in de sferen van den economischen invloed 
der grootere ondernemingen gekomen. Hiermede is het aantal economisch zwakke 
landbouwers verminderd, en het aantal byna uitsluitende loonarbeiders toegenomen; 
hierdoor is het zelfgenoegzaam bedryf van vroeger, toen de Inlanders door landbouw 
en huisindustrie byna geheel in allo behoeften voorzagen, beperkt geworden tot enkel 
landbouwbedryf en is de huisindustrie veelal teloor gegaan. Thans trachten velen 
op de groote cultuurondernemingen het voor het dageiyksch leven noodige geld 



■ 



84 

te verdienen. De uitbreiding der geldhuishoudkunde doet aldus in de geheelo 
Inlandache maatschappij haar invoed gevoelen. Door het genoemd proces, hetwelk 
wy slechts in hoofdujnen volgden, is in plaats van de huisindustrie de fabrieks- 
industrie opgekomen, nl. die, welke dient om de culluurprodukten geschikt te 
maken voor de markt. Suiker, koffie, thee, kinine, indigo, rtyst t tabak enz. 
hebben hun fabrieken noodig, waarin de Inlanders werkzaam zijn. 



Uit het bovenstaande en het vroeger gezegde (I, pag. 487 enz.) 
bronncn^an bl Ü kt » ^ de landbouw de hoofdbron van beataan is voor de be- 



1. Pro- woners van Java, waarnaast de veeteelt wordt uitgeoefend, die 
ductie. echter achteruitgaat, terwtfl zij op Madoora nog de beste resul- 

taten geeft, en dat het oude landbouwvolk zich meer begint te ontwikkelen 
tot een arbeidersvolk, een ontwikkeling die verhaast wordt door den invloed 
der Europeesche industrie er. den handel. Die evolutie, niet langs natuurlijken 
weg maar onder vreemden invloed, maakt de toestanden der Inlanders in de onder- 
scheidene deelen van Java zeer verschillend, al naarmate de vreemde invloed 
krachtiger gewerkt heeft of niet. In de diepe binnenlanden, als van de Freanger 
Regentschappen, Bantam en elders vindt men misschien nog dorpen met den ouden 
primitieven landbouwtoestand, schier zonder geldhuishoudkunde, meest met het on- 
middellijk ruilverkeer van produkten en van arbeidskracht ; in de meeste gewesten 
van Java echter is de beboette aan geld verdienen reeds doorgedrongen, en bo- 
heerscht er de bedry ven voor een groot gedeelte. Volgens de opgaven van 1900 telde 
Java in dit jaar ruim C mill. Inl. bewoners, die een beroep uitoefenen en daar- 
van werden ruim 5 mill. tot de landbouwers gerekend. Van deze landbouwers 
waren er 8,5 mill. die bouwland bezaten (onder dezen 1,5 mill. met ploegvee) en 
byna 1,5 mill., die geen bouwland bezaten. Het aantal handelaren, tokohouders 
enz., zoover die niet tevens landbouwers waren, bedroeg bijna 158,000, dat van 
ben, die een ambacht of eenige fabrieksnnverheid voor eigen rekening doen en niet 
tevens landbouwers zijn, is bijna 78 000, het aantal huis- en stalbedienden 48700. 

Die cyfers brengen aan het licht, dat ongeveer 1,5 mill. landbouwers op 
Java geen bouwland bezitten, d. i. 30 % van de landbouwers. Deze personen 
z\jn zeker voor het grootste gedeelte onterfden, die hun grond öf door zoo- 
genaamden huur, öf door koop hebben zien overgaan in handen van andere land- 
genooten. Hieruit blijkt de invloed, dien wy boven aanduidden. 

De uitoefening van den landbouw als hoofdbedryf heeft tengevolge, dat een groot 
gedeelte der oppervlakte van Java in gebruik is genomen. Ongeveer 4O°/ 0 der opper- 
vlakte wordt ingenomen door cultuurgronden: bouwlanden, weiden, dorpsboschjes, 
tuinen enz. Die bouwlanden worden door de Inlanders gebruikt tot voorziening 
in hun eigen behoeften, maar tevens worden zU ten deele in beslag genomen 
door de groote cultures, dus hoofdzakelijk beteeld met uitvoerprodukten, öf direct 
door, öf onder den invloed der Europeesche ondernemingen. Daar de irrigeerbare 
bouwlanden meor dan óón oogst por jaar kunnen leveren, en vele produkten geen 
vol jaar noodig hebben tot hun groei en rijping, wordt een gedeelte der bouw- 
landen gedurende eenige maanden voor Europeesche cultures, gedurende de 
andere maanden voor de behoeften der Inlanders gebruikt. Wij wezen daar- 



Digitized by Google 



85 



op, toen wy de cultures behandelden. De arbeid voor de Europeesche cultures 
wordt bijna geheel verricht door de Inlanders. 

De verbreiding van den inlandschen landbouw over Java staat in verband 
met de verbreiding der bevolking. Van de vruchtbare laagvlakten heeft die zich 
dieper naar het binnenland verbreid. Als een dorpsnederzetting te veel bevolkt 
wordt, en de velden er rondom in beslag zyn genomen, zoeken enkelen in de 
bosschen een plek, waar geschikte grond voor den landbouw gevonden wordt 
(I, 388), en zoo schuift de landbouw en daarmede de bevolking in de bosschen 
van het bergland vooruit. Waar goede grond is om te bebouwen, kan de Inlander 
zich vestigen, en hy kiest daartoe by voorkeur de vlakke gedeelten van het 
bergland, de plateau's of de dalen, bovenal daar, waar water is te bekomen 
tot besproeiing of voor ander gebruik. 

De groote cultures zyn aan meer voorwaarden gebonden dan de inlandscho 
landbouw in het algemeen. Een klimaat en een bodem, voor de planten geschikt, 
is voor beide een eerste voorwaarde, maar tevens is het voor de Europeesche 
cultures noodig, dat de Inlanders grond ter boscbikking stellen, dat zy hun werk- 
kracht willen leveren, veelal dat er water is, en dat er verkeerswegen zyn om 
de produkten af te voeren. 

De cultures zyn naar de hoogte te onderscheiden als vlakte-cultures: ryst, 
suikerriet, indigo, en als berg-cultures: koffie, thee, kina. De eerste zyn hoofd- 
zakeiyk gevestigd geworden in de vlakten, het oude cultuurland der Inlanders, 
de laatste zyn later vooruitgeschoven in het bergland, en hebben op do vroeger 
woeste plateaus der Preangor en elders op het hoogland in den loop der 19de 
eeuw uitgestrekte ontginningen en nieuwe nederzettingen doen ontstaan. 

De groote cultures leveren voornamelyk de produkten van den uitvoer voor 
den wereldhandel ; zy brengen het geld onder de Javanen. De inlandsche land- 
bouw voorziet byna alleen in de behoeften van engen kring. De produkten 
daarvan worden wel op pasars en aan Chineesche opkoopers verkocht, door 
dezen verhandeld en naar de kuststreken gevoerd, en in den Archipel vorkocht, 
doch niet op groote schaal. Van het inlandsche suikerriet byv. wordt maar een 
zeer klein gedeelte opgekocht voor de fabrieken, de inlandsche tabak bfijftbyna 
geheel op de inlandsche markt. 

De produkten, die Java voor den uitvoer op de wereldmarkt levert, zyn 
voornamelyk: suiker, tabak, koffie, thee, ryst, coprah, cacao, 
peper, kinabast en kinine, huiden, kapok, gomdamar, indigo, 
maïs (in den laatsten tyd), tapiocca enz. De uitvoenstatistiek (II, pag. 20) 
geeft de uitvoerprodukten aan. ') 

Tot het leveren van suiker, tabak, koffie, coprah (in den laatsten tyd), 
thee, indigo en kinabast zyn bepaalde cultuurondernemingen govestigd. De 



1) Wij moeten er op wijzen, dnt in do statistiek op pag. 20, outleend aan de oflicicele 
uitvocretatistiek, ook enkele artikelen voorkomen, die eigenlijk niet afkomstig zijn van het ge- 
west, van waar zij worden uitgevoerd, maar dat die door de kustvaart van eenig nndcr gewest zijn 
aangeroerd in de haven, vanwaar zij worden uitgevoerd. Voor de grooten; haven» is dat het 
meest het geval. Zoo is het bijv. mot tin op Java. Het zou wonacbolijk zijn, dat de statistiek 
daarover aanwijzingen gaf. 



80 



ondernemers dezer cultures verkrygen daartoe de gronden, óf door erfpacht van 
den Staat (I, pag. 483), öf door huur van de Inlanders (I, 484 en 48G), terwyl 
op de particuliere landerijen (I, 475) de landheer over de gronden beschikt. De 
wijze, waarop die gronden verkregen worden van de Inlanders is verschillend 
by de onderscheidene cultures (zie I, pag. 502, de vergeiyking van verhuur 
voor suiker-, tabak- en indigo-cultuur). Voor de suikercultuur, waarby de grond- 
bewerking, de keuze der plantstekken, de beplanting en het onderhoud veel 
zorg vereischen, en deze niet van den inlandschen landbouwer, aan zich zelf 
overgelaten, kan worden verwacht, wordt de grond meest ingehuurd en geheel 
voor rekening en risico van de ondernemers beplant. De wetgever heeft voor 
de verschillende rechten der Inlanders op den grond (zie I, 474 enz.) den 
duur bepaald, welke als niaxiinum-tyd geldt, dat die grond mag verhuurd worden; 
voor ambtsvelden één oogstjaar, voor communaal bezeten gronden, die periodiek 
worden verdeeld of op onbepaalde tijden verdeeld kunnen worden 6'/, jaar, 
grond in erfelijk individueel of communaal bezit met vaste aandeelen 12 jaar, 
grond in agrarisch eigendom verkregen 20 jaar. Het is de taak van een cultuur- 
onderneming op de dorpen zooveel mogelijk by elkandor liggende gronden van 
de Inlanders in pacht te verkrijgen, waartoe niet zelden ruiling van gronden 
noodig is, voor bepaalde cultures. 

Wij hebben de cultures reeds vroeger behandeld (I, pag. 487), doch willen 
hier enkel hun verbreiding op Java nagaan en enkele opmerkingen maken. 

De oppervlakte lands aan de belangrijkste culture» gewijd in 1903, leert 
het nevensgaand overzicht kennen, waarin de Vorstenlanden en de Particuliere 
landerijen niet zijn genoemd. Hieruit blijkt, dat de suikercultuur opMidden- 
Java haar grootste gebied heeft, terwijl de suikercultuur na de tabak de grootste 
oppervlakte inneemt Hoofdzakeiyk is de suikercultuur op Midden- en Oost-Java 
en beoosten Batavia gevestigd; in streken, waar communaal grondbezit heer- 
schend voorkomt, kan de suikercultuur het best de gronden verkrygen (I, pag. 
508); waar individueel grondbezit overheerschend is, is dat moeiiyker. In Bantam, 
Batavia en de Preanger is thans de suikerrietteelt van weinig belang. 

De suikercultuur, die eenige jaren gedrukt was, neemt na bet tot stand 
komen der Brusselsche suikerconventie sterk toe. In verband daarmede staat 
de toeneming van het aantal suikerfabrieken. Gedurende de campagne 1903 
waren op Java in werking 181 tabrieken, die (volgens do gegevens door het 
Archief voor de Suikerindustrie verzameld, welke slechts van 78°/ 0 
opgaven ontving), 778 000 ton leverden. Daarvan werden er gevonden 105 in 
Oost-Java, (13 in Bezoeki, 30 in Pasoeroean, 39 in Soerabaja, 17 in Kediri 
en 6 in Madioen), 49 in MiddeuJava (14 in Setnarang, 15 in Solo, 15 in 
Djokjokarta, 1 in Bagelen en 4 in Banjoemas) en 27 in Wost-Java (15 in 
Pekalongan en 12 in Cheribon). Op pag. 18 deel II leeren wy de landen kennen, 
waarheen de suiker wordt uitgevoerd. (N.B. De indeeling in O., Midden on "W. is 
hier iets anders, dan wy aannamen). 

De totale opbrengst aan suiker van Java bedroeg in 1901 : 12 630 864 pikols 
(780 082 ton) en in 1904 . 16 G19 184 pikols (1040 000 ton), waarvan in 1904: 
6 133 650 pikols uit Soerabaja werden verscheept. 



87 



Oppervlakte gronde in bouwe (1 b o u w = 7096,6 M 1 ) gew\Jd aan 

de volgende cultures in 1903. 





Suikerriet. 


Indigo. 


Tabnk. 


Nipah- 


Boom- 




Ie gewat 2e gewaï 


Ie gewaï 2e gewas. 


legeww. 9e ge wat. 


iNmthen. >) 






381 | 49 




80 | 70 


420 


7058 


/dom. Bloeboer 


429 

20 | 1 




100 






Batavia / 

(Afd. Krawang 


21 
50 | 0 








2202 


Preaoger Regentach.. . 


oO 

3766 | 816 


41 | 81 


10157 | 2051 




4211 




3982 
13573 | 0 


122 
164 | 4 


12208 
747 | 326 


79 


9534 




13573 
14886 | 740 


168 
1617 | 464 


1073 
2339 | 505 


73 


1483 




15576 
15021 | 5862 


2081 
616 | 2725 


2344 
25S6 j 6282 


419 


2278 




20883 
601 | 423 


3340 
597 l 3846 


8768 
1241 | 34054 




425 




1024 
31184 | 4565 


4443 
194 | 2115 


35895 
357 | 4644 


1086 


4145 


P-oeroean 


35749 
23380 | 5565 


2309 
82 | 1892 


5001 
244 | 8447 


805 


434 




23945 
8500 | 4596 


1974 
313 | 478 


10858 
4838 | 34807 




4073 


li 


13096 
4/84 | 237 


791 
113 1 243 


89646 
122C6 1 2354 


r tn 


1 ftl ft7 
1010/ 


ir _ j 


1AOO 1 AAI 

14/2 1 441 


~~ 1Ï56 
046 | 310 


1 4620 

(lnfiE i 1 A lol 


133 


7887 




1836 
5574 | 529 


862 
121 I 698 


23556 
865 | 2834 




31 46 




6103 
2281 | 5507 


719 
1993 | 2585 


3199 
669 | 12140 




36 




28388 
570 | 275 


4578 
810 | 500 


12709 
2820 | 6850 


1067 


423 




845 


1370 


9170 








146512 | 29006 


720G | 15907 


49241 | 130405 


4123 


04997 




175548 


23ÏTS 


"179646 







Voor de Inlanders is de suikercultuur van groot economisch belang. In 
het begin van het jaar, als de Inlander geroed is met de bewerking en be- 
planting van eigen sawah's, en als btf velen de voorraad rijst van den vorigen 
oogst verbruikt is, zoodat h\j op andere wijze in zyn onderhoud moet voorzien, 
begint de bewerking der suikerrietvelden, zoodat in deze streken handen te 
kort schieten. Dan trekken geheele ploegen van arbeiders van de minder gunstig 



1) Alleen die genoemd, welke aangeslagen ïijn in do landrente. 



SS 



bedeelde streken van Java om er arbeid te zoeken en geld te verdienen. Ma- 
doereezen doen dit in den Oosthoek en te Soerabaja, zelfs tot Malang en Kediri 
toe; bewoners van Grissee, Lamongan en Toeban van de zoo misdeelde streek 
aan Java's noordoostkust en rondom Soerabaja; van andere deelen van Rem- 
bang trekt men naar Madioen en Japara, dat ook werkvolk krygt van Demak; 
Kondal, Pekalongan en Tegal worden voorzien uit de armelijke gedeelten van 
Semarang en Kedoe, terwijl menscben uit de minder goed gelegen plaatsen van 
Cheribon en Banjoemas werk weten te vinden aan de fabrieken in dezelfde 
residenties. Zoo oefent de suikercultuur invloed uit over byna geheel Java. Zelfs 
do Preanger Regentschappen, waar de Soendaneezen geen werkvolk leveren, 
hebben een goede bron van inkomsten door de teelt van suikerriet voor stekken. 
Men kan berekenen, dat ongeveer een millioen menschen gelijktijdig bü de suiker- 
cultures en in de fabrieken werkzaam zijn. Het grootste gedeelte wordt verricht 
bij taak, het zwaarste door mannen, het lichtste, als planten, inboeten, be- 
sproeien, bemesten enz. door vrouwen en kinderen. Het snijden van het riet, 
zoover het niet geschiedt door helpers der karrenvoerders, die het riet naar de 
fabrieken moeten brengen, wordt meest verricht door menschen uit den omtrek 
der fabrieken, niet door het bovengenoemde zwervend werkvolk. Als het riet 
gesneden is, wordt het naar de fabriek gebracht, 6f met eigen middelen, óf door 
genoemde karrenvoerders, die worden betaald per pikol aangevoerd riet. Doch 
wegens do toenemende behoefte aan trekvee, is men in den laatsten tijd voor het 
rietvervoer ook draagbare sporen gaan aanleggen om do moeieiykheden met de 
karrenvoerders te ontgaan, wat zeer ten nadeole is der bevolking. Elders be- 
vorderen de suikerfabrikanten de teelt van goed trekvee. 

Uit het bovenstaande blijkt, welke beteekenis de suikerindustrie op Java 
heeft voor de Inlandsche bevolking, en ook indirect oofent zy daarop invloed 
uit. Onderscheidene beroepen zijn door haar ontstaan of belangrijk uitgebreid: 
potten- en steenbakkerij, het vlechten van manden, het vervaardigen van karren 
en voertuigen. Karren- en schuitevoerders vinden door de suikerindustrie steeds 
werk en ook onderscheidene ambachtslieden. Het verpakken van suiker in manden 
wordt tegenwoordig veel vervangen door verpakking in jutezakken, en daarmede 
lijdt het Javaansche bedrijf der mandenmakerij een groot verlies, dat alleen kan 
voorkomen worden als de Regeering het planten van jute bevordert. Ook voor 
het spoorwegverkeer is de suikernijverheid een groot voordeel. De suikerindustrie 
is, zegt Mr. N. P. van den Berg, voor Java misschien nog van grooter betee- 
kenis dan de mijnbouw voor Frankrijk, dan de graanteelt voor Noord-Amerika. 
De suikerindustrie is de hoeksteen, waarop schier alles rust, wat leven en bedrijf 
geeft aan het verkeer op Java, zij is een lovensquaestie voor dat eiland. 

De tabakscultuur neemt op Java nog iets grooter oppervlakte in be- 
slag dan de suikercultuur. Wy hebben reeds aangewezen (I, pag. 502), dat de 
verhouding van deze cultuur tot den ondernemer een geheel ander karakter 
draagt dan by de suiker- en indigo- cultures. Bü de tabak bestaat het opkoop- 
stelsel, waarbij de teelt aan de Inlanders wordt overgelaten, maar de Euro- 
peesche ondernemer het produkt opkoopt van dozen. Doch om misbruiken der 



S9 



Inlanders tegen te gaan en het produkt te verbeteren werd het opkoopstelsel 
in latere tijden in vele gevallen in dien zin gewijzigd, dat de Europeesche onder- 
nemer den grond huurt (van 5 — 12 jaar), onder voorwaarde dien van 1 Juli 
tot 31 Dec. ter beschikking te mogen hebben, en dat de Inlander dien in dezen tyd 
met tabak moet beplanten, welke aan den huurder moet geleverd worden tegon 
bepaalden prys. Dit is de zoogen. onvrye cultuur, waarbij de ondernemer 
veel invloed heeft op de cultuur. Doch hier naast bestaat ook nog de vrije 
cultuur, waarbij de ondernemer enkel opkooper is. 

De Inlander, die zyn grond verhuurt voor de tabakscultuur, behoudt 
daarby ook ten opzichte van zijn grond een zekere zelfstandigheid, verricht de 
beplanting van den grond zelf, of laat die verrichten door de personen, die 
hij aanwijst, en hjj blijft by het welslagen van den oogst persoonlijk belang 
hebben. Bij de suikerindustrie is de Inlander gewoon loonarbeider ; by de tabaks- 
cultuur is hy landbouwer-leverancier. De huurovereenkomst by deze cultuur met 
den Europeeschen ondernemer gesloten heeft alleen ten doel dien ondernemer 
den eigendom te verzekeren van de op den gehuurden grond geteelde tabak. 
De positie van den verhuurder is by de cultuur van tabak gunstiger dan by 
die van suiker of indigo. Niet alleen dat de inlandsche verhuurder, zooals ge- 
zegd is, by de tabakscultuur een zekere zelfstandigheid behoudt tegenover den 
huurder, maar by de tabakscultuur mist hy ook slechts betrekkeiyk korten tyd de 
beschikking over zyn grond, en dat juist in die periode des jaars, welke voor be- 
bouwing met inlandsche produkten het minst voordeellg is. By den verhuur tot 
tabaksteelt doet de Inlander van ongeveer '/, van zijn sawah's voor ten hoogste 
6 maanden, aanvangende 1 Juli, afstand, en mist voor zyn eigen behoefte van 
dat '/s ntet meer dan een palawidja-oogst. Daarvoor ontvangt hy, behalve ver- 
diensten uit beplanting van den grond met tabak, ook nog een huur van ± f 15 
per bouw op sawah's, fl op tegais, voor den tyd gedurende den oost- en mis- 
schien het begin van den west-moesson. By de suiker-cultuur is de grondhuur 
voor den Inlandschen verhuurder hoofdzaak, by tabakscultuur is de betaling 
van het produkt hoofddoel voor den verhuurder, de huur byzaak. En daarby 
komen by de tabakscultuur ook de koelieloonen, waarvan de vrouwen veel ver- 
dienen by de sorteering en anderen lichten arbeid. 

De tabakscultuur, die eens op Java veel uitgebreider was, heeft op Java 
tegenwoordig voornamelyk plaats in Bezoeki (zie de tabel pag. 87), (afdeelingen 
Djember en Bondowoso) en in Pasoeroean (afd. Loemadjang), terwyl zy" in de 
Vorstenlanden een belangrijke plaats inneemt, zooals wy later zien. In 1903 
waren 56 tabaksondernemingen op Java werkzaam op grond van overeenkomsten 
tot opkoop en aanplant met de Inlanders, die 16,2 mill. K.G. bladtabak en krosok 
verkregen, waarvan 11,5 mill. K.G. alleen van 24 (der 25 aanwezige) onder- 
nemingen in Bezoeki. Hier wordt minder dan elders de cultuur aan de Inlanders 
overgelaten. Toeneming van tabakscultuur zag men in den laatsten tyd weer 
in verschillende gewesten. 

De indigo wordt evenals de suiker meest door de ondernemers zeli ge- 
plant op van de bevolking gehuurde gronden. In 1903 waren er 9 ondernemingen 



Digitized by Google 



90 



in werking, waarvan 8 over 2886 bouws eigen aanplant beschikken en 1 onder- 
neming het produkt verwerkte van de Inlanders, op eigen risico geplant. De geheele 
productie bedroeg 115 664 K.G. De cultuur komt meest voor te Rembang, Kediri, 
Seiuarang, Soerabaja en de Vorstenlanden, doch wordt met ondergang bedreigd. 

De koffiecultuur, een hooglandcultuur, komt op Java het meest voor 
in Pasoeroean, Bezoeki, Kediri, de Preanger- Regentschappen, S,emarang en Soera- 
karta (Zie I, pag. 514, waar de cultuur enz. verder beschreven is). Nog enkele 
woorden over deze cultuur. De koffiecultuur op Java wordt gedeeltelijk nog ge- 
dreven als Qouvernement8cultuur, is gedeeltelijk onderworpen aan Gouvernements- 
monopolie of verplichte levering aan het Gouvernement, en is verder vrije cultuur 
van particuliere ondernemers ot Inlanders. 

In de meerderheid der Gou vernemen tslanden van Java is de Inlandsche 
bevolking verplicht alle door haar, hetzy op het staatsdomein, hetzy op krach- 
tens gebruiksrecht of agrarisch eigendom bezeten grond geteelde koffie, tegen 
een vasten pr\)a aan het Gouvernement te leveren. Dat is het koffie-monopolie 
of de verplichte levering. Hiernaast bestaat de eigenujke Gouvernementscultuur, 
hetzy als verplichte cultuur, de oude vorm, waarbij de cultuurdienst- 
plichtigen van bestuurswege verplicht worden jaarUjks een zeker aantal boomen 
bij te planten en te onderhouden (I pag. 518), zonder andere vergoeding dan 
hetgeen by inlevering van het produkt zal worden betaald, en de vrijwillige 
cultuur, met een Javaansch woord manasoeka (=naar eigen verkiezing) 
aangeduid, die berust op den vrijen wil der bevolking, zij het ook onder leiding 
van ambtenaren. De vrijwillige Gouvernementscultures hebben de verplichte in 
den loop der jaren geheel overtroffen; het aantal vrijwillig geplante boomen is 
ongeveer driemaal zoo groot als dat in cultuurdienst aangeplant. 

Dat aan de opheffing der Staatskotfiecultuur, waartoe bi) motie besloten 
was, nog geen gevolg is gegeven, hebben wij gezegd. Toch heeft dientengevolge 
het Opperbestuur inderdaad den Gouverneur-Generaal gemachtigd, de verplichte 
koffielevering op te heffen in die streken, waar de Staatscultuur niet bestaat 
of geen levensvatbaarheid bezit, en deze maatregel zonder gevaar voor de 
handhaving elders kan worden toegepast. Hieraan is uitvoering gegeven, door 
het koffie-monopolie achtereenvolgens op te heffen in de gewesten Bantam, 
Krawang, Cheribon (in 1904), Japara, Rembang en de afdeeling Panaroekan 
van Bezoeki en bovendien in Soerabaja, Banjoemas en een aantal verspreide 
districten de geheele Gouv. koffiecultuur in te trekken. Daarentegen werd ge- 
heele afschaffing nog onraadzaam geacht. Feitelijk bestaat de Gouv. koffiecultuur 
nog slechts in 11 gewesten van Java en heeft z\j alleen in Pasoeroean en de 
Preanger overwegende beteekenis. De oppervlakte, aan de Gouvernem. koffie- 
cultuur gewijd, vermindert dus aldoor. Terwijl op het einde van het plantjaar 1901 
-02 (uit. Oct.) nog 1316 desa's met 143 279 by de verplichte cultuur inge- 
deelde gezinnen (vordeeld over 60 districten) in de cultuurplannen begrepen 
waren, bedroegen die totalen op uit. Oct 1903: resp. 1290 desa's en 144401, 
eveneens verdeeld over 60 districten. Bovendien waren nog tydeiyk by de verplichte 
cultuur, nl. alleen ten behoeve van het onderhoud van reeds bestaande aan- 



91 



plantingen, betrokken 1030 desa's, behoorende tot 78 districten. De oppervlakte 
der op boog gezag aangelegde nog in onderhoud zijnde plantsoenen vermin- 
derde gedurende het plantjaar 1002— 03 van 40 500 tot 38 578 bouws, en der 
vry willig aangelegde of als zoodanig bekend staande van 87 600 tot 83 800 
bouws. In verband hiermede is het aantal boomen in de verplichte plantsoenen 
van 47 miliioen tot 46,6 mill. en in de vrijwillig aangelegde van 139,6 tot 
138,25 miliioen gedaald. Alleen in de Preanger Regentschappen en Pasoeroean 
hebben, wat de boomen der eerste categorie betreft, de beplantingen de af. 
schrijvingen eenigszins beduidend overtroffen; in Cheribon, Pekalongan, Semarang, 
Bezoeki, Banjoemas, Kedoe en Madioen vond men achteruitgang. Ook de cultuur van 
Liberia-kofnie voor het Gouvernement ging achteruit van 6,9 tot 6,3 mill. boomen. 

De Gouvernementskofneontvangst in 1903 bedroeg in totaal 297 730 pikol, 
waarin begrepen zijn 284 361 pikol Java en 13 369 pikol Liberia-koffie. In dien 
oogst bedroeg het aandeel van de residentie Pasoeroean 49,5 °/ 0 . dat van de 
Preanger Regentscliappen 26,5 °/ 0 , dat van Pekalongan 13,4 9 / 0 , dat van de 
overige gewesten tezamen 10,4 °/ 0 . (Koloniaal Versl. over 1904). 

In 1903 werden op Java vier groote veilingen van Gouvernementskoffie 
gehouden, in 1904 werd dat aantal op 6 bepaald. Deze groote veilingen leveren 
voor den uitvoer. Doch ten behoeve van de voorziening in plaatselijke con- 
sumptie op Java en Madoera worden op onderscheidene plaatsen (in 1903 op 
15 plaatsen) kleine koffievendutiën gehouden, waar in 1903 van de Gouv. koffie 
707 pikol verkocht werd. 

De Gouvernementskoffiecultuur was vroeger een belangrijke bron van in- 
komsten voor de Javaansche bevolking, die zeer is afgenomen met de cultuur. 
Verdeeld over tijdvakken van 5 jaar werd aan de Inlandsche bevolking betaald 
voor geleverde koffie: 

Van 1879—1883 gemiddeld per jaar f12 750030 

„ 1884-1888 „ „ , „ 8 495 865 

„ 1889-1893 „ „ „ „ 5 268 020 

, 1894-1898 „ „ „ „ 4 424 435 

„ 1899-1902 „ „ „ „ 2 661980 

In 20 jaar ging de bate der gouvernementscultuur voor de inlandsche be- 
volking terug met 10 mill., dat is bijna 60°/ 0 van het bedrag, dat de Inlandsche 
bevolking van Java en Madoera aan landrente en ruim 40 °/ 0 van wat zy aan 
belastingen in geld opbrengt. (Van Deventer, Econ. toestand). Die verminde- 
ring is hoofdzakelijk ten nadeele gekomen van de bevolking van Midden-Java, 
die derhalve het meest onder dien achteruitgang lijdt. 

Naast de Gouvernementskoffiecultuur bestaat die der particuliere onder- 
nemingen, het meest in Pasoeroean, Bezoeki, Kediri, Soerakarta, Semarang en de 
Preanger, op erfpaebtsgronden volgens de agrarische wet (Zie I, pag. 514). Vooral in 
Oost- Java hebben die in de laatste kwarteeuw aanleiding gegeven tot vele nieuwe 
ondernemingen. De koffiecultuur heeft zich in den loop der tijden verplaatst van 
W. naar Midden- en later naar O. Java. De particuliere koffieteelt verkeert ook 
sedert eenige jaren in een stadium van stilstand, welke eveneens de loonen drukt. 



Digitized by Google 



92 



In 1903 werd door particulieren van Java uitgevoerd 29475684 K.G. koffie, 
waarvan van Soerabaja 9 129 881 K.G., van Batavia 5 980 800 K.G., van Sema- 
rang 1535715 K.G., van Pasoeroean 8423165K.G., uit Probolinggo 1537 000 
K.G., en kleinere hoeveelheden uit Pamanoekan, Cheribon, Tegal, Pekalongan 
Banjoewangi. Van de Gouvernementskoffie werd uitgevoerd 13 005 880 K.G., en 
wel van Pasoeroean 6166189K.G., van Batavia 1729 116 K.G., Probolinggo 
1574 479 K.G., Tegal 1509 605 K.G., Soerabaja 617400K.G., Semarang 468 635 
K.G., Pekalongan 457 000 K.G. en kleinere hoeveelheden uit Bezoeki, Panaroekan, 
Banjoewangi en Tjilatjap. De meeste uitvoer van koffie heeft plaats naar Neder- 
land, Amerika, Frankrijk, Singapore, Oostenrijk enz. (Zie II, pag. 18). 

Wy laten ter vergelijking van de beteekenis der koffieproductie van Java 
het overzicht van de wereldproductie volgen, volgens cijfers in de „Jaarover- 
zichten betreffende den handel in koloniale produkten", 1903. 

Wereldproductie der koffie in 1000 balen. 



Santos 8 350 

Rio 3 974 

Java 600 

Venezuela 545 

Guatemala 450 

Mexico 420 

Victoria 420 

Haïü 400 



Transporteeren . . 15 Ï59 



Per Transport. . . 15 159 



Costa-Rica 250 

Salvador 250 

Bahia 200 

Nicaragua 150 

Britsch Indië in Ceylon.. . . 140 

Porto-Rico 80 

Padang 55 



Totaal . . 16 284 



De theecultuur, evenals de koffie een bergcultuur, vindt men op Java 
voornamelijk in de Preanger, Kedoe, Cheribon, Semarang, Batavia en Banjoemas. 
In Ned. Indië levert alleen Java thee voor de wereldmarkt. De theecultuur gaat 
vooruit; in 1880 waren er 23 ondernemingen, met een totale opbrengst van 
1,5 mill. K.G., in 1902: 100 ondernemingen, met een opbrengst van meer dan 
7 mill. K.G. Van deze waren er 80 in de Preanger, die meer dan C van de 7 
mill. K.G. leverden. Toch geeft die vooruitgang der bevolking niet de verdiensten, 
welke zy door den achteruitgang der koffiecultuur moet derven. 

De uitvoer van thee van Java bedroeg in 1904 11,3 mill. K.G., waarvan 
5 887 499 K.G. naar Nederland, 4 431977 K.G. naar Engeland, 545 867 K.G. 
naar Rusland, 124071 K.G. naar Australië, 35817 K.G. naar Duitachland, 254486 
K.G. naar Singapore, China enz. en 171 885 K.G. naar diverse landen (Jaar- 
versl. der Soekaboemische Landb. Vereen. 1904). Plannen, om te Batavia een 
theemarkt te vestigen, z\jn nog niet tot stand kunnen komen. 

Ook de Inlanders houden zich met theeteelt onledig. Het Koloniaal Verslag 
van 1903 vermeldt, dat Europeesche ondernemingen in dat jaar veel thee in 
den vorm van nat blad van de bevolking opkochten. In Soekaboemi besloeg de 
uitgestrektheid der Assam- theeplantsoenen van de bevolking een uitgestrektheid 
van 1470 bouws, een productie van 1 450 000 K.G. nat blad, terwijl de onder- 
nemingen Tjinangerang en Margapala in Soemedang resp. 10000 en 385K.G. 



93 



opkochten aan nat blad. Hier en daar in de Preanger Regentschappen houden 
ook de Inlanders zich bezig met de bereiding van thee, op primitieve wijze, die 
zij op de pasars en in waroengs verkoopen. Ook Cbineezen draven theehandel. 

In de afdeellng Pemalang (Pekalongan) bestaan twee thee-etablissementen, 
waarvan er 1 aan een Chinees en 1 aan een Inlander toebehoort. De thee wordt, 
behalve op de omliggende pasars, ook uitgevoerd naar Djokjokarta, Tegal en 
Pekalongan. 

In het algoraeeu neemt de theeproductie en *t gebruik op aarde toe. 

De kina-cultuur, een bergcultuur, (I pag. 517) is voornamelijk gevestigd 
in de Preanger-regentschappen ; hier vindt men zoowel de Gouvernement» (8 éta- 
blissementen) als de particuliere kinacultuur (in 1908 van de 89 particuliere 
nemingen op Java 65, en 5 in Pasoeroean enz.) 

De Gouv. kinacultuur leverde in 1908 : 789 857 K.G., nl. aan bast van C. 
Ledgeriana (fabrieksbast) 618 404 K.G., gemiddeld bevattende 6,25 % zwavelzure 
kinine en 175 953 K.G. Succirubra (pharmaceutische) bast Voor de hier te lando 
te houden Gouvernementsveilingen van bast werden verscheept 482 983 K.G. 
Van het in Indiö overgebleven gedeelte, a 306 374K.G., is voor den genees 
kundigen dienst bestemd 1308 K.G. pharmaceutische bast en het overige ge- 
leverd aan de Bandongsche kininefabriek. De opbrengst der particuliere onder* 
ondernemingen bedroeg in 1903 ongeveer 6 052 194 K.G. 

De rijstcultuur, de hoofdcultuur der Inlanders, hebben wij uitvoerig be- 
handeld (I, 489). De verbreiding der rijstvelden op Java leert de tabel deel II, 
pag. 62 kennen. Op deze plaats wijzen wij er nog op, dat Java in verschillende ge- 
westen een inlandschen rijsthandel heeft. De padi op Java wordt voor een ge- 
deelte bij de Inlanders opgekocht door de rijstpelmolens, die er in tal van ge- 
westen gevonden worden, en welke voor het meerendeel in handen zijn van 
Chineezen. In Bantam vindt men op dit oogenblik een tiental rystmolens, alle 
door waterkracht bewogen, waarvan het produkt grootendeels wordt uitgevoerd 
naar Batavia en Banka. Van de 41 rijstpellerijen in de afdeeling Krawang be- 
hooren er 34 aan Chineezen, 4 aan Inlanders en 2 aan Arabieren, terwijl er 
1 in handen is van een Europeaan. Gedoeltelyk wordt het levend water, ge- 
deeltelijk de stoom en ook voor enkele nog buffels als arbeidskracht gebruikt. 
In de Preanger Regentschappen werkten in 1903: 89 molens, alle in 't bezit van 
Chineezen, waarvan het produkt grootendeels naar Batavia, Buitenzorg, Midden- 
en Oost-Java werd uitgevoerd. In de afdeeling Indramajoe werd in 1903 door 
drie Europeesche en acht Chineesche handelaren rijst opgekocht, meest voor de 
Europeesche markt In Pekalongan werkte in 1903 een rijstpelmolen, tevens 
tapiocca-meelfabriek, en in Pasoeroean bestonden 2 stoomrystmolens, die uit- 
sluitend van de bevolking opgekochte padi tot rijst en zemelen verwerkten. In 
Tanggoel (Bezoeki) werkte een stoomrijstpelmolen, in Kedoe bestaat een rüst- 
pellerij, aan Chineezen behoorend, en in Blitar een. 

De rijsthandel heeft op Java hoofdzakelijk als volgt plaats. Bantam voert 
rijst uit naar Batavia, Banka en de Lampongsche districten; Preanger rijst 



Digitized by Google 



94 

wordt naar Batavia gevoerd; Cberibon voert rijst uit naar onderscheidene 
plaatsen op Java en naar Europa; Pokalongan voert ryst uit naar Semarang* 
Banjoemas, Banka en Banjermasin; uit Semarang gaat ryst naar Kedoe 
Pekalongan, Soerakarta, Djokjokarta, Borneo en Singapore, uit Rembang (voorn, 
afd. Blora) naar do omliggende afdeelingen, de Vorstenlanden en Kedoe, Pasoe- 
roean en Bezoeki voeren voornamelijk ryst naar Madoera en Bawean, Bo- 
zoeki eveneens naar Midden- Java en Banjoemas naar Kedoe en Djokjokarta. 

Wy wezen er reeds op, dat Java zelf geen voldoende boeveelheid ryst levert 
voor de bewoners; de buitenlandsche ryst wordt vooral ingevoerd (in 1903: 
616140 pikol) te Soerabaja, meest uit Singapore, Britsch-lndië en Saigon. 

In den laatsten tyd is de maïs, gele en witte, een belangryk uitvoer- 
produkt van Java geworden. De raaiscultuur op Java wordt zeer eenvoudig 
gedreven, en jaarlyks worden er twee a drie oogsten van verkregen. Deze in- 
landsche cultuur kan ongetwijfeld van groot belang worden voor de bevolking. 
Eveneens gaat de cassaveteelt sterk vooruit, en daarmede neemt het aantal 
tapiocca-meel-fabrieken toe. In 1901 bedroeg de uitvoer daarvan op Java 1,7 
mill. K.G., in 1904 ruim 12,9 mill. K.O. Ook de teelt van klapperboomen, 
om coprah en olie te verkregen voor den uitvoer, neemt toe. 

Voor de verdere cultures en de produkten van landbouw en veeteelt, myn- 
bouw en visschery verwyzen wy naar de algemeene behandeling in deel I. 

De productie op Java voor de wereldmarkt neemt door die talryke particuliere 
ondernemingen zeer toe. Dat blykt ook uit de uitvoerstatistiek. In het jaar 
1895 was de gezameniyke tonnenmaat der schepen, die met lading van Java 
vertrokken, slechts 400 000 ton; in 1904 was dit cyfer 850000 ton. 

De drie natiën, die de meeste lading vervoerden, waren : Nederland in 1904 
295 300 ton (in 1895 172,500 ton); Engeland in 1904 399,100 ton (in 1895 
192,500 ton); Duitschland in 1904 125,300 ton, (in 1895 10,000 ton.) 

De eigenlijke groothandel ontwikkelt zich in de handelsplaatsen van Java 
naby de kust, voornamelyk aan de noordkust Batavia, Semarang, Soerabaja en 
in 't Zuiden Tjilatjap, zyn de belangrykste. Wy zullen deze in hun beteekenis 
later afzonderlek beschreven. In de sfeer dier handelsplaatsen gaat het inland- 
sche leven en bedryf op in bet internationaal verkeer. 

Uit het gezegde blykt, dat hot plantenryk de meeste voortbrengselen levert 
voor den wereldhandel. Maar ongetwyfeld gaan er nog vele vezelstoffen onge- 
bruikt verloren op Java, waarvan party kan worden getrokken, zooals de kokos- 
vezels, arónzezels, ananasvezels, pisangvezels o. a. Opmorking verdient het, dat 
de planten, die produkten in het groot leveren voor den uitvoer, schier alle op 
Java van elders geïmporteerd zyn. Dit is hot goval met suikerriet van het 
vasteland, met de tabak, de thee, de kina, de koffie en de cacao, geiyk 
wy vroeger aantoonden, terwyi deze cultures meest in vreemde handen zyn. 
De ryst is van ouds een Javaansche cultuur en zoo ook is de peper al een 
oud voortbrengsel des lands. 

Met de toenemende cultures is de arbeid der Inlanders ook meer en meer 



Digitized by Google 



95 



daarby en b\j do takken van nyverheid, welke er aan verbonden zyn, betrokken 
geworden (Zie I, pag. 563). Daarmede is de eigen industrie der Inlanders achter- 
uit gegaan. De huisindustrie, eens belangrijk, is tot onbeduidendheid geslonken. 
Er is geen bedrijf te noemen, dat door oorzaken van buiten zoozeer Is achter- 
uitgegaan als het spinnen en weven der Inlanders. Terwyl men vroeger zich 
allerwege hiermede bezighield, en inlandsch maaksel schier geheel in eigen be- 
hoefte voorzag, ziet men thans slechts een klein aantal vrouwen, die voor eigen 
behoefte stof tot kleedingstukken vervaardigen. En aan spinnen wordt nog minder 
gedaan dan aan weven, omdat men de garens uit Europa invoert. 

De binnenlandsche handel wordt weinig door de Javanen uitgeoefend, ge- 
lyk wy zagen. De groothandel is meest in handen van Nederlanders of vreem- 
delingen en zelfs de tusschenhandel en kleinhandel wordt hoofdzakeiyk door 
Chineezen en Arabieren gedreven. Op de pasars echter spelen de Javaansche 
vrouwen een belangryke rol in den handel; iets dergelyks ziet men in Neder- 
land o. a. in Noord- Brabant Maar het is meer directe koop voor huiselyke behoefte 
en verkoop van eigen produkten dan de eigeniyke handel, waaraan zy deelnemen. 

Toch vindt men in enkele streken van Java ook nog echte Inlandsche klein- 
handelaren en marskramers. Zy behooren meest te huis in de centra van in- 
landsche nyverheid eh vormen daar een van nature aangewezen gilde om voor 
de industrieprodukten van hun gebied afzet te vinden. 

Zoo heeft men in de Preanger Regentschappen de Soendaneezen uit Tasik- 
malaja, die overal met gebatikte of getjapte kaln's langs de huizen gaan en vlecht- 
werk uit Singaparna verkoopen. Uit de omstreken van Buitenzorg bereizen de 
z.g. „orang Bogor" een groot deel van West-Java, tot in Kediri zells. Uit Midden- 
Java trekken lieden uit Koedoes over geheel Java, om voornamelyk lynwaden 
te verhandelen maar ook om handel te dryven in landbouw-produkten, tabak en 
vee, waarby zy soms jaren van huis blyven. In Kediri zyn de Baweanners de 
marskramers, die op do verst afgelegen perceelen komen met waren, welke 
voor een groot gedeelte te Grissee en Soerabaja worden ingekocht. ') 

Hoewel dus Inlandsche kleinhandelaren op Java wel voorkomen, is hun 
aantal toch klein in vergehjking met do duizenden Chineezen en andere vreemde 
Oosterlingen. En zelfs in een gewest, waar de Inlanders byna het ryk alleen 
hebben, zooals in Bantam, is van oen wezenlyke inlandsche tusschenhandel zoo 
goed als geen sprake, zegt Mr. Van Df.vf.nter. Waar Chineezen en ook waar 
Europeanen in aanzienlykeu getale zyn, drukken die den Inlandschen handel 
dood. Weinige Inlanders zyn er ook, welke den tweedehandshandel, die van 
„soedagar's" 0/ gezeten inlandsche kooplioden, dryven, terwyl dezen nog een 
Arabische tint dragen. By hen, zooals de Pekalonganners in de Preanger, is 
de voornaamste handel ryst- en kleedjeshandel, torwyl de Chineezen in alles 
handelen. In Koedoes vindt men deze ook. 

1) Dergelijks verschijnselen al. het voorkomen van rondventen uit enkele (treken, zien 
wij ook in Nederland: men denke aan de Teuten in Noord-Brabant, de vroegere schoenenver- 
koopsters uit de Langstraat, aan de Huizere, die mei hun kruiwagens met kaas, bokking enz. 
tot ver over de Duitschc grens gaan, de vroegere „bombazijndragers" uit Twente, de 
Friezenvenen, die tot in Rusland trokken en ook als handelaars in tuinzaden rondreizen. 



96 



De algemeene volksdichtheid yan Java hebben wy reeds be- 
verbreiding sproken (I pag. 451) en daarby de dichtheid opgegeven voor de 
der bevolking verschillende residenties. Nadere cijfers voor de inwoners van 
doelen der residenties, de districten, vindt men in het Koloniaal 
Verslag; dat van 1902 geeft ons de laatste cyters voor 1900. 
Wy hebben er al op gewezen, dat Java over 't geheel zeer dicht bewoond 
is, en de volksdichtheid in alle gewesten de landen van West. Europa meestal 
overtreft. Die toestand is van veel beteekenis, omdat Java geen land van handel 
en ny verheid, maar een land van landbouw is, met een minder aanzienlijke vee- 
teelt. De bevolking is op Java voor een zeer klein gedeelte in de groote gecon- 
centreerde nederzettingen gevestigd. (Wy zyn huiverig die steden te noemen, 
omdat zy zoo weinig in uiteriyk overeenkomen met hetgeen wy steden noemen, 
zie ook I, pag. 377). De volgende vergehjking stelt dat in het licht. Nederland 
met ruim 6 mill. inw. en een gemiddelde volksdichtheid van 161 per K.M.* 
heeft 24 steden met meer dan 20 duizend inwoners ieder, die totaal in 1900: 
1 906 534 inwoners telden, en Java en Madoera, met een totale bevolking van 
28,7 millioen en een gemiddelde volksdichtheid van 218 per K.M. 1 , heeft slechts 
20 steden, elk van meer dan 20 000 zielen, die tezamen niet meer dan 962880 
inwoners tellen. In Nederland woont 36°/, dor bewoners in steden boven 20 000 
inwoners, op Java slechts 3°/ 0 . Wy laten die steden met opgave der daar aan- 
wezige volkselementen, hier volgen. 

Bevolking der nederzettingen van Java en Madoera met meer dan 20000 

zielen by het eind van 1900. 





Europeanen 


Inlanders. 


Chineezen. 


arabieren. 


Andere 
vreemde 

Ookterl. 


Totaal. 


Soembaja. . . . 


8906 


121 886 


13 035 


2791 


326 


146 944 


Bataria 


8893 


77 700 


26 817 


2245 


252 


115 887 


Soerakarta . . . 


1978 


101 924 


5129 


171 


262 


109 459 


Semarang .... 


4800 


70 426 


12 372 


724 


964 


89 286 


DjokjokarU. . . 


1424 


66 388 


4 208 


113 


102 


72 235 


Malang 


1187 


50 519 


1 403 


279 




63 388 


Pokalongan . . . 


427 


33 741 


3 064 


936 


43 


38 211 


Meeater Cornelis . 


2279 


28 192 


2 674 


74 




33119 


Koedoes 


235 


26 768 


4 344 


42 




31 389 


Rembang .... 


210 


22 031 


6 388 


8 




29 538 


Pasoeroeaa . . . 


663 


28 701 


2 495 


213 


80 


27 152 


Bandoeng . . . - 


1522 


24 748 


2 630 


43 


20 


28 968 


Toeban 


138 


21 770 


3 599 


408 


60 


25 975 


Magolang. . . ■ 


1058 


22 083 


2 489 


135 




25 715 


Grissee 


182 


22 670 


1 780 


1162 




25 644 


Buitenzorg. . . . 


1649 


19 089 


3 851 


463 


20 


25 075 


Cheribon .... 


528 


16 856 


3 332 


752 


116 


21 664 


Batang 


63 


20 014 


1 600 






21 647 


Madioen . . . • 


823 


18 907 


1 429 


7 


2 


21 168 


Soemenep .... 


280 


17 969 


842 


865 


65 


20 021 



Digitized by Google 



07 



Het bovenstaande stelt in het licht, dat de Javanen slechts 
voor een uiterst klein gedeelte bewoners zijn van groote, ge- 
concentreerde nederzettingen, en zelfs maken in de genoemde 
plaatsen de vreemdelingen nog een betrekkelijk groot deel uit van 
de bevolking. De meest voorkomende vereenigingsvorm van 
de Javanen in nederzettingen is die van kleine dorpen, kam- 
pongs of desa's, met gemiddeld 400 k 500 bewoners. De volks- 
verbreiding heeft geheel een landelijk karakter; het land is 
overdekt met deze kleine nederzettingen, die als met milde hand 
over de velden zyn uitgestrooid, te midden van de bouwvelden. 
In de Gou vernemen tslanden vindt men 31708 desa's, elk met 
gemiddeld 787 inwoners, doch de desa's bestaan meest uit kam- 
pongs, eigenlijk gehuchten of oorspronkelijke nederzettingen. 

De dichtheid van bevolking in de onderscheidene gewesten 
staat in verband met de vruchtbaarheid van den grond en met 
het bodemrelief. Over 't geheel zijn de vlakten en het heuvel- 
land het dichtst bevolkt, en langs de dalen der rivieren, liefst 
op een hoogte, zoodat de bandjirs die nederzettingen niet be- 
reiken, heeft de bevolking haar woonplaatsen meest gevestigd. 
Echter moeten hiervan uitgezonderd worden de moerassige 
streken der vlakten, zooals de moerassen aan den mond van de 
Tji-Taroem e. a. 

Met het hoogere bergland neemt over 't geheel de dichtheid 
der bevolking af, hoewel het plateauland der Preanger thans ook 
vrij dicht bewoond is. De ontwikkeling van enkele hoogland- 
cultures, als van koffie, thee en kina (zie II, pag. 85) heeft vooral 
tengevolge gehad, dat op aanzienlijke hoogten de Inlanders neder- 
zettingen vestigden, en zich onttrokken aan de gewesten met 
meer uitsluitend rijstcultuur. De zuidelijke kuststreken van West- 
en Oost-Java, ontoegankelijke berglanden, van de kust af moeielijk 
te bereiken, zijn het schraalst bevolkt. 

Het dichtstbevolkte gedeelte van het eiland is midden- Ja va: 
Pekalongan, Semarang, Kedoe en Djokjokarta, terwijl ook Soera- 
baja en het eiland Madoera bijna overal een zeer dichte bewoning 
hebben. Het uiterste oosten van Java is weder dun bevolkt. Wij 
hebben er reeds op gewezen, dat die volksdichtheid geenszins 
altjjd parallel loopt met de welvaart in deze gewesten, zoodat 
wij thans geen vergelijking daarmede maken. 

11 7 



Digitized by Google 



98 



De dichtheid der bevolking in een landbouwland staat in 
nauw verband met de cultuur des bodems. Volgens een kaart 
van Holle van 1892—93 (Kol. Versl.) is gemiddeld 40°/ u dei- 
oppervlakte van Java in cultuur genomen. Beneden dit gemid- 
delde staan Bantam (lö°/ 0 ), Bezoeki (16°/ 0 ), Krawang (21%), 
Preanger (23%), Rembang (30%), Probolinggo (37%), Banjoemas 
(37%) en Kediri (39%); de overige gewesten zijn er boven. Als wij 
daarmede vergelijken de dichtheid der bevolking in de residenties, 
dan vinden wij (I pag. 451), dat Bantam (102), Batavia (166), 
Preanger Regentsch. (119), Rembang (197), en Bezoeki (82) alle 
beneden het gemiddelde der bevolking van Java (218 per K.M. 1 ) 
vallen, de overige gewesten staan er bijna gelijk aan of er boven. 
Verbreiding der volksdichtheid en uitbreiding van cultuurland 
dekken elkander vrijwel; waar de overeenstemming niet ge- 
vonden wordt, zooals in de kuststreken, heeft dit daarin zijn 
grond, dat de bewoners er minder dan elders of niet uit- 
sluitend hun bestaan vinden in den landbouw, zegt Prof. Kan 
in zijn artikel over Java terecht. 

De gewesten met de minst dichte bewoning op Java, Bezoeki 
en Bantam, zijn tevens die met de meeste ongecultiveerde 
gronden. 

Met de gemiddelde volksdichtheid staat ook de verbreiding 
der grootere nederzettingen in verband, zooals Kan aantoonde. 
De hoofdsteden der residenties en afdeelingen liggen meest alle 
in de beste centra's van den goeden cultuurgrond en te midden 
van een dichte bevolking. De gewesten met grootere en dichter 
nabij elkander gelegen nederzettingen zijn de oorzaak der ont- 
wikkeling van grootere centra: als landbouwdorpen ontstaan, 
werden deze weldra marktplaatsen voor een kleinen kring en later 
veelbezochte pasars. Aldus ontstonden er economische centra, die 
uit den aard der zaak ook administratieve centra werden. Dergelijk 
ontwikkelingsproces ziet men ook elders. In geen der slecht 
bevolkte gedeelten van Zuid-Bantam en Preanger-Regentschappen 
of van de kalkgebergten in het Z. van Tegal, Pekalongan en Rem- 
bang of die van Z.O. Java is een der afdeelingshoofdsteden te 
vinden. 

De grootste nederzettingen van Java liggen langs de uoord- 



Digitized by Google 



99 

kust, die geopend was voor het verkeer, en waar zich de 
uitvoer der produkten van het geheele binnenland meest op 
enkele plaatsen concentreerde. Daar was, behalve landbouw, 
ook de handel en de industrie een bron van bestaan, en deze gaven 
aanleiding tot sterker concentratie. De noordkust van Java 
heeft door het verkeer een internationaal karakter verkregen, 
met vermenging van verschillende volkselementen, terwijl langs 
de ongenaakbare zuidkust de nationale eigenaardigheden het 
meest bewaard bleven. Van de noordkust kan men gemakkelijk 
in het land doordringen, daar vindt men nergens afgesloten- 
heid over een groot gebied, zooals op Sumatra en Borneo's 
kusten. Waar op noord-Java dorpen in vruchtbare streken lagen, 
kwamen de kooplieden, en deze aanraking was een eerste factor 
tot het ontstaan van landsteden uit kampongs aan de kust. 



Algemeen ka- Het karakter der Javaansche dorpsnederzettingen 
rakter der ne- m vol fo aiK | me t de landschans-entourage vertoont 

derzettingen. _ 1 r 

De dorpen op zich het meest sprekend en valt het best te over- 
landschaps* zieu in de vlakten, waar ook de meeste dorpen ge- 
beeld, vonden worden. Over geheel Java is dit uiterlijk vrij- 
wel hetzelfde, en daarom geven wij hiervan een algemeen beeld. 

Als men in het binnenland van eeuige hoogte het oog over 
de vlakte laat weiden, doemen van verre in het zuiden voor 
den blik de bergen op, die zich aan elkander schakelen en tot 
aan de kruinen met zwaar geboomte bedekt zijn. Die bosschen 
met hun donker groen gebladert, dat in het droge jaargetijde 
meer zwartachtig wordt, maken een machtige vertooning en 
steken scherp af bij de vlakte, welke zij in het zuiden omlijsten. 

De laagvlakte bestaat voor het grootste gedeelte uit be- 
bouwde velden, grootendeels rijstvelden, die ook van de hellingen 
van het heuvelland soms cirkelsgewijze en trapvorraig afdalen. 
Het is een groot, parkachtig landschap, zoo hier en daar de 
velden door bosschen afgebroken, welke in den tijd der bev loeiing 
zich met de bergen uit den omtrek weerspiegelen in de water- 
vlakten, welke als zoovele spiegels met grijze lijsten op de 
velden glinsteren in den tropischen zonnegloed. 

Door de rijstvelden loopen in regelmatige, rechte lijnen de 
smalle waterkeeringen van meer dan een voet breedte, welke 



100 



tot afperkingen der verschillende besproeide gronden en tot voet- 
paden voor de Inlanders dienen. Dezen ziet men blootvoets 
daarvan met het grootste gemak gebruik maken, terwijl de 
ongeoefende Europeaan er lichtelijk afglijdt en in het moe- 
rassige rijstveld zakt, waar hij, tot aan den middel beklonterd, 
uitklautert en met zijn nat en glibberig schoeisel angstig voort- 
treedt. Het geheele bevloeide land ia in een stelsel van regel- 
matig gevormde, ondiepe bekkens ingedeeld, waarin rivieren 
en beken van de bergen hun water storten, en dat trapsgewijze 
wordt afgeleid naar beneden. 

Een geheel anderen aanblik levert dit landschap op als 
het pas met de rijstplant is begroeid en tot een heerlijk groenend 
graanveld is geworden. Dan schijnt het een ontzaglijk breed 
uitgespreid, dik tapijt van het zachtste fluweelig groen, dat het 
oog zoo weldadig aandoet. In deze periode zijn de sawah's wel 
het schoonst. Later, als het graan rijpt, en de kleur geelt, is 
de physionomie weder anders ; wel geeft dan het veld een rijken 
indruk, maar het frissche is verloren. Dan ziet men menig veld 
met touwen omspannen, waaraan kleine zeilen zijn bevestigd, 
die al wapperend door den wind in beweging worden gehouden ; 
dan verneemt men hier en daar het geklapper en gekletter 
van een kleine windmolens, om de vogels, die op het rijpende 
rijstveld aanvallen, schrik aan te jagen, wat niet altijd voldoende 
is. Zoo hier en daar ziet men ook kleine wachthuizen op hooge 
palen gebouwd, waarin, als een kruisspin te midden van haar 
net, een Inlander zit, die van tijd tot tijd aan de uitgespannen 
koorden trekt, welke van daar uit in alle richtingen over het 
veld loopen, en die de vogelverschrikkers in beweging brengen, 
waardoor groote vluchten van kleine rijstdieven plotseling worden 
opgeschrikt vun hun prooi. Een nog anderen aanblik levert het 
veld op, als de oogst is aangebroken. Het water heeft men reeds 
vroeger weg laten loopen, en de velden zijn overal, van verre 
en nabij, bedekt met de bontkleurige gestalten der Inlanders, 
die, mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, in vrookjke 
opgewektheid hun dorpen hebben verlaten om den padi te 
snijden. 

Te midden van die graanvelden vindt men nog plekken, 
welke niet voor den aanleg van sawah's geschikt zijn door de 



101 

hooge ligging of anderszins. Waar men evenwel water kan be- 
komen, wordt elke plek gronds in cultuur genomen. Door de 
velden slingeren enkele wegen, die meestal niet breed zijn, een 
voet of acht, en welke veelal aan beide zijden met schaduw- 
boomen zijn beplant. Wat evenwel den vreemdeling bijzonder 
in het oog zal vallen, is, dat hij te midden van die uitgestrekte 
velden nergens een dorp ziet, geen enkele toren van een kerk, 
die boven de vlakte opspitst om van verre aan te duiden, dat 
hier een nederzetting der landlieden bestaat, zooals hij in Europa 
gewoon is. In plaats hiervan ziet men boven de korenvelden 
op vele plaatsen het loofgewelf van dichte boschjes opduiken 
tot geïsoleerde ronde heuvels van groen, die zoo hier en daar 
over de velden verstrooid liggen, als om eenige afwisseling te 
geven aan het wel wat eentonige landschapsbeeld. 

De boschjes, welke wij hier van verre beschouwen, wijzen 
de dorpen der Inlanders aan, die als eilandjes liggen te midden 
van de velden, welke den bewoners het noodige graan leveren 
voor hun bestaan. Langs den kronkelenden, met schaduwboomen 
beplanten weg, die langzaam glooiend naar boven gaat, kunt 
gij het dorp bereiken, in het zuiden veelal geleund tegen de 
helling van een heuvel of een berg, misschien wel een vulkaan, 
en aan een riviertje of een beek gelegen, die frisch water geeft, — 
in de noordelijke gewesten meer geheel in de vlakte. Het ge- 
wone teeken van de nabijheid der nederzettingen van mensche- 
lijke woningen is de slanke kokosboom, die met zijn geribden 
stam en waaiervormige kruin, welke zware vruchten draagt, 
zich hoog verheft In de Soenda-landen vormt deze boom bij 
de lager gelegen dorpen geheele bosschen, terwijl in de hooger 
gelegene er slechts enkele worden aangetroffen. Deboomenaan 
de zijden van den weg behooren tot verschillende soorten. Men 
ziet er de Waroe laoet en Waroe goenoeng (Paritium tiliaceum 
en simile ; Hibiscus L.) of Toeri (Agati grandiflora), wier bloemen 
nu rood, dan wit gekleurd, door de Javanen als groenten, sajor, 
worden genuttigd. Elders groeit Bebesaran gede (Morus indica 
L.) of Saï: (Broussonetia papyrifera Vent.), van welks geklopte 
bast het sterke Javaansche papier en velerlei touw- en vlecht- 
werk wordt gemaakt, of de Kedongdong: (Spondias Wirthgeniï 
Hassk.), die zijn takken op den afgeknotten stam verheft, als ware 



Digitized by Google 



102 



liet een wilgenboom. Deze laatste wordt in Midden-Java veel 
gebruikt tot het beplanten der wegen; hij levert een gom, die 
veel met de Arabische gom overeenkomt. Doch in schoonheid 
en grootte worden deze boomsoorten verre overtroffen door de 
kanari (Oanarium commune L.), welker pitten goede olie leveren 
en als amandels worden genuttigd, alsmede door den fijnge- 
bladerden tamarindeboom (Tamarindus indica L.), die de mooiste 
lommerrijke lanen vormt. Waar men deze ziet, kan men zeker 
zijn in de nabijheid van een hoofddorp te zijn aangekomen. 

De dorpen zelve liggen op Java geheel in geboomte verscholen, 
waardoor zij van verre den indruk maken van een dichte boschage, 
en omdat men er geen kerken vindt met torens, doen die niet 
als in Europa denken aan de aanwezigheid van een nederzetting. 
Dat onder meer of minder hoog geboomte verscholen zijn en 
geheel op zich zelf te midden der omringende bouwvelden be- 
staan der dorpen, vormt het karakteristieke voor het landschap 
van Java's binnenlanden. En als men het boschje binnentreedt, 
blijkt, dat hier een verzameling van in schilderachtige wanorde 
en in allerlei vormen en grootte door elkander staande schamele 
menschelijke woningen gevonden wordt, omgeven en beschaduwd 
door honderden soorten van hoog en laag geboomte en andere 
gewassen, wier lenige, dichtbebladerde toppen en takken, als de 
koele landwind in het nachtelijk duister er doorheen speelt, 
een schuifelen en zacht ruischen voortbrengt, dat den stillen 
nacht vervult als met boven menschelijke geluiden. 

Niet altijd strekt het rijstveld zich uit tot aan den zoom 
der dorpsboschjes. Dikwijls worden de dorpen op heuvelachtigen 
bodem nog omringd door akkers van geringe uitgestrektheid, 
zooals men in Europa de tuinen vindt om de kleine steden en 
dorpen. Daar worden dan onderscheidene gewassen gekweekt, die 
minder algemeen in de Javaansche huishouding gebruikt worden, 
de groenten en toespijzen van verschillende soort (Zie I pag. 479). 
Deze kleinere stukken gronds zijn op vele plaatsen omheind 
door een levenden pagger of haag van verschillende planten- 
soorten : Pandanen, Euphorbiën e. a. 

De eigenlijke dorpsnederzetting, hetzij omgeven door deze 
buitentuinen of niet, wordt gewoonlijk door een smalle ring- 
sloot tot afvoer van water omringd en verder door een zoo 



11)3 



stevig en zoo dicht mogelijken, liefst levenden pagger of haag 
omsloten ; daarmede wordt het dorp beschermd tegen het binnen- 
dringen van ongenoode en ongewenschte gasten. De omheining 
wordt gevormd door rijen bamboe, die met hoog opschietende, 
lenige en wuivende halmen of stokken, welke van 40 tot 70 voet 
bereiken, het eigenlijke dorp omringen, en tusschen de bamboe 
ziet men onderscheidene zware boomen van verschillende soorten 
zich vernetten, waarvan wij er enkele reeds leerden kennen aan 
den weg. De bamboe-omheining wordt hier en daar door een 
opening afgebroken, en als door een natuurlijk poortgewelf 
komt men tot het dorp, dat nog met een houten poort, seke- 
teng, gevormd door twee bamboezen ladders, welke van boven 
vereenigd zijn, wordt afgesloten. Boven die poort is het nummer 
en de naam der desa te lezen. 

Binnen de omtuining van het dorp is de bodem meer schoon 
gehouden, en in schilderachtige wanorde staan, in allerlei vor- 
men en grootte, de menschelijke woningen op afgescheiden erven 
door elkander, de erven beschaduwd door honderden soorten van 
hoog en laag geboomte en andere gewassen. Die door de Inlanders 
beplante erven vormen tezamen het dorpsbosch, dat wij zagen, een 
complex van een groot aantal boomsoorten, die hier bijeenge- 
bracht zijn : groote vruchtboomen, welke vruchten leveren voor 
tafelgebruik, kleine vruchtboomen of struiken, die tusschen de 
grootere groeien, als de West-Indische mispelboom, de granaat- 
appelboom, de ananas, de meloenboom, de pisang-struik, ook 
de koffieboom, boomen die toespijzen en kruiderijen leveren, 
sierboomen rondom de huizen, e. a. Op de aloen-aloen, het met 
gras begroeide plein midden in het dorp van West-Java, ver- 
breidt de waringin ot Indische vijgeboom (Ficus Benjamina; 
zie I, pag. 210) in een of meer aantal zijn breede takken met 
afhangende kroon, versierd met een levendig groen gebladerte, 
een berg van loof, zoo dicht en schaduwrijk, dat geen zonne- 
straal er van boven kan doordringen. 

Do dorpsboschjes vormen een ryke verzameling van allerlei boomsoorten 
binnen een kleine ruimte, maar door die verscheidenheid wordt een algemeene 
plantenphysionomie gemist. Toch vallen onder de honderden gestalten enkele 
boomvorraen van het dorpsboschje meer bijzonder in het oog. Hier zijn het de 
donkergroene, roodachtig gevormde kronen der Mangga-boomen, die met smake- 



Digitized by Google 



104 



ïyko gouden vruchten ter grootte van een vuist zijn beladen, ') daar zijn het 
de schoone, wit en rozenrood gekleurde Djamboe-vrucbten van onderscheidene 
soorten, welke in grootte afwisselen tusschen die van een kers en een appel, elders 
weer de Nangka's en de stekelachtige Doerens (gesl. Durio L.), met vruchten 
ter grootte van een kinderhoofd, aan een dunnen steel hangend, die in weer- 
wil van den onaangenamen, knoflookachtigen reuk en eigenaardigen smaak gaarne 
door Inlanders en Indo-Europeanen, niet zelden ook door Europeanen, gegeten 
worden, welke in het oog vallen. Men ziet er een kogelronde vrucht, de pompel- 
moes, ter grootte van een menschen hoofd; goudkleurige oranjeappelen gloeien 
bij dozijnen tusschen het groene loover, en het oog der kenners valt met wel- 
gevallen op de smakelijke vrucht der Garcinia mangostana, ter grootte van een 
appel, die hoogst verkwikkend, saprijk vleesch oplevert. 

Rijk is ook de verscheidenheid en afwisseling in de schakeeringen van 
groen in het bladerdak, in den vorm van het loof, en in de verdeeling der 
takken. Naast de rondachtige, dichte bladerkronen, die de meerderheid uitmaken, 
vindt men er den Kapokboom met horizontaal, wijd uiteengroeiende takken, 
ver tusschen het loof van andere boomen uitgestrekt, en den Doerenboom, die 
door ijlen bladerkroon en zilvergrljzen glans in het oog valt. Hier ontwaart 
men de weelderig groeiende ananas, ter grootte van een kinderhoofd, elders de 
voedzame pisangs, als druiventrossen bijeen gewassen en dikwerf zoo zwaar, 
dat een mensen ze niet kan dragen, terwijl op andere plaatsen een Areng- 
palm zijn blauwachtig sombere gedaante op den schaduwrijken achtergrond at» 
teekent. Hier en daar verheffen tusschen het overige geboomte palmen hun 
dunne, lange, met geledingen voorziene zuilen, en hun bladerenkruin rijst 
hoog boven het loofgewelf van het dorpswoud. De Pinang-palm vooral onder- 
scheidt zich door zijn slanken, rechten stam, die tot 100 voet oprijst. Dikker 
en korter is de kokospalm, die dikwijls een eenigszins gebogen vorm heeft. *) 

Te midden van dergelijke eeuwiggroene boschjes, geboomte 
door hen zelf geplant, wonen de Javanen in hun eenvoudige huizen 
(zie I pag. 367), die weinig van hutten verschillen, verscholen 
onder het loofgewelf. Schilderachtig mogen zij in het groen gelegen 
zijn, toch hebben die hutten, vaal grijs en niet zelden met een krot- 
achtig uiterlijk, niet veel aantrekkelijks voor een Europeaan, 
vooral niet, als het erf er wat verwilderd uitziet . En de wegen door 
de desa, altijd m uilig, stoffig, smerig en hobbelig in den Oost- 
moesson, worden modderpaden in den Westmoesson. Het dorp 
in haar geheel genomen maakt een indruk als alleen het dorp 
eener Oostersche weinig ontwikkelde en weinig bezittende bevol- 
king onder de keerkringszon levende, geven kan, zegt Prol. Poensen. 

1) De Chineezen maken vooral work van de mungga-cultuur. 

2) Zio uitvoeriger dio plnntenbeftch rijving der dorpsboschjes bij Ji nghuhs, Java, I pag. 242. 



Digitized by Google 



105 

De huizen der dorpsbewoners zijn alle laag, de meeste 
geheel uit bamboes vervaardigd, en met atap of alanggras ge- 
dekt. Naast de woonhuizen (zie I, pag. 367) vindt men op het 
erf, als de desa geen gemeenschappelijke stalling heeft voor 
buffels, veelal de buffelkraal, een met balken omgeven modder- 
poel, waarin de karbouw gedurende den nacht wordt opgesloten, 
en in de nabijheid ziet men niet zelden het kleine Javaansche 
paard, ergens aan een boomtak vastgebonden of onder het uit- 
stekende dak. Onder een gaanderij langs het huis, op palen 
rustend, hangt veelal de kooi met een soort van tortelduif, 
wier zacht gekir de Javaan gaarne hoort, en waaraan hij met 
een bijgeloovigen eerbied gehecht is. 

Op het erf valt ook de rijstschuur of loemboeng nog in 
het oog, meestal een langwerpig vierkant gebouwtje van bamboes 
vervaardigd, dat boven breeder is dan van onderen, en de 
deur in de hoogte boven den verbindingsbalk heeft, zoodat 
de rijst er langs een ladder in gedragen moet worden, of ook 
wel van beneden af er wordt ingeworpen. Veelal vindt men 
op het erf nog een afdakje, waaronder een blok ligt met een 
rond gat aan het einde, om er de rijst in te stampen. Nog moeten 
wij de waterput noemen, die, als geen beek in de nabijheid is, 
gebruikt wordt, om op Indische wijze te baden, d. i. om 
water over het lichaam te gieten, en hiermede hebben wij het 
belangrijkste opgenoemd, dat er op het erf der desa wordt ge- 
vonden. 

De desa der vlakte wordt gewoonlijk door een hoofdweg 
doorsneden, zeer groote desa's door twee of meer, die ver- 
lengd ook de gemeenschap met andere dorpen, vooral ook met 
een pasar tot stand brengen. Die hoofdweg wordt vaak ongeveer 
rechthoekig gesneden door andere wegen, zoodat het geheele 
dorp in een zeker aantal vierkanten of blokken verdeeld wordt. 
De verdeeling dier blokken in woonerven is voor alle desa's 
in hoofdzaak dezelfde, maar de uitgebreidheid der erven ver- 
schilt veel. De erven zijn veelal zorgvuldig door heggen van 
bamboe van elkander gescheiden, en smalle voetpaden loopen 
er tusschen door. 

In Banjoewangi vindt men vaak de woonhuizen en rijst- 
schuren van het geheele dorp op één algemeen groot erf, vrij 



Digitized by Google 



100 



dicht bij elkander, en onregelmatig, zonder zichtbare afbake- 
ning van de ertjes, zoodat men langs de ruimte, die tusschen de 
huizen gelaten wordt, in alle richtingen vrij door het dorp kan 
gaan. Op de groote erven wordt van alles geteeld, zelfs suiker- 
riet, padi en koffie (pagger-koffie) en zij worden met boomen be- 
plant, zooals wij zagen, waartoe het dorpsbestuur aanmoedigt. 

* In de dorpen van West- Java vindt men gewoonlijk een 
open ruimte of plein, de aloen-aloen, met een waringin en aan 
dat plein ziet men veelal ook den langgar of het bedehuis 
(zie T, pag. 345). Elders op Java ziet men de aloen-aloen alleen 
voor de woningen der regenten. In het dorp trekt verder ook 
de begraafplaats nog de aandacht, op hooge, droog gelegen gron- 
den aangelegd, doch geenszins altijd met zorg onderhouden. Zij 
is gewoonlijk te kennen aan den Kambodja, een boom, die ge- 
durende den bloeitijd bladerloos is en dan met groote witte, 
sterk riekende bloesems prijkt en deze voortdurend over de graven 
strooit. Deze boom behoort daardoor eigenaardig te huis op een 
laatste rustplaats. Een viertal houten paaltjes en een kleine 
heuvel wijzen de plaats aan, waar een lijk begraven is. 

Over 't geheel biedt een Javaansche desa weinig afwisseling 
aan het oog. Het zijn overal dezelfde huizen en erven, overal 
dezelfde hagen, die men passeert, men ziet overal hetzelfde eigen- 
aardige geel van bamboe en alang-alang, waaruit de lage desa- 
huizen zijn gebouwd. De typische eigenaardigheden der desa 
zijn in hoofdzaak dezelfde. Men ziet nergens een publiek ge- 
bouw, dat door grootte of bouwstijl zich van andere onderscheidt. 
Slechts zeer enkele desa's, de perdikan-desa's (zie I, pag. 441), 
hebben een moskee. Alleen een goed opmerker zal de langgar of 
het bedehuis, tevens de school voor den Mohammedaanschen 
goeroe, die op een gewoon erf staat, in het dorp kunnen onder- 
scheiden, maar dat is alles. Zelfs de balé der Maleiers, een aan vier 
zijden open gebouw, dat dient voor vergaderingen, het huisvesten 
van vreemdelingen enz., vindt men in de Javaansche desa niet; 
daarvoor doet de woning van het desahoofd dienst, die gewoonlijk 
te herkennen valt aan den ruimen ingang met een in 't oog val- 
lende van stijlen en bamboe gemaakte poort aan den desaweg, 
meest met een naambordje er naast. Zijn woning heeft gewoonlijk 
eeu voorgebouw, waar de ingezetenen gedurig samenkomen om 



107 



bevelen te ontvangen, over belastingen en verdeelingen der velden 
te spreken enz. 

Den Europeaan moet het in het oog vallen, dat nergens 
in de gewone desa een huis tot winkel of' toko is ingericht, 
zooals men dit op de hoofdplaatsen wel ziet. De Inlander van 
het dorp voorziet zich van al het noodige gewoonlijk op de 
pasar of markt (zie ook II, pag. 23) of' in de toko's der grootere 
plaatsen. Echter kan men hier en daar in de desa's in of aan 
de omheining of aan den weg wel een klein gebouwtje opmerken, 
w a r o e n g genoemd, een kraampje van bamboe, waar de voorbij- 
ganger zich kan te goed doen aan rijst met toebehooren, pisang, 
een kop café noir of eenig inlandsch gebak enz. Een houten 
of bamboezen bank biedt hem een rustplaats aan en de waroeng- 
houdster weet het haar klanten gezellig te maken, te trekken 
en aan den praat te houden. 

De Pasar in de dorpen. Het eigenlijke inlandsche handelsleven der 
desa's ontplooit zich het levendigst op de pasars (zie II, pag. 23). Niet alle 
desa's hebben oen pasar; het bezit van een pasar moet op verzoek van de in- 
woners door bet Gouvernement worden toegestaan (evenals in Ned. do markten). 
Als een dorp een pasar heeft, wordt het allicht een centrum van inlandsch 
verkeer op de pasardagen. Maar ook de hoofdsteden hebben hun pasars, de 
groote, als bijv. Soerabaja, hebben zelfs meer dan een pasar, die door bepaalde 
benamingen onderscheiden worden, zooals ook onze markten (korenmarkt, appel- 
markt, vischmarkt enz.), echter met dit verschil, dat op oon pasar steeds alles 
wordt verhandeld. 

De naam pasar moet r bazar" beteekenen, en dit woord werd vroeger ook in 
ofücieelen stijl door de regeering gebruikt. Valf.ntijn vermeldt de pasars, die in 
z\jn tijd te Batavia werden gevonden; een daarvan heette o.a. „gauwdiefsmarkt," 
omdat daar veel gestolen goed werd te koop aangeboden. 

De dorpspasar, waar de Inlanders samenkomen, terwijl ook Chineozen er 
een aanzienlijk deel der opkoopers en handelaars uitmaken, en enkele Maleiers 
en Arabieren er tusschen gezien worden, levert een bont beeld op van 't In- 
landsche leven met zijn schakeering van rassen, stammen en tongen. Vooral 
inlandsche kampong* of desavrouwen zal men er in groot aantal zien, mannen 
in veel kleiner aantal, een verschijnsel, dat ook onze markten in Noord-Brabant 
kenmerkt. Op en door elkander gepakt staan de marktventers met allerlei arti- 
kelen, en een gebrom en geruisch stijgt van de pasarplaats op, terwijl een ver- 
menging van allerlei geuren van vleesch, visch, bloemen enz. eveneens de aan- 
wezigheid van een pasar bij nadering doet kennen, iets wat ook by een Europeesche 
markt niet vreemd is. Het meest ordelijk is het in die gedeelten der pasar, 
waar allerlei artikelen van Europeesche, Chineesche en Inlandsche industrie zijn 



Digitized by Google 



108 



uitgestald, als „manufacturen, gebatikte en gedrukte kaïns, saroengs, ijzerwaren, 
koperwaren, wapens enz. enz. 

„Alle pasars," zegt Poensen, van wien wij verkort citeeren, „gelijken op 
elkander als twee droppelen water. Men denke zich slechts een vlakte van 
zekere uitgebreidheid, en plaatse daarop een groot aantal kraampjes in ryen, 
zoodat doorgangen o f paden voor de bezoekers open blijven. Zulk een kraampje 
bostaat moestal uit een dak van dakpannen, ook wel van blik, oude petroleum- 
blikken, doch vroeger veelal van alang-alang, rustende op eenige stuitjes, alle 
meestal van bamboe, meermalen te laag, dan dat een volwassen persoon er 
rechtop onder kan staan. De handelswaren worden veelal op een mat uitge- 
stald op den grond, anders op een lage, van bamboe vervaardigde bank of tafel, 
waarachter de koopvrouw of koopman zit op een mat op den grond of laag 
bankje. De kraam van den Chinees, vooral die in manufacturen handelt, ziet er 
in den regel ruimer, hooger en beter uit, en is van achter en terzyden in den 
regel met doek bespannen. Do inhoud van een rij kraampjes is doorgaans ge- 
lijksoortig. Verscheiden Chineezen handelen in manufacturen en gemaakte klee- 
deren, buikbanden met gouddraad of wol bewerkt, baadjes voor mannen, vrou- 
wen en kinderen enz.; daar handelt een in bago's of kepöqs (soorten manden), 
een ander in kruiderijen, zwavel enz. Ook verkoopen de Javaansche vrouwen 
wel inlandsche modicijnen. Sommige Chineezen hebben vleeschhandel, anderen 
doen in olie, weer anderen in snuisterijen: garen, band, knoopen, gespen enz., 
welke artikelen ook door Javanen ter markt gebracht worden. ') 

Aan het uiteinde der pasar ziet men Chineezen bezig met het opkoopen 
van beras, (rijst in den bolster), die de desabevolking in kleine hoeveelheden ten 
verkoop medebrengt, en zoo worden ook andere artikelen opgekocht, als tabak, 
peulvruchten, rijst, hout enz., welke de Inlanders aanvoeren. De Chineezen ver- 
krijgen vele dezer artikelen in kleine hoeveelheden, brengen ze by elkander, 
om ze in het groot elders weder te verkoopen. 

Wij mogen hierbij niet verder stilstaan. Door de pasars 
is het opkomen van winkels in de desa's onmogelijk en alleen 
in de groote plaatsen vindt men die. Als de pasar is afgeloopen, 
keert in het dorp de rust weder tot de volgende pasar, wanneer 
deze plaats opnieuw voor een dag het centrum wordt van druk 
handelsleven. Oorspronkelijk hadden, zeiden wij vroeger, veelal 
de pasars om de vijf dagen (pasar-week) plaats. 

Op de wijze als boven beschreven is leven de Inlanders van Java 
in dorpen vereenigd. De dorpen zijn de geographische eenheden 
der nederzettingen van de Inlanders, welke in groot aantal over de 
cultuurlanden van het eiland verspreid zijn. In 1905 werden er 



1) Zie verder: C. Poenskn, Naar en op de Pasar (Meded. van wego bet Ned. Zendeling- 
genootschap 1882), en ('. Poks9kn, Iets over do Javaansche desa, 1. c. 1893. 



Digitized by Google 



109 



31 708 desa's in de Gouvernementslanden van Java en Madoera 
opgegeven; het aantal kampongs is veel grooter. Door splitsing en 
vereeniging is dat aantal niet standvastig. In Soerakarta worden 
12 672 desa's opgegeven; van Djokjokarta missen wij de opgaaf. 

De desa's zijn niet alleen de woonplaatsen maar tevens 
de staatkundige organisaties der Inlanders, die hun gemeen- 
schapsrechten uitoefenen als bewoners der desa's, welke een of 
meer kampongs omvatten. Wij hebben de beteekenis der desa's 
in het gemeenschapsleven leeren kennen (1 pag. 439) en gezien, 
hoe het grondbezit er aan verbonden is (I pag. 477), zoodat wij 
hierbij niet behoeven stil te staan. Voor den Inlander is de 
desa het vaderland in engeren zin, waaraan hij ten nauwste 
verbonden is, die hem het recht geeft op cultuurgronden, die recht 
geeft op de ontginning van woeste gronden enz. In de desa heeft 
de Inlander nog veel van zijn oude gemeenschapswezen bewaard, 
hoezeer ook vervormd door vreemde invloeden. 

Wij hebben de dorpsnederzettingen der vlakte en van het 
heuvelland in het bovenstaande als type genomen; die, welke in 
het bergland gevonden worden, verschillen daarvan niet veel, wat 
hun karakter betreft. Echter heeft de plaatselijke gesteldheid veel 
invloed op de ligging en uitgebreidheid. De dorpsnederzetting van 
het gebergte zal doorgaans kleiner zijn dan die van de vlakte ; hoe 
hooger men komt, en hoe meer geaccidenteerd het terrein wordt, 
des te geringer omvang heeft het dorp. De erven der berg-desa's 
kunnen soms ook heel klein zijn. Vaak zal men daar de huizen 
zien onmiddellijk aan elkander grenzende, zonder eigen omheinde 
erven. Op aanzienlijke hoogte is de woning er tevens op in- 
gericht, om den bewoner een weinig tegen de koude te be- 
schermen. Ook de entourage om het dorp is gewijzigd in het 
bergland. De bebouwde velden zijn er niet zoo aaneensluitend, 
worden meer beperkt tot de dalen, waarlangs de rivieren van 
de bergen stroomen, of tot de geographisch voor de cultuur 
gunstigst gelegen deelen des lands. De dorpen liggen meer geïso- 
leerd, op verderen afstand van elkander, te midden van de 
door bosschen gescheiden cultuurlanden. De bergnatuur geeft 
meer afwisseling aan de terreinen, niet zelden leunen de dorpen 
tegen de hellingen der vulkaankraters, welker vruchtbare bodem 



Digitized by Google 



110 



van asch en verweeriugsmateriaal de landbouwers trekt. 

De desa's als staatkundige eenheden der Inlanders om- 
vatten meestal onderscheidene kleine afzonderlijke nederzettingen, 
zooals een gemeente in Nederland uit onderscheidene dorpen 
of gehuchten bestaat. Die onderdeden worden op Java veelal 
kampongs genoemd, wijken, kleinere nederzettingen. Wat 
wij in het geographisch beeld des lands waarnemen zijn dus de 
kampongs, de afzonderlijke nederzettingen. 

Als men het land overziet, blijkt, dat de kampongs in de 
dicht bevolkte gedeelten van het vlakke land van Java zich op 
vele plaatsen tot lange rijen schier aaneensluiten, en daar meestal 
langs rivieren en wegen gevestigd zijn. 

Uren gaans zijn de rivieren met kampongs omzoomd. Naast 
die aaneensluitende rijen kampongs der vlakten vindt men ook 
een groot aantal geïsoleerd liggen, vrijwel regelmatig over de 
vruchtbare en goed bewoonbare vlakten verdeeld. De sawah's 
zijn het dichtst bezet met dorpen, en hebben de grootste neder- 
zettingen, op de onbevloeide velden liggen zij minder dicht en 
zijn zij minder groot, en de moerassige streken der sawah's 
hebben bijna geen nederzettiugen. 

Naar het heuvelland worden de dorpen minder in aan- 
tal, liggen verder van elkander verwijderd, zijn kleiner. Als 
men van de kust naar het binnenland gaat valt dit steeds in 
het oog. In het bergland vindt men de dorpen langs de hellingen 
en in de passen, waar zich ook de bouwvelden uitstrekken; zij 
liggen ook niet zelden aan den rand der bebouwde velden en 
verder langs de lijnen der watertjes, die tevens de verbreiding 
der sawah's aanwijzen. Langs de kusten vindt men slechts weinige 
kampongs; dikwijls is de kust omringd door een zoom van 
moerassen of van vischvijvers. 

Grootere ne- Over 't geheel zijn de dorpsnederzettingen op 
derzettingen. j aV a klein, en in een gebied met bijna uitsluitend 
landbouw kunnen zij niet groot zijn. Slechts een beperkt aan- 
tal inlandsehe nederzettingen hebben door invloeden van buiten 
af als hooldplaatsen en zetels van residenten, districtshoofden 
of regenten een ander karakter verkregen, en zijn meer ge- 
concentreerde nederzettingen, grootere plaatsen geworden. Een 



Digitized by Google 



111 



enkel woord nog over deze. Het dorpsplein ia ook hier het cen- 
trale deel van den nederzetting. Op het plein staan een of meer 
waringins, die den voorbijganger heerlijke schaduw aanbieden. 
Aan de zuidzijde staat veelal de woning van den Regent, op 
districtshoofdplaatsen van het districtshoofd. Aan de westzijde, 
met het front naar het oosten, staat de moskee (zie 1, pag. H46). 
Langs de breede wegen staan meest winkelhuizen, goed opeen 
rij geplaatst, onderscheidene van steen gebouwd, en die der 
Europeanen met schoone tuinen omringd. De wegen zijn veelal 
door bloeiende heggen ingesloten of met schaduwboomen beplant, 
wat een vriendelijk voorkomen geeft aan een dergelijk landstadje. 
De woning van den resident of assistent-resident staat tegen- 
woordig meestal buiten de plaats, en in de stad vindt men 
eenige gouvernementsgebouwen, als een school, een gevangenis, 
zout- en koffie-pakhuizen. Overigens zoekt men meestal vruchte- 
loos iets merkwaardigs in deze steden; afwisseling vindt men 
er niet veel, en de eene plaats gelijkt vrij wel op de andere. Deze 
nederzettingen van eenigen omvang zijn bijna alle gebouwd aan 
bergstroomen, die ze van frisch water voorzien, en daarom dragen 
in het westen vele ook den naam van Tji, d. i. water, bijv. Tjiamis 
(Cheribon), Tjiandjoer (Preanger Reg.) Tjilatjap enz. In enkele 
plaatsen, bijv. te Tjiandjoer, heeft schier elk huis een vijvertje. 

Wat wij hier beschouwden is het eerst in 't oog vallende 
bij de landsteden. Achter de huizen aan straat liggen dc 
kampongs of wijken der Inlanders, zonder orde gebouwd, met 
hun bamboezen huizen onder het geboomte verscholen. De neder- 
zettingen van de Inlanders zijn ook hier verdeeld in kampongs ot 
buurten, elk staande onder een hoofd, en deze hoofden staan 
weer onder het bestuur van een Wedono. Waar zich Chineezen 
bevinden, zijn die in den regel in een afzonderlijk kwartier ge- 
vestigd. Zij bewonen steeuen huizen van fantastische bouworde 
met tal van gebogen lijnen en scherpe hoeken. 

Hoewel de onderscheidene landsteden uit den aard der zaak 
in bouw verschillen, is het bovenstaande toch vrijwel het alge- 
meene type op Java. Ook deze stedelijke woningen hebben weinig 
verschil in bouworde. De winkelhuizen of waroengs zijn vaak 
van de woonhuizen alleen daardoor onderscheiden, dat in de 
veranda koopwaren zijn uitgestald. 



112 



Wij wezen er vroeger reeds op, dat de Soendaneezen hun 
woningen boven den grond bouwen, de Javanen en Madoereezen 
op den grond. Nog moeten wij er de aandacht op vestigen, dat 
men bij de Inlanders op Java geen huurhuizen vindt; ieder heeft 
zijn eigen huisje. De goedkoope woningbouw is zeker de oorzaak 
van dit verschijnsel. 

De kleine landsteden zijn niet zelden ook de plaatsen, 
waar eenige nijverheid in 't klein wordt gedreven, waar enkele 
fabrieken van Europeesche ondernemers verrijzen. Maar toch 
fabriekssteden zijn het in geenen deele. Alleen de groote haven- 
steden naderen door het uiterlijk leven en den bouw meer de 
westersche steden met hun gemengde bevolking en woelig 
verkeer. Deze zullen wij afzonderlijk beschrijven bij het land. 

IS. NADKRK BKSIIIRWVINO VAN GEDEKLTEN DES LANDS, DKE L ANDSCHAP l'KN KN DEK 

BELANGRIJKSTE NKDEBZETTINOKN. 

I. West-Ja va. 

De kusten in Wij vangen de bijzondere beschrijving der deelen 
het algemeen. CI1 landschappen van Java aan met een beschouwing 
der kusten, eerst in 't algemeen en daarna meer in 't bijzonder 
voor de deelen, om vervolgens in het binnenland de landschaps- 
vormen en nederzettingen te beschrijven. 

De noordkust van Java vormt over 't geheel een scherpe 
tegenstelling met de zuidkust. De eerste wordt begrensd door 
de ondiepe Java-zee, welks bodem een langzaam glooiende af- 
helling der terreinen vormt, die in de eilanden zich hooger ver- 
heffen (zie I, pag. 29 enz.); de laatste door den Indischen Oceaan, 
waar met steilen breukrand het land afbreekt en in de diepe 
zee daalt. De dieptelijn van 5 vadem (1 vadem = 1,8 M.) loopt aan 
de noordkust tot vrij ver van de kustlijn, in W.Java meest 
5 a 7,5 K.M.; aan de zuidkust, op 1 1 K.M., die kan wegens de steile 
afdaling nauwelijks geteekend worden. De noordkust is over 't ge- 
heel laag en moerassig, jong Alluviaal van vorming, en nog steeds 
in wording en vervorming, terwijl slechts op enkele plaatsen, 
voornamelijk in het oosten, de andere gesteenten tot dicht bij de 
zee komen; langs het zuiden van Java dalen voor het grootste 
gedeelte de oude gesteenten steil af naar de diepe zee, en alleen 
in Midden-Java vindt men een breeder, lage kustvlakte. 



Digitized by Google 



113 



De kustvorm van noordelijk West- en Midden-Java kenmerkt 
zich door onderscheidene in zee vooruitstekende landhoeken, 
die schier alle eenzijdig naar het N.W. gebogen zijn ( \ 
en daardoor vele baaien hebben doen ontstaan. Deze land- 
hoeken zijn meestal jonge delta's van de rivieren, welke nog 
altijd in zee vooruitbouwen, hier zwakker, daar krachtiger. De 
ombuiging der rivieren nabij den mond naar het N.W. is voor 
de geheele westkust tot Japara kenmerkend, d. i. tot zoover 
als de kustvlakte uit jonge aanslibbingen bestaat. Het komt 
ons voor, dat dit verschijnsel uit de overheerschende richting 
der stroomen en van den wind moet verklaard worden. Terwijl 
de O. winden er het langst duren en ook de getgdenstroom 
uit het O. in verband met de driftstroomen overwegend een 
W. richting hebben langs deze kust, moet het rivierwater bij den 
mond en ook de deltabouwing in dezelfde richting voortgaan. 
De eigenaardige kustvorm doet aldus tal van bochten ontstaan, 
welke de schepen tijdens den 0. moesson veilige ligplaatsen 
aanbieden. 

In tegenstelling daarmede vindt men aan de zuidkust meer 
scherp geteekende ingressiebochten, zooals de Wijnkoopsbaai 
e.a. Vooral de oostelijke helft der zuidkust, ten 0. van Djokjo- 
karta, waar het Zuiderkalksteengeb. dicht langs de kust 
loopt, vertoont talrijke, grillig gevormde ingressies, waarvan 
er vele goede natuurlijke, havens zouden vormen, als de kust 
naar het binnenland beter geopend was. Thans zijn de neder- 
zettingen hier uiterst zeldzaam. Aan de vlakke zuidkust is verder 
merkwaardig de duinvorming, die bovenal tusschen de Serajoe en 
de Opak -rivier langs de kust van Banjoemas, Bagelen en Djokjo- 
karta wordt gevonden in een drietal reeksen, welke tot 15 M. 
hoogte gaan. Hier vertoont de kust de rechte, zacht gebogen 
lijn, voor de duinkust teekenend. 

Door deze verschillende gesteldheid is de noordkust, hoe- 
wel aanslibbing den toegang voor groote schepen er bemoeielijkt, 
toch over het geheel aangewezen als de commercieele kust. Zij 
is het meest open voor het verkeer, en de rivieren brengen 
van hier de betrekking met het binnenlaud tot stand. Daar- 
enboven is het meest productieve cultuurland het gemakkelijkst 
in verbinding met de noordkust te brengen. Aldus heeft Java 

II 8 



Digitized by Google 



114 

het aangezicht naar de Java-zee gewend, den rug naar den uit 
commercieel oogpunt hier achterlijken Indischen Oceaan. De eco- 
nomisch-geographische toestand der noordkust door alle tijden 
bevestigt het gezegde. Hier vond men van ouds tal van druk 
bezochte havens met levendige scheepvaart; in het eind der 
18 do eeuw een dertiental grootere en daarbij tal van kleinere 
ankerplaatsen, waar gedurende het geheele jaar de inlandsche 
schepen konden lossen en laden. De zuidkust daarentegen was 
meestal ongenaakbaar, werd zelden door handelsschepen bezocht, 
en werd in de oude scheepsjournalen niet ten onrechte aangeduid als 
de „met ijzer omgorde," „de gepantserde" (ironbound). Ook thans 
blijft dat verschil nog bestaan. Tegenover 15 havens aan de noord- 
kust staat bijna alleen die van Tjilatjap (en van Palaboehanratoe) 
aan de zuidkust, in welk eerste in 1902 slechts totaal 13 schepen 
werden ingeklaard, tegen meer dan 550 in de noordelijke havens. 

Aan de noordkust is verder een karakteristiek verschil op te 
merken tusschen het gedeelte ten W. en dat ten O. van Cheribon. 
Het eerste gedeelte, met tal van groote, holle bochten, is meestal 
laag en moerassig, met mangrove-vegetatie langs de grens van 
zee en land, en dieper landwaarts overdekt met een zoom van 
nipahwouden ; het laatste deel, nl. in Tegal, Pekalongan en Oost- 
Java, heeft meer een zandig strand of een slechts smalle, lage kust- 
zoom met moerassen en visch vijvers. Ten 0. van Japara tot bij 
Oedjoeng (Kaap)-Pangka is de kustvlakte meestal zeer smal, en 
weinig open, zonder belangrijke riviermondingen, en op korten af- 
stand gaat die meestal over in hooggelegen, oudere gesteenten. Het 
gedeelte der kust van O.-Pangka tot bij Pasoeroean is weer meest 
moerassig met tal van vischvijvers, terwijl vervolgens langs Straat 
van Madoera de kustvlakte steeds in beteekenis afneemt. 



De kust van Ten W - w ° rclt Java begrensd door Straat 
West-java. Socnda, een der belangrijkste toegangen tot de 
küst en straat westelijke gedeelten der Austraal-Aziatische Middel- 
Soenda. zee gij wag daardoor van ouds een druk bezocht vaar- 
water, omdat niet alleen die naar Java maar ook een groot ge- 
deelte van de zeilschepen, bestemd naar Singapore en Oost- Azië, 
hier hun weg langs namen. Al is in de laatste jaren het verkeer op 
het Oosten door de ontsluiting van China en de economische ont- 



Digitized by Google 



115 



wikkeliüg van Japan toegenomen, de opening van het Kanaal 
van Suez heeft, vooral voor de stoomvaart, den weg door de Straat 
van Malakka langs Singapore enz. verplaatst, waardoor het 
verkeer door Straat Soenda sterk is achteruit gegaan. 

De Straat Soenda is een geologisch betrekkelijk jonge zeestraat 
(zie II pag. 37), die door een verzakking ontstaan is tusschen 
de gebergten van West-Java en Sumatra. De sporen dier in- 
zinking vindt men nog aan de kusten der beide eilanden, wier 
scherp afgebroken rotsen steil in de diepte dalen, en kleinere 
ingressiebochten vormen als de Peperbaai en de Welkomst- 
baai. Als een steile drempel rijst de bodem van den Indischen 
Oceaan van een diepte van ruim 2000 M. op tot deze straat, 
die in het Z. 196 M., in het N. 75 M. diep is. Het is een trechter- 
vormige inzinking, met in het Z. 82 K.M. breedte, die in het N. 
zich tot 25 K.M. verengt, en zich in de richting van W.Z.W. 
naar O.N.O. over 192 K.M. uitstrekt. Door die ligging en door den 
trechtervorm der straat waait hier over 't geheel de W.-moesson 
(eind Nov.— begin Maart), waarvoor de straat meer open ligt en 
die zich in de vernauwende straat samenperst, krachtiger dan 
de O. -moesson; de eerste verkrijgt door de richting der straat 
meer een W. richting, en gaat ten N. er van, waar hij vry over 
de Java-zee waait, langzamerhand in een N.W. wind over. 

De O.-moesson (April — Sept.) waait hier minder krachtig en 
minder geregeld, en de land- en zeewinden verstoren hem dik- 
wijls, vooral nabij de kusten. Ook waaien tijdens den O.-moesson 
op de Java-zee, in deze straat dikwijls weken achtereen N.O. 
winden, die in den loop van den voormiddag opkomen en tegen 
den avond dikwijls plotseling gaan liggen. Zeker zijn ook deze 
een gevolg van de richting der straat. De onstandvastigheid van 
den wind is een der oorzaken van de zware regenbuien en on- 
weders, welke hier bij den overgang van den Indischen Oceaan 
tot de binnenzeeën menigvuldiger zijn dan in eenig gedeelte 
van den Archipel, zelfs nog meer dan aan de Z.W. kust van 
Sumatra, en die vooral tijdens den W.-moesaon, maar ook bij den 
O.-moesson, voorkomen. Evenwel zware stormen waaien ook hier 
zelden (zie I pag. 121). Ook is de Soenda-straat een der meest 
lastige vaarwaters van den Archipel door de stroomen en de 
deining van het water. Vrij permanent heerscht hier een stroom 



116 

in Z.W. richting, welke gedurende een gedeelte van den dag 
door den getijdenstroom, die een enkeldaagsch karakter heeft, 
(zie pag. 41) versterkt wordt. Wanneer deze aldus krachtig ge- 
worden Z.W. stroom tegen den wind in loopt bij den W.-moesson, 
ontstaat er door de tegenwerking van den wind op het water 
een zware deining en een lastige, moeielijke zee. 

Onderscheidene eilandjes van vuikanischen oorsprong wijzen 
op de onvastheid van den bodem der straat. De eilandjes T a m- 
poeroeng of Toppershoedje, Poeloe Oelar of Bra- 
bantshoedje en Sangiang of Dwars in den Weg 
zijn niet meer dan vulkaankegels; Krakatau ofRakata, 
dat bij de hevige uitbarsting in 1883 voor een groot gedeelte 
verzonk, wordt gevormd door een kegelvormige piek van onge- 
veer 800 M. hoog, die aan de noordzijde loodrecht uit zee op- 
rijst. In 1680 moet dit eiland ook een uitbarsting gehad hebben. 
Poeloe Sertang of het Verlaten Eiland ten W. van 
Krakatau is door die uitbarsting aanzienlijk grooter geworden. 
Bij de uitbarsting in 1883 werden beide eilandjes geheel van hun 
plantentooi en dierenleven beroofd, doch vijf jaren daarna waren 
zij weder begroeid met allerlei planten en hadden er zich van 
de naburige eilanden weder dieren gevestigd. 

Aan den Javaanschen kant ligt in het Z. het Prinsen- 
eiland of Poeloe Panaitau, het grootste eiland in de straat, 
van vuikanischen oorsprong, en in het N. en 0. in heuvels op- 
rijzend tot op zijn hoogst ruim 300 M. Het eiland is dicht be- 
groeid met bosschen en wordt slechts tijdelijk bewoond door 
visschers op tripang en schildpad, terwijl het ook eenig verfhout 
levert. De 8 K.M. breede zeestraat Behouden Passage, met 
goeden ankergrond, scheidt Prinseneiland van den Z.W. hoek van 
Java, een boschrijk schiereiland, dat in den Goenoeng Pa- 
joeng, die tot 4S0M. stijgt, scherp geteekend eindigt, zoodat 
die van verre zichtbaar is. Deze landhoek vormde eens een 
eilandje, dat in den Alluvialen tijd met het land verbonden is; 
de smalle landengte tusschen de Welkomstbaai en de zuidkust 
is nog een moerassige strook. 

De kust van Java van de Welkomstbaai tot St. Nicolaas- 
punt aan den N.W. hoek van Java is in het zuiden steil, en 
wordt met een koraalrif omzoomd. Groote rivieren monden hier 



Digitized by Google 



117 



niet uit; de langste zijn die in de Peperbaai, welke baai door 
een zandig strand is begrensd, en waarvan de breedere kustvlakte 
een verbindingsweg in het land doordringt. 

Ten N. van de Peperbaai is de kust eerst laag en bebouwd, 
doch de vlakte wordt spoedig smaller, doordien de boschrijke 
heuvels van het bergland tot aan de zee doordringen en slechts 
hier en daar kleine vlakten met alang-alang of kreupelhout 
aan de kust open laten. Slechts enkele kampongs liggen hier 
aan de vlakte der kust, en nabij den mond der rivier Agoeng ligt 
het havenstadje Laboean, dat door nederzettingen van Chi- 
neezen tot ontwikkeling gekomen is, sedert het noordelijker ge- 
legen Tjaringin bij de uitbarsting van Krakatau werd verwoest. 
De spoorweg van Batavia komt hier door een zadel vorm ige 
laagte ten Z. langs den G. Asenpan (1160 M.) en G. Karang 
(1725 M.), twee vulkanische vormingen, aan zee. 

Voorbij den lagen met kreupelhout begroeiden landhoek 
„Vierde punt' 1 , bereikt men weldra Anjer K i d o e 1 (— Zuid), een 
nieuwe nederzetting, drie paal bezuiden het in 1883 verwoeste 
Anjer, met vuurtoren, seinpost, loodsstation en havenkantoor. Hier 
eindigt een andere arm van den spoorweg van Batavia naar Straat 
Soenda. Verder Noor d-A n j e r of A n j e r-L o r (— Noord), een 
bloeiende kampong, die aan den mond der 40 M. breede rivier 
verrezen is op de plaats van het in 1883 door de uitbarsting van 
Krakatau verwoeste oude Anjer. De bewoners leven van de visch- 
vangst en van het leveren van ververschingen aan de voorbij- 
varende schepen, terwijl er veel kustvaart is naar de Lampongsche 
districten. Men vindt er eenige inlandsche en Europeesche 
loodsen. 

Langs een kust, die door eenige begroeide uithoeken een 
grilligen vorm heeft, komt men vervolgens bij St. Ni co la as- 
punt of ïandjoeng Podjok, het noordelijk uiteinde van 
het naar het N. laag uitloopende St.-Nicolaasgeb., dat hier in 
een smalle met boomen begroeide landtong van ±13M. hoog 
eindigt. De G.-Gedeh met den G. Bat oer, een dubbel-vul- 
kaan, die toppen heeft tot bijna 600 M. hoog, vormt hier 
den N.W.hoek van Java en dringt als een schiereiland in zee 
vooruit. 



Digitized by Google 



118 



b. De Noord- Hiermede zijn wij aan de vlakke noordkust van 
kU9t - Java genaderd. Over 't geheel is deze kust tot bij 

Japara laag en moerassig, geheel met laag geboomte en struik- 
gewas begroeid, het vroeger beschreven mangrove woud (zie I, 
pag. 222), dat hier schier langs de geheele kust wordt gevonden en 
waarachter hooger geboomte zich verheft. Hier en daar, waar het 
strand minder moerassig is, heeft men kampongs met klappers en 
ander geboomte, en op enkele plaatsen strekken zich de rijst- 
velden, op vele plaatsen als moeras-sawah's, tot aan de zee uit. Ver 
over de kustvlakte verheffen zich, hier op grooteren daar op kor- 
teren afstand, de bergen van het binnenland, veel in grijze nevels 
gehuld, en alleen bij helder weer zichtbaar aan den verren horizon. 

De algemeene windrichting op de Java-zee leerden wij reeds 
kennen (I pag. 139 enz.). Locaal wordt die in de kustzee nog ge- 
wijzigd. Op een niet te grooten afstand van de kust doen toch de 
land- en zeewinden hun invloed sterk gevoelen, zoodat hierdoor, 
vooral tijdens den zuidoostmoesson, het moessonkarakter der 
windrichting aan de kust geheel veranderd wordt. Te Batavia komt 
in dien tijd de zeewind ongeveer te 10 uur uit het N., endoor 
dezen, in samenwerking met den Z.O. moesson, ontstaat een resul- 
teerende windrichting uit het N.O., die ten 2 uur zijn grootste 
kracht bereikt en te 6 uur des avonds ophoudt. Te 8 a 9 uur 
in den avond komt in dien tijd de landwind door uit het Z.O., 
die tegen den morgen weer gaat liggen. 

In den YV.-moesson vallen zeewind en moesson samen ; beide 
komen voor de kust van Batavia uit het N.W., ofbynaW. Het 
gezegde over den wind geldt in algemeene trekken voor de geheele 
N.- kust van Java, höewel locaal verschillend door de gesteldheid 
des lands. Voor den duur van elk der moessons is nog verschil 
in het W. en O. van de Javazee. In het W. duurt de O. moesson 
(passaat) zes maanden, van Mei tot en met Oct., met Z.O. tot 
O.Z.O. winden, en de W. moesson vijf maanden, van Dec. tot 
en met April, met W. en W.N. W. wiuden. Terwijl van de voor- 
jaarskentering weinig te bespeuren valt, heeft Nov. nog al ver- 
anderlijke winden. Naar het O. wijzigt zich de tijd van het 
invallen van de moessons, zoodat voor de zee langs midden-Java 
April reeds tot den O.-moesson (Z.O.-passaat) moet gerekend 
worden, en de veranderlijke winden in Nov. overwegend een Z. 



Digitized by Google 



1 



119 

richting hebben. Hier neemt de O. moesson (passaat) in duur 
toe ten koste van den W. moesson, en verder naar het O., ten 
O. van het eiland Kangeang, behoort Nov. nog beslist tot den 
O. moesson (passaat), zoodat deze * 7 maanden duurt, terwijl de 
W. moesson slechts 4 maanden aanhoudt, en April een kente- 
ringsmaand met meest Z. winden is. Verder naar het O. neemt 
dus op de Java-zee de duur van den O. moesson toe ten koste van 
den W. moesson, "hoewel de laatste de grootste windkracht heeft. 

Van het W. komende valt voorbij St. Nicolaaspunt het eerst 
de baai van Bantam in het oog, door een eilandje gedekt 
tot een veilige reede. Het is een breede, ronde inham tusschen de 
bergen van den Gedeh in het W. en den lagen hoek van Pontang, 
een voorland, dat de delta van de Pontan g-ri vier of Tji- 
Oedjong aan de O. zijde vooruit schuift. De baai van Bantam, 
waarin van alle zijden kleine rivieren uitmonden, is omringd 
door lage, moerassige landeu en de kust wordt door aanslibbende 
modderbanken omgeven. 

Aan deze baai ligt by de uitmonding der kleine Bantam-rivier 
Serang C ° ^ e nederzetting Bantam, tydens de komst der Europeanen in Indië 
de hoofdstad van het Bantamsche Rgk, en de belangrijkste haven 
in de nabyheid van Straat Soenda. Bantam was een handelsstad, waar Inland- 
sche en vreemde handelaren elkander ontmoetten, waar Chineezen, Perzen, Ara- 
bische juweliers en Bengaalsche kramers hun zaken dreven op den pasar, waar 
ryke kooplieden in het groot handelden, en de Portugoezen ook al spoedig handel 
mede aanknoopten. Het was ook op deze reede, dat den 22>ten Juni 1596 de 
eerste Nederlandsche schepen aankwamen by den tocht naar Indië, en waar zy 
het eerst kennis maakten met een Oostersche handelsplaats. De algemeene indruk 
van het toenmalig Bantam was niet gunstig door de verregaande onreinheid. 
Het riviertje, dat van den Goenoeng Karang met drie ondiepe takkon en weinig 
stroomsnelheid in de baai uitliep, was de vergaderbak van al den afval en de 
uitwerpselen eener koopstad, die met Oud-Amsterdam kon vergeleken worden. 
De moerassige grond, waarop de stad gebouwd was, voltooide de vergelyking van 
beide steden, maar de reinheid op huis en hof, die in Holland het water had tot stand 
gebracht, werd hier niet gevonden. Behalve door het riviertje, dat de stad in 
twee deelen splitste, werd zy slechts door een paar ongebaande zandwegen door- 
sneden, wier eenige versiering in een ry palmboomen bestond, en die als in 
één brandpunt uitliepen op de paserbaan vóór 's konings hof, met zyn twee- of 
drie dubbelele omwalling, het aanzieniykste gebouw der oude stad. De eene helft 
der stad, in wier midden de groote Mohammedaan sche moskee met de heilige 
koningsgraven prykte, werd byna geheel ingenomen door de verbiyven van den 
Vorst met zyn tallooze slaven en onder hoorigen. De andere helft der stad, 



Digitized by Google 



120 



ongeregeld gebouwd, bestond uit een aantal wijken, om der veiligheldswille door 
palissadenversterking afgesloten. De woningen der aanzienleken waren ruim en 
hadden doorgaans op de binnenplaats een huismoskee; overigens waren zy, 
evenals die van het volk, volgens Soendaneesch gebruik (I pag. 364) boven 
den grond gobouwd op palen en slechts van hout of bamboe opgetrokken. Echter 
waren er ook reeds enkele steenen huizen. De vroegere sterkte der stad, door 
de Barros, den Fortugeeschen geschiedschrijver geschetst, was door de geweld- 
dadige zegepraal van het Mohammedanisme in de 17du eeuw grootendeels reeds 
te niet gegaan. 

Bantam was in dien tijd nog een der belangrijkste handelssteden van den 
Archipel, zeiden wij. Daar werden uit het binnenland en van de overkust van 
Sumatra (I pag. 529) de peper en het sandelhout gebracht en de bewerkte wapens, 
het produkt der Inlandsche nijverheid. Alleen door den groothandel werden wel 
30 000 centenaars Bantamsche peper in een jaar verscheept. 

Te Bantam kwamen voortbrengselen uit andere deelen van het eiland Java 
ter markt ; van Balemboang kokosolie, van Jaratan, Pati en Joana het zout, van 
Japara en Jakatra suiker en was, specerijen van do Molukken en lijnwaden 
van Bali en Cambaya. De voornaamste rol in den handel speelden de Chineezen, 
die in groote verscheidenheid zijden stoffen, lakwerk, gouddraad en porselein 
aanboden in hun kramen. Men vond er een restmarkt, markten van specerijen 
en oliën; in een afzonderlijk gebouw, als in een beurs, werden de geld- en scheeps- 
zaken verhandeld, assurantiën en bodemeryen gesloten. Maleiers en Chineezen 
vervulden er de rol van geldmannen. 

Zooals in de meeste havens van het Oosten was aan vreemde natiën te 
Bantam een voorstad ten verblijf aangewezen. In de westelijke buitenwijk waren 
de Chineezen gevestigd, die er de fraaiste huizen der stad bezaten. De Portu- 
geezen hadden zich daar by hen gevoegd. En toen de Nederlanders er hun 
betrekkingen met Java aanknoopten, werd hen ook hier de plaats voor oon 
eerste magazijn aangewezen. De eerste Hollandsche „logie" was een steenen 
gebouwtje, bijzonder gunstig gelegen aan dien arm der rivier, waardoor grootere 
booten de stad konden in- en uitvaren; de andere monden waren daarvoor te 
ondiep. Aan de baai was het land moerassig, zoodat zeeschepen daar niet konden 
naderen, en het terrein was door een pagger omgeven. ') 

Aldus was het oude Bantam, vóór dat de Nederlanders zich in Jakatra 
vestigden, en hun handel op Batavia concentreerden. Sedert de stichting van 
Batavia is Bantam achteruitgegaan en een doode stad geworden, een vervallen 
plaatsje. Ook de toenemende aanslibbing der rivieren in de baai hebben tot dien 
achteruitgang medegewerkt. Tusschen de stad en de zee is een moerassige kust- 
zoom ontstaan, die nog steeds in breedte toeneemt, en het verkeer belemmert, 
terwijl de ongezondheid de bevolking deed verhuizen. Nabij <ten Boom aan do 
Karang-Antoe, een gekanaliseerde riviermond tot verbetering van de Bantam» 
rivier naar zee gegraven, vindt men nog overblijfselen der vroegere peperpak- 
huizen, en de ruines van het fort Speel wijk, de oude factorij der O. I. Compagnie. 



1) Zie: Van Deventer. GcMbiedeni» der Ncdor). op Java. I, pag. 25 en*. 



Digitized by Google 



121 



De weinige bedrijvigheid, die er nog is, heeft zich naar hier verplaatst, ten O. 
der oude stad. Bantam is een onbeduidend plaatsje met eenigen inlandschen 
handel, voornamelijk in vruchten en landbouwprodukten, op Batavia en de 
Lainpongs. 

Langs de Karang-An toe-rivier worden de meeste produkten van de residentie 
Bantam afgescheept, en haar mond vormt de haven van Se rang, op ±9K.M. 
van de haven gelegen. 

Serang heeft Bantam als hoofdplaats der residentie Bantam vervangen. Het 
is een lief gelegen plaatsje, op 25 M. hoogte boven de zee, overal van frisch 
stroomend water voorzien, en behoudt daardoor ook in den drogen moesson 
zyn frissche natuur. Het aantal inwoners bedroeg in 1900 : 5600. De plaats ligt 
aan beide zijden van den grooten postweg en aan den spoorweg van Anjer naar 
Batavia. De Chineezen en ook de Europeanen drijven handel in rijst, coprah, 
petroleum, koffie en lijnwaden. Vooral de kleinhandel bloeit er, en die is 
voornamelijk in handen der Inlanders. 

vervolg der Voor de baai van Bantam liggen enkele kleine 
Noordkust eilandjes, die de reede beschutten. Het grootste is 
het eiland Pandjang, het eenige dat bewoond is, een laag 
eiland, rondom met koraalrots en koraalriffen omringd, en dicht 
begroeid, aan de zuidzijde met klapperbosch. 

De Pon tang-hoek vormt de oostzijde der baai van 
Bantam. Het is de delta der Tji-Pontang, die zich door drie 
monden in zee ontlast, en daar tevens aan een onderzeesche 
delta voortbouwt, welke bij laag water tot '/., a 1 voet onder 
water staat. Daardoor kan de rivier, welke in het land voor 
grootere prauwen bevaarbaar is, van zee uit slechts door kleinere 
prauwen en sloepen te bereikt worden. Ten 0. hiervan vormt de 
lage, overal begroeide kust, meer een holle bocht, en is bezet met 
enkele kampongs, waarvan Tan ara de grootste is, een belang- 
rijke plaats op ± 1,8 K.M. in het land, welker pakhuizen door 
de roodpannen daken van zee uit zichtbaar zijn. Tanara ligt 
aan de Tji-Kandi of Tji- Doerian, een binnenwaarts vrij goed 
bevaarbare rivier, doch met een ondiepe zandbank voor den 
mond. In Kaap-Kaïk steekt de kust nog vooruit, daarop volgt 
weder een ondiepe bocht, waar de Tji-Dani met vijf ondiepe 
monden in zee valt. Voorbij Hoek-Oen toeng-Dj awa opent 
zich de breede baai van Batavia, die tot den Höek-van-Kra- 
wang 39 K.M. lengte heeft en 13 K.M. diep is, terwijl een tal 
van kleine eilandjes voor den ingang verstrooid liggen, meestal 



122 



met koraalriffen omzoomd of als koraaleilanden ontstaan, veel 
met struikgewas of hooger geboomte begroeid, en die van onze 
voorouders Hollandsche namen ontvingen. Van die eilandjes 
noemen wij: Kuipers-eiland, Purmerend, Onrust, Kerkhof-eil., 
Hoorn, Schiedam, Haarlem, Amsterdam enz., in het W., en 
Leiden, Enkhuizen, Alkmaar en Edam meer in het 0. 

De lage, moerassige kust heeft het uiterlijk als overal in 
dit gebied, en onderscheidene rivieren voeren hun water naar 
de baai, o. a. de Tji-Angké, en verder oostelijk de Tji-Li- 
wong, d. i. de Groote rivier. Deze is de grootste en ontving 
daarnaar ook haar naam. Aan den vrij in zee uitstroomenden 
mond der Tji-Liwong was de inlandsche nederzetting Jakatra 
of Noesa Kalappa ontstaan, de havenplaats van het voor- 
malige Rijk van Padjadjaran. Wij komen hierop terug. Aan 
de kust der reede van Batavia valt in het oog het lange haven- 
kanaal, dat ver in zee vooruitsteekt, en verder de haven van 
Tandjong Priok, 4,7 zeemijlen ten 0. van het havenkanaal. 

Naar het N.0. wordt de reede van Batavia afgesloten door 
de uitgestrekte delta van de Tji-Taroem, de grootste rivier 
van WesWava, welke in Hoek-van-Krawang vooruitsteekt. De 
delta, over 't geheel niets dan één hoog en dicht raoeraswoud, 
wordt door een zestal grootere mondingen der rivier doorsneden, 
van welke de Moeara-Gembong den scheepvaartweg vormt. 
Vroeger was de rivier, trots de slechte bevaarbaarheid, de be- 
langrijkste handelsweg van de Preanger naar de noordkust, doch 
sedert den spoorwegaanleg heeft zij die beteekenis verloren. 

Talrijke kleine rivieren monden verder oostelijk uit in de 
Java-zee, alle met gelijksoortige delta-typen, en de noordooste- 
lijke hoek van West-Java wordt gevormd door den Hoek-van- 
Indramajoe, de met laag geboomte begroeide delta der 
T j i-M a n o e k , een voor kleine vaartuigen bevaarbare rivier, die 
vroeger diende tot afvoer van koffie uit de Preanger met prauwen 
en tot zoutinvoer. Thans is de scheepvaart er onbeduidend. Niet 
ver van den mond ligt het plaatsje Indramajoe, (14000 inw. 
waaronder 2190 Chin.) vanwaar nog beste rijst wordt verscheept. 

Voorbij Hoek Indramajoe buigt de kust zich naar het Z.O. 
tot voorbij Cheribon, om daarna zich weer naar het 0. te richten, 
en aldus de versmalling van Midden-Java te doen ontstaan. 



Digitized by Google 



123 

De kust blijft tot ten 0. van Cheribon vlak, daarna naderen 
de bergen de kust tot zelfs onmiddellijk aan zee, om vervolgens 
alleen een smalle kustvlakte open te laten. 

Cheribon Nabfl den Z.W.-hoek dier groote, holle ombuiging van de kust, 
ligt dicht aan zee en niet ver van de N.0. helling van den regelmatigen 
vulkaankegel Tjiremai (3044 M. hoog), het plaatsje Cheribon ofTjirebon 
(de eigenlijke naam, waarvan de eerste de algemeen aangenomen verbastering 
is), de hoofdplaats der residentie van dien naam. 

Aan de uitmonding van het kleine riviertje Tjirebon (= Garnalen-rivier) 
in een reede, welke vooral b\j den W.-moesson een veilige ligplaats aanbiedt, 
beschermd tegen hooge zeeën, en met een vruchtbaar en goed bevolkt achterland, 
ontstond in de oudheid een nederzetting van Javanen, die in den handel een 
bron van bestaan vonden. Een ondernemend Arabier, die zich onder deze Ja- 
vanen vestigde, Sjeikh Noeroe'ddin Ibkahim ibn Maulana Israïl, ook Soenan 
Goenoenc Djati geheeten, werd de stamvader van een geslacht van ijveraars 
voor den Islam, en van het vorstengeslacht. Hoewel de handel van Cheribon 
niet met dien van Bantam viel te vergeleken, was h\j toch belangrijk, en de 
Ned. 0. Ind. Compagnie vestigde er weldra het oog op. In 1680 werd Cheribon door 
troepen der Compagnie bezet, hetwelk leidde tot een contract met de prinsen, 
waardoor de handel aan passen gebonden werd, de vaart der ingezetenen be- 
perkt werd, de Compagnie bet recht verkreeg er een logo te bouwen, tolvrij- 
heid door het geheele gebied erlangde, benevens het monopolie van den invoer 
van alle soorten van kleeden en van opium, alsmede van den uitvoer van peper, 
zoo noodig ook van rijst, hout, suiker enz. Met den bouw van het fortje werd 
in 1686 begonnen. Cheribon heeft ook thans nog een belangrijken uitvoer van suiker 
en koffie. Het is een stad met 21 500 bewoners, waarvan 16 800 Inlanders, 3300 
Chineezen, 700 Arabieren en 500 Europeanen (einde 1900). De handel en de 
kleine industrieën der vreemdelingen geven de stad een levendig aanzien, en 
door de in lateren tijd aangebrachte verbeteringen en verfraaiingen ziet het er 
welvarend uit De nauwe en onregelmatige wegen en de morsige, bekrompen Chi- 
neesche en Arabische wijken zijn nog overblijfselen der oude stad, die ongezond 
wordt genoemd, mede een gevolg van de onvoldoende at watering van het riviertje 
Tjirebon. Het residentiehuis is daarom een half uur gaans ten N. van de stad 
gebouwd; men heeft hier een prachtig uitzicht op den Tjiremai en een mooie 
tamarindelaan voert naar zee. Te Cheribon is een havenkom uitgebouwd met 
in zee uitstekende hoofden, die een ligplaats oplevert voor laadprauwen, doch 
met moeite wordt de haven door een baggermolen tegen aanslibbing bewaard. De 
booten der Paketvaart leggen hier geregeld aan. 

De twee afstammelingen der oude sultans hebben ieder afzonderlijk hun 
kraton, beide met prachtig grotwerk versierd. 

Ten Z.Z.W. der stad ligt nabij de desa Soenja Ragi oen lustverblijf van 
een der sultans, dat wegens zijn grillige bouworde, een aaneenschakeling van 
nagebootst grotwerk, met kunstmatige stalaktioton, mythologische beelden» 



124 



Hindoetempels in baksteen, Chineesche en Japansche versieringen, veel door 
vreemdelingen wordt bezocht. 

Wy z^n hier weldra aan de grens der Soendalanden, waarvoor de Tji- 
Losari veelal wordt aangenomen, hoewel ook ten O. van deze rivier tot de 
Tji-Pamali de Soendaneesche taal het overwicht nog heeft. Langs de kust echter 
verstaat de bevolking ten O. van de Tji-Losari ook het Javaansch en hier hebben 
zich Javaansche volksplanters gevestigd. Als verkeersweg heeft de Tji-Losari 
geen beteekenis; voor de vier monden, waarmede zij zich in zee stort, zet zü 
een ondiepe modderbank af. 

Door het bin- willen thans het binnenland van West-Java 

neniand van beschouwen, en wel in de eerste plaats het gebied, 
Hetgcbiedder dat in hydrographischen, klimatologischen en eco- 
java-zee. nomischen zin direct tot het gebied der Java-zee 
behoort. Daartoe rekenen wij de vlakte, het heuvelland en het 
hoogland tot de waterscheiding van de Java-zee en den Indischen 
Oceaan, zeker meer dan 3 / 4 van West-Java. 

West-Java omvat in zijn geheel het gebied der Soendaneezen, 
en wordt daarnaar ook wel aangeduid als de Soendalanden. 
Langs de noordelijke kuststrook, die sedert eeuwen het tooneel 
is geweest van handel en verkeer voor vertegenwoordigers van 
allerlei Oostersche volken, waar de staatkundige geschiedenis 
zooveel afwisseling heeft ondergaan, is door dit alles een ge- 
mengde bevolking ontstaan, waarin allerlei elementen zjjn op- 
gelost. Naar het Z. is de oorspronkelijke bevolking het meest 
zuiver bewaard. 

Administratief bestaat West-Java uit de residentiën Ban- 
tam, Batavia en Cheribon in het N., en verder uit de 
Preanger Regentschappen, welke het zuiden meest in- 
nemen. 

Het noordelijk gedeelte van West-Java wordt gevormd door 
een breede alluviale vlakte, die nabij de kust en in enkele ge- 
deelten moerassig is, en zacht hellend naar het zuiden stijgt tot 
aan den voet van het gebergte. Alleen in het W. buigt zich een 
reeks van verheffingen door die vlakte naar het N.: de Goe- 
noeng Poelosari, de G. Karang, en de G. Gedé, alle 
niet meer werkende vulkanen. Zij sluiten het Bantamsche gedeelte 
der vlakte in het W. naar Str. Soenda af, doch laten door een paar 
zadelvormige laagten nog de verbindingen toe, waarvan voor 
spoorwegen gebruik is gemaakt. (Zie boven pag. 117.) 



Digitized by Google 



125 



Batavia i ** et v ' a ^ e Veelte West-Java, byna allerwege uit goed 
nederzetting in gecultiveerde gronden en groote uitgestrektheden sawah's be- 
haar opkomst staande, met een onnoemelijk aantal riviertjes doorsneden, is over- 
en beteekenis. dekt met een g roote me nigte inlandsche nederzettingen, (in Batavia 
3385 desa's), welker eigenaardigheden wy in verband met het landschapskarakter 
beschouwd hebben. Van die nederzettingen staat in omvang en beteekenis verre 
boven de andere Batavia, de hoofdstad van het gewest van dien naam, de 
zetel van het Bestuur van Ned. Indië, een stad, die in 1900: 115 887 inwoners 
telde, waarvan 17 700 Inlanders, 26 817 Chineezen, 8893 Europeanen, 2845 
Arabieren en 250 andere vreemdelingen. 

Batavia is ontstaan op de plaats, waar vroeger de inlandsche nederzetting 
Jakatra bestond. Na den moord op de Portugeezen, die Jakatra het eerst bezochten 
in 1527, had geen Europeaan daar weer voet aan wal gezet, tot de Nederland- 
sche schepen in 1596 hier aankwamen op hun eersten tocht. Toen zy het anker 
wierpen naby de moerassige kust, zagen zü Jakatra voor zich, ten oosten van 
een heldere rivier gelegen, die vol booten lag. De plaats, door een zwaren pagger 
omgeven, maakte den indruk van een ruime stad van eenige duizenden inwoners, 
al was zy ook niet half zoo groot als Bantam. De huizen waren slechts van 
bamboes opgetrokken en met palmbladeren gedekt, en hetzelfde was bet geval 
met de uitgestrekte dalem, het verblyf van den Pangerang, die er het bewind 
voerde, aan de overzyde der rivier. Buiten de houten omheining woonden aan 
den zeekant eenige Chineezen, welke zich bezig hielden met het stoken van arak. 

Jakatra bleek al spoedig het voordeel aan te bieden, dat alle levensmiddelen 
er veel goedkooper waren dan in de druk bezochte handelsstad Bantam. Eigen- 
hjke handelswaar was er niet te krygen, maar ryat kocht men er voor l'/i cent 
het pond. Groenten en vruchten, de voortbrengselen der omliggende gronden, 
werden in overvloed door de bevolking aangevoerd. De goede naam, die de plaats 
hierdoor verwierf by de Hollanders, was aanleiding, dat zy op hun volgende 
scheepstochten naar de Molukken Jakatra steeds aandeden. 

Zoo waren de betrekkingen met Jakatra aangeknoopt. En toen by de toe- 
neming van bet scheepvaartverkeer met Oost-Indtó den eersten landvoogden een 
herhaald onderzoek werd opgedragen naar de geschiktste plaats voor den- zetel 
van het algemeen bestuur en tot een verzamelplaats der Nederlandscbe schepen, 
en hiervoor Bantam, dat voor de Hollanders de „eerste aanloop en principieelste 
handelsplaatse" geworden was, en Jakatra met name genoemd werden, viel 
door een samenloop van omstandigheden op het laatste de keus. Het was deze 
beslissing, die den grondslag legde voor het ontstaan van Batavia. 

De Nederlanders verkregen eerst vasten voet te Jakatra door een overeen- 
komst, door den president der Bantamsche factory Jacques l'Hf.rmite gesloten 
in 1610* Jan Pietersz. Coen, directeur der kantoren Bantam en Jakatra, bracht, 
door omstandigheden er toe geleid, een bezetting van 24 man te Jakatra en 
bouwde daar ten behoeve van het gezag oen fort, dat evenwel spoedig door 
Engelschen en Jakatranen bestookt werd. Nadat J. P. Coen in 1619 de Jaka- 
tranen had aangevallen met een versterkte macht, werd hun nederzetting Ja- 
katra in de asch gelegd en de tegenstand bedwongen. Het hier gebouwde fort 



126 



behield den naam Batavia, nadat deze plaats was aangewezen als de zetel van 
het Ned. gezag, en op de plaats van het oude Jakatra verrees weldra een nieuwe 
nederzetting, die ook den naam Batavia verkreeg. 

Het oude Batavia was geheel op Nederlandsche wijze gebouwd, met de 
huizen dicht naast elkander, hoog opgetrokken en met roode pannen gedekt, 
een bouwwijze, die volstrekt niet past voor de tropen. De stad, een langwerpig 
vierkant, was omringd door een sterken muur van koraalsteen met 24 bolwerken, 
waarop het geschut zoodanig geplaatst was, dat het zoowel tegen een aanval 
van buiten als tegen oploopen in de stad kon gebruikt worden, daar het de 
belangrijkste straten bestreek. De oude stad was omringd door een wijde, diepe 
gracht, die het water uit de Tji-Liwong ontving, en later door een gegraven 
kanaal nog water ontving uit een andere rivier. De Tji-Liwong is nog de be- 
langrijkste rivier, welke door de stad stroomt, waarlangs handelshuizen, de ge- 
bouwen der Ned. Handelsmaatschappij enz. gevestigd zijn. De oude stad had 
vier voorname poorten: de Rotterdamsche poort aan den oostkant, de Nieuw* 
poort aan den zuidkant, de Diestpoort in het Z.W., en de Utrechtsche poort 
in het W., en in het N. werd in 1639 de Vierkantspoort gebouwd, die den toe- 
gang gaf tot de haven. Buiten deze poort stond destijds het Waterkasteel, het 
oude fort. In dat oude Batavia waren 20 straten, 16 grachten en 1903 gebouwen. 
Hoe ondoelmatig zij ons thans ook mag schijnen voor een tropenstad, in den 
bloeitijd was het oude Batavia beroemd als de schoonste stad in Indië, en droeg 
met trots den eerenaam „Koningin van het Oosten." 

De ongezonde ligging op de moerassige kust werd echter weldra een zware be- 
proeving voor de stad, vooral toen na de uitbarsting van den Salak in den nacht 
van 4 op 5 Jan. 1699 de Tji-Liwong door toevoer van slik en zand de grachten 
vulde en de waterverversching belemmerde, terwijl ook de overbevolking in het Chi- 
neesche kamp en in de stad hun nadoelen deden gevoelen. Batavia verkreeg 
toen wegens de ongezondheid den bijnaam van „het graf der Hollanders." De 
aanzienlijken ontvluchtten in dien tijd reeds de stad gedurende de slechtste 
maanden, door op Hollandsche wijze zich tijdelijk te vestigen in optrekjes en 
lusthuizen in de ommelanden van Batavia. 

Een groote stoot tot het aanleggen van een nieuwe stad werd gegeven 
door Daendels, die op het terrein van Weltevreden een paleis liet bouwen, oor- 
spronkelijk voor den Qouv. Generaal bestemd, maar nooit door dezen betrokken, 
(later werden er de Departementen van Algemeen Bestuur gevestigd), verder 
nieuwe kazernes enz. Van 1817 — 1825 werden onderscheidene schadelijke grachten 
in Batavia gedempt, en eenige andere maatregelen genomen om de gezond- 
heid der stad te verbeteren, terwijl de slechting der vestingwerken gelegen- 
heid gaf aan de Europeanen, zich hoogerop in meer gezonde streken te vestigen. 
Nieuwe straten werden in een gezond oord, om het Koningsplein, aangelegd, en 
de omliggende grond werd op gemakkelijke voorwaarden van betaling aan Euro- 
peanen verkocht onder voorwaarde, dat de woningen naar de eischen van het 
klimaat en op een afstand van elkander zouden gebouwd worden. Begraafplaatsen, 
slagerijen enz. werden verplaatst. 

Hoewel aldus de gezondheidstoestand in Batavia verbeterd is, werd toch 



Digitized by Google 



127 

de oude stad grootendeels door de Europeanen verlaten, en de vroeger aan- 
zienlijke woonhuizen zijn nu handelskantoren en bureau's, waar de kooplieden 
over dag hun zaken doen en ambtenaren hun bezigheden verrichten, om zich 
daarna naar hun villa's in de nieuwe wijken te begeven. Slechts minder ge- 
goeden, ondergeschikten en enkele Europeesche ambachtslieden wonen nog in 
de oude stad. Merkwaardige gebouwen vindt men weinig in oud-Batavia; alleen 
wüzen w\j op het Stadhuis, in 1710 voltooid, vroeger de zetel van het College 
van Schepenen, waar thans de bureaux van den Resident van Batavia zijn 
gevestigd. Aan de oostzijde van het vierkante Stadhuisplein is in 1870 een nieuwer- 
wetsch gebouw verrezen voor den Raad van Justitie. 

Oud-Batavia is thans uitsluitend een handelswijk geworden, die slechts 
enkele uren van den dag levendig is, en weer terugzinkt in dooöelijke stilte, 
ais de laatste trein haar verlaten hoeft. 

Opkomst van De ontwikkeling van Batavia tot domineerende handelsstad 
Batavia als van Java en van den Archipel stond in verband met de vestiging 
handelsstad. van het centrale gezag der Compagnie op deze plaats, en had 
dus gedeeltelijk een politieken grondslag. Maar toch oefenden daarbij ook geo- 
graphisch-commercieele factoren onmiskenbaar hun invloed uit, en dat de keuze 
van deze plek mede een gevolg was van den praktischgeographischen blik der 
Compagnie's dienaren, blijkt uit de geschiedenis dezer handelsstad. 

Batavia's ligging aan de noordkust van Java, deed de plaats deelen in de 
handelsbeweging, welke vroeger Bantam gehad had, en die door de Compagnie 
naar hier werd verplaatst. Te Batavia concentreerden zich de gunstige factoren, 
welke noord-west-Java een zoo bevoorrechte economisch- goographische plaats aan- 
wezen voor handelsontwikkeling in den bloeitijd der Compagnie (zie II pag. 1). 
Van Batavia straalden als het ware de handelsroutes der Compagnie's schepen 
in Indie uit: naar het oosten tot de Molukken en Celebes, naar het N. naar de 
kusten van Borneo, China en Japan, en naar het N.W. naar de kusten van 
het vasteland van Azië, naar IndiO, Perzië en Arabië. Al deze handelshjnen 
convergeerden te Batavia, en liepen vereenigd van hier langs Straat Soenda 
om den hoek van Zuid-Afrika naar West-Europa. De Straat Soenda was als het 
ware de trechter, waardoor de handelsstroom gedreven werd. Aan Straat Soenda 
echter, waarin geen enkele flinke rivier uitmondt, was nergens een plek, die 
een voldoend achterland had tot directe voeding eener handelsstad van beteekenis. 
Bantam, dat zich vroeg tot handelsstad ontwikkeld had, bezat geen haven, die 
zich op de duur staande kon houden. En al voldeed de reede van Batavia ook 
geenszins aan de eischen, die de handel kon stellen, toch was de mond der 
Tji-Liwong langen tijd betrekkelijk voldoende, om het noodige handelsverkeer 
te onderhouden en tot toegang van de schepen. Ook vormde deze rivier een 
verkeersweg door een breede vlakte voor Inlandsche vaartuigen, waardoor de 
mond een betrekkelijk uitgestrekt economisch voedingsgebied bezat, terwijl er 
gemakkelijk verdere wegen naar het binnenland waren aan te leggen. Daardoor bezat 
Batavia tevens een handelsachterland. Op West-Java was het mondingsgebied 
van de Tji-Liwong ongetwijfeld de gunstigste plek voor vestiging van den handel. 



Digitized by GoO; 



128 



En daar Oost-Java te ver van de Straat Soenda lag en minder geschikt om een 
centraalpunt aan te wyzen voor het aamenloopen der handelslynen uit alle rich- 
tingen, werd Batavia het middelpunt van den Nederlandschen en den algemeenen 
handel in Oost-Indiê. 

Van deze nederzetting ging ook de hoofdbeweging uit voor de vestiging 
der staatkundige macht van de Compagnie op Java, die schrede na schrede, 
in verband met de handelsbelangen, werd uitgebreid. 

In den loop der 17d* eeuw concentreerde zich aldus de handel der Compagnie 
voor Java en voor geheel Indië grootendeels in Batavia. De andere factoryen, 
welke de Compagnie op Java bezat, te Bantam, te Grissee en Soerabaja, ver- 
loren hun beteekenis, en sedert de Compagnie den specerij handel monopoliseerde 
en zelfs den uitvoer van ryst en andere produkten van Java's binnenlanden 
naar de Molukken en Banda zooveel mogelijk aan zich had getrokken, werd 
aan de vroeger bloeiende havens van Oost-Java de genadeslag toegebracht Alleen 
Japara was nog een uitvoerplaats van ryst naar het westen, zoover de Sultan 
dat niet verbood. Aldus waren de vroeger aanzieniyke handelskantoren der 
Compagnie, de eene zoowel als de andere, als gevolg van haar zelfzuchtige rich- 
ting en haar territoriale vestiging te Batavia, niet meer dan posten geworden, 
waardoor alleen nog de staatkundige voeling met de vorsten van Java onder- 
houden werd. 

Van de vestiging te Batavia werd het gebied der Compagnie ten koste der 
omwonende vorsten langzaam uitgebreid, eerst in de ommelanden van de plaats. 
Zoo vormde in het midden der l7«lo eeuw de TjiTaroem de oosteiyke, de Tji- 
Dani de westelyke grens van het Nederlandsch gezag. De orde, die onder Ned. gezag 
ontstond, deed het land spoedig meer bebouwen en nieuwe bewoners vestigden 
er zich. Uit het Bantamsche, van de streken hoogerop aan de Tji-Liwong enz. 
vestigden zich landbouwers in de Bataviasche ommelanden, die de hoofdneder- 
zetting omringden met natte rijstvelden, welk produkt de bewoners het noodige 
voedsel tegen lagen prijs bezorgde. Ten W. van Batavia werden de oorspronkelijke 
bosschen uitgeroeid en in lachende velden veranderd, waar Nederlanders en Chi- 
neezen het suikerriet teelden en suikermolens werden gebouwd, van de Molen- 
vliet tot de Angké verder westeiyk, en de opbrengst van suiker werd weldra 
zoo groot, dat die in aanzieniyke hoeveelheid van Batavia werd uitgevoerd, en 
hierdoor het verlies van Formosa 1661 werd vergoed. Ook de katoenteelt werd 
op het gebied der Compagnie overgebracht. De ontginning in de Ommelanden van 
Batavia verkreeg weldra zulk een uitgebreidheid, dat de instelling van een 
College van Heemraden noodzakelijk werd. 

Te midden van dit cultuurgebied, dat de hoofdplaats steeds meer voorzag met 
handelsprodukten en levensmiddelen, werd Batavia een welvarende handelsplaats, 
en de Nederlandsche kooplieden maakten er een Hollandsche stad van, zooals 
wy zagen, naar Amsterdamsen model, zelfs evenals deze in een moerassige streek 
gebouwd. In de stad vestigde zich een zeer gemengde bevolking, en van de 
Europeanen namen de Portugeezen lang een gjpot aantal in, die er weldra twee 
kerken bezaten, terwyl de Portugeesche taal er lang veel gesproken werd, en 
in vele gewesten van Indiö nog de handelstaal was. 



Digitized by Google 



129 



Een belangrijk element in de economische ontwikkeling van Batavia hebben 
de Chineezen gevormd. Zy waren het, die de meeste winkelneringen in de stad 
hielden, zy waren gepatenteerde stokers van arak, zy waren visschers, veefokkers 
en landbouwers. De uitbreiding door hen aan de suikerteelt in de ommelanden 
van Batavia gegeven leidde tot den bouw van het groote pakhuis. Hun werk- 
zaamheid was groot en hun medewerking om groote werken tot stand te brengen 
zoo onmisbaar, dat zy allerlei voorrechten genoten. Zy waren aannemers van 
openbare werkenj in den aanleg der versterkingen te Batavia hadden zij een groot 
aandeel. Sedert 1680 waren zy pachters en heffers der belastingen, en uiterst 
bekwaam waren zy om nieuwe belastingen uit te denken. 

De Chineezen mochten hun verblijf niet houden in het West-Eind, de be- 
voorrechte w\jk der Europeanen te Batavia; hun verblijf was tot de oostzijde 
der stad beperkt. In dat oostelijk gedeelte vond men het uitgestrekte kwartier 
dor ambachtslieden en de voornaamste markt, en hier was ook in het midden 
der 17de eeuw een afzonderlijke haven aan de rivier buiten den stadswal aan- 
gelegd voor de prauwen en koopwaren der Javanen. 

Zoo zien w\j in dien tijd het bedrijf en den handel in Batavia meest in 
handen van de Compagnie, en door haar ambtenaren en door de Chineezen tot stand 
gebracht. De Nederlandsche vrije kooplieden, die er gevestigd waren, vervulden 
daartusschen een zeer onbeteekenende rol. Zelfs beperkte bet monopolie der 
Compagnie hun optreden allerwege; toen de gunstige bepalingen ten opzichte 
van den vrijhandel in 1631 waren ingetrokken, was er voor hun handel en be- 
drijf weinig plaats overgebleven (zie ook n pag. 4). Zy mochten nog slechts 
op enkele plaatsen varen en onder de meest beperkende voorwaarden. Hun ver- 
zoek, om voor eigen rekening een schip in Nederland te mogen uitrusten, en daar- 
mede evenals vreemde Europeanen handel te dryven, werd door Bewindhebbers 
der Compagnie afgeslagen. Zy klaagden dan ook terecht, dat zelfs aan Mooren 
en Chineezen werd toegestaan, wat zy moesten derven. En daarby kwam nog, 
dat de ambtenaren der Compagnie, die door den „particulieren handel" (zie II pag. 4) 
en door hun invloed allerlei voordeelen behaalden, zelfs de grootste grondbezitters 
werden in Batavia's omstreken. 

Het mag niet ontkend worden, dat de ontwikkeling van Batavia als bandels- 
stad geenszins een natuurlyk verloop had, en dat die onder den invloed stond 
van allerlei bykomende factoren, welke met den handel weinig gemeen hadden. 
Toen die bykomende invloeden hun beteekenis verloren, had Batavia de grens 
van zyn expansie bereikt en moest de handel der stad wel verminderen. 

In het midden der 18de eeuw was de Compagnie tot het toppunt van haar 
macht gekomen. Batavia, dat tot het midden der 17de eeuw onder de heerschers 
van Java nog slechts een ondergeschikten rang had ingenomen, was door de uit- 
breiding van het gezag over het grootste gedeelte van Java het middelpunt ge- 
worden, waar al de draden van het bestuur over vorsten en volken van dit groote ge- 
bied samenliepen. In dien tyd begon de handel reeds te slinken, maar als staat- 
kundig centrum werd Batavia de hoofdstad van Java De landvoogden van Neder- 
landsen IndiS beschouwden zich als de koningen van Java; het kasteel van 
Batavia was de zetel der oppermacht over het eiland. By elke optreding van 
II 9 



Digitized by Google 



130 



een nieuwen landvoogd kwamen uit al de staten en regentschappen, die in het 
midden der 17d« eeuw nog zelfstandig geweest waren, afgevaardigden naar Batavia, 
om hulde te brengen aan den opperheer. Dan was Batavia niet groot genoeg, 
om al die gasten te herbergen, en moesten er woningen en legerkampen voor 
hen buiten de stad worden opgeslagen. Zoo werd Batavia feitelijk de hoofdstad 
van Java. 

Doch die uiterlijke glans ging niet gepaard met toenemenden bloei van den 
handel en het innerlijk economisch leven. In de laatste helft der 18d« eeuw was de 
Indische handel een toestand van verval ingetreden ; het monopolie der regeering had 
zelfstandig initiatief der Bataviasche burgers gedood. De bloei der hoofdstad, hoewel 
eerst kunstmatig gesteund, kon niet blijven stand houden. In de tweede helft der 
18<i o eeuw ging Batavia achteruit, elk jaar slonk de bevolking weg. Terwijl 
Batavia in 1760 nog meer dan 16000 inw. telde, bedroeg het aantal omstreeks 
1780 nauwelijks 12000, in 1790 nog geen 8000. Vele woningen der voormalige 
burgerkooplieden stonden ledig, en hun pakhuizen werden voor stallingen of 
andere doeleinden gebruikt. Het bekende vierkant, eens met de aangrenzende 
woningen een middelpunt van bedrijvigheid en vertier, was verlaten en vervallen. 
Van de Europeanen was een klein gedeelte nog Nederlanders; van de vreemde- 
lingen begonnen de Duitschers de meerderheid uit te maken, zelfs de Neder- 
landsche taal was by de Europeanen, door de voortdurende aanraking met lijf- 
eigenen en de vermenging met andere rassen, voor een goed deel verloren, zoodat 
Portugeesch en Maleisch in het laatst der 18de eeuw de hoofdtalen uitmaakten 
in het dagelijksch verkeer te Batavia. Toch was er nog een uiterUjke schijn 
van welvaart, door de weelde, die er ten toon gespreid werd, welke ver in 
't overdrevene ging. 

Batavia, welker opkomst en bloei zoo nauw met de Compagnie verbonden 
was, leed ook in Indie het meest met den achteruitgang der Compagnie en 
met haar val. In den loop der 19de eeuw moest de stad opnieuw opkomen, en 
zich aan de veranderde toestanden van het handelsleven aanpassen. 

Al was Batavia het gunstigst gelegen in West-Java, de schepen moesten van 
oudsher ankeren op een wel ruime maar open reede van Batavia, die onderscheiden 
werd in een binnen- en een buitenreede. Door 17 eilandjes gedekt, kon zij aan 
ruim 1200 schepen een betrekkelijk veilige ankerplaats geven tegen de on- 
stuimigheid der zee. Maar in de 17de en 18de eeuw werd steeds sterker 
het nadeel gevoeld van de aanslibbing, die den toegang tot de Tji-Liwong meer 
en meer versperde. Baron Van der Cappellen deed, om de nadoelen, die 
hierdoor aan de scheepvaart werden toegebracht, een nieuw zeehoofd aanleggen 
en ver in zee brengen, dat in 1824 voltooid was; het was gevormd uit klip- 
steenen en djatihouten palen. Door dit werk konden de lichters, sampans en 
andere vaartuigen, die de goederen van de groote schepen op de reede afhaalden, 
en welke van tijd tot tijd op de ondiepe banken omsloegen, meer geregeld varen. 

Toen in 1838 de haven weer ondiep waa geworden, liet de regeering een 
baggermolen uit Nederland komen, om haar diepte op 20 voet te houden. Doch 
ook deze toestand bleef niet voldoen aan de eischen van modern verkeer. De 
lichters, die de goederen van de schepen op de reede haalden, hadden op zijn 



Digitized by Google 



131 



minst drie dagen noodig, om de geloste goederen naar de plaats van bestemming 
te brengen en weder nieuwe lading te kunnen innemen, en de gemeenschap 
werd gewoonlijk enkele dagen des jaars geheel verbroken gedurende den West- 
moesson. Ala een paar stoomschepen te Batavia losten, ontbraken middelen 
om de zeilschepen te bedienen, die soms weken moesten wachten, voor zy hun 
goederen ontscheept hadden. Gelegenheid tot herstel der schepen was er niet 
anders dan aan de maritieme inrichting op het ongezonde, nu verlaten eilandje 
Onrust, en deze was dikwijls niet voldoende voor de gouvernementsschepen. 

Om dien toestand te verbeteren, werd in 1877 aangevangen met den bouw 
van de haven te Tandjong Priok en van een spoorweg met scheepvaartkanaal 
tusschen deze haven en Batavia, welke werken in 1887 in gebruik konden 
worden genomen. 

De haven van Tandjong Priok ligt 4,7 zeemvjl ten O. van het havenkanaal 
van Batavia. De buitenhaven is gevormd door twee, in zee uitgebouwde conver- 
geerende steenen hoofden, gebouwd van natuurlijken steen, met een invaart 
opening van 125 M. breed, terwyi de grootste wydte van binnen tusschen de 
dammen 1100 M. bedraagt Deze hoofden zijn 1850 M. lang en 1 — 1,6 M. boven 
Bataviasch peil, dat ongeveer overeenkomt met den laagsten waterstand. By 
den Westmoesson, als het water in de reede wordt opgejaagd, overstroomen 
de hoofden niet zelden, doch de kracht der golven wordt er door gebroken. 

By de buitenhaven sluit zich aan de binnenhaven. De binnenhaven met 
gr oo te handelskaden is 176 M. breed, 7,50 M. diep, en de handelskade bestaat 
uit een kaaimuur van 1000 M. lang en 2,50 M. hoog boven laag water. Verder 
is aangelegd de zoogen. kolenhaven of kleinere binnenhaven, thans als reparatie- 
haven in gebruik, en het dokbassin. Te Tandjong Priok kunnen alle herstellingen 
aan schepen en machines tot stand gebracht worden door de „Droogdok-Maat- 
schappy Tandjong Priok", die een gedeelte van het terrein met alle daarop 
aanwezige werkplaatsen tot 1916 van het Gouvernement in erfpacht heeft ver- 
kregen, met het recht tot uitsluitende exploitatie daarop van een werf met dok- 
gelegenheid. Een ijzeren dryvend droogdok van 4000 ton lichtvermogen heeft 
de maatschappy in gebruik. De exploitatie van de haven geschiedt van staatswege. 

in de buitenhaven mondt de Westergracht uit, in de binnenhaven de Zuider- 
gracht, welke de verbinding vormen van de havens met het scheepvaartkanaal 
naar Batavia. Dit scheepvaartkanaal is 9K.M. lang; het staat in open verbinding 
met de Tji Liwong en door een verbindingskanaal met de Kali besar, waaraan 
de gouvernements- en particuliere pakhuizen gelegen zyn. Langs het scheep- 
vaartkanaal loopt aan de eene zyde de groote weg naar Batavia, aan de andere 
zyde een jaagpad. Verder is Tandjong Priok door een spoorweg van 9K.M. 
lengte met Batavia verbonden. 

De gunstige ligging heeft ook in de 19de eeuw na de herstelling van het 
NederlandBch gezag aan Batavia weder een belangryke plaats gegeven onder de 
havens van den Archipel, al zyn ook andere daarnaast meer tot bloei gekomen. 
De handel en scheepvaart van Batavia zyn nog het aanzieniykst en de belang- 
rykste handels- en bankinstellingen hebben hun hoofdkantoren te Batavia. Door 
don havenbouw te Tandjong Priok heeft Batavia de beste gelegenheid voor de 



132 



scheepvaart. Maar toch, de handel is nog niet in die mate toegenomen, als 
men had verwacht. 

Batavia toch is niet meer als oudtijds de uitsluitende stapelplaats voor den 
handel in den Archipel, maar wordt meer aangewezen tot het handelscentrum 
voor ztfn natuurlijk achterland en dat is te klein, terwijl het in het Z.O. nog 
beperkt wordt door Tjilatjap, dat langs de Tji-Tandoewi een achterland heeft 
en in het Z. door Palaboehan-Ratoe dat aan de Wijnkoopsbaai een kein centrum 
vormt, hetwelk in den laatsten tijd als uitvoerplaats toeneemt. Semarang on 
vooral Soerabaja hebben een grooter achterland en verkeeren daardoor in gun- 
stiger omstandigheid. En in het oosten van Azië zijn Singapore en Penang de 
concurrenten van Batavia voor het internationaal handelsverkeer. Als kolen- 
station heeft Tandjong Priok beteekenis. 

De voornaamste uitvoerartikelen en handelsartikelen te Batavia zijn: koffie, 
suiker, thee, tabak, kinabast, peper, huiden, gom-damar, kapok, coprah, tin (van 
Banka, Billiton en Riouw aangevoerd). Allerlei artikelen van gebruik in Indiê 
worden hier ingevoerd en van Batavia uit gedeeltelijk gedistribueerd. Dekinine- 
markt is voor kort in Batavia geopend, op een theemarkt dringt men aan. Ook heeft 
Batavia een belangrijke markt in waardepapierenen een geldhandel. Verder is Batavia, 
als zetel der regeering, meer dan eenige stad in Ned. Indie een ambtenarenstad. 

Tot het loeren kennen van den handel van Batavia geven wij in de eerste 
plaats eenige cijfers van de inklaringen van geladen schepen in de haven van 
Batavia. (Wy herinneren er aan, dat de ingeklaarde schepen niet de totale 
scheepvaart aangeven. (Zie II, pag. 12). 



Inklaringen te Batavia. 



JAREN. 


Stoomach. 


Inhoud in M'. 


ZeiUch. 


Inhoud in M 1 . 


Totud inM». 


In 1875 .... 


118 


116 000 


163 


107000 


223 000 


„ 1885 .... 


195 


840 000 


94 


200000 


1040000 


„ 1895 .... 


285 


1042 000 


25 


70000 


1112000 


. 1902 ... . 


269 


1 017 000 


16 


41000 


1058 000 


„ 1903 ... . 


268 


1 105 900 


10 


33 815 


1 139 700 



Hieruit blijkt, dat sedert 1895 de inklaring te Batavia in de haven eerst 
is afgenomen en daarna iets toenam. Hadden wij de uitklaringen genomen, dan 
zouden wy een grooter vooruitgang sedert 1895 in M s hebben waargenomen. 
Doch in elk geval wijzen de cijfers op een tamelijk stabielen toestand. Even- 
wel mag men deze cijfers niet beschouwen als een volledige voorstelling van 
het scheepvaartverkeer op de haven van Batavia, omdat er veel in de haven 
van Batavia komt, wat daar niet wordt ingeklaard. 

Het gemis van een doelmatig ingerichte handelsstatistiek verhindert ons 
een volledig beeld van het handels* en scheepvaartverkeer te geven. Wij moeten 



133 



ons tevreden stellen met eene benadering van den feitelyken toestand. Om nog 
iets nader daarby te komen goven wy de volgende statistiek, ontleend aan de 
„VersL van Openb. Werken." 



Scheepvaartbeweging van Particulieren 
te Tandjong-Priok van 1892—1902 wat betreft het aantal 

aangekomen schepen. 





5 => 

* O. 

5 ■= 
- a 

* 


c -3' 
c q 

- £ 

s > 
a 


S 5 

a « 


4» 

'C 
a 
3t 

SP 

8 

• 

a 


A 

l 
3 
a 

V 

m 

V 

a 


3 

a .s 
1 ï 

« 3 

o <*> 
H 


B 

Ja 

g 3 S 

J4 « ft* 
;=> "3 O» 

ra <*> 

M 


a ó 

5 1 

*i3 

11 


| 

9 

'% 

Pm 


s 

a 

■i 

O 


i i 

1 i 

1 
; i 

m 

3 « 

a 


189* 


844 


65 


60 


40 


296 


806 


— 20 


406 


53 


2 


890 


1693 


327 


56 


54 


39 


309 


786 


— 46 


385 


44 


7 


867 


1894 


409 


91 


74 


44 


194 


812 


— li 


412 


61 


15 


914 


1895 


337 


72 


61 


39 


275 


784 


— 42 


384 


30 


6 


838 


1896 


366 


76 


6» 


38 


269 


818 


— 8 


418 


33 


4 


882 


1897 


363 


75 


59 


86 


295 


828 


+ 2 


428 


89 


10 


908 


1898 


351 


79 


54 


38 


243 


766 


— 61 


365 


44 


18 


892 


1899 


335 


105 


62 


38 


296 


836 


+ 10 


436 


48 


13 


992 


1900 


348 


107 


65 


87 


296 


853 


+ 27 


453 


34 


21 


1005 


1901 


335 


104 


69 


37 


328 


878 


-f 37 


473 


29 


16 


1022 


1902 


361 


95 


75 


35 


364 


980 


+ 104 


530 


38 


15 


1092 


Gemidd. 
1903 


352 
408 


811 
103 


64 

75 


1 37 

1 27 


287 
855 


826 
968 


-f 142 


568 


44 


14 


1173 



In de rubriek der totale vrachtbooten ztfn de stoombooten van de Nederland., 
Paketvaart, Rotterd. Ltoyd en Messageries-marit., tezamen 400 met geregelde 
passagiersvaart, van het totaal afgetrokken, zoodat er alleen de booten over- 
bleven, die enkel vrachtbooten z\jn. Als men deze statistiek overziet, btykt 
hieruit, dat van 1892 tot 1898 er geen toeneming der scheepvaart was te con- 
stateeren. Het gemiddeld aantal handelsbooten, buiten de geregelde ujnen, is 
in die 7 jaren 399, dat van alle vaartuigen 883. Met die cyfers als basis ver- 
geleken vindt men van 1899-1902 toeneming. 

Vaa niet geregelde stoombooten. Van alle vaartuigen. 



1899 37 109 

1900 54 122 

1901 74 139 

1902 131 203 

1903 167 290 



Of de tonneninhoud ook in diezelfde verhouding is toegenomen, kan niet 
met zekerheid gezegd worden, daar vertrouwbare cyfers hiervoor ontbreken. 



Digitized by Google 



134 

Van de kustvaart kwamen in 1902 in Batavia 331 geladen stoomschepen 
(1019 347 H 3 ) en 314 geladen zeilschepen (31 681 M'), van welke laatste er 241 
op inlandsche wyze getuigd waren. De zeilschepen kwamen meest van de Lam- 
pongsche districten (201), van Banka (92), de overige meest van Billiton (10), 
Benkoelen (6). De stoomschepen der kustvaart kwamen meest van Sumatra's 
Westkust (95), Djambi via Palembang en Muntok (87), Billiton (32), Atjeh via 
Padang (26), Padang, via kustplaatsen (26), Pontianak, via Billiton (20), Deli 
(39), Banka (14), Deli, via Muntok (12), Palembang, via Muntok (10). 

Hoewel betrekkelykerwyze gesproken Batavia niet meer de eerste rol vervult 
als handelsstad in het Oosten, heeft het toch nog groote beteekenis als zoodanig. 

* 

Rondom de ** et der oude residentie Batavia bestaat geheel uit 

oude stad en particuliere landerijen, die gedeeltelik in handen ztyn van Euro- 
nieuwe stads- peanen, gedeeltelijk van Chlneezen. Vroeger was de teelt van 
gedeelten. suikerriet hier belangrijk, doch deze is meer verplaatst naar het 
oosten van Java (zie II pag. 86). De hoofdopbrengst van de Bataviasche vlakte 
bestaat in padi, gras, katjang, klappers, vruchten, nipah en brandhout; hooger op 
in koffie, kina, thee, kaneel. In de nabijheid der stad en der voorsteden vindt 
men, evenals by alle groote centra van bevolking, den kleinen landbouw: 
warrnoezery en ooftbouw, die een belangrijke bron van bestaan vormen. Voor 
de Inlandsche bevolking is de kleinhandel in de stad een tak van bodrijf. De 
Inlanders z\Jn, gelijk wij reeds opmerkten, door langdurige vermenging, van 
zoo gemengden aard, dat men de oorspronkelijke nationaliteit er nauwelijks ot 
in 't geheel niet meer kan onderscheiden. De taal, het zoogen. Bataviasch 
Maleisch, is een lingua franca, die van het echte Maleisch weinig meer dan den 
naam over heeft 

Batavia heeft als nederzetting haar aanzienlijkste uitbreiding naar het zuiden 
ondergaan. Voor w\j deze gaan bezoeken, richten wy den blik nog naar het 
westen, naar de Chineesche wyk, de kampong Tjina, waar de Chineezen wonen 
onder vergunning van het Gouvernement. (Zie I pag. 419). Hier leven ±26800 
Chineezen volgens hun eigen landaard. De Chineesche wyk is het tooneel van 
een drukke beweging. De tameiyk breede straten met huizen van verschillenden stijl 
en met levendige kleuren geverfd, krioelen van menschen van uiteenloopendo 
nationaliteit, vooral by avond. Inlanders zoowel als Arabieren en Europeanen komen 
zich hier van allerlei benoodigdheden voorzien. Want in de Chineesche wyk, de echte 
handelswyk, vindt men alles. Bovenal op het Chineesche Nieuwjaarsfeest, als 
de Zonen van het Hemelsche rijk hun nationale feest vieren met de meeste bij- 
zonderheden van het eigen land, is 't er buitengewoon druk in deze buurt 
door de optochten en het lawaai, dat daarmede vergezeld gaat. 

Hoewel de Chineezen alleen in hun wyk geheel naar den nationale n aard 
leven, vindt men toch ook Chineezen in andere gedeelten van Batavia. Slechts 
enkele wyken kan men 'geheel Europeesche noemen, en byna overal vindt men 
voorbeelden der Chineesche bouworde tusschen de Europeesche huizen. Echter 
geven zij dan geen karakteristieken indruk aan de wyk. 

Een geheel ander beeld dan de oude stad en de Chineesche wijk levert 



Digitized by Google 



135 



bet Nieuw-Batavia op, dat in den loop der 19de eeuw vooral ten zuiden van 
de oude nederzetting is ontstaan. Eigenlek ia het niet juist hierbij van een 
„stad" te spreken in den zin, dien wtJ daaraan hechten; het is meer een 
schilderachtige complex van parken en lanen met villa's omzoomd. Stel u voor 
te midden dier parken een net van belommerde wegen, aardige zijweggetjes en 
schaduwrijke paden, terwijl overal de witte schijnsels onder 'tgebladert de aan- 
wezigheid der woningen verraden, die een eind van den weg staan, ieder in 
een eigen lommerrijken tuin en op eigen erf, veelal door lage steenen palen, 
niet veel hooger dan mijlpalen, van den grooten weg gescheiden. De huizen zyn 
alle lage galerijhuizen. Zoo is in ruwe trekken overal het karakter der nieuwe 
stad; zU is open, ruim en frisch gebouwd, veelal landelijk van natuur. 

Wat de inrichting en de toestanden van Batavia betreft, is het in de 
laatste kwart eeuw veel vooruitgegaan. Verbetering der wegen is vooral in den 
laatsten tijd op ruime schaal ter hand genomen, de verkeersmiddelen nemen 
gaandeweg toe. De paardentram heeft voor een goed georganiseerde stoomtram- 
dienst plaats gemaakt, en een electrische tram heeft nieuwe wijken in het ver- 
keer opgenomen. Het electrisch licht concurreert er met het gaslicht. By Batavia 
kan men evenals in vele steden der oude en nieuwe wereld reeds van een 
ringbaan spreken, want spoorwegen omsluiten met hun Ijzeren banen de stad 
van alle kanten. Op hygiënisch gebied is de stad zeer vooruitgegaan door het 
artesisch bronwater. Batavia heeft dan ook langzamerhand een stabiele bevol- 
king van Europeanen gekregen. Meer en meer komen vroeger gerepratrieerden uit 
Nederland er terug, terwijl velen nimmer teruggaan, maar zich hier blijven vestigen. 

Naar het zuiden gaande van de oude stad komt men eerst te Holen- 
vliet, een lange, smalle wijk, gobouwd langs een in 1846 gegraven kanaal, 
welke wijk zich voortzet bU de ombuiging van het kanaal naar het O. in 
Noordwljk en Rijswijk, ieder aan een kant gelegen. Molenvliet en Noord- 
wDk vormen vooral de winkelstreek der nieuwe stad met enkele toko's; ztf 
zijn gebouwd naar Europeesch karakter in rechte rijen, met trottoirs aan beide 
kanten van den weg. Maar toch spreekt er by het Europeesche ook een Oostersch 
karakter uit deze nederzettingen, omdat de meeste huizen door boomrijke tuinen 
zijn omringd en men zelfs door tuinen moet gaan om de allergewoonste winkels te 
bereiken. Vooral Noordwljk is eenig; het is een Amsterdamsche gracht in tro- 
pische omlijsting. Het lange, smalle kanaal glanst groenbruin tusschen rood- 
achtige steenen muren met hier en daar een brug er over, overschaduwd door 
het zacht getinte loof van tamarinden ; aan beide zijden loopt een breede weg 
langs tuinen, die met hun verblindend witte huizen liggen te blakeren in de 
zon; de donkere gracht wordt verlevendigd door de bontgekleurde inlandsche 
prauwen, en op den achtergrond liggen de Inlandsche kampongs in 't groen 
verscholen, de stadswijken omsluitend. 

Verder zuidelijk, bij het groote Koningsplein, een der grootste en 
merkwaardigste pleinen van Nieuw-Batavia, dat bijna een uur gaans in om- 
trek heeft, krijgt de nieuwe nederzetting geheel een Oostersch karakter. Het 
Koningsplein is niet zoozeer een plein als wel een groot veld, hier en daar 
bedekt met grazend vee, en aan de vier zyden van zyn onregelmatig vierkant 



13G 



omtuind door een driedubbele ry tamarinden, tusschen wier fijnlooverige stammen 
men de witte, lage inry hekken en de gepülerde huizen ziet. Aan de westzijde 
van het Konigsplein valt het gebouw van het Bataviascb Genootschap 
van Kunsten en Wetenschappen in het oog, in Grieksch Dorischen styl 
opgetrokken, met een koperen olifant op het pleintje er voor, een geschenk van 
den eersten Koning van Siam. Het Genootschap bezit een aanzienlijke boeker;) en 
belangrijke wetenschappelijke verzamelingen. Sedert een twintigtal jaren is het 
noordelijk gedeelte van het Koningsplein in een keurig plantsoen veranderd en 
aan die zyde ziet men ook het in 1879 voltooide nieuwe hotel van den Gou- 
verneur-Generaal, gebouwd in den tuin achter het oude, dat eveneens bleef be- 
staan. Architectonische waarde heeft geen van deze beide gebouwen. Als de 
landvoogd en zijn gezin te Batavia vertoeven, houdt hy zijn verblijf in dit ge- 
bouw; gewoonlijk echter houdt hy zich op te Buitenzorg. 

Niet ver van het Konigsplein ligt het meer idyllische Hertogspark, vol 
schaduw, groen en bloemengeur. Verder oostelyk ligt het Waterlooplein, 
aldus genoemd naar een onbeduidend monument, ter herinnering aan den slag 
by Waterloo, eveneens een grasvlakte doch kleiner dan het Koningsplein, die 
dient voor militaire oefeningen en parades. Het is aan de west- en zuidzyde 
door een ry fraaie, oude waringins ingesloten, aan den noordelyken en zuide* 
ïyken kant groeien djoewar-boomen. Rondom verryzen tal van woningen en ge- 
bouwen, het gebouw der gerechtshoven, de militaire sociëteit Concordia. Het 
belangrijkste gebouw is het drie verdiepingen hooge Paleis van Welte- 
vreden, wat in Indië een zeldzaamheid is, welks bouw door Daendels is 
aangevangen. Men vindt hier o. a. de vergaderzaal der Hooge Indische regeering 
met de portretten van alle Gouverneurs-Generaal. Voor het paleis ziet men het 
standbeeld van J. P. Cuen, in 1876 opgericht. Een derde monument op dit 
plein is dat ter herinnering aan Michif.ls, den held van Bali. 

Wy bevinden ons hier ongeveer op een uur gaans afstand van het marktplein 
der oude stad Batavia. De moderne verkeersmiddelen hebben het velen mogelyk 
gemaakt zich nog verder van de stad te vestigen. Langs den pracht igen straat- 
weg van hier naar Meester Üornelis (53 000 inw., waarvan 2600 Chineezen 
en 2300 Europeanen), die met schoone kanari-boomen beplant is, zyn de mooie 
villa's en tuinen vermeerderd en in de plaats van de inlandsche kampongs ge* 
komen. De wyken Kramat, Salemba, (met het Gymnasium Willem III) 
en Tegel an sluiten schier by elkander aan, en maken een doorloopond geheel 
uit met de voorsteden van Batavia. Zoo is er niet ver van de Tji-Liwong, en 
gedeelteiyk aan deze rivier, een lange reeks van nederzettingen ontstaan, die 
van het noorden van Batavia tot Meester Cornelis ongeveer twee uur gaans 
lengte heeft en in het midden by Weltevreden, Iiyswyk en Noordwyk de grootste 
breedte bezit. Deze Europeesche nederzettingen worden aan beide zyden inge- 
sloten door tal van inlandsche kampongs, in hun dorpsbosschen verscholen, 
terwyi buiten deze eerste de sawah's aanvangen der West-Javaansche laagvlakte, 
met desa's en kampongs er over verstrooid en met den tuinbouw, om de Euro- 
peesche bevolking van het noodige te voorzien. 



137 



_ Te Meester Cornelia ia men aan het eind gekomen der neder- 

Buitcnzorcr. 

zettingen, welke gezamenlijk als de ongeveer aaneensluitende voor- 
steden van Batavia zyn te beschouwen. Langs een tal van kleine dorpsneder- 
zettingen loopt de weg, ook de spoorweg, naar het zuiden, weldra door terreinen 
ryzend tot heuvellanden, en in het zuiden op den achtergrond worden de berg- 
massa's donkerder en zwaarder in hun vormen. Wy zyn hier in het heuvelland, 
en komen weldra te Buitenzorg, op een hoogte van 265 M. gelegen, op de 
terrassen, waarmede het bergland van Zuid-Java afdaalt naar de vlakte. De hoogere 
ligging met koeler atmosfeer schenkt Buitenzorg een heerhjk klimaat, wel met tro- 
pische weelde, maar die niet zoo gedrukt wordt door de onaangenaamheden van het 
klimaat der tropische laagvlakten. Naar het Z. vormen een drietal geweldig groote 
vulkaankegels den achtergrond van het heuvelland. In het Z.W. verheft zich de kegel 
van den Salak met zyn vyfpuntige kroon tot 2253 M., en in het Z.O. liggen de 
Pangerango (3000 M.) en de Gedó (2962 M.). Het grootste gedeelte van deze 
vulkanische reuzen is met oerwouden bedekt en doorsneden van talrijke radiale 
kloven, die naar allo kanten in de vruchtbare hoogvlakte uitstralen, en haar door 
talrijke stroompjes rykehjk van water voorzien. De rijstvelden in de dalen, met 
vriendelijke dorpjes er over verstrooid, alle omgeven door palmentuinen en 
vruchtboomen, geven een idyllische afwisseling aan dat berglandschap. 

Op den voorgrond van dit amphitheater ligt Buitenzorg. Een paar snelle 
bergstroomen, de slykerige, gele T j i-D a n i in het westen, en de T j i«L i w o n g 
in het oosten, die met groote vaart van het bergland van den Salak over de 
steile hellingen naar de vlakte ylen, omsluiten een hooger heuvelrug, en daarop 
strekt Buitenzorg zich uit. Hier lag vroeger het gebied Bogor, waar vóór het 
invoeren van het Mohammedanisme eenigen tyd de zetel zou geweest zyn der 
vorsten van het Hindoe-rijk Padjajaran. Te Batoe Toelis, in de nabijheid, vindt 
men vele oudheden, die aan dat verleden herinneren. 

Een gedeelte der kampong Baroe werd hier in 1745 afgostaan aan den 
Gouverneur-Generaal Van Imhofk, die er een lustverbiyf stichtte, hetwelk hy 
Buitenzorg noemde, dat later door Daendels vergroot werd en waar na 1834 
het tegenwoordig gebouw verrees. Rakfi.ks noemde het district naar het buiten- 
goed. Terwyi het vroegere groote landgoed in handen van particulieren is ge- 
komen, is het paleis met omgeving het eigendom gebleven van het Gou- 
vernement. De spoorwegverbinding met Batavia, in 1873 geopend, brengt een 
geraakkeUjke verbinding met de hoofdstad tot stand, en maakt dit Javaansche 
„Sanssouci" tot een bekoorüjk lustoord voor hen, die van het drukke leven 
willen uitrusten. Door de overbrenging van onderscheidene gouvernementsbureaux 
van Batavia naar het koeler, gezonder Buitenzorg, o. a. de Algemeene Secretarie, 
het hoofdbureau van het Mynwezen, de directie der Staatsspoorwegen enz. is 
de plaats in de laatste jaren sterk vooruitgegaan, en telt 25 000 inw., waarvan 
3850 Chin. en 1650 Europeanen. De Gouverneur-Generaal heeft te Buitenzorg 
zyn gewone verblyfplaats, terwyl hy gewoonUjk slechts voor enkele dagen te 
Batavia vertoeft. 

Het gouvernementspaleis te Buitenzorg, uit een verdieping bestaande, (het 
oude bestond uit twee verdiepingen, doch werd in 1834 door een aardbeving 



138 



verwoest), ligt in een groot park, waardoor lanen van groote vygeboomen en 
slanke koningapalmen loopen; op de uitgestrekte grasvlakten ziet men honderden 
herten. Het park is de noordgrens van den grooten Botanischen tuin, die in 
het westen begrensd wordt door de breede, oude Poststraat, waarlangs de meeste 
Europeesche villa's liggen. 

In het zuiden maakt de afgezonderde wijk der Chineezen de grens van 
den Bogor-tuin uit, waarin aaneengesloten rijen van open winkels, toko's, dicht 
bij elkander liggen. Vóór dat men van den hoofdingang van den tuin de Chi- 
neesche kampong binnentreedt, komt men op de groote marktplaats, die dage- 
lijks, doch vooral des Dinsdags en des Vrijdags, door haar rijke uitstellingen 
en het bont gewoel der bezoekers een afwisselend schouwspel oplevert. 

De roem van Buitenzorg in de wetenschappelijke wereld van geheel de aarde 
is 'aLahds Plantentuin, in 1817 onder leiding van den voormaligen Amster- 
damBChen hoogleeraar C. G. C. Reinwardt gesticht. In den rijkdom der Indische 
plantenwereld zag Reinwardt een bron van welvaart voor het land, en hty 
verwachtte veel nut van wetenschappelijke onderzoekingen, die hier zouden plaats 
hebben. De organisatie van de onderzoekingen alhier, laatstelijk onder directie 
van Dr. M. Treüb, hebben groote beteekenis voor de wetenschap en de praktijk. 
Door Dr. Treub, zegt Prof. Ernst Haeckel, die deze inrichting bezocht, „heeft zich 
's Lands Plantentuin ontwikkeld tot een wetenschappelijke instelling van den 
eersten rang, welke eenig in hare soort is als grootsch botanisch tropeninstituut.'' 
De oppervlakte van den hoofdtuin bedraagt 58 H.A. Daarbij *omt nog de uitge- 
breide cultuur- en proeftuin van Tjikeumeuh, een halt uur ten W. er van, 72 
H.A. groot, en dieper landwaarts de bergtuin, Tjibodas, 31 H.A. groot, tezamen 
161 H.A. Nog werd in 1890 hierbij een oerwoud gevoegd, aan den bergtuin van 
Tjibodas grenzend, van 288 H.A., en daarenboven werd voor korten tijd een aan- 
zienlijk stuk gronds verkregen voor de cultuur van getahpertja (zie I pag. 534). 



Verdere neder ^ e P^kruimte verbiedt ons verder in bijzonderheden stil 
zettingen in te staan bh" de overige nederzettingen en verdere landschaps- 
de vlakte van beschrijving. Daarom bepalen wij ons tot de hoofdplaatsen en 
West-Java. beperken het verdere tot korte aanwijzingen. Het algemeen karakter 
der nederzettingen en het algemeen beeld des lands leerden wy reeds kennen. 

In het noordelijk gedeelte van West-Java, meest in de laagvlakten en het 
heuvelland, vindt men nog de volgende plaatsen: 

In Bantam (Banten): Serang (zie II pag. 119) en Anjer (H pag. 117). 
Hangkas Betoeng, in een vruchtbare vlakte. 

In Batavia, behalve de reeds beschreven plaatsen: Poerwakarta (6860 
inw.) aan de Tji-Kaö, een bystroom van de Tji-Manoek. Krawang, aan de 
Tji-Taroem, en Tji-Kaö aan de grenzen der Preanger regentschappen, vroeger 
met afvoer van koffie langs de Tji-Taroem; thans niet meer. Tangerang 
(13 500 inw., waarvan 1800 Chin. en 78 Europ.), een levendige plaats met een 
pasar, die druk door de Inlanders bezocht wordt. B e k a s i aan den Batav. Ooster- 
Bpoorweg, een plaatsje met levendigen binnenlandschen handel, en een grooten 
pasar, dagteekenende van 1752. Soebang, hoofdplaats der Pamanoekan en 



Digitized by Gooflle 



139 



Tji-Asemlanden, met uitvoer van rtJst Wanajosa, een aanzienlijke desa, waar 
in 1828 de eerste Gouvernementstheetuin werd aangelegd. 

In Cheribon (volgens de afleiding moet het ztyn Tjirebon): Cheribon 
(zie II pag. 128). Indramajoe (13400 inw., waarvan bijna 2200 Chin. en 80 
Europ.). Madjalengka (7100 inw.). Eoeningan (2300 inw. waarvan 60 
Chin. en 85 Europ.) 

De Preanger- De residentièn Batavia en Cheribon beslaan groo- 
Regentschap- tendeels de vlakte, maar gaan in het Zuiden in het 
pcn ' heuvel- en bergland van Java over, zoodat de zuid- 

grens dezer gewesten ongeveer loopt langs de noordelijke vul- 
kanen. De residentie Bantam echter strekt zich geheel uit naai- 
de zuidkust, zoodat die in de zuidelijke helft geheel door hoog- 
land wordt ingenomen. Doch overigens wordt van de Wjjn- 
kpopsbaai tot de Tji-Tandoewi het geheele berg- en hoogland 
van zuidelijk West- Ja va als residentie Preanger Regent- 
schappen aangeduid. De Inl. naam is „Tana Prijangan", een 
afkorting van „Parahijangan," d. i. verblijf van de geesten. 
Dit gewest wordt geheel ingenomen door berg- en hoogland. 
Met vrij steile overgangen gaan de heuvellanden in het Z. van 
de vlakte tot het bergland over, dat bijna tot aan den Indischen 
Oceaan in het zuiden zich voortzet. Alleen in een zeer smalle 
strook treft men aan de kust zeezand aan, dat op sommige 
plaatsen duinvorming deed ontstaan, ten 0. van Penangpeuk, over 
enkele K.M., in een drievoudige rij van 20 — 35 M. hoog. Waar- 
schijnlijk is dit duinzand een produkt van vergruisde koraal- 
rots, door den Z.O. passaat tot duinen samengestoven. 

De noordelijke gedeelten van het hoogland bestaan voor 
het grootste gedeelte uit vulkanisch terrein, waaruit talrijke 
slanke kegelbergen zich tot 2000 a 3000 M. verheffen. Er zjjn 
vele mooie, regelmatige bergvormen, steil aan den top, terwijl 
naar beneden de voet met sierujke buiging langzaam overgaat 
in een zachte glooiing. Vrij regelmatige dalen, boven smalle ra- 
vijnen, die benedenwaarts zich verbroeden tot schoone valleien, 
gaan veelal straalvormig van de vulkanische bergtoppen uit. 

De zacht glooiende terreinen, die om de vulkanische bergen 
door de denudatie-produkten van het afstroomende water ge- 
vormd worden, zijn zeer vruchtbaar en goed bevolkt ; de sawah's 
strekken zich tongvormig uit door de dalen tot ongeveer 1200 M. 



Digitized by Google 



140 



hoogte, en de koffietuinen, theeplantages en kina-cultures hebben 
hier een goed gebied. 

De vulkanische werkzaamheid van Java heeft zich buiten- 
gewoon krachtig geopenbaard in de Preanger Regentschappen, 
voornamelijk in het midden. Er is geen gedeelte der aarde, 
waar op een beperkte oppervlakte als deze, zoovele gedeeltelijk 
nog werkende, gedeeltelijk vroeger werkende vulkanen voor- 
komen, als hier. De oostelijke helft van dit vulkaangebied telt 
niet minder dan 39 vulkaankegels, somtijds twee zoo dicht bij 
elkander, dat zij gedeeltelijk versmolten zijn tot één voetstuk 
met twee eruptiepiraten. De ligging dier vulkanen leert het 
schetskaartje op pag. 40 kennen. 

Aldus bestaat dit gebied over 't geheel uit woest, afwisselend 
bergland en hooglanden, die in groote gedeelten nog met alang- 
alangvelden en met wildhoutbosschen zijn overdekt, en dat lang 
schaarsch bewoond was. In het heerlijke bergland, door de natuur 
geïsoleerd, bleven de Soendaneezen het langst in den primitieven 
staat voortleven, weinig in aanraking met of veranderd door 
vreemdelingen. Zij zijn eenvoudig en met weinig tevreden; het 
opiumgebruik is er gering (zie I pag. 403), en het aantal Chineezen 
was er langen tijd zeer beperkt. Zoo vormen deze Soendaneezen 
de rneest onvermengde vertegenwoordigers van het ras (zie II, 
pag. 71). 

In de laatste eeuw is door het aanleggen van verkeerswegen 
en door het vestigen van bergcultures ook hier de toestand 
veel veranderd en de bevolking sterk toegenomen. De koffie- 
cultuur was de eerste, die hier gevestigd werd, in 't begin der 
18 do eeuw; de thee, kina en andere cultures kwamen er bij. Daar- 
door werden de Preanger Regentschappen meer produktief en 
dichter bevolkt gedurende de laatste eeuw. 

De nederzettingen zijn op deze afwisselende terreinen niet 
regelmatig verspreid, maar het dichtst gegroepeerd in eenige 
natuurlijke landschappen, meestal ingesloten hoogvlakten, die de 
gesteldheid des bodems daarvoor aanwees. De hoogvlakten, veelal 
ontstaan uit vulkanisch materiaal in meren bezonken (II pag. 44), 
zijn zeer vruchtbaar, en vormen daardoor de aantrekkings- 
gewesten der bevolking, terwijl de woeste bergstreken en bosschen 
afstootingspolen zijn. Dergelijke vlakten zijn hier die van 



141 



Bandong (715 M.), Garoet (710 M.), Soemedang (460 M.), 
Tjiandjoer (459 M.), Soekaboemi (600 M.) e. a. 

Belangrijkste Bandoeng, een fraai aangelegde plaaU met 28 963 inw. 
nederzettingen (waaronder 2650 Cbineezen en 1500 Europoanen), op een door 
IndePreanger. hooge bergen omsloten vruchtbare hoogvlakte gelegen, 705 M. 
hoog, aan den bovenloop van de Tji-Taroem, die hier onderscheidene bijstroomen 
van de gebergten ontvangt. Het is een vruchtbaar gewest met rijstteelt, kofne- 
en kina-cultuur. Men vindt er een school van Inl. hoofden en een kweekschool 
voor Inl. onderwijzers. Een ruim gebouw is er gosticht ten behoeve der jaar- 
Ujksche wedrennen, die zekere beroemdheid hebben als volksvermaak. 

Tjiandjoer (15 300 inw. waaronder 900 Chin. en 150 Europ.), op een goed 
bevolkte hoogvlakte, die op den bovenloop der Tji-Taroem uitkomt. — Sin- 
danglaja met herstellingsoord, 1070 M. hoog. — Tjimahi, 6 palen ten W. 
van Bandoeng, met groot kampement en militaire inrichtingen. 

Soekaboemi, 600 M. hoog gelegen (12100 inw. waaronder 1450 Chin. 
en 570 Europ.). De naam Soekaboemi, d.i. geliefd land, lustoord der wereld, 
duidt reeds aan, dat het een lief gelegen plaatsje is ; het ligt in een der gezondste 
streken van Java. Aan de ruime aloen-aloen ziet men de liefelijk gelegen woning 
van den assistent-resident, de gouvernementskantoren enz., aan de andere zijde 
de sociëteit. Soekaboemi heeft een vrij aanzienlijke Europeesche bevolking; de 
hotels en het gezondheidsétablissement Sela Batoe zijn meest druk bezocht door 
ambtenaren en officieren, die met verlof zijn, en bovendien hebben er zich vele 
gepensioneerden gevestigd. Er zijn vele thee-, koffie* en kinaplantages, suiker- 
rietstekken op erfpachtperceelen. Tusschen Tji-Tjoeroeg en Karang-Tengeh 
liggen de bekende theeondernemingen Parakan-Salak en Sinagar. 

Verder: Soemedang (8000 inw., 115 Chin. en 21 Europ.), te midden 
van een kleine hoogvlakte gelegen, 4(50 M. hoog, in schoone omgeving. Vroeger 
tabakscultuur; sedert die is opgeheven, wonen er weinig Europeanen. Garoet, 
aan de Tji-Manoek in een hoog dal, door vulkanen ingesloten, (10 600 inw., 
waarvan 450 Chin. en 185 Europ.) een der fraaist gelegen plantagestreken, 
•£ 700 M. hoog, herstellings- en ontspanningsplaats voor Batavia in den Oost» 
Moesson. Uitstapjes worden van bier gedaan naar den Tjikorai, den Papandajan, 
Telagabodas, het meer Badengit enz. Tasik-malaja (9200 inw., waaronder 
371 Chin. en 94 Europ.), in het dal der Tji-Tandoewi (350 M. hoog), die byna 
over de gehoole lengte door prauwen bevaarbaar is. Het is een nette, vriendelijke 
plaats met onderscheiden steenen huizen, door talrijke goed onderhouden wegen 
met do omliggende plaatsen verbonden en met een fraaie moskee. In den omtrek 
op erfpachtperceelen thee-, kina- en koftieteelt. 

11. Middon-Java. 

Algemeen Midden-Java, d. i. het smalste gedeelte van het 

beeld des lands. eiland, verschilt in bouw zoowel van het 0. als 
het westen. De noordkust door een diepe inbuiging en de Zuid- 



142 

klist met een zachte bocht naderen hier elkander, en beide kusten 
zjjn door strooken van smalle laagvlakten begrensd. Wel heeft de 
noordelijke kustvlakte de grootste breedte, maar het verschil is 
niet belangrijk. Tusschen deze kustvlakten is het bergland vooral 
in het westelijk gedeelte van Midden-Java tot een smalle keten 
beperkt; in het oostelijk gedeelte breidt het zich uit over grooter 
breedte. 

Het westelijk gebergte, met toppen van 700— 1300 M., ligt 
ongeveer op de grens van 't vroegere Tegal en Banjoemas, in 
het midden van het eiland. De hoogste top is de vulkaanreus 
de Slamat, een levendig werkzame vulkaan, na den Smeroe 
de hoogste berg van Java, 3472 M. hoog. Verder oostelijk ten 
zuiden van Pekalongan, zet het gebergte zich voort in de vul- 
kanen G. Prahoe (2565 M.), G. Rogodjam bangan (2175 M.), 
G. Oengaran (2050 M.), G. Sindoro (3120 M.), G. Soem- 
bing(3340 M.), G. Merbaboe (3145 M.) en G. Merapi (2875 M.). 
Van den Prahoe tot den Sindoro ligt het Diënggeb., dat 
vooral bekendheid heeft erlangd door het plateau van den 
Diëng, hetwelk een gedeelte uitmaakt van den kraterbodem 
van een ingestorten vulkaan, welks rand zich nog in een vijftal 
bergtoppen verheft, die het plateau omringen, terwijl binnen 
dien rand een drietal eruptiekegels gevonden worden : de Pager 
Kandang, de Pangonan en de Pakoewadja. 

Aan den O. voet van den Pangonan is het Diöng- 
plateau nog als vlakte overgebleven; het is een kaal, boom- 
loos, en waar het niet te moerassig is, met gras begroeid plateau 
van peervormige gedaante, ruim 2050 M. hoog, in de grootste 
lengte 1800 M. lang en 800 M. breed (150 bouws groot). Op 
dit plateau ligt het hoogste dorp van Java, Semboengan, 
2078 M., waar veel haarolie bereid wordt uit zaden van den 
Gandapoera. Op het plateau worden tabak, kool en uien geteeld. 

Dit Diëngplateau heeft groote vermaardheid door de Hindoe- 
monumenten, welke men hier vindt, die bestaan uit tal van 
beelden en beschreven steenen, waarvan vele zijn weggevoerd, 
uit verschillende tempels, tjandi's, van welke verscheidene zijn 
ingestort, terwijl andere, nl. de vjjf Ardjoeno- tem pels en de Tjandi 
Bi ma of Werkodara, tot de schoonste bouwwerken van Java 
behooren. Merkwaardig zijn een drietal, thans vervallen, trappen 



143 



uit den Hindoetijd, die naar het plateau leiden : een uit Peka- 
longan over Deles en Sigemplong, een uit Hagelen van Kali. 
lawang naar het meer Tjebong, en een derde van het meer 
Tjebong naar het plateau. Het stichten van deze bouwwerken 
op dit hooge plateau ia nog een raadselachtig feit; men ver- 
moedt, dat hier vroeger een heilige Hindoesche priesterstad zou 
hebben gestaan, het „Benares van Java", die door een vulka- 
nische uitbarsting vernield werd en daarna verlaten is. (Zie 
over die Hindoesche oudheden van Java, 1 pag. 325). 

Verder is het Diënggeb. bekend door vulkanische verschijn- 
selen. De Pakaraman, meestal Dooden vallei genoemd, is een 
„mofette", d. i. een dal, waar zich een hoeveelheid koolzuurgas 
ontwikkelde, die laag bij den grond bleef zweven, zoodat kleine 
dieren er in gedood werden, en aldus de bodem met de lijken 
der dieren, die hiervan het slachtoffer waren, bedekt was. Thans 
is het niet meer dan een groote, open kuil, uit welks bodem 
van tijd tot tijd nog een weinig koolzuurgas opstijgt. 

De Tjandra di moeka is een solfatara (zie I, pag. 90); uit 
een opening van eenige voeten doorsnede stijgen aanhoudend 
witte dampen met hevig geraas op. In de nabjjheid vindt men 
eenige gaten met kokend, geelwit gekleurd water. Solfataren, 
warme bronnen en meren en dergelijke vulkanische verschijn- 
selen vindt men vele in dit gebied. 

De talrijke rivieren, welke uit het bergland van Midden- 
Java te voorschijn komen, hebben een korten loop en stroomen 
met groote snelheid door diepe ravijnen langs de steile hellingen 
naar de vlakten. De grootste rivieren zijn in dit gebied die, 
welke naar het zuiden loopen. De Tji Tandoej of Tji Tan- 
doe wi komt uit het bergland van West-Java te voorschijn, 
stroomt als grensrivier van de Preanger-Regentschappen naar 
het Z.O., wordt in den middenloop gevolgd door den spoorweg 
over een groote lengte, en wordt bjj Bandjar, aan den spoor- 
weg, voor prauwen bevaarbaar. Deze rivier voert onderscheidene 
produkten uit de Z.0. Preanger af naar de haven van Tjilatjap. 

De Kali Serajoe ontspringt op de zuidelijke helling van 
den Prahoe, volgt een vrij breed dal door het bergland naar 
het Z.W., om de uitmonding der Tji-Tandoewi te naderen. 

De' Serajoe is de belangrijkste rivier van Zuid-Java, die 



144 

ongeveer 30 palen van den mond af bevaarbaar is. De loop 
der rivier, over groote lengte parallel met de hoofdketen van 
het land, doet haar tal van waterrijke bijstroomen ontvangen, 
die bij den natten moesson aanleiding kunnen geven tot hevige 
bandjirs, waarvan die in den nacht van 22 op 23 Febr. 1861 
bekend is geworden, toen op den grooten weg het water 10 M. 
hoog stond. 

Midden- Java wordt ingenomen door de residenties Peka- 
longan (waarmede Tegal is vereenigd)en Semarang (Japara 
is er mede vereenigd), waarvan het westelijk deel tot midden 
Java behoort in het N.; verder: Banjoemas en Kedoe(met 
Bagelen vereenigd) in het Z. Hier vindt men de dichtstbevolkte 
gedeelten van Java (zie I, pag 451) in het gebied der echte 
Javanen. 



Nederzettin Nabij de vlakke, aanslibbende en moerassige noordkust van 
gen van Mid- Midden-Java valt ten O. van de Tji Losari in de eerste plaats de 
dcn-Java. nederzetting Tegal in het oog (16 700 inw., waarvan byna 2500 

Noordkust ühin * en b ^ na 500 Europ.), een welvarend havenplaatsje aan den 
mond van het kleine riviertje Go eng. De afgedamde mond der 
rivier, welke oostelijk verlegd is, vormt een haven voor prauwen eu sloepen, 
die met moeite door baggeren wordt opengehouden. In 1902 werden van Tegal 
uitgeklaard 14 stoomschepen en 3 Europeesche zeilschepen, te zamen met 93024 M' 
inhoud. De kustvaart is er onbelangrijk. Het achterland van Tegal vormt een 
uitstekend rijstland; de rijstcultuur van deze kust staat door de goede irrigatie 
uit de talr\)ke rivieren op een hoogen trap, zoodat er de beste opbrengst ver- 
kregen wordt. Verder wordt op de vlakte suikerriet geteeld op van de bevol- 
king gehuurde gronden, die in een negental fabrieken wordt verwerkt. Op de 
helling van den Slamat vindt men nog koffiecultuur, en na de afschaffing der 
Gouvernements-theecultuur wordt door de bevolking vrijwillig nog veel thee aan- 
geplant. 

Vervolgens: Pekalongan (38 200 inw., waarv. 3070 Chin., 936 Arab. 
en 430 Europ.), op twee zeemijlen van de kust gelegen aan beide oevers van 
het riviertje Pekalongan. In 1753 werd hier door do Compagnie een fort ge- 
bouwd aan het strand, dat door de aanslibbing tegenwoordig midden in de plaats 
op 2 zeemijlen van de kust ligt. De mooiste straat is de groote Postweg, met 
kanariboomen beplant en het belangrijkste gedeelte der nederzetting is het groote 
vierkante plein, door tamarinden overschaduwd. Hier vindt men het residentiehuis, 
een bureau, de scholen, de Prot. kerk; om dit plein en aan den postweg of 
aan den linkeroever der rivier wonen de Europeanen. De aloen-aloen met de 
regentswoning en de moskee liggen ongeveer een paal ten Z. van het residentiehuis. 
Voor de Chineezen zijn er vier wijken en voor de Arabieren en andere vreemde 



Digitized by Google 



145 



Oosterlingen is er oen bijzondere wijk aangewezen. De Inlanders wonen tusschen 
de aloenaloen en de Chineesche wijken en verder aan alle kanten van de stad 
in dicht bebouwde kampongs. Er is veel vertier door den handel; de vijf pasars 
met hun toko's en warongs zijn daarvan middelpunten. Gebatikte sarongs vor- 
men een belangrijk handelsartikel: de bekende kain-Pekalongan. Op een soort 
van kain-beurzen in de kampongs Godang en Eergan worden die door groot- 
handelaren opgekocht voor den uitvoer. Het achterland van Pekalongan produ- 
ceert r\jst en suikerriet; dit laatste wordt verwerkt in een negental fabrieken; 
verder koffie, (meest Liberia), kina, en indigo. 

In 1902 werden te Pekalongan uitgeklaard 9 stoomschepen, 2 Europeesche 
zeilschepen en 2 zeilschepen op inlandsche wijze getuigd, tezamen met 74 000 M* 
inhoud. De kustvaart is er onbelangrijk. 

Semarang (89 300 inw., waarvan 12 400 Chin., 4800 Europ. 
en 780 Arab.) is al lang de belangrijkste handelsstad van Midden- 
Java, de stapelplaats van voortbrengselen uit geheel het binnenland/ Den weg 
van Oengaran zag men voor een halve eeuw onophoudelijk als bezaaid van pak- 
paarden en ossen, met vruchten, tabak, koffie, rijst beladen en met karren, die de 
suiker vervoerden; uit de oostelijke gedeelten werd alles met schuiten of met 
wagens aangevoerd. Door den aanleg van den spoorweg naar de Vorstenlanden 
en van stoomtramwegen naar Djoewana en Rembang, naar Poerwadadi en Blora 
en langs het Solodal naar Soerabaja en naar Cheribon is het verkeer veranderd 
en nog sterk toegenomen. 

De stad is gebouwd aan weerszijden van de onbeduidende rivier van Sema- 
rang, waarvoor men een nieuwen mond heeft gegraven, het nieuwe havenkanaal 
genoemd, met in zee uitgebouwde havenhoofden, die de laadprauwen het in- 
en uitvaren naar de schepen op de reede, vooral in den westmoesson, verge- 
makkelijken. De oude stad van Hollandschen bouw ligt aan den rechteroever 
der rivier op eenigen afstand van den mond; de huizen, vele van twee ver- 
diepingen, staan hier dicht op elkander gebouwd; z\j dienen meest voor kan- 
toren en pakhuizen. In de oude stad vindt men de kerken, weeshuizen, kazernes 
enz. De straten zijn nauw en onbeplant, en daardoor is de stad heet en benauwd. 

De nieuwere EuropeeBche huizen vindt men voornamelijk aan den Pont- 
jolschen en Bodjongschen weg. De laatste vormt een mooie laan van kanari- 
en tamarindeboomen, welke van de aloen-aloen af, een driehoekig met gras- 
begroeid plein, waar het stadhuis en de gouvernementsbureaux aan de noord- 
zijde verrijzen, in Z.W. richting loopt, en waaraan ook de woning van den resident 
gebouwd is. Ook in de wijk Tjandi, een bovenstad een half uur ten Z. van 
Semarang op een heuvellrug van 325 voet hoog, wonen vele Europeanen. 

Aan de westzijde der stad liggen de Arabische en inlandsche kampongs, 
de Chineesche wijk ligt aan de oostzijde. 

Semarang heeft een niet onbelangrijke inlandsche nijverheid ; men vindt er 
meubelmakers, goud- en zilversmeden, blauwververs, en ook is het bekend 
wegens de gebatikte sarongs. 

Het economisch achterland van Semarang strekt zich uit door de vlakton ten 
n 10 



Digitized by Google 



146 



N.O., ten O., ten Z.O. ten Z., en ten W. van de stad ; het levert voor den handel 
vooral suiker, waarvan de productie sterk toeneemt (de oogst van Midden- Java, 
in 1898 gorekepd op 2980207 picols, bedroeg in 1903 : 3782000 picols), koffie 
(de opbrengst gaat achteruit), tabak (in 1903 uitgevoerd van Midden- Java: 
117 425 balen, in 1859 : 59 000 balen), indigo, die achteruitgaat, cacao, 
welke vooruitging, kinabast, kapok, coprah (de uitvoer nam af, daar bet 
fabriceeren van klapperolie op groote schaal werd toegepast), huiden (buffel- 
en runderhuiden en geiten vellen), hout (djatihout) en tapiocca. 

In 1903 kwamen te Semarang in de haven aan 696 stoomschepen en 18 
zeilschepen, tezamen met 1 169 922 tonnen inhoud. Van de aangekomen stoom- 
schepen waren er 233 uit Ned. Indiè, 200 van Groot- Britanniö en 184 van Neder- 
landsche nationaliteit. Doch naar tonneninhoud hadden de Nederlandscho tezamen 
438 duizend, de Ëngelsche 336 duizend, de Ned. Indische 205 duizend, de Duitsche 
136 duizend, de Oostenryksche ingekomen stoomschepen 17 duizend ton inhoud. 

De scheepvaartbeweging van Semarang vinden wij aldus gespecificeerd voor 
1902 en 1903. 





Aantal Stoomschepen aangekom 


en. 


Aange- 
komen 
Zeilach. 


Totaal. Inbond. 


JAREN. 


> 

:l 


_ "O 

•o a 

Si 


Muttch. 

Rott. Llojrd. 


2 é 

O u 

te 0 

5 - 


i 

& 


ja' g 
X 3 


ü 

a 1 


1900 










620 


111 


954 


42,9 


1901 










702 


85 


1086 


86,6 


1902 


152 




7« 


416 


718 


95 


1064 


47,2 


1903 


162 


81 


65 


363 


671 


84 


1138 


40,6 



B Nederzet- ^ e Zuidkust van Midden-Java, die ten O. der Opak-rivier be- 
tingen aan de staat uit een woest, boschachtig, onbewoond kalkgebergte, zwaar 
Zuidkust geteisterd door de branding van den Indischen Oceaan, wordt ten 
W. van genoemde rivier laag, meer glooiend afloopend, en is met een ry duinen 
bezet. Het is hier een echte strandvorming, die nog wordt afgebroken by Hoek 
Karang-Bata, de zuidpunt van een uitspringend voorgebergte met steile rotsen, 
doch ten W. daarvan vindt m«n weder het zandige laagland der Schildpadden- 
baai. Hier monden vervolgens uit de Kali-Serajoe en de Tji-Tandoewi, en tus- 
schen beide uitmondingen ligt het eilandje Kambangan, een hoog rotsachtig 
eiïandje, deels van vulkanischen oorsprong, met kalkachtige bergen, die door zwaar 
hout bedekt z\jn. In deze rotsen vindt men talryke grotten, en in enkele worden 
eetbare vogelnestjes aangetroffen ; het eiland heeft veel wild, waaronder herten, 
wilde zwynen en zelfs tygers. Door aanslibbing is het byna aan de kust verbonden. 



Beschut door den natuuriyken dam van dit eiland wordt er 
Tjilatjap. tu88Cnen Kambangan en den vasten wal een vry goede reede ge- 
vormd, die den hinder van den zwaren golfslag van den Indischen Oceaan minder 



147 



ondervindt en waar men ook tijdens den Oost-moesson veilig kan ankeren. Hier 
ligt op een landtong de nederzetting Tjilatjap (Tjelatjap) (11 600 inw., waarv. 
700 Chin. en 300 Eorop.), die tot de belangrijkste handelsplaats en nederzetting 
van Zuid-Java is uitgebreid. Handelswaren uit Banjoemas, Bagelen en de Z.O. 
gedeelten der Preangerregentschappen worden hier door genoemde rivieren en 
thans ook langs den spoorweg en den stoomtram van Poerbolinggo enz. aangevoerd. 
De spoorwegen loopt hier niet tot de moerassige zuidkust, maar een zijtak 
van de hoofdlijn gaat van het Stat Haos naar de stad. 

De scheepvaart van Tjilatjap neemt sterk toe. In 1902 werden hier uitgeklaard 
9 geladen stoomschepen (5 Engelsche, 2 naar Nederl. en 2 naar Duitschl.) tezamen 
60 700 M* inhoud. Doch de uitklaring is slechts een deel van het scheepvaart- 
verkeer, en wy kunnen hier vollediger cijfers geven, wat niet altijd het geval is. 

De geheele scheepvaart van deze haven leert het volgend overzicht kennen. 

In de haven van Tjilatjap kwamen binnen als particuliere schepen: 



JAREN. 


Aantal 

Stoom»ch. 


Netto inbond 
in M'. 


Aantal 

Zeilschepen. 


Netto inhoud 
in M». 


Totaal in M\ 


1896 


49 


82 U75 


9 


44 558 


126 733 


1897 


48 


87 74S 


5 


19 527 


106 270 


1898 


46 


99 741 


4 


18 053 


117 794 


1899 


57 


174 842 


3 


8 213 


183 055 


1900 


75 


419 021 






419 021 


1901 


91 


498 158 


1 


387 


439 495 


1902 


90 


540 850 






540 350 



Hieruit zien wij, dat sedert 1899 het havenverkeer te Tjilatjap, dus in 4 
jaren ongeveer, verdubbeld is. Voor 1903 ontbreken ons nog de cijfers. Doch 
in elk geval wijst dit op de toenemende beteekenis der zuidkust, waar meer 
gewesten in cultuur worden genomen, die produkton leveren voor dè Europeesche 
markt Het droogleggen van moerassige gronden en het toegankelijk maken van 
vroeger geïsoleerde streken in de zuidelijke Preanger door betere verbindings- 
wegen bevordert de economische beteekenis van deze haven. 

De plaats Tjilatjap is regelmatig gebouwd, met prachtige lanen en berekend 
op uitbreiding ; een gedeelte van het moerassig terrein uit den omtrek is droog- 
gelegd. Tijdens den westmoesson wordt het klimaat er niet gezond geacht; bij 
den Z.O. moesson, die frischheid van over zee brengt, is het er even gezond als 
ergens op Java. 

C In het bin- In net oinnenlana van Midden- Java noemen wy nog do vol- 
nenland en gende plaatsen: In Pekalongan: Batang 2160Ü inw.; Pe ma- 
verdere neder- lang 16 600 inw.; Brebes: 13 200 inw. 

ÏCtt ^ en ' In Setnarang : Ambarawa 498 M. hoog, (14 750 inw., waarvan 

1870 Chin., 459 Eur.) met op 1 paal afstands de vesting Willem I en op 3 palen be- 
zuiden die vesting het militair kampement Banjoe Biroe. — K end al (15 150 inw. 



148 



waarv. 452 Chin. en 96 Europ.). Demak, (5030 inw., waarv. 540 Chin. en 42 Europ.) 
Historisch is deze plaats bekend als vroegere zetel van vorsten, die in de 154* 
en 16<le eeuw grooten invloed hadden op Midden- en zelfs Oost-Java. Van den 
vroegeren luister is zoo goed als niets meer over. Poerwodadi (7600 inw.). 
Pati (10 500 inw., waarv. 2065 Chin. en 254 Europ.). Koedoes (31 390 inw., 
waarv. 3350 Chin. en 235 Europ ), met fraaie inlandsche houten buizen met 
pannen gedekt, van kostbaar snij- en lofwerk voorzien. De bewoners zijn meest 
handelaren, die soms jaren van huis blijven en geheel Java rondtrekken; waar 
elders de tweede- en derdehandshandel in handen is van Chineezen en Arabieren, 
wordt die hier door Inlanders gedreven. Handel in lijnwaden en landbouw- 
produkten, in tabak en vee. Verder beoefenen zij, evenals die van Japara, meubel- 
makerij en houtsniJderij. De oude stad Koedoes draagt roem op de oude moskee 
met de minaret, die daarnaast zich verheft (zie I, pag. 346). Japara (L04G0 
inw, waarvan 500 Chin. en 114 Europ.), vervallen plaatsje, welker eens bloeiende 
handel te niet ging. Meubelmakerij 

Banjoemas: Banjoemas (4900 inw., waarv. 530 Chin. en 160 Europ.). 
Poerwokerto (12610 inw., waarv. 530 Chin. en 90 Europ.). Poerbolinggo 
(13 000 inw., waarv. 560 Chin. en 61 Europ.) 

In Kedoe, de vruchtbare en dichtst bevolkte residentie met ± 1800 desa's, 
vroeger met veel gouvernementskofflecultuur, die bijna geheel is ingetrokken: 
Magelang (25 700 inw., waarv. byna 2500 Chin. en 1050 Europ.) Een groote 
troepenmacht is hier gevestigd. Temanggoeng (7675 inw., ruim 1000 Chin., 
en 120 Europ.). Poerworodjo (13 600 inw., waarv. 1270 Chin. en 550 Europ.). 
Wonosobo (6600 inw., waarv. ±850 Chin. en 74 Europ.). 



III. Oost-Java en Madoera. 



Algemeene ge- De eigenaardige verticale bouw van het breede 
fandagen ï 0°st-Java, dien wij op pagg. 48 en 52 reeds in hoofd- 
vieren. trekken beschreven, heeft tengevolge gehad, dat de 
noordkust, waar geen rivier van beteekenis uitmondt, hier vrijwel 
gesloten was voor toegang tot het binnenland in tegenstelling 
met de overige gedeelten der noordkust van Java. De noord- 
kust in het breede Oost-Java bezit slechts afgebroken vlakten 
van geringe uitgestrektheid. In het N.W. verheft zich de sinds 
lang rustende en ingestorte vulkaan G.Mo er ia met zijn groote 
ringwallen nog tot bijna 1600 M., in het Z. door een vlakte om- 
sloten, die door aanslibbing gevormd werd en den vulkaan, eens 
een eiland, aan het land hechtte. In die vlakte ligt aan zee ook de 
plaats Rembang, doch vervolgens wordt zij smaller, telkens afge- 
broken door hoogten of plateauvorming. Verder oostelyk wordt 
over de geheele lengte door het Noordelijke Kalksteengeb. op 



149 

korten afstand van de kust de toegang van de zee tot het binnen- 
land afgesloten. Groot is de tegenstelling tusschen de geaardheid 
van den bodem in het vruchtbare Semarang en in Rembang, waar 
de schrale zand- en kalksteenbodem de kustbewoners dwong, om- 
dat de rijstbouw er niet voldoende was, in visscberij en smokkelarij 
een bron van bestaan te vinden. In het noordelijk Madoera, dat in 
gr ondsgesteldheid met Rembang overeenkomt, duurt die toestand 
nog voort. Groote handelsplaatsen vindt men dan ook niet in de 
residentie Rembang. De eenige plaats van beteekenis is het ge- 
noemde Rembang (29500 inw., waaronder 6400 Chin. en 210 
Europ.), een plaats, die slechts zelden door handelsschepen bezocht 
wordt, en waar ook geen Europeesche handelshuizen bestaan. 

Eveneens of nog sterker vormt het Zuidelijk Kalksteen- 
gebergte, dat evenwijdig met de zuidkust loopt, aan deze zijde 
een afsluiting van het land. Het is een weinig bevolkte, woeste 
kalksteenketen, die de waterscheiding tusschen N.- en Z.-kust 
hier tot onmiddellijk bij de Zuidkust plaatst. Daardoor was 
het verkeer en de economische ontwikkeling van dat deel van 
Oost- Java geheel aangewezen op het binnenland, en de groote, 
breede dalen tusschen de bergketens wezen als hoofdrichting den 
weg aan naar het N.O., waarheen de handelslijnen, (spoorwegen, 
trams, rivieren) samenloopen aan de kust van de Trechter. De ge- 
noemde dalen, alsmede de vlakten tusschen de geïsoleerde vulkaan- 
bergen in het binnenland met de vruchtbare hellingen, vor- 
men onderscheidene gunstige cultuurgebieden van grooter of 
kleiner omvang, hier geïsoleerd, daar meer aan elkander ge- 
schakeld door rivieren. Daardoor heeft zich in Oost-Java, de 
uiterste oostelijke gedeelten uitgezonderd, een dichte landbou- 
wende bevolking gevestigd. Soerabaja, Djokjokarta, Soerakarta 
Madioen, Kediri en Passoeroean zijn zeer dicht bewoonde gewesten, 
met ruim 200 tot 400 bew. per K.M. 1 (zie I, pag, 451). Soe- 
rabaja telt van de residenties de meeste desa's, niet minder 
dan 5074, en Soerakarta wel 12 672. 

Terwijl het N.W. van Oost-Java zich door natuurlijke ge- 
steldheid en in economisch opzicht nog bij Semarang aansluit, 
en de vlakten der Kali-Demak en van de Kali-Loesi (die tus- 
schen het westelijk gedeelte van het Noordel. en Middelste 
Kalksteengeb. naar het W. loopt) dit gebied nog meer in be- 



Digitized by Google 



150 



trekking brengen tot die stad (stoomtrams) wordt het grootste ge- 
deelte van het breede Oost-Java beheerscht door de dalen der 
rivieren, de Kali-Solo en de K.-B ra n tas, waarlangs de verkeers- 
wegen loopen, die onderscheidene uitmuntende cultuurgewesten 
met elkander verbinden. Daarom over deze rivieren iets naders* 

De Kali-Solo (Bengawan-Solo; bengawan = 

De Solo. .. ,. T ii" 

groote rivier, een naam, dien Javaansche schrijvers 
vaak voor de namen der rivieren Solo en Madioen plaatsen in 
plaats van Kali) is de grootste rivier van Java; haar lengte 
bedraagt 540 K.M., en haar stroomgebied beslaat 15 425K.M. 2 
De stroomlengte der Solo is ' 40K.M. korter dan die van de 
Po, maar de oppervlakte van het stroomgebied bedraagt on- 
geveer '/ï van dat der Po, een oppervlakte, welke bijna de helft 
der uitgestrektheid van Nederland inneemt. Haar voornaamste 
bronrivier is de Kali Semangir, waarvan de bron ligt in 
Madioen. Onder den naam Kali-Wanjang stroomt zij door 
Soerakarta, waar zij haar dal verbreedt tot een reeks van kleine 
met sawah's bedekte bekkens, tusschen de kalktoppen van het 
Duizendgeb. in het Z.W. en het hoogere, schaars bevolkte en 
uit oud- vulkanische puingesteenten bestaande bergland aan de 
overzijde. Door onderscheidene dalkommen, sommige als meren 
vroeger aangevuld tot vlakten, en meestal omringd door vrucht- 
bare velden en langs tal van inlandsche nederzettingen, die zich 
schier aan elkander schakelen, stroomt de Solo verder. Bij Ngawi 
neemt zij de Bengawan-Madioen op, haar grootste en een 
zeer belangrijke bijstroom, welke als Kali-Watoe op den 
hoogsten top van den G. Wilis ontspringt. Deze rivier stroomt 
door meestal breede, goed bevolkte dalen, door de met kampongs 
overdekte vruchtbare vlakte van Ponorogo (100 M. hoog, met 
inlandsche papierfabrikatie) en die van Madioen. Door dezen 
zijstroom versterkt vormt de Solo op _L 46 M. hoogte een door- 
brekingsdal door het middelste Kalksteengebergte. Aan beide 
zijden verheffen zich hier de met djatiwoud begroeide hoogten 
van die keten tot '80 a 100 M. boven de rivier. 

Bij Ngloewak, verder benedenwaarts, begint tusschen het 
Noordelijke en Middelste Kalksteengebergte de breede dalvlakte, 
die meer bepaald door de ingenieurs de Solo-vallei genoemd 



151 



wordt, tot welker bevloeiing op groote schaal in 1893 bij wet 
werd besloten, welke arbeid wel aangevangen, doch in 1898 
geschorst is. 

Met groote bochten en gering verval kronkelt de Solo, ter 
breedte van 100— 250 M., door genoemd laatste gedeelte, dat een 
lengte heeft van 26 uren gaans bij 3- 6 uren gaans breedte. De 
bodem is aan de oppervlakte voor het grootste gedeelte gevormd 
uit langzaam hellende rivierbezinksels, en voor de laatste 22 K.M., 
van zee tot bij Lamongan, uit zeeafeetting, meest met rivier- 
alluvium overdekt. 

De bovenhelft der Solo-vallei is ten W. van Bodjonegoro 
een der schraalst bevolkte laagvlakten van Java, en wordt in 
het Z. grootendeels door djatibosch ingenomen; oostwaarts is 
de bevolkingsdichtheid grooter en zijn de sawah's talrijker. Echter 
worden zij niet geregeld bevloeid en zijn meest van den regen 
afhankelijk. Langs de rivier ligt van Ngloewak tot de grens 
van Soerabaja een schier onafgebroken reeks van kampongs, waar- 
van Bodjonegoro en Ngareng-Padangan de grootste 
zijn. Hier vindt men de groote petroleum-raffinaderij en paraffine- 
fabriek der Dordtsche petroleum-maatscbappij, die uitgebreide 
vlotten van petroleumblikken den stroom afvoert, en de olie 
in pijpleidingen langs de wegen naar Blora en Soerabaja pompt. 
De beneden-vallei is het best bevolkt bezuiden en bewesten de 
Bengawan-Djero, vooral ten W. van de hoofdplaats Lamongan. 

De Solo vormt aan den mond een aanzienlijke delta, die 
zeer moerassig is, en voor visch vijvers (zie I, pag. 547) uit- 
muntend geschikt. Vóór 1885 bezat zij twee armen: de Solo 
de noordelijke, en de Miring, de zuidelijke, welke eerste in ge- 
noemd jaar gesloten is door een dam, de tweede in 1888 dooreen 
sluis. Doch boven eerstgenoemden dam had men in 1885 een 
kanaal aangelegd, recht naar het N. tot Oedjoeng-Pangka. Het 
water der rivier werd hierdoor uit het Westgat afgeleid, om de 
sterke aanslibbing aldaar te verminderen. Daar de Solo zeer slib- 
rijk water heeft (2,15 K.G. per M\ de Rijn 0,054 K.G. per M 3 ) 
is die aanlanding zeer sterk geweest. Echter heeft het kanaal 
het kwaad niet verbeterd, en werd de irrigatie langs de Solo 
er door in slechter toestand gebracht. DaArom was aan de plannen 
der tot standbrenging van uitgebreide irrigatie in de Solo-vallei 



Digitized by Google 



152 



ook verbonden het ontwerp, om de Solo een nieuwe uitmonding 
te geven nog verder westwaarts dan 0. Pangka. 

De Solo was van ouds een belangrijke verkeersweg. Voor 
groote prauwen was zij, hoewel niet overal zeer goed, toch tot 
Soerakarta bevaarbaar; voor kleine nog ver daar boven. 

In het slechtst bevaarbare gedeelte boven Ngawi is de scheep- 
vaart sterk verminderd door den aanleg van spoor- en tram- 
wegen. In den benedenloop tot Ba bat kan men het geheele jaar 
door varen. Vele zeeprauwen van Madoera, die rijst brengen 
uit Saigon, kunnen tot hier geregeld opvaren, in den regentijd 
van den westmoesson tot Dj epoe. Rivierprauwen varen tot Ngawi 
en hooger. Het grootst in aantal zijn de kleine passerprauwen 
voor het marktverkeer en de visschersbootjes. De vlotvaart van 
hout uit de djatibosschen, vooral ten N. der rivier, is aanzienlijk. 

De Brantas Kali-Brantas °f Rivier van Kediri 

is na de Solo de grootste op Java. Zij ontspringt op de 
zuidhelling van den G. Ardjoeno, buigt in een bijna cirkelvormigen 
boog om den 6. Kawi, vervolgens ten Z. langs den G. Kloet, 
om tusschen dezen en den G. Wilis het breede dal naar bet N.0. 
te volgen, en vóór het Middelste Kalksteengeb. zich om te buigen 
naar het oosten. Beneden Modjokerto begint de deltavorming. 
Iets verder benedenwaarts, bij Melirip, verdeelt de rivier zich 
in twee hoofdarmen, een noordelijke, de Kali-Mas, die naar 
Soerabaja stroomt, en de oostelijke, de Kali-Porong. De eerste 
is enkel voor prauwen bevaarbaar, de laatste is de belangrijkste 
mond geworden. Het deltagebied tusschen deze beide monden 
vormt een der best bevloeide streken van Java. De Kali-Brantas 
is alleen in den benedenloop bevaArbaar, doch zij is van belang, 
omdat de verkeerswegen (ook de spoorweg) langs de rivier loopen. 

In het smallere gedeelte van Oost- Java wordt de toestand 
weer anders. Terwijl in het breede gedeelte de waterscheiding 
tusschen noord en zuid bijna geheel aan de zuidkust ligt iu 
het Zuidergebergte, verschuift die in het smalle deel weer naar 
het midden, en stroomen de rivieren van hier naar beide kusten, 
evenals in Midden-Java, en tevens naar het oosten naar Straat- 
Bali. Bevaarbare waterwegen zijn hier de rivieren echter niet, 



Digitized by Google 



153 

maar zg wijzen door de dalen de routes aan, die de landwegen 
volgen. Langs de rivieren vindt men hier dan ook onderscheidene 
vlakten, die voor tal van cultures beteekenis hebben, en 
thans door spoorwegen met de noordkust verbonden worden. 
Want al dringen de cultuurondernemingen tot ver naar de zuid- 
kust door, de zuidkust zelf blijft gesloten voor het verkeer, en 
alle beweging gaat uit van het noorden en het oosten. 

De orographie van het breede en van het smalle Oost- Java ver- 
schilt aldus in het oog vallend. In het breede Oost-Java vindt men 
tusschen de vulkanen, als van Merbaboe— Merapi tot de Lawoe, 
van Lawoe tot Wilis, en van deze tot den Kloet, breede dalvlakten 
opengelaten, die met Diluvium zijn aangevuld en waardoor de Solo, 
de rivier van Madioen en de Brantas naar het noorden stroo- 
men, om vervolgens in het gebied der Kalksteengebergten zich 
naar het Oosten om te buigen. In het smalle gedeelte sluiten 
zich de vulkanen, te beginnen bij den Kloet, door hun breede 
voetstukken dichter bij elkander aan, enkel hoogere vlakten 
open latend, van vulkanisch materiaal gevormd. Een dergelijk 
terrein vormt in de eerste plaats de vruchtbare hoogvlakte van 
Malang aan de boven-Brantas in het midden van Pasoeroean, 
die bij Singosari aan den voet van den Kawi + 500 M. hoog 
is, flauw hellend daalt tot 440 M. bij Malang, tot 335 M. bij 
Kepandjen en tot ± 320 M. aan den voet van het Zuidergebergte. 
Hier vindt men reeds de waterscheiding in het midden des lands, 
zoodat de Brantas zich eerst naar het zuiden moet richten, om 
vervolgens verder westelijk tusschen de bergen Kloet en Wilis 
door te stroomen naar het noorden. Ten westen van de vlakte van 
Malang verheffen zich de vulkanen Kawi (2860 M.) met G. Boetak 
(2868 M.) en 6. Ardjoeno (3330 M.); verder W. de Kloet (1731 M.) 
en ten oosten de Tengger (2720 M.) met den G. Bronio (2290 M.) 
en den Smeroe verder zuidelijk (3676 M.) 



Wy moeten in enkele woorden iets naders medodeolen om- 
en^merof^ * ren ^ dit merkwaardig gebergte. De Tengger vormt het ring- 
wal-type van een vulkaan met afgeknotten kegel, waarschijnlijk 
gevormd door instorting van bet bovendeel van een regelmatigen kegel. De 
binnenkant van dien ringwal heeft een elliptische gedaante; de lengteas, die 
ruim twee uren lang is, loopt naar het N.O., en de breedte bedraagt l/' 3 uur gaans. 
Een dwarsdam, „Tjemoro lawang", verdeelt de door den ringwal ingesloten ruimte 



Digitized by Google 



154 



in twee deelen. Het Z.W. gedeelte vormt een geweldige aloenaloen met bijna 
horizontalen bodem, de bekende „Zandzee", door de Javanen Dasar, d. i. vlakte, 
genoemd, bedekt met donkergrijs vulkanisch zand, waaruit in het midden lava- 
klippen steken. In den drogen tijd vindt men hier woestvjnverschUnselen, de 
vorming van kleine duinen. Uit de Zandzee verheft zich een groep nieuwere 
kegels, waarvan de Bromo alleen werkend is. De Bromo, de kleinste, laagste 
en noordelijkste van de kegels in de Zandzee, heeft den kraterrand tot de hoogte 
b\]na van 2300 M. boven de zee en 200 M. boven de Dasar ; de krater is trechter- 
vormig en z\jn bovenste, scherp toeloopende rand heeft een middellijn van 600 M. 
De ligging en de gemakkelijke beklimbaarheid hebben gemaakt, dat de vulkanische 
werkingen van den Bromo herhaaldelijk zijn bestudeerd. De Bromo (= Brahma) 
wordt door de Hindoesche Tenggereezen als heilig beschouwd. 

Ten O. van den dwarsdam, die 100 - 160 M. boven de Zandzee verrijst, 
vormt het terrein binnen den ringwal het ketelland van Wonosari, naar 'tN.O. 
dalend, van ravijnen doorploegd, en in het N.O. geopend naar bet doorbrekings- 
dal van Sapikerep, waardoor de weg van Soekapoera naar Probolinggo loopt. 
De kraterwanden verheffen zich tot 600 a 800 M. zeer steil boven den ketel. 

De buitenhelling van den Tengger wordt met een gordel van koffietuinen 
omringd, die meestal tot 1400 a 1500 M. hoogte gaan, en hier en daar dalen 
tot 600 M. Boven de koffietuinen vindt men groote wildhoutbosschen, en nog 
hooger strekken zich de tjemara-bosBchen uit, voor Oost-Java zoo eigenaardig 
(zie I pag. 221). Vele wouden werden gekapt door de Tenggereezen, die hier 
een eigenaardige bevolking uitmaken (zie II, pag. 77). Op de hellingen van 
den Tengger vindt men ook aanzienlijke terreinen bedekt met maïs, aardappelen, 
Europeesche groenten. 

Op het Tengger-geb. is, ter hoogte van 1777 M. boven de zee, te midden 
van een drogen, zandachtigen aschgrond, een sanatorium gebouwd,* dat zeer 
gunstig bekend staat. De gemiddelde temperatuur bedraagt er 17° C, met ge- 
ringe dageiyksche schommelingen, die gemiddeld 8° bedragen, terwijl er ge- 
middeld 1872 m.M. regen valt. De geheele Boven-Tengger wordt als de eenige 
streek van Java genoemd, die geheel vrij »s van malaria, terwijl beri-beri, cholera 
en dysenterie er nog niet voorkwamen. Ook al wordt de plaats van het sana- 
torium niet de gunstigste geacht op den Tengger, toch moeten er 98°/, der 
zieken, die aan ernstige malaria hjden, geneden. 

De Smeroe, welks fraaie, regelmatige kegelfiguur zich ten zuiden van den 
Tengger verheft, is een nog werkende vulkaan, en de hoogste berg van Java 
(3676 M.). In het zuiden wordt de voet van den Smeroe tot op 600 M. hoogte 
omzoomd door het Tertiaire Zuiderkalkgebergte, en in het Zuidoosten daalt het 
gebergte regelmatig glooiend af naar de diluviale laagvlakte van Loemadjang 
(52 M. hoog), welke door de Kali-Bondo joedo iu een zuidelijke richting doorstroomd 
wordt. Aan de oostzijde wordt de regelmatige kegelvorm bijna niet afgebroken, 
aan de overige zijden wel. De ravijnen bereiken ook aan de oostzijde met de 
diepte als aan de andere zijden van den berg. Aan den noordkant verheft de 
berg zich niet meer dan 1000 M. boven het zadel met den Kepala, die tot het 
Ajeg-Ajeg-Djambangangeb. behoort, en in het Z.W. ligt tusschen den voet van 



155 



den berg en het Zuidergebergte een klein vruchtbaar hooglandje van 500 - 550 M., 
waarop de koffielanden Kali Bakar en Soeka Rame liggen. De Smeroe be- 
hoort nog tot de werkzaamste vulkanen van Java, die bijna eiken dag eenige 
malen een zware rook- en aschkolom uitstoot, met een aantal steenen vermengd, 
terwijl grootere ascherupties de hellingen van tijd tot tijd met een dunne asch- 
laag bedekken, voornamelijk aan de z\)de van Malang. Zy komen meest voor 
in den regentijd en in dat seizoen wordt ook het meeste zand door de lahars 
naar het O. en Z. afgevoerd. De Smeroe heeft twee toppen; de hoogste is Ma- 
hameroe (3676 M.) met een effen topvlak van 300 M. lang en 200 M. breed ; een 
paar honderd meter ten Z.O. daarvan verheft zich de steile, sikkelvormige 
Smeroe (3635 M.). Vlak ten Z. daarvan ligt het werkende eruptiepunt Djonggring 
seloko, waaruit nog in 1885 een lavastroom is gevloeid, en dat voortdurend 
werkt. In 1895, werd hier de oostwand nog weggeduwd door den druk der lava, 
die uit den krater stroomde. 

De Smeroe is met een gordel van koffietuinen omringd, in het W. voor 
de Gouvernementscultuur, in het Z.W. en Z.O. op ertpachtsperceelen. Daarboven 
vindt men wouden, van 600 - 1000 M. hoogte goheele bosscben van bamboe, 
en verder loofwoud, waaronder vele eiken, terwijl casuarinen de hoogste wouden 
uitmaken. Aan de noordzijde gaat het bosch het hoogst tot 3000 M. aan andere 
zijden tot 2700 M. Daarboven verheft zich de kale top van den berg, een gladde 
donkergrijze kegel met een helling van 30°, bestaande uit vulkanisch zand met 
steenen vermengd, die blinkend wit gebleekt, scherp afsteken b\] het zwart- 
achtige zand. 

Vervolg van 

Ten oosten van deze vulkanen vormt een smallere 
het overzicht. ra g de waterscheiding tusschen twee vlakten, die 
van beide zijden, N. en Z., in het land doordringen. De vlakte 
van Pasoeroean strekt zich langs de geheele noordkust dier 
residentie uit en hangt oostelijk met die van Probolinggo, 
westelijk met die van Soerabaja samen. Die vlakte bestaat 
boven de hoogtelijn van 10 M. geheel uit vulkanisch materiaal 
van den Penanggoengan, den Ardjoeno en den Tengger, welker 
flauw hellende voeten eigenlijk de vlakte vormen. De grens 
van het vlakkere terrein tot den vulkaanvoet ligt op enkele 
plaatsen 100 M. hoog, op andere punten lager. Beneden 10 M. 
ligt aan de kust een strook alluviaal zand en zeeklei, zonder 
dat een grens te trekken is tusschen de recente en oude quar- 
taire afzettingen der vlakte. Het jongste gedeelte der kustvlakte 
ligt niet meer dan 1 a 2 M. boven laagwater, iets beneden 
hoogwaterpeii, en wordt gebruikt voor vischvijvers. De vlakte 
van Pasoeroean vormt een vruchtbaar gebied, en maakt dit 
gewest tot een der welvarendste van Java. De rijstteelt staat 



156 



hier op hoogen trap: koffie, suiker en indigo zijn er produkten 
der cultuur. 

De zuidelijke vlakte is die van Loemadjang, reeds boven 
genoemd, welke vooral dient voor tabaksteelt, zoowel op erf- 
pachtperceelen als door de bevolking zelf, terwijl hoogerop 
de koffieteelt toeneemt. Een spoorweg loopt over den rug van 
Probolinggo tot Pasirian, niet ver van de zuidkust. 

In genoemden rug verheft zich deG. Lamongan (1636 M.), 
een der kleinste vulkanen van Java, doch die voortdurend werk- 
zaam is. Hij bestaat uit een ouder gedeelte, Taroeb (1670 M.) 
met ingestorten krater, en een jonger gedeelte ten W. daarvan, 
den eigenlijken Lamongan, die boven 700 M. geheel kaal is De 
vulkaan is door Frnnema uitvoerig beschreven (Jaarb. v. h. 
Mijnwezen 1886) en als merkwaardigheid valt hierbij te wijzen op 
het groot aantal meertjes en kratertjes, die hij bevat; door 
Fennema. worden 50 eruptiepunten opgegeven, welke somtijds 
droog zijn en dan weer met water gevuld. 

Verder oostelijk verheft zich het Jang-geb. of Ajang- 
geb., een tamelijk lange bergketen, in den G. Argopoero 3086 M. 
hoog. Na een lage (340 M.) zadelvormige inzinking, die toch nog 
een waterscheiding vormt, maar gelegenheid aanbood voor den 
spoorweg langs Bondowoso naar de noordkust, verrijst verder 
de oostelijke vulkaanmassa, het Idjen-geb. Bij dit gebergte 
moeten weer onderscheiden «worden de oude Idjen-kegel, welks 
top is ingestort, en een aantal jongere eruptiepunten, die later 
zoowel binnen als buiten het ingestorte terrein op dezen vulkaan 
zijn ontstaan. Daartoe behooren vooral de G. Me ra pi (2799 M.) 
aan de oost- en de G. Raoen (3330 M.) aan de Zuidwestzijde, 
die met hun mantels de oude Idjenprodukten aan die zijden 
overdekken, terwijl deze aan de N. en N. W. zijde nog zichtbaar 
gebleven zijn. De Idjen vormde oorspronkelijk een machtigen, 
waarschijnlijk meer dan 3000 M. hoogen kegel, welke zich wes- 
telijk uitstrekte tot den voet van het Jang-geb. Van den ouden 
Idjen is de top ingestort; van den daarbij ge vormden, nagenoeg 
cirkelvormigen kraterrand is het noordelijk gedeelte, Kendeng, 
nog voorhanden. Die rand maakt deel uit van een cirkel met 
8K.M. straal of 16 K.M. middellijn, en heeft nog toppen, die 
tot 1998 M. hoogte gaan. Van het zuidelijk gedeelte van den 



157 

kraterrand is niet veel te herkennen. De bodem van de ingestorte 
ruimte, de eigenlijke kraterbodem van den ouden Idjen, is bijna 
overal door jongere eruptieprodukten bedekt, en alleen aan de 
noordzijde is die bodem nog te zien, bestaande uit een los, fijn, 
licht grijsgeel, kleiachtig zand, dat in drogen toestand veel stof 
verspreidt. De Kendeng-rug is niet alleen een van de grootste 
maar aan de binnenzijde ook een van de hoogste en steilste 
kraterwanden van Java. Als eruptiepunten van den ouden Idjen- 
krater hebben zich gevormd: de Merapi, de oostelijkste, (2800 M.), 
en hierbij de Kawah-Idjen, veel lager, met nog werkzamen 
krater, die door een meer wordt ingenomen, op welks zouthoudend 
water fijn verdeelde zwavel drijft, enz. Verbeek beschrijft 22 
eruptiepunten. De hoogste isdeRaoen, een geweldige vulkaan- 
kegel van 3330 M. in den kraterrand, die mede behoort tot de 
hoogste punten van Java. Den krater van dezen berg noemt 
Verbeek wellicht den diepsten der aarde; den bodem vond hjj 
(630 Meter) beneden het hoogste punt. 

Nog wjjzen wij ten slotte op den Ringgit-vulkaan, ten 
0. van Bezoeki op de noordkust, een allermerkwaardigst voor- 
beeld van een oude vulkaanrulne, met een vorm, zooals er op Java 
geen tweede voorbeeld bestaat. Het geheel is een steile graat 
met 5 spitse toppen, waarvan de hoogste den naam van Ringgit 
draagt, die 1250M. hoog is. Verbeek ziet hierin den centralen 
kegel van een vroegeren vulkaan met 21 K.M. middellijn (zie T, 
pag. 94), waarvan het grootste gedeelte is verdwenen, gedeel- 
telijk onder de zee. 

De 6. Bal oer an is de oostelijkste vulkaan van Java, in 
het N.0. van het eiland, 1292 M. hoog. 

Wij mochten in het bovenstaande niet meer dan enkele 
algemeene grepen doen uit de bijzonderheden der natuurlijke 
gesteldheid van den bodem van Oost- Java; voor een volledige 
beschrijving zouden wij over te veel ruimte moeten beschikken. 

De stambevolking van Oost-Java behoort tot de Javanen 
(II pag. 69 enz.). Doch wij hebben er reeds op gewezen, dat de 
Madoereezen hier meer en meer door immigratie een plaats 
weten te verwerven. In de stad Soerabaja en in vele desa's van 
dit gebied, in Pasoeroean en Bezoeki hebben zich vele Madoe- 



Digitized by Google 



158 



reezen gevestigd tusschen de Javanen. In Oost-Java dringen 
de Madoereezeu als een wig de Javaansche desa binnen ; zij zijn 
eerst koelies op landbouwondernemingen of handelaars, en weten 
langzamerhand door vlijt en spaarzaamheid in het bezit te komen 
van de gronden. 

De produkten des lands voor den handel verschillen in 
Oost-Java nogal van het westen. In het 0. zijn suikerriet, tabak 
en indigo de hoofdprodukten voor den handel geworden, daar- 
naast komen nog voor : cacao, kina en koffie. Wij hebben er reeds 
op gewezen, dat onderscheidene cultures naar het Oosten ver- 
plaatst zijn, zoodat Oost-Java in economische beteekenis sterk 
is toegenomen en de vroegere plaats van het westen heeft in- 
genomen. De inlandsche bevolking vindt haar bestaan hoofd- 
zakelijk in den rijstbouw, den kleinhandel, de vischteelt in 
vijvers langs de kust en in het beoefenen van eenige takken 
van nijverheid, vooral in de steden en in het werken op de 
cultuurondernemingen. Ook vindt men in het Oosten uitgestrekte 
djatibosschen, welke in exploitatie zijn. Verder levert de bodem 
petroleum (ten N.0. der spoorweghalte Waroe, op de grens der 
afdeelingen Soerabaja en Sidoardjo), jodium en zwavel. 

De administratieve deelen van Oost-Java zijn de residenties: 
Rembang, Soerabaja, Pasoeroean, Bezoeki, Kediri, 
Madioen, Madoera en de Vorstenlanden: Djokjo- 
karta en Soerakarta. 



Lan de kust ^ an noor( l^ ust van het breede Oost-Java 
ligt ten 0. van Rembang, dat wij reeds noemden, 
(II pag. 149) nog Toeban, de hoofdplaats der afdeeling van 
dien naam, die behalve door eenige knstschoeuers zelden door 
schepen bezocht wordt. Buiten enkele kampongs vindt men aan 
deze kust geen nederzettingen. 

Bij hoek Pangka ligt de kampong Oedjoeng-Pangka, 
met enkele steenen huizen tusschen de klapperboomen, ten W. 
van de uitmonding der Solo, achter een smalle st randkust, uit zand 
en koraal bestaande, met strandrif er voor ter breedte van 100 M. 

Een weinig oostelijker komt men in het vaarwater van Soera- 
baja, het zoogenaamde West gat, hetwelk de westkust van 
Madoera van Java scheidt, en dat van het N. zich trechtervormig 



Digitized by Google 



159 



opent, evenals naar het Z.0. naar de Straat van Madoera met 
het Oostgat het geval is. Deze laatste toegang heeft meer speciaal 
ook den naam van de Trechter. 

De N.0. kust van Java naar den kant van Madoera heeft 
in den loop der eeuwen aanzienlijken aanwas van land gehad 
door de slibmassa's, welke Solo en Brantas hier aanvoerden. 
Kleine eilandjes, welke vroeger in de zeestraat lagen, zijn door 
aanslibbing met het land verbonden. Het eilandje Saoe lag in 
de 17 do eeuw hier nog in het midden der straat, even ver van 
de kust van Java als van die van Madoera verwijderd, doch 
in het begin der 19 do eeuw was het slechts door een smalle 
geul van Java gescheiden, waarmede het thans is vereenigd, 
zoodat het een uitstekenden hoek vormt, met bamboe begroeid, 
die de grootste versmalling der zeestraat, het Nauw van 
Menari, doet ontstaan. 

De aanzienlijke aanslibbing zou echter nog grooter zijn, 
en de vaarwaters van Soerabaja zouden sinds lang niet meer 
bestaan, als er geen krachtige getijdenstroomen waren, welke 
medewerken om de vaargeulen op de diepte te houden. In het 
Westgat zijn de getijdengolven, die eens per dag hoog en 
laagwater geven, overheerschend, terwijl in het breede gedeelte 
van Straat Madoera en te Soerabaja de dubbeldaagsche ge- 
tijden de voornaamste rol spelen, die noordelijker in belang- 
rijkheid afnemen, en by Sembilangan geheel verdwijnen. De ge- 
tij denstroomingen uit de straat hebben dus een dubbeldaagsche 
beweging, en zetten die verder noordelijk voort, zoodat bij laatst- 
genoemde plaats en noordelijker tweemaal daags een kentering 
merkbaar is. Deze eigenaardigheden van de getijden verschijnselen 
in de Straat van Soerabaja worden verklaard als interferentie- 
verschijnselen van de getijregimes aan beide uiteinden, gewijzigd 
door locale invloeden. ') De getijdenstroomen in de straat van 
Madoera zijn een gevolg van de dubbeldaagsche getijden, 
die van het O. de straat binnenloopen, en welke in het vernauwde 
gedeelte der straat, evenals in riviermonden, het water op- 
stuwen, om dat opgestuwde water vervolgeus als eenebstroom 
weder te doen terug loopen. Het water, dat tweemaal per dag als 



1) Zie het Verslag van de Commissie ran advies nopens de werken in do Solo-Tallei 1900. 



1 60 



getijgolf opstuwt, brengt ook tweemaal per dag een stroom- 
kentering tot stand, en die stroomen oefenen een schurende 
werking uit in de Straat van Madoera, welke het slib van de 
banken medevoert. Door deze strooraen kan de Brantas, die langs 
de Porong-mondingen ongeveer juist in de hoofdrichting der uit 
het oosten komende getij stroomingen in Straat Madoera uit- 
watert, geen eigen delta bouwen. Bij vloed worden haar slib- 
houdende wateren in hun afstrooming belemmerd en gedreven 
naar het Oostgat, en bij eb werden zij door de spuiing van den 
getijdenstroom daaruit medegevoerd. ') 

De lage, aangeslibde N.O. kust van Java langs het vaarwater 
van Soerabaja is met viseh vijvers omzoomd, terwijl het land- 
schap meestal met sawah's is overdekt en tal van dorpen over 
de velden verstrooid liggen. Aan den noordelijken ingang van de 
straat ligt S i d aj o e met ruim 1 1 000 inwoners, meest Inlanders, 
die hoofdzakelijk leven van de visch vangst, den handel en de 
teelt van rijst en mals op de aangeslibde gronden, welke er 
goede oogsten geven. 

Ten Z. van den Solo-mond ligt Grissee (Gresik of 
Tandes) aan den grooten weg langs Java's noordkust, met 
25 650 inw. (waarvan 1780 Chin., 1260 Arab. 130 Europ.) 
Vroeger had Grissee een druk bezochte reede en een levendigen 
handel ; thans wordt de plaats enkel bezocht door eenige kust- 
vaarders (in 1902 kwamen er 35 schepen aan) en de handel 
ging achteruit, terwijl de plaats in verval is. Hier landde de 
eerste verkondiger van den Islam Maolana Malik Ibbahim, wiens 
goed onderhouden praalgraf nog zeer in eere wordt gehouden. 

Soerabaia 1)6 plaats ' waar de ku8t v ö rvol & ens lan £8 aen noordelijken mond 
der Brantasrivier een aanwas Daar het oosten heeft ontvangen, 
zoodat een naar het N.O. geopende ruime bocht gevormd wordt, die juist aan 
dien kant beschutting ontvangt door den westelijken uithoek van het eiland 
Madoera, was door de natuur aangewezen tot een veilige reede. Bü den N.W. 
moesson wordt deze reede beschut door de kust van Noord- Java, bh" den Z.O.- 
moesson (passaat) door het uitstekende gedeelte van Oost-Java, en ook Madoera 



1) De Metier ia genoemd verslag 319. Zie ook diens beschouwiogen aldaar over het 
ontstaan der gotijdenstroomen in deze straat. Verder behandelde voor kort Dr. F. Tollenaar 
dit onderworp : De getijbewegingen in Straat Soerabaja verklaard uit de theorie der lange golven. 
(De Ingenieur 1905 N°. 22.) 



lfil 



bracht het zyne by, om by N.O. winden den golfslag te breken. Daardoor zyn 
weinig natuurlijke havens op Java zoo veilig voor schepen by alle winden, en de 
plek was aangewezen tot het ontstaan van een belangryke nederzetting aan deze 
reede. Genoemde natuurlyke voordeelen werden nog vermeerderd door de uit- 
monding van een bevaarbare rivier, de Brantas, en door de nabijheid van een andere 
riviermonding, nl. der Solo, welke beide met hun waterwegen den toegang 
openden tot een uitgestrekt vruchtbaar en dicht bewoond achterland, dat een 
grooten rykdom aan handelsprodukten van allerlei aard levert. Al die factoren 
werkten samen, om in den tyd, toen de cultures en de handel in Indië hun 
vrye ontwikkeling hadden, en de landbouwondernemingen meer naar het oosten 
verschoven werden, aan den mond der Kali-Mas uit de nederzotting Soerabaja 
een belangryke stad te doen groeien, die niet alleen de meest bevolkte neder- 
zetting, maar ook de belangrykste handelsstad uit geheel Nederlandscb Indië is 
geworden. Omstreeks 1850 telde Soerabaja ± 60 000 zielen, en in 1900 was 
dat aantal toegenomen tot 146944, waarvan 13 035 Chineezen, 8906 Europeanen, 
2790 Arabieren en 326 andere vreemde Oosterlingen. In de laatste halve oeuw 
is aldus Soerabaja snel toegenomen en opmerkeiyk is ook de sterke toeneming van 
het aantal Europeanen, dat in 1850 ongeveer 2350 bedroeg. In de jaren van 
1895 tot 1900 nam het Europeesche element met zt. 2000 zielen toe, een ver- 
schjjnsel, dat wyst op de toenemende beteeken is der stad voor den groothandel 
en de nyverheid, omdat alleen daardoor toeneming der overigens niet stand- 
vastige Europeesche elementen kon ontstaan. 

De stichting van Soerabaja wordt toegeschreven aan Raden Rachmat of 
Soenan Ngampel, zoo genoemd naar de thans nog bestaande kampong Ampel, 
waar deze Mohammedaan zich vestigde en een moskee bouwde, die het middel- 
punt der stad werd. Dit geschiedde in de laatste helft der 15de eeuw. Door de 
gunstige ligging aan zee en aan de rivier de Kali-Mas kwam de stad spoedig 
tot bloei onder haar regenten, die leenvorsten werden van Demak en later aan 
Mataram ondergeschikt werden. In 1743 werd het regentschap door den vorst 
van Mataram afgestaan aan de Ned. O. I. Compagnie, en Soerabaja was sedert 
dien tyd de zetel van den gezaghebber van Java's Oosthoek. 

Soerabaja, zoo gunstig gelegen aan de zeestraat, beschouwde men vroeger 
als van groot belang voor de verdediging van Oost-Java tegen een buitenland- 
schen vyand. Daarom werden plannen ontworpen Soerabaja tot een vesting te 
maken, en in 1835 kwamen die grooten deels tot uitvoering. Aan de zuid- en 
westzyde der stad werden wallen opgeworpen en op den oosteiyken oever der 
Kali-Mas werd de citadel Prins Hendrik gebouwd. De vestingwerken zyn echter 
nooit voltooid geworden en werden later weer geslecht, zoodat er thans weinig 
van over is; ook het fort Prins Hendrik is als zoodanig opgeheven. 

De stad is gebouwd aan de Kali-Mas en aan de Kali Pegirian, die zich in 
de bovenstad van de Kali-Mas afscheidt en aan de oostzyde der stad evonwydig 
aan eerstgenoemden arm naar zee stroomt. Tusschon de monden van beide 
rivieren aan de Oedjoeng ligt het marine etablissement, bestaande uit een ruim 
bassin met dryvend dok, werkplaatsen, sleephellingen, magazynen en woningen 
voor het personeel, sedert 1891 een fabriek voor de marine en het stoomwezen. 
II ll 



162 



Het noordelijke, aan zee grenzende gedeelte van den westelijken oever der Kali- 
Mas is moerassig en onbewoond, een kleine kampong uitgezonderd. Landwaarts 
in vindt uien een kleine scheepstimmerwerf, een kruithuis en tal van pakhuizen 
voor suiker, koffie, petroleum enz. 

Soerabaja strekt zich hoofdzakelijk in de lengte aan beide zijden der Kali- 
Mas uit, en deze verdeelt haar in een O. en W. gedeelte, terwijl de groote post- 
weg, dio de rivier door de Roode brug overgaat, haar in een N. en Z. gedeelte 
splitst. Deze Roode brug ligt in het midden der stad; hier vindt men het cen- 
trum van het oude Soerabaja, van Hollandschen bouw. Men ziet hier het residentie- 
kantoor te midden van Europeesche woonhuizen, kantoren, toko's, scholen en 
kerken, de sociëteit Concordia enz. 

Soerabaja is zoowel fabrieks- als handelsstad ; behalve bet Marine-etablisse- 
ment vindt men er den artillerie-constructiewinkel en de pyrotechnische werk- 
plaats, fabrieken van stoom- en andere werktuigen aan de beide oevers der 
Kali-Mas, de werven van het nieuwe prauwenveer aan de Pegirian en die van 
het particulier prauwenveer aan den westoever der Kali-Mas, waar ook suiker, 
koffie- en petroleumpakhuizen en een stoomkoffiepellerij gevonden worden. Het 
Chineesche kamp bereikt men over de Roode brug naar het O. gaande, langs 
den O. oever der Kali-Mas. Men vindt daar een aantal goedgebouwde steenen 
huizen, drie groote pasars, Chineesche toko's, een Chineeschen tempel. Het Ma- 
leische kamp behoort gedeeltelijk tot de Chineesche wijk, gedeeltelijk tot de 
gemengde wijken voor Inlanders, Arabieren enz.; hier ligt de pasar Pabean, de 
grootste van Soerabaja. Voor Mooren, Rengaleezen en Arabieren zijn geen af- 
zonderlijke wijken aangewezen; zij wonen door elkander in de zoogen. Ara- 
bische wijken aan beide oevers van de Pegirianrivier, waar thans ook de Chi- 
neeten een wijk bewonen en de groote pasar Kapasan is gelegen. In de wijken 
der vreemde Oosterlingen wonen ook vele Inlanders, die er verschillende takken 
van nijverheid uitoefenen, als het maken van aarden vaatwerk, het bewerken 
van koper enz. De welvarende kampong Ampel, de oorsprong der stad, ligt midden 
in de Arabische wijk ; hier verheft zich de oude moskee met haar hooge minaret, 
en ten N. daarvan, op de Javaansche begraafplaats, ligt het graf van Raden 
Rachmat, den stichter der stad. Een fraaie, nieuwe moskee is in 1868 gebouwd. 

Ten Z. der stad zijn nieuwe Europeesche wijken aangelegd. By het Plein 
voor het Paleis van Justitie begint de eigenlijke nieuwe stad. Ongeveer in het 
midden van de stad staat het station van den Staatsspoorweg in het nieuwe 
gedeelte, bijna geheel ingenomen door woonhuizen en villa's van Europeanen, 
hotels enz. met nog kampongs der Inlanders er tusschen. Een der voornaamste 
Europeesche wijken is de w\jk Simpang. De residentiewoning is een der aan- 
zienlijkste gebouwen in dit gedeelte der stad; hier ziet men ook het flink in- 
gerichte Militaire hospitaal. 

Op de reede van Soerabaja heerscht een druk verkeer van stoom- en zeil- 
schepen, ook van oorlogsbodems, en daar tusschen bewegen zich talrijke kleine 
stoom-, zeil- en roeiboot en, die passagiers en kleingoederen vervoeren, en go~ 
heele vloten van prauwen, die de Kali-Mas afkomen, met hun koopwaren, of 
deze opvaren tot den „kleinen boom", het tolkantoor, of tot de spoorweghalte 



Digitized by Google 



1G3 



Kati-Mas. De scheepvaart neemt hier toe. Terwijl er in 1875 werden uitgeklaard 
528 geladen stoom- en zeilschepen met totaal 205 500 M' inhoud, werden in 1902 
uitgeklaard 111 geladen stoom- en zeilschepen met 304100 M* inhoud. DaarbU kwa- 
men voor 1902 nog 344 geladen kustvaartuigen, die van hier vertrokken met 
443 966 M 5 inhoud. De kustvaart heeft hoofdzakelijk plaats met de Zuider- en Ooster 
Afd. van Borneo, Makassar, Celebes en Onderh., Sumatra, KI. Soenda-eil., Oost-Java 
enz. Men heeft plannen voor het bouwen van een kunstmatige haven. (N.B. De 
uitklaring is niet de scheepvaart. Zie II pag. 12). 

In 1901 kwamen aan de reede van Soerabaja 717 stoomschepen en 69 
zeilschepen. Van de stoomschepen waren er 288 van Ned. Indische, 217 van 
Engelsche, 112 van Nederl., 63 van Duitsche, 12 van Noorsche en 9 van Oosten- 
ryksche nationaliteit. Van de zeilschepen 56 van Ned. Indische, 5 van Ned. en 
5 van Engelsche (Versl. v. d. Handelavereen. over 1901). 

Gespecificeerd naar de verschillende maatschappijen vinden w\j als scheep- 
vaartverkeer' van Soerabaja (Versl. der Openb. Werken): 



Stoomachopen. 


Zoiltch. 


Totaal 


inhoud. 


JARKM. 


Kon. 
Paketv. 


Mij. 
Nederl. 


Mij. 
Hott. 
Lloyd. 


Diverse 

lijnen. 


Totaal. 


sant 

Zeilech 


Stoomsch. 
1000 ton. 


Z«U»ch. 
1000 ton. 


1899 














928,7 


51,5 


1900 










816 


96 


1043,2 


44.5 


1901 










768 


69 


1021,7 


37,4 


1002 


274 


51 


45 


422 


792 


58 


1060,9 


45,8 


1903 


302 


•52 


44 


430 


828 


46 


1143,7 


41,7 



De belangrijkste artikelen van uitvoer van Soerabaja naar Nederland be- 
droegen, volgens het Versl. der Handelsvereniging, in 1904 (1903) in kg.: 
Akarwangie (welriekende wortels van grassen tot het geslacht Andropogon, tot 
wering van insecten gebruikt) 7 276 (10 505), arak 148 438 (276 977). cacao 
142 311 (175 663), Cassiafistula 214 924 (407031), coprah 6342674 (4292868), 
djarakpitten 969 440 i769 152), foelie 229 (44), gora-damar 3 079 (24 378), getah- 
pertjah 341 (761), huiden 942 254 (996451), indigo 3973 (27 638), kaneel 9498 
(— ), kapok 1291625 (1711804), kapokpitten 613 389 (869 818), katjangolie 
1530 431 (1082 606), katoen, ruwe. 200 705 (-), kinabast 78 354 (89 959), 
koffie in hoornschil 1 167 552 (3 013 434), koffie, bereid, 3 304 570 (5 930 261), 
koffie, glondongan — (111558), kolapitten 741 ( — ), kruidnagelen 556 (-), 
mals 10632 519 (-), meel, tapioca 12 990 988 (5 914 803), pinangnoten 
590 904 (340 361), notenmuskaat 493 (261), peper, zwarte, 123 620 (591 460), 
id. witte 158 376 (-), peper, staart — (989), rotting 261489 (404290). suiker 
378 814 264 (330 143 588), tabak 8 291 052 (6 113 104), thee 317 (1 790), va- 
nille 125 (-), vellen 64 246 (90668), vezels 192 456 (341258). 



164 



Vervolg der De zui dkust van de Straat van Madoera volgend, 
kustbeschry- verrijst op een kustvlakte (Zie II, pag. 155) het 
nlSzettinlen eerst Pasoeroean (totaal 27152 inw., waarv. 2495 
aan de kust. Chineezen, 663 Europ , 213 Arab.), de hoofdplaats 
der residentie van dien naam, een der vruchtbaarste en wel- 
varendste gewesten van Java. De rijstcultuur staat in dit ge- 
west op hoogen trap, de Gouvernem. koffiecultuur is hier nog 
altijd omvangrijker dan elders (zie II pag. 90), en de parti- 
culiere koffiecultuur is er sterk door toegenomen, terwijl er 
verder suikerriet (stekken) wordt geteeld. De meerdere dagen 
geheele droogte met den O. moesson (zie I, pag. 1 70 enz.) in Oost- 
Java maakt dit klimaat gunstiger voor de kofneteelt dan van 
de Preanger, waar tijdens den O. moesson de bloesems van de 
regenbuien lijden. 

Pasoeroean (ook Gembang en in het Hoog-Jav. Pasedahan 
geheeten), ligt aan een veilige reede, vooral bij den W. moesson. 
Het riviertje Kali-Gembang, dat de haven vormt, en door bag- 
geren op diepte gehouden wordt, kan men alleen met hoogwater 
binnenvaren ; bij laagwater is het niet mogelijk, zelfs niet met een 
tambangan, de droogloopende bank te passeeren. Prauwen, met 
een diepgang van 3 a 4 voet, kunnen gewoonlijk tweemaal per 
dag met den vloed naar buiten. 

De nederzetting Pasoeroean had in het begin der 16 dc 
eeuw al beteekenis als handelsplaats, was twee eeuwen later 
de hoofdplaats van het rijk van Soerapati. Voor een vijf-en- 
twintigtal jaren was Pasoeroean de vierde handelsstad in rang 
op Java, maar sedert de spoorweglij n Soerabaja — Malang in 
exploitatie is gekomen in 1882, is de handel van dit vruchtbare 
achterland onmiddellijk op Soerabaja gericht en in Pasoeroean 
verminderd. Men vindt er afscheep van koffie en suiker, en de 
visschersprauwen op de reede benevens andere vaartuigen, die 
handel drijven op Madoera, geven de plaats nog een zekere 
levendigheid, maar zij is op verre na niet meer die van voorheen. 
In 1902 werden er 29 schepen uitgeklaard, 182 460 M 3 inhoud. 
De bevolking is ook afgenomen (in 1882: 38 800, thans 27 152) 
en vele mooie heerenhuizen en villa's, die men vroeger in de 
hoofdstraat der Europeesche wijk zag, zijn thans vervallen, door 
Chineezen gekocht en slecht onderhouden. 



Digitizefl by Googl 



165 



Naar den landaard is de plaats verdeeld in wijken. De 
Chineesche wijk bestaat nog uit verscheiden straten met mooie 
huizen, vele volgens Europeesch model gebouwd. Rondom de 
Europeesche en Chineesche wijken liggen de kampongs van Ja- 
vanen eu Madoereezen, die tot aan het strand en de daarvoor 
gelegen vischvijvers doorloopen. Men vindt er een fraai resi- 
dentiehuis, een Prot. en een Kath. Kerk, een mesigit, een con- 
structiewinkel met ± 100 arbeiders. 

Verder ligt aan de kust Probolinggo (13 240 inw., 
waarvan 2390 Chin., 747 Europ., 349 Arabieren), aan het riviertje 
Banger, onder welken naam de plaats bij de Inlanders be- 
kend is. Zij is regelmatiger aangelegd dan de meeste plaatsen 
aan de noordkust en heeft met haar breede, elkander rechthoekig 
snijdende, goed beschaduwde wegen een vriendelijk en net voor- 
komen. De groote postweg, die de nederzetting van W.— O. 
doorsnijdt, is de belangrijkste straat; de Heerenstr., die 20 M. 
breed is, loopt van de vroegere resident s woning naar het Station. 
Aan deze straat verrijst ook de regentswoning met de aloen- 
aloen en de moskee. De haveninrichtingen bestaan uit een lang- 
werpig vierkant bassin met gemetselde kaden, waarlangs pak- 
huizen voor het opschuren van koffie, suiker en tabak. Dit bassin, 
hetwelk tot ligplaats van laadprauwen dient, is door een gegraven 
kanaal met de reede verbonden, en heeft een in zee uitgebouwd 
havenhoofd. Suiker-, tabaks- en koffie-onderneraingen, rijstbouw 
en vischvangst zjjn de hoofdbronnen van bestaan in dit gewest. 

Vervolgens liggen langs de afwisselend vlakke en hooge 
kust aan de straat van Madoera: Kraksaan, een ankerplaats, 
welke door vele schepen wordt bezocht om de produkten uit 
de omstreken te vervoeren; Bezoeki, een weinig belangrijke 
plaats, met niet veel vertier, ongeveer 5000 inw., en Panaroe- 
kan, een plaatsje aan den spoorweg uit het Z., belangrijk als 
afscheepplaats van gouvernementsprodukten en van particuliere 
koffie en kina en met handel op Madoera, waarheen van hier 
veel rijst wordt uitgevoerd. Aan de kust vindt men slechts 
een kampong en groote pakhuizen; daar het hier ongezond is, 
houden Europeanen verblijf in Sitoebondo, drie zeemijlen 
ten O. gelegen in het land, een welvarende plaats met ±5411 
inw. (waarvan 249 Chin. en 164 Europ.) 



166 



Nog vindt men onderscheidene kleine ankerplaatsjes aan 
de kust, die aangedaan worden om de produkten des lands af 
te voeren, en vervolgens komt men bij Kaap Sedano aan den 
N.0. hoek van Java, waar het vulkanisch Baloeran geb. den hoek- 
steen vormt. De kust buigt zich nu recht naar het Z., en een 
smalle zeestraat, Straat Bali, die in het noorden op het 
nauwste gedeelte slechts 1 zeemijl breed is, maar naar het Z. 
trechtervormig verwijdt, scheidt Java van Bali. In het nauwste 
gedeelte beweegt zich meest een hevige stroom, een gevolg van 
getijden- en driftstroomingen, in verband met den vorm der straat. 

De belangrijkste plaats aan deze kust is Banjoewangi, 
17540 inw. (waarv. 532 Chin., 532 Arab. 129 Europ.), fraai ge- 
legen dicht bij het nauwste gedeelte der Straat Bali aan 't eind 
van den spoorweg. Vroeger was hier een vrij levendig verkeer, 
wegens de vele zeilschepen, die er om verversching kwamen of 
om zich te doen rapporteeren. Thans wordt het nog aangedaan 
door enkele schepen, o. a. schepen van de Paketvaart Maatsch. 
De handel van Banjoewangi is van weinig beteekenis. Alleen 
de vlakte aan de oostkust van dit gewest is goed bebouwd, 
maar overigens is het land weinig bevolkt en de hier beproefde 
cultures van klappers en tabak gingen te niet. Eenige uitvoer 
van koffie, suiker en cacao. 

Van Straat Bali naar het westen, langs Java's zuidkust, 
vindt men bijna geen nederzettingen. De diepe zee op korten 
afstand der kust, welke geen ankergrond biedt, terwijl er in de 
ondiepere baaien veelal bij den O. moesson hooge deining en 
branding staat, de gesloten kust, waar de rivieren meestal door 
banken zijn afgesloten of door branding ontoegankelijk zijn, de 
steile bergranden, die aan de kust naderen en den toegang be- 
lemmeren, terwijl ook de kuststrook zeer weinig bewoond is, 
deze omstandigheden geven de zuidkust van Oost-Java geringe 
economische waarde. De baai van Patjitan zelfs, die 2 zeemijlen 
in het land dringt, hoewel bruikbaar wegens den ankergrond, 
biedt geen volkomen veilige ligplaats aan door de hier altijd 
hooge zuidelijke deining. Wij zullen ons daarom met verdere 
beschrijving niet bezighouden. 



167 



Verdere ne- Rembang is door de kalk gebergten, die het doorsnijden, over 

derzettingen 't geheel een schraal, droog gewest. Hoewel in de afdeellng Toe- 
in Oost-Java. ^ beter door bronnen besproeid en In het gebied van de 
Solo vruchtbaar, vormt Rembang toch een der minst bevoorrechte gedeelten 
van Java. Echter vindt men er uitgestrekte djati-bosschen, en verder levert het 
land rijst en klapperolie, terwijl de vischvangst voor de strandkampongs een 
bron van bostaan is. 

In de Afdeeling Blora, naby de grens van Semarang, vindt men modder- 
wellen, die soms heuvels van 10 voet vormen. Belangrijke nederzettingen vindt 
men hier niet. Rembang bespraken wij reeds (zie pag. 149). Acht palen ten 
O. hiervan ligt Lasem, een paar palen van het strand, grootendeels door 
Chineezen bewoond, waar de Inlanders vischvangst drijven. Vroeger was Lasem 
bekend door de scheepstimmerwerven, waarop groote schepen gebouwd werden, 
doch thans worden er enkel kleine vaartuigen, meest visschersprauwen, gebouwd. 
Verder zijn bekend de gebatikte kleedjes van Lasem, „kain I-Asem'* en de 
sigarenkokers en andere kleine voorwerpen van pauwenveeren, een industrie der 
Chineezen. 

Toeban (25 975 inw., waaronder 3600 Chin., 400 Arab. en 140 Europ.,) 
aan de kust, een welvarende plaats. Vroeger vond men hier een aanzienlijken 
handel, doch thans wordt de reede weinig door schepen bezocht. Merkwaardig 
zijn de zoetwaterbronnen aan de kust en zelfs in de zee, welke men bij eb uit 
het slib ziet opborrelen. 

Bodjonegoro met 15 600 inw. (waaronder 2040 Chin. 185 Europ.), aan de 
Solo, in het vruchtbaar gedeelte der residentie, met levendigen binnenlandschen 
handel. Blora 10927 inw. (waaronder 1440 Chin. en 93 Europ.) aan deLoesi- 
riv.; met groote djatibosschen in de nabijheid. 

II. Soerabqja (= moedig in 't gevaar), door Jav. uitgespr. Soerobojo, in 
't Hoog- Jav. Soeropringgo, grootendeels vlakte, en doorstroomd door Solo 
en Brantas, heeft over 't geheel een vruchtbaren bodem en een dichte bevolking, 
zoodat zü het belangrijkst gewest van Java uitmaakt. Rijstbouw, kleinhandel 
en vischteelt in vijvers langs de kust zijn de hoofdondernemingen der Inlanders, 
naast eenige nijverheid; koffie en suiker zijn belangrijke produkten voor de 
Europeesche markt, verder rijst, maïs. Daarenboven uitgestrekte djatibosschen, 
petroleumbronnen (Dordtsche Maatschappü). Soerabaja en Qrissee bespraken 
wij reeds (zie pag. 160). Sidoardjo (10207 inw., waarvan 1250 Chin., 185 
Europ ), ligt in het deltagebied der Brantas, die voor een groot gedeelte met 
suikerriet beplant wordt voor de fabrieken. Langs het strand wonen visschers 
en eigenaars van vischvijvers. De plaats heeft een drukken pasar. Bij de desa's 
Poeloengan en Ealanganjar liggen modderheuvels, waaruit gasbellen opstijgen. 
Lamongan (12433 inw. waarvan 290 Chin. en 21 Europ.) aan de Solo. Mod- 
jokerto (13 950 inw.), een welvarende stad. 

III. Pasoeroean, een meest bergachtig gewest, met een vlakte langs de 
noordkust en een effen terrein, de vlakte van Malang, in het midden, terwijl 
ook in het Z. enkele kleine vlakten liggen. De plaatsen aan de noordkust, 
Pasoeroean en Probolinggo, bespraken wij reeds (pag. 164). 



168 

Verder: Ban gil (14 500 inw., waaronder 819 Chin. 592 Arab. en 195 
Europ.), op het punt, waar de spooriynen naar Malang en Pasoeroean enz. samen- 
komen, in een gebied met veel suikerplantages en fabrieken en koffiecultuur. 
Vervolgens Malang (53 388 inw., waarv. 1403 Chin., 1187 Europ., 279 Arab.), in 
een vlakte gelegen op 443 M. hoogte, tusschen vulkanen ten O. en ten W., met 
heerlijk klimaat en schoone omstreken. In bet gebied van Malang ztfn meer 
dan elders vry willige koffleaanplantingen aangelegd door de bevolking, verder 
kinaplantages, suikerrietteelt enz. - Loemadjang (8370 inw.) met vrucht- 
bare omstreken, waar koffie, tabak en suiker geteeld wordt, en door den spoor- 
weg met de noordkust verbonden. 

IV. Bezoekt, met Bezoeki, Sitobondo, Banjoewangi (zie pag. 165). 
Djember, (5600 inw., waarv. 265 Chin. en 100 Europ.), veel koffieondernemingen 
op gepachte gronden, tabaksondernemingen en cultuur van suikerbibit. Bon- 
dowoso 8298 inw. (waarv. 781 Chin., 581 Arab , 123 Europ.), teelt van suiker- 
riet, -bibit en tabak. 

V. Kediri, een residentie, die hoofdzakelijk de vruchtbare vallei der boven- 
Brantas omvat, welko een afvoerweg vormt uil dit gewest, dat, met uitzondering 
van het Z.W. en N.ste gedeelte, zeer vruchtbaar is, en voor een groot gedeelte 
van levend water is voorzien. De Europeesohe landbouw is hier goed ontwikkeld ; 
suikerriet, koffie en indigo worden geteeld voor den handel en de inlandsche 
landbouw teelt er alle vruchten. 

Nederzettingen ztfn: Kediri (19 489 inw., waarv. 3132 Chin., 436 Europ.), 
aan beide oevers van de Brantas gelegen, beide deelen door een fraaie brug 
verbonden. Aan den rechteroever ligt de eigenlyke kota, waar Inlandsche en 
ook Europeesche wyken voorkomen, het Chineescbe kamp, en een merkwaardig 
monument, de „Astana gedong", een oude begraafplaats voor de regentenfamilie 
van Kediri. Men heeft er drukken handel en verkeer, zoowel door het spoor 
als door de op Soerabaja varende prauwen, die handelswaren aanvoeren, welke 
op de pasars verhandeld worden en landbouwprodukten afvoeren. Ook is 
de inlandsche ny verheid hier van beteekenis: goud en zilversmedery, koper- 
slagery, leer bewerking, pottenbakkery enz. Verder: Toeloengagoeng met 
14 390 inw. (waaronder 1776 Chin. en 180 Europ.). - Blitar 9590 inw., 
(waaronder 1450 Chin. en 400 Europ.) met koffieteelt. In 1875 heeft deze streek 
veel geleden door den moddervioed uit den Kloet, waaronder een deel van het 
gewest en ook de plaats werden bedolven. 

VI. Madioen is in het midden het vruchtbaarst door de vlakte aan de rivier 
van Madioen en Solo, terwyi ook in het zuidelyk gedeelte in het bergland 
goede gronden worden gevonden. Het noordeiyk gedeelte aan de grens van 
Rembang, met kalkgesteenten, is minder vruchtbaar. Landbouw is de hoofdbron 
van bestaan en in het zuiden ook vischvangst. De Europeesche landbouw heott 
er koffie-, suiker- en indigo-cultuur. 

De belangrykste nederzettingen zyn: Madioen (21168 inw., waarvan 
5129 Chin. 1973 Europ.), Ngawi (7558 inw.), waar de Solo door den middel- 
sten kalksteen-keten dringt. Ponorogo (16 760 inw.) 

Het bergachtige zuiden van Madioen, de afdeeling Patjitan, grenst met een 



Digitized by Google 



109 



kalksteengebergte aan zee, waarin druipsteengrotten en vogelnestklippen gevonden 
worden. Dicht by de grens van Solo vindt men de mooie druipsteengrot van 
Kalak en daarbü een 100 M. diepe spleet, die b\J helder weer geheel te door- 
zien is. Oostelijk van de hoofdplaats ligt de bezienswaardige druipsteengrot van 
Nimbang, waarin een beek ontspringt, terwtfl in den wand een soort nis met 
beeldje te zien is, door de natuur gevormd, op een Mariabeeldje geUjkend. 
De baai van Patjitan is in het zuiden de voornaamste inham en vormt een 
zakvormige inbuiging der kust, die zelfs voor de grootste schepen een veilige 
ligplaats biedt en waarin de rivier van Patjitan uitmondt, welke voor matig 
groote prauwen tot voorbty de stad Patjitan bevaarbaar is. Patjitan, dat meer 
in de vlakte ligt tusschen rijstvelden en boschjes, wordt aan drie zyden door 
gebergten ingesloten. Het is een plaats met 6630 inwoners, waarvan 218 Chin. 
en 36 Europ., niet ver van zee gelegen. Tusschen het strand en de plaats ligt 
een moerassige streek, waarin thans sawah's aangelegd z\jn. Van Patjitan voert 
een weg naar de desa K o e t j o e r , waar een lang los- en laadhoofd in de baai 
is uitgebouwd, omdat prauwen, die de vrachten der verderop liggende schepen 
lossen, niet door de branding kunnen komen. In de residentie wordt koffie ge- 
teeld, die van Patjitan verscheept wordt. Wegens de onbevloeibaarheid van vele 
streken in het zuiden legt de bevolking zich hier toe op nUverbeid, als goud- 
en zilverindustrie, Ijzersmeden, timmeren, steen- en pottenbakken enz. 



EILANDEN RONDOM JAVA. 
IV. Het eiland Madoera. 

Algemeene **et e ^ ant ^ Madoera, in het Hoog-Javaansch 
gesteldheid „Madoenten" geheeten, heeft een ongeveer rechthoekige 
des landa. g e d aan te. De noordzijde vormt een bijna rechte lijn, 
die zich schier zonder bochten naar het oosten uitstrekt, in 
de richting van de hoofdlijn der noordkust van het breede Oost- 
Java, maar minder door bochten gebroken en met nog minder 
vlakten langs de kust. Het is blijkbaar een regelmatige plooiing 
der gesteenten, die in het N. in de lengte is afgebroken naai- 
de Java-zee. In het zuiden is de kust meer gebogen en vertoont 
groote, ronde inhammen en enkele vlakten. Aan beide kusten 
is het een ondiepe zee, waaruit Madoera oprijst ; in het N. heeft 
die een diepte van 54 — 50 M. langs de kust, iets dieper dan 
de zee langs de noordkust van Java, in het Zuiden heeft de 
Straat van Madoera een diepte van 52 M. Doch naar het W. 
wordt deze straat ondieper, zoodat er aan de westkust van 
Madoera in het smalste gedeelte der straat tusschen de ondiepe 



170 



aanslibbingszoomen langs beide oevers slechts een smalle geul 
overblijft, welke niet meer dan 15 M. diep is, en die naar het 
N. en naar het Z.0. dieper wordt en zich verwijdt. 

Deze gesteldheid van de wateren, welke Madoera omringen, 
duiden aan, dat het eiland geologisch als een voortzetting der 
noordkust van Java is te beschouwen, waarvan het door een 
doorbraak is gescheiden, terwijl de Straat van Madoera een 
ondergeloopen lengtedal vormt, dat naar het Westen oploopt. 
De westelijke voortzetting van dat dal is te vinden in de vlakte 
van Sidoardjo tot Modjokerto, in de residentie Soerabaja, en 
verder westelijk ten zuiden van den middelsten kalksteenketen. 
De dalen zijn hier echter door vulkanisch materiaal in den Dilu- 
vialen tijd aangevuld, en de rivier de Brautas heeft door haar 
delta dat proces in Alluvialen tijd naar het oosten voortgezet. 
Zonder de werking der getijdenstroomingen en de hulp van kunst- 
middelen zou het proces der landaanwinning binnen niet langen 
tijd geheel Madoera aan het land hechten. In het Westgat wordt 
door een krib van het uiterste punt van Madoera, Oedjong Piring, 
het vaarwater vernauwd om den stroom te versterken en door 
schuring het verondiepen te voorkomen. 

Het geheele eiland Madoera is, met uitzondering van de 
vlakten bij Bangkalan, Balega, Sampang, Pamekasan en Soe- 
menep, heuvelachtig, hier en daar bergachtig. Zeer hooge bergen 
bezit Madoera echter niet; de hoogste liggen in het oostelijke 
gedeelte, waar de top Tamboekoe, de hoogste van het 
eiland, 470 M. bereikt, maar vele toppen zijn van 200— 300 M. 

Verbeek construeert het bodemrelief van Madoera als in 
hoofdzaak bestaande uit drie lange, O.— W. loopende plooien 
van Tertiaire kalksteengebergteu, een voortzetting der kalksteen- 
ketens van Rembang en Soerabaja, doch welke op Madoera meer 
zijn samengedrongen. Door een mergelzone in het midden worden 
die ketens gescheiden, terwijl de middelste keten ook op enkele 
plaatsen uitloopers naar de zuidelijke bergreeksen zendt. Ten O. 
van Madoera breken de vouwen der kalkketens onder zee af, om in 
de eilanden Poeloe Sapoedi en P. Raas e.a. nog weer zichtbaar 
te worden, en verder ten O. in de Kangean-eil. te eindigen. 

De geologische bouw van Madoera is aldus eenvoudig. Met 
uitzondering van de jongere kustvlakten, die in het Zuiden 



Digitized by Google 



171 



voorkomen, bestaat de bodem geheel uit mergelachtige kalk- 
gesteenten, in het midden de mergels en aan de kanten de 
kalkgesteenten. De mergels zijn waarschijnlijk het eerst gevormd, 
en werden door opheffing droog land; langs de kusten dier 
min of meer met de opheffing geplooide mergelbanken vormden 
zich later kalkgesteenten, en deze verkregen door het opplooiings- 
proces in den Tertiairen tijd de tegenwoordige gedaante en 
gaven den vorm aan het eiland. 

De kalksteenen en mergels zijn op talrijke plaatsen uitge- 
spoeld door rivieren en vervangen door jongere afzettingen, welke 
het stroomend water weder aanvoerde. Op alle plaatsen, waar de 
kalk (mergelkalk) horizontaal ligt, vindt men uitgestrekte vlakten, 
of liever flauw hellende plateau's, gevormd uit de verweerde 
produkten van het onderliggend gesteente, door de rivieren meer 
of minder ver getransporteerd en in lagen afgezet. Dergelijke 
vlakten, een viertal grootere, liggen van 10— 85 M. hoog; zij 
bestaan aan de oppervlakte uit een gele klei, grootendeels ge- 
vormd uit kalk- of mergelkalkverweering. Het alluvium der 
rivieren kenmerkt zich daarentegen als een licht- of donker- 
grijze klei, terwijl het zee-alluvium bestaat uit fijn kwartszand 
vermengd met magneetijzererts. 

De helling des bodems van Madoera loopt in de hoofdrichting 
van de waterscheiding, die niet ver van het noorden met de 
noordkust evenwijdig loopt, naar het zuiden. Hierdoor stroomen 
de langste rivieren naar het zuiden, zeer korte naar het noorden. 
De stroomgebieden der zuidelijke rivieren omvatten bijna het 
geheele eiland. Het aantal rivieren is talrijk, maar geen van 
alle heeft een aanzienlijke lengte of een uitgebreid stroom- 
gebied. Veelal hebben zij hun bedding diep in den bodem uit- 
gespoeld. In den Oostmoesson drogen de meeste riviertjes uit, 
zoodat zij voor de besproeiing der velden veelal niet gebruikt 
kunnen worden. De Balega, die met haar zijrivier de Ra- 
go eng het grootste stroomgebied heeft, loopt in den beneden- 
loop met onderscheidene armen door een moerassige vlakte, 
die zij voorbij Sempar bereikt. De K. Sampan g is tot de plaats 
Sampang voor kleine schoeners bevaarbaar. De rivier van Pa- 
mekasan langs de nederzetting van dien naam, loopt beneden 
die plaats met eenige armen door een vlakte. De langste rivier 



I 



172 

is de Pajoedan, waar langs nog de beste gronden gevonden 
worden, die onder den naam Saroka in de baai van Soemenep ( 
uitmondt. Eigenaardig is, dat de rivieren hier slechts zelden 
een naam hebben, en dikwijls naar de desa genoemd worden, 
waar zij langs stroomen, maar dan herhaaldelijk van naam 
veranderen. 

Langs de kusten vindt men zee-alluvium, hoofdzakelijk be- 
staande uit kwartszand, donkerbruin of geelwit van kleur. Langs 
de noordkust is dit zand opgewaaid tot duinen, die bij Am- 
boenten 27 M. hoog zijn. Langs de monden der rivieren hebben 
deze nog alluviale vlakten neergelegd, die niet omvangrijk zijn. 
De belangrijkste vlakten zijn die van Bangkalan, langs de N.W. 
kust aan den mond der rivier van dien naam, die langs de 
Balega- en langs de Sampang-rivieren, door kalkheuvels ge- 
scheiden, en vlakten beneden Pamakasan en beneden Soemenep. 

Bevolking en De residentie Madoera heeft met de daartoe behoorende eilanden 
bronnen van een oppervlakte van 5412 KLM. 1 en telt 1758 511 inwoners, waar- 
bestaan. onder 43 81 chineezen, 1774 Arabieren, 747 Europeanen en 100 
andere vreemde Oosterlingen. Het karakter der Madoereezen hebben wij reeds 
behandeld (II pag. 73 enz.). 

De dichtheid der bevolking bedraagt 824 per K.M.', dus vormt het eiland 
het dichtst bewoonde gedeelte van den Archipel. Soerabaja is gemiddeld wel 
dichter bevolkt maar heeft groote steden, en Madoera niet. Hoewel de vroegere 
statistieke opgaven van de bevolking niet kunnen vertrouwd worden, valt 
toch by vergelijking er uit op te maken, dat sedert 1882 een sterke toe- 
neming der bevolking heeft plaats gegrepen. Voor ultimo 1882 wordt nog op- 
gegeven 1 089 000 zielen. 

Het eiland Madoera behoorde vroeger tot het Ryk van Mataram (zie 
U, pag. 78) en was verdeeld in drie regentschappen: Bangkalan, Pama- 
kasan en Soemenep. Door de oorlogen van Mataram met de Compagnie werd 
dat Rijk in 1743 genoodzaakt geheel Madoera aan de Compagnie af te staan, 
en de regenten werden nu leenmannen van de Compagnie, onder den titel 
Pangóran, Sultan of Panembahan. In den loop der 19de eeuw besloot het Neder- 
landsch gouvernement het zelfbestuur der Vorsten op Madoera te doen eindigen, 
zoodra daartoe aanleiding bestond. Voor het leenrijk Pamekasan geschiedde dat 
b\j den dood van Pangeran Adipati Aria Soeria Koesoema in 1853, welk 
rykje na een voorloopige regeling in 1858 voor goed onder het Gouvernement*- 
bestuur kwam. In 1882 werd het inlandsch zelfbestuur van het voormalig Pa- 
nembahanschap Bangkalan opgeheven, eveneens na den dood van den vorst, en 
geleideiyk werd het overige gedeelte by de gouvernementslanden ingelyfd. Door 
het directe bestuur nam de welvaart en orde op dit eiland toe. 



Digitized by Google 



173 

Over 't geheel zijn op Madoera goed bruikbare wegen aangelegd. Byna ge- 
heel rondom het eiland loopt een hoofdweg langs de kusten, terwijl hiervan 
uit tal van zy wegen het eiland doorkruisen. Daarenboven is een stoomtram aan- 
gelegd langs de geheele zuidkust van Kamal, de plaats van aankomst van Soe- 
rabaja uit, langs Bangkalan en verder tot Soemenep en zyn haven. De tram- 
weg volgt hier den hoofdweg en de belangrijkste plaatsen liggen hier langs. 

De kalkachtige bodem van Madoera is niet voldoende met klei vermengd, 
en daardoor niet zeer vruchtbaar. Al heelt die omstandigheid den Madoereea 
er ook toe gebracht, den grond beter te bewerken en te bemesten, toch is er 
de rtystproductie niet voldoende voor de behoefte, zoodat de bevolking zich ten 
deele met djagoeng (maïs) moet voeden. De bladeren van de mals dienen tot 
veevoeder. Gemalen maïs met rijst vermengd is het dageiyksch voedsel, waarby 
gedroogde visch of vleesch, spaansche peper en zout als toespyzen worden ge- 
bruikt. Produkten voor de Europeesche markt worden zoo goed als niet ge- 
teeld ; Europeesche cultuurondernemingen vindt men er byna niet. Nog levert 
het land: kokosolie, vogelnestjes, djatihout en zout langs de kusten, benevens 
eenige kapok. De veeteelt op Madoera steekt gunstig af by den landbouw ' 
en staat hooger dan op Java (I, pag. 543); de Madoerees is veefokker in zyn 
hart. Veel slachtvee wordt van hier uitgevoerd naar Soerabaja, jaarlijks 
worden wel 40 000 runderen uitgevoerd. Het totaal aantal runderen bedraagt 
ongeveer millioen. De bodem van Madoera levert hier en daar petroleum, 
doch nog niet van groote beteekenis. 

De dichte bevolking moet by de weinige produkten uit het plantenrijk 
mede op andere wijze in haar bestaan trachten te voorzien. Zeevaart en visch- 
vangst worden daarvoor uitgeoefend, benevens kleinhandel. De Madoereezen zijn 
sedert eeuwen stoute zeevaarders en visschers; zü dry ven handel van Singa- 
pore tot de Molukken en wagen zich voor de vischvangst met hun kleine vlerk- 
prauwen ver in zee. Zeeroof was hun niet vreemd en is nog niet volkomen 
uitgeroeid. De handel is meest kleinhandel; vrouwen zoowel als mannen zijn 
hierin zeer bedreven (II pag. 75). De handeldryvende Madoereeeche vrouwen 
bezoeken vandaag deze, morgen een andere fpasar in den omtrek, haar waren 
in een mand medevoerende. 

Een belangryke bron van bestaan is het maken van zout langs de kusten. 
De zoutwinnery van regeeringswege bleef hier bestaan, terwijl die elders, o. a. 
in Bantam, Krawang, Cheribon, Rembang en Soerabaja gestaakt werd. 



Hierby een enkele toelichting over den zoutaanmaak. Het zout 
Zoutmono- ig jn Ned Indi6 een artikel van staatsmonopolie. Reeds de O. Ind. 



Compagnie vond daarin een niet onbelangryke bron van inkomsten. 
Aanmaak van zout was destyds wel vry, maar het recht tot verkoop van zout 
werd op Java en Madoera verpacht, zoodat al het aangemaakte zout moest worden 
uitgevoerd of voor binnenlandsch gebruik aan de pachters geleverd; de pryzen 
werden vastgesteld door de Regeering. 

Raffles verving de zoutpacht door eigen beheer, vooral om de kneve- 
laren der Chineesche pachters tegen te gaan. Toen werden de zoutpannen in 



Digitized by Google 



174 



bet bezit der regeering gesteld en de verkoopprijzen werden door haar bepaald. 
Na nog verschillende wyzigingen der regeling van het zoutmonopolie werd het 
in 1882 by Kol. ordonnantie een vasten vorm gegeven en bepaald, dat de aan- 
maak van zout op Java en Madoera, op geheel Sumatra met uitzondering van 
Atjeh en Onderh., op Banka en Billiton en in geheel Borneo aan privaat-per- 
sonen is verboden. Uitgezonderd zyn hiervan de Vorstenlanden op Java, waar 
de zoutaanmaak door de Javaansche vorsten wordt geregeld. Alleen in het 
district Kradenan (Afd. Grobogan, resid. Semarang) hebben een zevental desa's 
het recht uit de daar voorkomende zoutwater- en modderwellen, tegen een ctyns 
van ± 20 e / 0 der waarde, zout te trekken, echter uitsluitend voor het gebruik 
in die afdeeling Grobogan en tot uitvoer naar de residentie Soerakarta. 

Het zout wordt op zeer primitieve wtfze door verdamping van zeewater 
in zoutpannen, dikwijls in vischvyvers, verkregen. De zoutaanmaak met ver- 
gunning van en ten behoeve van den staat geschiedt thans uitsluitend op 
Madoera in de afdeelingen Sampang, Pamokasan en Soemenep. Hier wordt het 
aangemaakte zout tegen flO. - de kojang (30 pikol) aan het Gouvernement 
geleverd. De depótpakhuizen op Madoera, waar het zout wordt geleverd, en de 
doorvoerpakhulzen op Java's noordkust, waar het eveneens wordt bewaard, staan 
onder beheer van Kuropeesche pakhuismeesters. Van daar wordt het naar de 
verkoophuizen op Java en de Buitenbezittingen vervoerd. 

Tot voor kort werd algemeen het zout in den vorm van los zout door 
het Gouvernement vervoerd, en tot een minimum van '/ 31 pikolmaat verkrijg- 
baar gesteld. Dit stelsel gat aanleiding tot vele misbruiken van gewicht, spil- 
lage enz., waarvan de Inlander en de Regeering de dupe werden. Een middel, 
om deze tegen te gaan, is daarin gevonden, dat het zout in briquetten ge- 
perst wordt. Eon proef, in Soemenep genomen en later op geheel Madoera, gaf 
bevredigende resultaten. Daarna werden fabrieken op Madoera opgericht tot ver- 
vaardiging van zoutbriquetten, en thans is dit stelsel van verkoop algemeen 
en voldoet het goed. Het zoutmonopolie is voor het Gouvernement een belang- 
rijke bron van inkomsten, (op Java en Madoera in de laatste jaren ± 8*/] mill. 
gulden) doch drukt op een eerste levensbehoefte van den Inlander. 

Madoera is door do dichte bevolking vry regelmatig met neder- 
gen erZ * Win zeUin *> en overdekt en ook langs de kusten worden zy op ge- 
regelde afstanden gevonden. Mon vindt er 1199 desa's en elk dezer 
heeft gemiddeld 1423 bewoners, een aanzienlijk getal. De belangrijkste neder- 
zettingen liggen in de vlakten langs de Zuid- en Westkust. Zij zijn: Panie- 
kasan (8457 inw , waarv. 605 Chin., 327 Arab. en 169 Europ.), zetel van den 
resident, den regent, den controleur en van het hoofd van het district. Het is 
een zindelijke, welvarende plaats; de groote, voormalige kraton is thans regents- 
woning. Chineezen en Arabieren hebben elk hun aangewezen wijk. Zoutwinnery. 
Soemenep (20021 inw., waarv. 842 Chin., 865 Arab. en 280 Europ.), vroeger 
zetel van den panembahan, een lang uitgestrekte plaats. Van het oosten aan- 
komende ziet men spoedig de aloen aloen, waaraan do regentswoning ligt, door 
de bevolking kraton genoemd, bestaande uit drie om elkander heen gebouwde 



175 



muren met poorten, door welke men het hoofdgebouw, de pendopo van den 
regent bereik L Aan de westzijde der aloen-aloen staat de nieuwe moskee, en 
op twee paal afstands van den kraton ligt de begraafplaats, Asta, door panem- 
bahan, later sultan Pakoe Nataningrat gesticht, een der fraaiste begraafplaatsen 
uit den Archipel. Langs een trap van 30 treden beklimt men een uitgestrekt 
plein, door een hoogen muur omgeven, die in het midden een gebouw met 
koepelvormig dak heeft, waarin de vader van den stichter dezer begraafplaats 
rust. Langs de baai liggen zoutpannen. 

Verder Bangkalan (van pangkalan = ankerplaats), 14 318 inw., (waar- 
onder 900 Chin., 145 Arab. en 124 Europ.) gunstig gelegen in de nabijheid van 
Soerabaja, waarmede het druk handelsverkeer heeft, en waarheen van hier veel 
rundvee, vruchten, vogelnestjes, katjangolie, katjangkoeken, kapok en boom- 
schors voor looierijen worden uitgevoerd, tegen invoer van rijst en produkten 
der Europeesche nijverheid. In een der kampongs vervaardigt men snijwerk, 
dat uitgevoerd wordt naar Java. Sampang (8870 inw., waaronder 111 Chin. 
en 46 Europ.), meest van bamboehuizen ! Eenige handel. ') 

Eilanden om T ° n °' Van Madoera ligl?en onderscheidene eilanden, voort- 
Madocra° m zettm &en d er heuvelketens van het hoofdeiland, die na afgebroken 
te zijn met de hoogste gedeelten als eilanden zichtbaar zijn ge- 
bleven. Nabü de kust liggen Qelijang, Poeteran, üeligenting en Geli- 
radja. Op Poeteran bloeit veeteelt; uitvoer van rundvee. Verder oostelijk liggen 
de Sapoedi-ej 1., waartoe behooren Poeloe Sapoedi, P. Raas, de drie 
Telangoe's, Toendoe, Goeagoeaen de ten Z. van BorneVgêlégen Salem- 
bouw- en Arends-eil. De hoofdbronnen van bestaan zijn dezelfde als op Ma- 
doera. Verder O. de Kaugean-ei l. (48 700 H.A. groot), waarvan Kangean het 
hoofdeiland is. Het eiland is goed voor landbouw doch schraal bevolkt; gedeeltelijk 
wordt het met bosschen bedekt, deels door bannelingen van Soemenep aangelegd. 
Het schrale eilandje Sapeken, dicht bevolkt door Makassaren, Kambangers, Band- 
jareezen en Madoereezen, is welvarend door den handel en de scheepvaart. De 
bewoners doorkruisen den geheelen Archipel. In den O. moesson gaan zy naar 
Singapore, waar zij schelpen, gedroogde visch, sago en tripang verkoopen en 
katoen, garens enz. inkoopen. De handel is hier van jongeren datum en opge- 
komen door het onderdrukken van den zeeroof. 

In Straat Madoera ligt ten Z. van Sampang Poeloe Kambing met 1700 
bewoners, meest visschers. De heilige graven worden er veel bezocht. 

Verdere Ten N - van Java liggen in Java-zee nog onderscheidene 

eilanden nabij groepen kleine eilanden, voor een] gedeelte hoogere deelen van 
J ava * een gebergte, die bi) overstrooming der Java-zee (zie I, pag. 30) 
boven water bleven, en voor ^een ander deel koraaleilandjes. Over deze eilanden 
slechts enkele woorden. 



1) Zie over Madoera Terder: W. V. Geloei, De reaidentie Madoera (Tïjdschr. Kod. Nod. 
Aardr. tien. 1899.) — J. L. v. Genhkp. De Madoereezen. (Ind. C.idi 1895). — E. B. Kiblstea, 
UH eiland Madoera (Gid* 1890.) 



176 



Ten N. van West-Java (N.W. van Batavia) liggen de Duizend-eilanden 
(tusschen 5° 47' en 5° 24' Z. Br. en 106° 23' en 106° 37' O.L.), een tachtigtal 
kleine, lage eilandjes, alle begroeid, sommige met hoog geboomte en omringd 
door koraalklippen, welke nog aangroeien. Slechts een drietal hebben een 
vaste bevolking, overigens vestigen zich hier tijdelijk eenige visschere. De voort- 
brengselen z^n agar agar (zeewieren, die gedroogd in den handel worden 
gebracht), tripang, koraalsteen, visch, karet (zeeschildpad) en hout 

De Boompjes-eilanden liggen ten N. van de monding der Tji-Manoek, 
en op het voornaamste, Boompjes-eiland, een dicht begroeid koraaleiland 
door een rif van 0,1 - 0,3 zeemui breedte omringd, staat sedert 1873 een vuurtoren. 

De Karimon-Djawa-eilanden bestaan uiteen 26 tal grootere en kleinere 
eilandjes tusachen 5° 43' en 5° 55' Z.Br. en 110* 6' en 110° 87' O.L. Het eiland 
Karimon-Djawa is bergachtig evenals het ten N. daarvan gelegen Kemoedjan en het 
oostelijkste Qenting (zie daarover I, pag. 65), de overige ztyn vlak en waarschijnlijk 
door koraalvorming ontstaan, terwijl koraalbanken alle eilanden omsluiten. Alle 
eilanden z\jn dicht begroeid, de lagere meest met struikgewas en klapperboomen, 
de hoogere meest met hoog geboomte. De bevolking houdt meest verblijf op 
Karimon Djawa; het aantal bewoners alhier zal ± 800 bedragen, voor de helft 
Javanen en Maleiers, die niet onwelvarend zijn, hoewel er byna geen geld wordt 
gevonden en enkel directe ruilhandel bestaat. De eilanden voeren uit klappers, 
koedoe-bast en -wortels (waarvan verfstof), timmerhout, tripang en gedroogde visch. 

Bawean, ongeveer ten N. van Soerabaja, is als een vulkanisch eiland 
gevormd en door lage koraalbanken omringd. Daardoor vindt men in het middon 
hooge toppen tot 658 M. hoog, met zwaar bosch bedekt en door nauwe dalen 
gescheiden. Het bergmeer Telaga Kastobo, dat ongeveer 140 M. diep is, wordt 
voor een uitgedoofden krater gehouden. De bevolking, die ± 38 000 zielen be- 
draagt, heeft overeenkomst met de Madoereezen, spreekt meest de Madoereesche 
taal. Zü houdt zich hoofdzakelijk bezig met den handel, daar het eiland niet 
in de behoeften der vry talrijke bevolking kan voorzien. Een aanzienlijk ge- 
deelte der mannelijke bevolking is een groot deel van het jaar afwezig, om in 
bijna alle deelen van den Indischen Archipel handel te drijven, en tot zelfs in 
Singapore als koelie te dienen, terwijl ook velen tijdens de suikercampagne op 
Java op de suikerfabrieken arbeiden. De sawah's op het eiland zijn wel vrucht- 
baar, maar aan de bebouwing wordt weinig zorg besteed; men laat die meest 
over aan vrouwen. De vischvangst is een belangrijke bron van bestaan; aan 
het strand vindt men vischdrogeryen. Op het eiland vervaardigt men visschers- 
prauwen; uitvoerartikelen zyn legmatjes, slendangs en sarongs, de laatste zijn 
in geheel Indië gezocht, welke artikelen de inboorlingen met hun prauwen naar 
Makassar, Probolinggo, Panaroekan en Soerabawa vervoeren. 

Ten zuiden van Java liggen slechts enkele eilandjes in den diepen Indischen 
Oceaan. In het Westen ligt ten zuiden van Bantam, ongeveer 12 K.M. van den wal, 
Poeloe Deli of Kalappa, het Klappereiland, een onbewoond eilandje, 5,4 
K.M. lang en 0,9 K.M. breed, dat door de bewoners der overliggende stranddessa's 
een paar keer 's jaars bezocht wordt, om klappers te plukken van de kokosboomen, 
waarmede het is overdekt. Het is een laag eiland, omringd door een strandrif. 



177 



Meer oostelijk ligt, 6 zeemui van den wal, Tandjil of Trouwer s- 
eiland, 5,4 K.M. lang en 0,9 K.M. breed, een laag eilandje, geheel met 
klapperboomen begroeid en ongeven door een rif. Deze beide eilanden liggen 
op een bank, die zich van de Z. kust van Bantam tot hier in zee uitstrekt, 
welke tusschen deze eilanden en de kust ±12-18 vadem diep ligt. Het ïb het 
hoogste deel van het land, dat by de vorming der ingressie van de Wynkoops- 
baai is weggezonken. 

Verder oostebjk heeft geen eilandvorming plaats gegrepen vóór Noeaa Kam- 
bangan, (zie pag. 146) thans byna een schiereiland. Eenige zeer kleine eilandjes 
liggen nog voor de verbrokkelde kust van Kediri, en verder by Pasoeroean 
Poeloe Sempoe, een woest rotsachtig eiland, 870 voet hoog, door een straat 
van 1,2 K.M. van Java gescheiden. Het heeft geen vaste bevolking. 

Het meest oosteiyk ligt NoesaBaroeng, op 5,4 K.M. van het land voor 
westelijk Bezoeki. Het is een rotaachtig, vry groot eiland, ongeveer 16 K M. 
lang en 7,2 K.M. breed. 



II 



12 



DE VORSTENLANDEN. 



Aigemeene Naast de Gouvernementslanden op Java, die on- 
toestand. middellijk onder het Nederlandsen gezag staan, vindt 
men op dit eiland nog de Vorstenlanden, de laatste over- 
blijfselen van het eens machtige rijk Mataram. Wij zeiden reeds 
(II pag. 80), dat in 1755 en 1757 het overschot van dit rijk 
in drie deelen verdeeld werd : Djokjokarta, onder een Sultan, 
Soerakarta onder een Soesoehoenan, en een klein gedeelte werd 
toegewezen aan Pangéran Adipati Manokoe Negoro, waar deze 
onafhankelijk leven kon, behoudens de verplichting, bij plechtige 
gelegenheden ten hove van Soerakarta te verschijnen. Hiermede 
bleven op Java landen onder eigen vorsten voortbestaan, naast de 
landen, die direct onder de Compagnie stonden. De staatkundige 
tegenstelling tusschen beide bestond toen reeds. Evenwel de naam 
Vorstenlanden, zegt Rouffaer, kwam eerst sedert 1800 in zwang 
(men verbetere het gezegde op pag. 80 in dien zin); vóór 1800 
sprak men van Bovenlanden of van Javaansche Bovenlanden. 
De bloedige opstand onder Diepo Negoro in 1830 leidde tot 
een belangrijke inkrimping van het gebied der Vorstenlanden. 
Het laatst had er in 1899 en 1901 nog grenswijziging plaats, 
waardoor de onderscheidene enclaves midden in het Gouveme- 
mentsgebied, die tot de Vorstenlanden behoorden, geruild werden 
tegen enclave's van het Gouvernement in de Vorstenlanden, 
terwijl vergoeding daarvoor aan de Vorsten werd toegekend. 
Hierdoor werden de vroeger verstrooide deelen der Vorstenlanden 
een meer aaneengesloten gebied, hoewel dit nog geenszins volledig 
het geval is en er nog altijd exclave's worden gevonden. 

De Vorstenlanden Djokjokarta en Soerakarta worden tegen- 
woordig bestuurd door vier onderling zelfstandige, maar alle 



Digitized by Go 



179 



van het Gouvernement geheel afhankelijke vorsten, eigenhjk 
leenmannen van den Nederlandschen Staat. De voornaamste 
beperkingen van de macht der vorsten komen op het volgende 
neer. De Vorsten hebben hun rijken slechts in leen, en zij worden 
aangesteld krachtens een „Akte van Verband" met de Ned. Ind. 
Regeering; hun Rijksbestuurders worden feitelijk aangesteld en 
ontslagen door het Gouvernement. Verder hebben zij sedert 
1755 een vertegenwoordiger der Ned. Ind. Regeering (een resident) 
in de hofstad. De djati-bosschen, het opium en de vogelnest- 
klippen in hun rijken zijn gouverneraents-monopolie, en onder 
bijzonder verband staan in hun rijken de koffie, de mijnen en 
het zoutgewin, wat den uitvoer betreft. Verder zijn den Vorsten 
verboden de souvereine rechten van muntslag, de regeling van een 
eigen krijgswezen, van de rechtspraak en de politie. De eigen 
macht der Vorsten bestaat voornamelijk in hun landelijk stelsel, 
de benoeming hunner ambtenaren, met uitzondering van den 
Rijksbestuurder, terwijl zij onderscheidene prerogatieven bezitten, 
bestaande in titels, pajoengs, lijfwachttroepen, kraton-ceremonieel 
enz. Zooals uit dit overzicht blijkt, is de eigen macht der Vorsten 
niet groot meer, en bepaalt zich die ten opzichte van eigen 
onderdanen voornamelijk tot het landelijk stelsel, dat wij nader 
bespreken, waardoor zij op den economischen toestand der be- 
volking grooten invloed uitoefenen. De residenten hadden steeds 
grooten invloed op de regeling der toestanden in de Vorstenlanden. 

In elk der beide Vorstenlanden heeft een onafhankelijke 
prins nog eenig landgebied: in Djokjokarta de Pangérau Adi- 
pati Pakoe Alam, in Soerakarta, de Pangéran Mangkoe Negoro ; 
zijn gebied heet Mangkoe Nagaran. 

Het ontstaan van Mangkoe Nagaran in 1755 hebben wij reeds 
vermeld (zie II pag. 80). Het ontstaan van het prinsdom van 
Pakoe Alam is te danken aan Ka ff les, die een deel van het 
grondgebied aan Djokja ontnam om daarmede een anderen prins 
te begiftigen als tegenwicht tegen Djokja. Deze prins was daar- 
door niet langer onderdaan van den Sultan, doch direct van het 
Gouvernement, dat volgens het contract het recht kreeg het be- 
heer en bestuur te regelen, zooals zij dit zou noodig oordeelen. 
Het leen van dien Prins is niet erfelijk, gelijk dat in 't geslacht 
van Mangkoe Negoro; hij mag geen eigen justitie uitoefenen. 



180 ' 

Geen andere belastingen worden geheven dan er in 18l3 be- 
stonden. Vroeger moest hij een legioen onderhouden, waarvoor 
hjj een subsidie kreeg; dit is in 1892 opgehouden; sedert mag 
hij geen militaire macht meer houden. Geen der vorsten op 
Java is zoo afhankelijk van het Ned. gezag als deze. 

Men vindt in elk der Vorstenlanden dus een drieledig be- 
stuur: 1 van het Ned. Gouvernement, vertegenwoordigd door 
den Resident, dat een oppertoezicht is, benevens rechtstreeksch 
bestuur over alle Europeesche en niet-Javaansche bewoners; 
2. het bestuur van den Vorst over zijn landen en 3. dat van 
den zelfstandigen prins. 

De Vorstenlanden vormen een gebied, dat eens de kern 
uitmaakte van het machtige rijk Mataram (II, pag. 78). „Hier 
heeft het hart van Java geklopt en nergens is zooveel van het 
Javaansche leven, van de Javaansche gewoonten en overleve- 
ringen blijven bestaan, als in deze landen, waar de oude bouw- 
kunst der Hindoe's haar schoonste tempels wrocht, nog altijd 
een voorwerp van eerbied en bewondering voor ieder, die ge- 
voel heeft voor schoonheid en kunst. Nog is de bloem van den 
Javaanschen adel hier te vinden en taal en godsdienst zijn hier 
het trouwst in hun oorspronkelijke gedaante bewaard", zegt 
de heer Van Kol. ') 

In de Vorstenlanden wordt men door allerlei oude vormen en 
gebruiken er steeds aan herinnerd, dat hier nog inlandsche vorsten 
aan het hoofd staan. De Inlanders op geheel Java dragen bijv. den 
hoofddoek met een driehoekje midden op het voorhoofd, den 
„koentjoeng", doch op Djokja is dat verboden. Op Vrijdag mag er 
de gamelan niet bespeeld worden. Behalve aan kleur en ringen van 
den pajoeng kan men den adel herkennen aan de figuren op den 
sarong. Bij het bezorgen van een brief aan den sultan worden 
kanonschoten gelost ; bij feesten in het residentiehuis wordt angst- 
vallig de plaats van elk der grooten vastgesteld. 

Agrarische Van de typisch Vorstenlandsche toestanden willen 
Hrt^andelijk w 8 naa * er ne ^ landelijk stelsel bespreken, d. i. het be- 
steisei. schikken over de gronden des lands, waarin een Ja- 
vaansch rechtsinstituut van op zijn minst drie eeuwen nog is be- 

1) H. H. Van Kol. Soerakarta (Ind. Gids 1904. II). 



Digitized by Google 



181 



waard gebleven, zij het ook gewijzigd overeenkomstig de wenschen 
der Regeering. Dit tot uitbreiding van het gezegde in I, pag. 483 enz. 

De Midden-Javaansche Vorst is Souverein-eigenaar van den 
grond in zyn gebied. Als eigenaar geeft hij dien grond weer 
ter bewerking aan zijn onderdanen, den gemeenen Javaan. Het 
is een oud verschijnsel, hetwelk ook elders, en evenzeer in ons 
land, voorkomt, dat de grondeigenaar, die grond in gebruik geeft 
aan den eigenleken bewerker, daarvoor een deel van de op- 
brengst verkrijgt, en wel de helft of een ander deel. Een stelsel, 
waarbij de helft der opbrengst wordt afgestaan, het h a 1 f b o u w- 
stel8el, vindt men in Ned. Indië. Het halfbouwstelsel, hier 
Maron-stelsel genoemd, (Jav. maron van paro=de helft, 
en dit weer van ro ~ twee) beheerscht thans nog de Vorsten- 
landsche agrarische toestanden. ') 

Om van de gronden in zijn gebied de opbrengst te ver- 
krijgen, heeft de vorst een toezicht noodig in de dorpen, waar 
de gronden gelegen zijn, en daarvoor waren de dorpshoofden 
(Jav. bëkèl, loerah, pëtinggi enz.) aangewezen, die dan tevens 
rentmeesters waren. Omdat zij voor dat rentmeesterschap door 
den vorst betaald moesten worden, stond hij hen hiertoe 
belastingvrijen grond toe in de desa's, en wel Va- 
Zoo bleef er nog 4 /, ter beschikking over voor den Vorst, 
en '/s van den grond viel vrij ten behoeve van rentmeesters; 
deze was, zooals men hier zegt, apanage (loenggoeh, letterl. — zate) 
van den bèkël. De genoemde */ 3 van den grond, waarover de 
Vorst nog bleef beschikken, heette daleman (dalem paleis) 
of vorstengrond, en van dien grond kreeg de Vorst van de 
bewerkers, de gemeene Javanen in de desa, de helft, hetzij in 
natura of ook wel berekend in geld, en de andere helft van 
de opbrengst genoot de landbouwer. De Vorst genoot derhalve 
a / 3 van de geheele opbrengst van den grond in zijn land. 
Hiermede werd alleen de rijstoogst bedoeld; met de pala- 



1) Men zie over dit onderwerp vooral het uitvoerige art. „Vorstenlanden" in de Eney- 
clop&edie v. Ned. Indië van 6. P. F. Roufpaer, dat op bronnenstudie in de archieven der Vorsten- 
landen berust, en die een uitvoerige litteratuur opgeeft. Verder wijzen wy enkel op A. J. Spaan, 
Rapport omtrent de rechten, die in de Residentie Soerakarta op den grond worden uitgeoefend, 
opgemaakt ingevolge Gouv. Besl. 1875. Kindresumé III. Bijl. B. 1896. — Kolon. Verslag 1892 
Bijl. C. waarin de Solo'sche nota. 



Digitized by Google 



182 



widja of tweede gewassen (zie I pag. 497) liet de vorst zich 
aanvankelijk niet in, en eerst later werd daarvan een aandeel 
geëischt, doch naar lagere schaal berekend. 

Behalve de inkomsten des bëkéls, de eigenlijke ontvangers 
der belastingen, waren nog andere ambtenaren, de hofambtenaren, 
te bezoldigen door de vorsten. Ook dit moest geschieden door 
hen opbrengsten uit land te verzekeren. En om hieraan te vol- 
doen delegeerde de Vorst een gedeelte van zijn grondrechten, 
d. i. van zijn 2 / 5 , voor die ambten, zoodat de ambtenaar daar- 
mede betaald werd, zoolang hij ambtenaar was. Hierdoor werd 
het apanagestelsel dus uitgebreid tot den hofadel en de hof- 
ambtenaren. Al naarmate men hooger stond, verkreeg men een 
grooter of kleiner loenggoeh of apanage, waarover de apanage- 
bezitter de volle rechten van den Vorst uitoefende. Echter werden 
deze laatste apanage-gronden enkel bepaald tot de omme- 
landen der hoofdstad binnen een zekere grens (Jav. Na- 
garagoeng), niet tot de buitengewesten (Jav. Montjo- 
negoro). De vorst deed dit om de hooge apanagehouders steeds 
onder zijn oog te houden, opdat zij zich niet onafhankelijk 
zouden maken. Echter werden in lateren tijd, toen de beschik- 
bare apanage-gronden inkrompen, ook bijslagen in geld aan 
hofambtenaren en prinsen geschonken, en in den tegenwoordigen 
tijd is dat in de Vorstenlanden meer en meer algemeen ge- 
worden, berekend naar de oorspronkelijke apanage-rechten. 

De apanages zijn niet erfelijk, doch behooren bij het ambt, 
zoodat zij daarmede van bezitter verwisselen. Alleen de familie- 
leden van den Vorst, de afstammelingen van den vorst tot en 
met diens vierde geslacht, hebben recht op apanage of wel op 
een deel der apanages, door hun vader bezeten. Die grond wordt 
in de Vorstenlanden „tanah warisan" (erfgrond) genoemd, maar 
toch is het geen erfrecht in den eigenlijken zin, omdat de Vorst 
die apanage-gronden ook aan anderen kan verleenen. De eenigen, 
die wezenlijk erfrecht op grond wisten te verkrijgen, zijn de 
beide genoemde onafhankelijke prinsen; hun onafhankelijkheid 
van de vorsten is juist gegrondvest op hun bezit van erfgrondeu. 
Maar bij ambtenaren is er nooit 3prake van erfrecht, doch alleen 
van zekere voorkeur, als een zoon den vader opvolgt. De door 
enkelen genoemde „Kerapah-gronden", waarbij de eigendoms- 



Digitized by Google 



183 



rechten van den Vorst beperkt zouden zijn, bestaan niet, zegt 
de heer Rouppaer. 

Het boven kortelijk ontwikkelde landelijk stelsel vindt men 
nog in de Vorstenlanden. Echter toch met eenig verschil. In 
Soerakarta, dat rijker is, blijven bepaalde apanage-gronden bij 
een bepaalde ambtsbetrekking behooren; de „loenggoeh's" zijn 
hier dus ten volle ambtsvelden gebleven, en de grond volgt het 
ambt. Maar in Djokjokarta veranderen de apanage-gronden sedert 
1831 voor een ambt en kunnen telkens anders verdeeld worden. 

Het stelsel der apanages en de splitsing des lands in 17 55 
heeft tengevolge gehad, dat in de Vorstenlanden de desa-ver- 
banden in de „Nagaragoeng", de gedeelten, waar de apanage- 
landen gevonden worden, te loor gingen en alleen in de buiten- 
landen bleef dat desaverband eenigszins bestaan. Thans kan men 
in de vruchtbare gedeelten der Vorstenlanden nauwelijks spreken 
van een desaverband of van desahoofden; de gronden eener zelfde 
desa zijn geheel gesplitst onder de verschillende apanagehouders. 
De eigenlijke apanagehouder van uitgestrekte gronden heet de 
loer ah (chef, hoofd) dier landbouwende bevolking, welke op 
deze gronden gevestigd is. De loerah administreert slechts bij uit- 
zondering zelf de gronden, doch gebruikt daartoe een tusschen- 
persoon, een bëkël (ondergeschikt hoofd) of administrateur, 
die zeer verschillende rechten en titels heeft bij zijn admi- 
nistratie der apanage-gronden. De bëkëls vertegenwoordigen 
feitelijk de apanagehouders, die dikwijls ver van het land af 
wonen, dat zij ter beschikking hebben; zij zijn eenigszins te 
vergelijken met de hofmeiers der middeleeuwen. Tegenover den 
geapanageerde, den loerah, neemt de bëkël een ondergeschikte 
plaats in, maar tegenover de opgezetenen van den grond is hij 
weder de loerah, het feitelijke of plaatsvervangende hoofd en 
oefent bijna onbeperkte macht uit. 

De bëkëls zjjn dus in de praktijk de dorpshoofden of lijken 
er op, rechtelijk zijn zij slechts zetbazen der geapanageerden. 
Maar daar er meestal meer dan een bëkel in de dorpen der 
vruchtbare streken zetelt, (veelal vindt men er 2 — 5 a 10 bëkëls,) 
is de eenheid te loor gegaan. De desa's en bouwgronden werden 
daardoor vroeger reeds gesplitst, en kwamen op zonderlinge wijze 
door elkander te liggen, een bron van heel veel strijd. Het 



Digitized by Google 



184 



algemeen desabeheer ging hierbij te loor; de verschillende apanage- 
houdera werkten niet samen of belemmerden elkander, en aan 
de bëkëls, die feitelijk alleen eigen, materieele bedoelingen na- 
streefden, waren de landbouwers overgeleverd. Alleen op de 
verderaf gelegen gronden, de s Pamadjegandalem"-gronden, die 
rechtstreeks onder den Vorst bleven, kan men nog een desa- 
verband en desa-beheer vinden, met echte desa-hoofden ; de bëkëls, 
die men wel als zoodanig beschouwt, zijn dat niet. Dit stelsel, 
evenals dat van den halfbouw, drukt zwaar op de Inlanders. 

De bëkëls zjjn dus in economisch opzicht het centraal gezag 
van de desa's in de Vorstenlanden. De landbouwende bevolking der 
Vorstenlanden bestaat niet, zooals in de Gouvernementslanden, 
uit personen, die als desagenooten recht hebben op de velden, 
welke erfelijk individueel of communaal bezitters zjjn der 
gronden (zie I, pag. 479), maar de bëkël pacht of beheert alle 
gronden, zoowel erven als bouwgronden, van den geapanageerde en 
verhuurt deze tijdelijk weder aan de bevolking, die dus een con- 
tractueel recht op den grond heeft, en aan wie, bij slechte be- 
handeling, niets anders overblijft dan te verhuizen. Hoewel door 
verschillende Javaansche wetsbepalingen de willekeur van den 
bëkël beperkt heet te worden, is hij toch feitelijk de onbeperkte 
heerscher, die den landbouwers, zoodra de oogst is genoten, zonder 
vorm van proces den grond kan ontnemen. De gronden worden 
ook door de bëkëls aan de opgezetenen ten gebruike afgestaan 
volgens het maronstelsel (zie pag. 181), dat op half bouw berust. 

Het bestaan der apanagegronden met de bëkëls en der 
ambtsgronden maakte het in de Vorstenlanden voor Europeanen 
gemakkelijk om aaneenliggende gronden te verkrijgen van groote 
uitgestrektheid tot het drijven van cultures op groote schaal. 
Misschien werd aanvankelijk onmiddellijk door den Vorst 
apanagegrond aan Europeanen afgestaan bij wijze van bezol- 
diging. Dit komt tegenwoordig niet meer voor. Thans nemen 
de Europeanen de rechten der apanagehouders tegen zekere 
pacht over en treden dan als het ware op als bëkëls van den 
apanage-houder, die altijd de loerah-tabon (landheer) bljjft, terwijl 
de Europeesche ondernemers tegenover de bevolking bëkëls, 
hoofden, zijn. Ook pangrembé-velden, d. i. die welke nog tot per- 
soonlijk gebruik van den Vorst dienen, worden op die wijze ge- 



. 185 



pacht. Waarschijnlijk werden sedert 1755 op die wijze al gronden 
in de Vorstenlanden door Europeanen en Chineezen gehuurd voor 
de teelt op kleine schaal van huishoudelijke voedingsmiddelen. 
Maar sedert 1816 verkreeg de landhuur in de Vorstenlanden 
een grooteren omvang, en werd zjj tot het telen van produkten 
voor de Europeesche markt aangewend. Vooral in Djokjokarta 
verkreeg de land verhuur een aanzienlijke uitbreiding; zelfs maakte 
tijdens Gouv. Gen. van de Cappei.len, die er tegen optrad, een 
resident er gebruik van, om op die wijze gronden te verkrijgen. 
Verschillende regelingen op het verhuren van land in de Vorsten- 
landen werden gemaakt, bovenal om misbruiken ten nadeele 
der bevolking tegen te gaan. Tegenwoordig wordt het verhuren 
van land in de Vorstenlanden beheerscht door de ordonnantie 
van 1884, gewijzigd in 1891 (zie I, pag. 484), volgens welke 
landverhuur alleen wordt toegestaan aan Nederlanders, Euro- 
peanen, en met hen gelijkgesteld en, tevens ingezetenen van Ned. 
Indié. Aan vreemde Oosterlingen is de huur hier verboden. De 
huur kan niet langer dan voor 30 jaren gaan, en de uitgestrektheid 
gronds moet op zijn minst 200 bouws beslaan. Voor elke overeen- 
komst is voorafgaande toestemming van den resident noodig, en 
voor de bevoegdheid om gronden te huren is vooraf schriftelijke 
vergunning van den Gouverneur-Generaal vereischt In genoemd 
reglement worden tal van voorschriften omtrent de landhuur 
gegeven. De landhuurder verkrijgt dezelfde rechten als de 
apanage-houder heeft (tenzij die eenige voorbehoudt); hjj laat 
den grond door de opgezetenen, de landbouwers, bebouwen, die 
als belooning daarvoor een stuk van den grond verkrijgen, om 
dat voor eigen rekening te gebruiken. Als norm moet daarbij 
het „glébaggan-stelsel" gevolgd worden, een wijziging 
van het maron-stelsel, zoodat de grond verdeeld wordt in 5 
deelen, waarvan de opgezetenen 2 voor zich zelf krjjgen, en 2 
deelen ten behoeve komen van den landhuurder, welken grond de 
opgezetenen voor rekening van dezen moeten bebouwen. Verder 
wordt V 3 aan den bëkel toegekend, die den apanagehouder 
vertegenwoordigt en de belangen van den landhuurder moet 
voorstaan, maar ook voor die der opgezetenen wel opkomt. 

In de praktijk ondergaat dat stelsel veel wijzigingen, om- 
dat de produkten voor de Europeesche markt soms meer arbeid 



186 



vereischen dan de rijstteelt. In dit geval moeten de opgezetenen 
en bewerkers van den grond hooger worden betaald dan met 2 / 5 
der velden. Bij de suikerteelt is een langer beschikking noodig 
over den grond dan één jaar, en daar de cultures in wissel- 
bouw gedreven worden, is het niet altijd mogelijk ze op tijd 
weder ter beschikking te hebben voor de landbouwers. Bij de 
teelt van veeljarige gewassen, met name bij de koffiecultuur, 
wordt de grond niet tusschen landhuurder en bevolking ver- 
deeld; maar wordt den bewerker van den grond het onder- 
houd van een bepaald aantal boomen opgedragen, vaak ook 
het verrichten van arbeid gedurende een bepaalden tijd (1 van 
de 5 dagen), waartegen hij dan beschikking krijgt over een aan 
den arbeid geëvenredigd stuk grond. Men noemt dat „bengkok- 
stelsel." De landhuurder mag van de opgezeten bevolking ook 
diensten vorderen in die mate al3 dat met de Javaansche in- 
stellingen en gebruiken overeenkomt; in overeenstemming met 
den Jav. Vorst of diens Rijksbestuurder wordt dit voor elke 
onderneming vastgesteld door den Resident. De diensten worden 
onderscheiden in die voor het Rijk en de politie, en diensten 
voor den apanage-houder of landhuurder. 

Een eigenaardig bestanddeel van de pacht in de Vorsten- 
landen is de bekti, eigenl. een hulde van den huurder aan 
den bezitter van den grond, bij het sluiten van een contract. 
Oorspronkelijk een geschenk van betrekkelijk weinig waarde, bijv. 
een rijpaard, een juweelen versiersel voor de eerste vrouw van den 
geapanageerde ') werd langzamerhand echter de bekti grooter en 
de huurschat van één, twee of meer jaren als bekti geeischt. 

De boven in 'tkort geschetste eigenaardige toestand van 
landbezit heeft in de Vorstenlanden een uitgebreid land verhuur 
ten gevolge gehad en de vestiging van vele Europeesche onder- 
nemingen, welke voor den wereldhandel leveren. In 1903 werden 
in Soerakarta op 119 landbouwondernemingen geteeld 905 632 
pikols suiker, 302 789K.G. indigo, 5 559 253K.G. tabak, 13 088 
pikols koffie en 346 622 K.G. cacao. Verdere produkten waren : 
1697 pikols peper, 40H pikols tabak, 13414 pikols padi, 182 pikols 



1) Dit gebruik komt overeen met de geschenken bij het beklemrecht in Groningen en elder». 
Zie o. a. H. Bumb, Geschied, v. d. BoereniUnd in Nederland, U pag. 444. 



Digitized by Google 



1S7 



cassave, 1712 K.G. kinabast en 2750 K.G. thee. In Djokjokarta 
werden in 1903 op 42 groote cultuur-ondernemingen, alle huur- 
landen, geteeld 1 079 961 pikols suiker, 173 413 K.G. indigo, 
1 640 281 K.G. tabak en 577 pikols koffie. Het hoofdvoedsel der 
bevolking is de rijst, die er geteeld wordt. 

De sociaal-economische toestand der Inlandsche landbouwers 
is in de Vorstenlanden dus een andere dan in de Gouverneraents- 
landen, gelijk wij zagen. De opgezetenen der huurlanden in de 
Vorstenlanden zijn geen bezitters van den grond, doch slechts dag- 
looners, die op de velden der apanage-houders of der vorsten 
werken, en zij komen eenigszins overeen met de loonarbeiders der 
Gouvernementslanden. In vergelijking met dezen wordt de eco- 
nomische toestand der landbouwers in de Vorstenlanden veelal 
niet slechter geacht, door sommigen zelfs iets beter. ') Echter 
is het oordeel hierover verschillend, en het is wegens misbruiken 
van verschillenden aard niet mogelijk met eenige juistheid te 
generaliseeren. 

Soerakarta In de vlakte ' door de S 010 " 1 ^ 0 * en naar «Utakken, d© Kali- 
Denkeng, -Pèpè en -Kenteng gevormd, tusschen de vulkanen 

Merapi en Lawoe, die het aan den west- en oostkant begrenzen, terwijl bet 
Zuidergebergte zfln kalkgesteenten in bet Z. verheft, ligt het rijk van don 
Soesoehoenan van Soerakarta, de residentie Soerakarta, die een oppervlakte 
van 6216 K.M. 2 beslaat, d. i. ongeveer '/s van Nederland. BU de eerste volks- 
telling in 1900 telde het land 1512 778 inwoners (waarvan 3637 Europ. en 
9265 Chineezen). De verschillende deelen van het gebied van den Soesoehoenan 
en van Mangkoe Negoro liggen op een zonderlinge wüzo door olkander. 

Het land van Soerakarta vormt in het midden meest een vlak of golvend 
terrein, met een diluvialen bodem, door vulkanische produkten gevormd, die 
zeer vruchtbaar is. 

Het kalkhoudende Zuidergebergte deelt evenwel deze vruchtbaarheid niet. 
Het laatste gebergte scheidt het land van den Indischen Oceaan, en verlegt de 
waterscheiding tot dicht b\j de Zuidkust. Soerakarta watert byna geheel af op de 
Solo, die met een boog door Soerakarta naar het noorden loopt, om daarna 
zich naar het O. te buigen. In die richting gaat ook van hier de stroom van 
het handelsverkeer. Van de desa Oeter (ten N. van Wonogiri) tot de hoofdstad 
z\jn de bochtige oevers der rivier met welvarende kampongs omzoomd. Bjj ge- 
noemde desa is de Solo reeds ± 30 M. breed, maar heett in den drogen moesson 
zoo weinig water, dat zjj doorwaadbaar is. 



1) Zie W. K. tak Dkdem. Iets orer den rechtstoestand der landbouw- en nijvorheidsonder- 
aemingen in Soerakarta en Djokjokarta 1867. 



Digitized by Google 



188 



De bevolking van Soerakarta bestaat meest uit Javanen. Het land is zeer 
dicht bewoond; men vindt er 243 bew. per K.M.'. 

Als een eigenaardigheid omtrent de bewoners van de Vorstenlanden merkt 
Van Kol op, dat hier bty uitzondering, evenals op Banda, een oude generatie 
van Nederlanders leeft, een geslacht, dat in dit gewest gevestigd bleef en zich 
voortplantte door vermenging met de dochteren des lands. Dat z\jn nakomelingen 
van oude landhuurders, waarvan sommigen reeds in 1750 voor een kolonisatie- 
proef door den Qouv. Gen. Van Imhoff uit Holland ontboden waren, en wier 
afstammelingen reeds in het zesde geslacht hier leven. 

De hoofdbron van bestaan is de landbouw; nuttige mineralen vindt men 
er niet. Het hoofdvoedsel der bevolking is rijst. In de dalen der Solo-rivier en 
van haar bystroomen, alsmede langs de hellingen der vulkanische gebergten, 
zijn een groot aantal Europeesche cultuurondernemingen gevestigd, waar voor- 
namelijk kofffe, suiker en tabak worden geteeld, en verder cacao, kina, peper, 
kapok en vanille. (Zie boven.) 

Soerakarta of Solo, de hoofdplaats van dit gewest, is de zetel van 
den Soesoehoenan, van den Resident, van Mangkoe Negoro en van een Assistent- 
Resident. De stad bestaat sedert 1744, toen Pakoe Boewono II, Soesoehoenan 
van Mataram, zijn hoofdplaats van Kartasoera, thans een desa ten W. van 
Soerakarta, naar de desa Solo begon te verleggen en die haar tegenwoor- 
digen naam gaf. Het is een mooi aangelegde nederzetting, met breede straten 
en prachtige lanen van tamarinden. In het centrum, dicht by een groot plein, 
vindt men het Residentiehuis, de in den laatsten tijd veel verfraaide Europeesche 
wijk roet onderscheidene goed gebouwde woonhuizen, een Protest. Kerk en het 
fort Vastenburg, een regelmatige vierhoek met steenen wallen, benevens vier 
met geschut bewapende bastions en geheel omgeven door een gracht. Dit fort 
is in 1799 gebouwd als een voortdurende bedreiging tegen den Vorst, en werd 
vernieuwd na den Java-oorlog. Soerakarta telt 109 460 zielen, (waarvan 6129 
Chin., 1973 Europ. en 170 Arab.) 

De Soesoehoenan resideert in den kraton, een paleis, dat een groot gedeelte 
der stad in beslag neemt en eigenlijk een stad op zich zelf is. De kraton vormt 
een ommuurde ruimte, waar een groot aantal straten, pleinen en gebouwen 
gevonden worden, die meer dan 10 000 menschen tot woonplaats strekken, voor 
de meerderheid vrouwen. Er wordt een eigen taal, de Basa Kedatan oi hoftaal 
gesproken. Op de Aloen-Aloen, achter de eeuwenoude waringinboomen, is de 
hoofdpoort van den kraton gelegen, waarboven een hooge pangoeng uitsteekt; 
deze booge wachttoren, door een koepel gedekt, geeft een vrij uitzicht over de 
stad en den omtrek. Binnen deze muren ligt er de groote Moskee met haar 
verguld koepeldak en de kaoeman of priesterwijk; daar is ook de Soesoehoenan 
gezeteld, die in vele oorden van Java met bijna godsdienstig ontzag wordt 
vereerd. Behalve de ambtenaren van den Vorst en het personeel van zijn hof- 
houding wonen in den kraton voornamelijk zilversmeden, timmerlieden, met- 
selaars, wapensmeden, houtsnijders, vervaardigers van wajangpoppen enz. enz. 

De Inlandscho bevolking bewoont de kampongs der stad, gelegen aan breede 
lanen met hoog geboomte beplant of aan smalle wegen, die hierop uitloopen. 



Digitized by Google 



189 



Zij houdt zich verder bezig met verschillende takken van kunstnijverheid; men 
vindt onder hen bekwame goudsmeden en zadelmakers. Door de vrouwen worden 
de bekende Solosche kleedjes gebatikt, die uitmunten door oorspronkelijk patroos 
en vastheid van kleuren. 

Verder vindt men in Soerakarta nog de nederzettingen: KI at en (6600 
inw.); Bojolali (8600 inw.); Sragen (8600 inw.); Wonogiri (1926 inw.) 

De residentie Djokjakarta (Ngajogjokarto) ligt in het midden 

Djokjokarta. 

van Java aan de zuidkust. Zij omvat het leenroerig, eigen gebied 
van den Sultan van Djokjokarta en het grondgebied van den z.g. onafhanke- 
Hjken prins Pakoe Alam. Djokjokarta heeft een oppervlakte van 8110 K.M. J , d. i. 
half zoo groot als Soerakarta, en telt 1 084 327 inw., waaronder 4974 Chin., 
2145 Europ., 113 Arab. De volksdichtheid is dus zeer groot, 848 per K.M. 2 

Djokjokarta is een bergachtig land ; alleen het Z. deel is vlak, tusschen de 
Kali-Progo en KaliOpak. Het N.W. gedeelte wordt hoofdzakelijk gevormd door 
de zuidelijke uitloopers van den Merapi, een werkenden vulkaan (2866 M.), bij 
welks top Djokjokarta, Soerakarta en Kedoe samenkomen. Uet O. deel be- 
staat uit heuvelland en de hoogvlakte van den O. Kidoel en den G. Sewoe 
of het Duizendgeb., aldus genoemd naar de ontelbare halvekogel-vormige toppen. 
De Kali-Progo en de Kali-Opak, die beide naar het Z. stroomen, geven aan het 
midden des lands vruchtbare dalen, welke door kostbare waterwerken geregeld 
besproeid worden. Men vindt er uitgebreide rijstcultuur en talrijke suiker- en 
indigoondernemingen. De rivieren zijn niet bevaarbaar; alleen de laatste aan 
den mond. De Goenoeng Sewoe, met gebrek aan water, geeft aan de kuststreek 
ten O. van de Kali Opak een armelijk voorkomen en is schraal bevolkt. Als 
delfstoffen bezit het land steenkolenlagen, kostbare marmersoorten in het Zuider- 
geb. en bij Kalasan en Sorogedoeg werd in oude tijden goud gevonden. 

Hoe rijk het land ook is aan natuurlijke hulpmiddelen, toch kan de be- 
volking niet welvarend heeten. De drukkende heerendiensten, het grondstelsel 
met zijn misbruiken, de woeker, verslaafdheid aan het gebruik van opium, dit 
zijn eenige oorzaken, die de ontwikkeling der Inlanders belemmeren. Het hoofd- 
bedrijf ia de landbouw, in de hoofdplaats eenige nijverheid, en langs de zuidkust 
vormt zoutwinning nog een bron van bestaan. Dat is hier mogelijk, omdat het 
Qouv. zoutmonopolie zich niet tot de Vorstenlanden uitstrekt. (Zie pag. 174). 

De hoofdstad Djokjokarta, aan den rechteroever van de K. Opak gelegen, 
is niet alleen de zetel van den Sultan, doch ook van den Resident en van Prins 
Pakoe Alam. Zy telt 72 235 inw. (waaronder 4208 Chin. 1424 Europ. en 113 
Arab.) Het voornaamste gedeelte der stad wordt gevormd door het ouderwetsche 
fort Rustenburg, omringd door beschaduwde wegen, waaraan het Residentiehuis, 
de Prot. Kerk en tal van woningen van Europeesche ingezetenen gelegen zijn. 
Het station Toegoe ligt in het nieuwe gedeelte en daarheen voert een weg, die 
de Chineesche wijk snijdt, waarin vreemde Oosterlingen, Chineezen, Arabieren 
en Bengaleezen vermengd wonen. 

Het residentiehuis heeft een groot erf, vol van Hindoebeelden, van de om- 
liggende tempels hierheen gebracht. Overschaduwd door eenige reuzenboomen 



Digitized by Google 



190 



maakt het een ernstigen, deftigen indruk. Vlak daarnaast zyn in een eenvoudige 
loods vele oudheden verzameld. Een groote pasar ligt er dicht by, waar het 
typisch Javaansche volksleven valt waar te nemen. 

De kraton vormt ook hier een stad op zich zelf, meer dan een uur in om- 
trek, waar ongeveer 15 000 menschen verblijf houden, op de een ot andere 
wijze aan den sultan en zijn dienst verbonden. Men vindt er, evenals te Solo, 
gebouwen, wegen, pleinen en kampongs: in vele er van wonen regenten en 
familieleden in krotten. Links van den hoofdingang in groote hokken worden 
tijgers onderhouden, rechts staan talrijke paarden en verderop de olifanten. 
Elders in den kraton vindt men het aanzienlijk verblijf des sultans met een 
eetzaal voor feesten van 600 gasten, de woningen van den vorst, voor zijn wettige 
vrouw en tal van bijwijven, verblijven voor soldaten en een vergulde pendopo. 
Op het plein voor den kraton, de Aloen-Aloen, staan een paar oude en heilige 
waringins, waaronder hoofden, die een klacht willen indienen, in het wit ge- 
kleed, soms dagen lang geduldig wachten tot het den Grooten Heer belieft naar 
hun grieven te luisteren. Binnen den kraton ligt ook het Waterkasteel „Taman 
Sari" of bloemtuin, een vervallen vorstelijk lustoord op een kunstmatig gevormd 
eilandje, dat alleen langs onder water door loopende gangen is te bereiken. 

De onderdanen van den Sultan, slechts een gedeelte der bevolking uit- 
makende, worden verdeeld in twee klassen. Tot de eerste klasse behooren de 
adel, de ambtenaren en de geestelijkheid, tot de tweede de burgerij. De in den 
kraton verblijf houdende vrouwen, bijwijven en bloedverwanten en kleine kin- 
deren van den Sultan vormen een eigen afdeeling onder een vrouwelijk opperhoofd. 

In het zuidelijk deel van den kraton komen de woningen voor van de 
pradjoerits, de vorstelijke lijfwacht, eenige duizend man sterk, die men by feeste- 
lijke gelegenheden in potsierlijke uniform ziet defileeren. In het oostelijk deel 
wonen de werklieden: goud- en ijzersmeden, vervaardigers van muziekinstru- 
menten, timmerlieden, metselaars, zwaardvegers, beeldhouwers, pajong-makers, 
vervaardigers van wajangpoppen, batikkers enz., alle alleen werkende voor den 
Sultan. 

Als nederzettingen noemen wy verder: Pasar Gedó, de eerste hoofdplaats 
van Mataram met een druk bezochte markt en een vorstelijke begraafplaats 
(astana). Imogiri, 10 palen ten Z. van de hoofdstad, de gemeenschappelijke 
begraafplaats van alle vorsten van Soerakarta en Djokjokarta, door ambtenaren van 
beide vorsten bewaakt. Te S e 1 a r a n g, een desa, 7 palen ten Z. W. van Djokja, 
vindt men de grot Goewa Setjang, waar Diepo Negoro zou vertoefd hebben of zijn 
gebeden deed. Aan de zuidkust zijn vele merkwaardige grotten, waaronder 
die van Njahi Loro Kidoel, de beschermgodin van het Mataramsche Rijk, de 
beroemdste is. Bij Rongkob aan de kust vindt men vogelnestklippen. Talrijke 
min of meer goed bewaarde overblijfselen van Hindoetempels, tjandi's, worden 
in deze residentie aangetroffen, meest in den omtrek van Kalasan. De „Tjandi 
loro Djongrang," by uitnemendheid de tempels van Frambanan genoemd, be- 
staat uit één groep van elf tempels, waaronder twee van buitengewone grootte. 
Do Tjandi Séwoe of duizend tempels bestaat uit een kolossale pyramidevormige 
Boeddha-tempel, omgeven door 176, in vier ryen staande kleinere tempels. 



Digitized by Google 



191 



De Tjandl Prambanan neemt onder de oudheden van dit gewest een eigen- 
aardige plaats in. Het moet, zegt Dr. Brandes, een der jongere z\jn in z\jn 
omgeving. De uitvoering en verfijning der teekening, bet overdreven verfraaien 
en de verwookeiyking der vormen, typiseeren de oudheid van dien tempel reeds 
als van een lateren tyd dan b\jv. de forsche, royale Tjandi Mendoet en de 
daarmede aangesloten Tj. Boro Boedoer. Bh) de Oost-Javaansche kunst (zie I pag. 326) 
laten verschillende jongere vormen zich niet verklaren als directe kinderen van 
wat büv. de Boro Boedoer levert, en nu vormt het Prambanan-type een over- 
gang tusschen beide, een tusschenschakel, die de verklaring van het ontstaan 
der barokke Oost-Javaansche kunst levert. Prambanan levert den tusschen- 
vorm tusschen oud- en jong, tusschen Midden- en Oost-Java. De smijdige, weeke, 
zachte maar reeds vermonsterde vormen vertoonen van deze oudheid de uit- 
wassen van het verdierlijkte al, dat de Oost-Javaansche vormen zoo kenmerkt, 
maar gemist wordt aan al wat men in hoofdzaak het Midden-Javaansche type 
moet heeten. De Prambanan staat hoog en is zinstreelend voor hetgeen hü 
te aanschouwen geeft, maar is tegenover het zooveel zuiverder, nobeler en 
krachtiger, werkelyk klassieke type van Midden-Java reeds décadence. De weelde 
is er bij ten top gestegen, maar daarbij is men op den verkeerden weg geraakt. 

Het Prambanan-complex van tempels bl\)kt gevormd te zjjn geweest door 
een allee van zes tempels, die vis a-vis stonden, met hun hoofdfacaden naar 
elkander gekeerd, terwijl aan den hoofduitgang dier allee nog een tweetal tempels 
gevonden werd, van woer kleinere afmetingen, die op hun beurt hun hooidzyden 
naar elkander toe keeren. ') 



1) Dr. Brandes in het Tgdaehr. ». Ind. Taal-, Land- en Volkenk. 1904 pag. 414. 



Digitized by Google 



SUMATRA EN OMLIGGENDE EILANDEN. 



I. ONTWIKKELING EN BRONNEN ONZER KENNIS VAN SUMATRA 

EN ZIJN BEWONERS. 

Uitbreiding ^ e Röojfraphische kennis van Sumatra was vóór den aanvang 
der geographi- der 19de eeuw nog zeer gering en bepaalde zich hoofdzakelijk 
sche kennis. tot enkele gedeelten van de kust, waar het Nederlandsen gezag ge- 
vestigd was. De bovenlanden waren in dien tyd zoo goed als onbekend. Daar- 
door is de geschiedenis onzer kennis van Sumatra een geheel andere dan die van 
Java. Dit laatste eiland was aan het eind der 18de eeuw reeds vrty wel algemeen 
bekend, en alleen bleef voor de 19de eeuw de taak over de geographie van 
Java exacter en wetenschappelijker te doen worden. Voor Sumatra valt de ont- 
dekkingsgeschiedenis van het grootste gedeelte des binnenlands in de 19de eeuw, 
bleef de eerste uitbreiding der kennis nog pionierswerk, en zelfs thans is de 
ontdekking nog niet geheel voltooid, terwyi het wetenschappelijk onderzoek zich 
slechts tot kleine gedeelten heeft uitgestrekt, en eerst in de laatste jaren ia 
aangevangen. 

De Nederlanders kwamen al vroeg in aanraking met Sumatra. De eerste 
expeditie der Nederlanders naar Indiö bereikte den 5den Juni 1596 het eiland 
Enggano ten W. van Sumatra, waar de pogingen, om met de bewoners in aan- 
raking te komen, mislukten. Van hier werd koers gezet naar Straat Soenda, 
Poeloe Betoemah (Fortuin-eil.) bezeild, en toen men den llden de Straat 8oenda 
had bereikt, werd zooveel mogeiyk de kust van Sumatra gevolgd, terwyl onze 
schepen vermoedeiyk by Tampang aan de Tampang-baai, ten N. van Tandjong Tjina 
(Z.W. kust der Semangka-baai) met de inboorlingen in aanraking kwamen. Van 
de zuidkust van Sumatra verkregen de Nederlanders derhalve eenigerechtstreeksche 
kennis op de eerste reis, en zy zagen dadeiyk, dat men hier te doen had met 
bewoners, welke reeds eenig aandeel hadden in den handel van den Archipel; 
het zilver, waarvoor in ruil zy speceryen gaven, „wisten syiuyden oock wel te 
probeeren of goede ofte quaet waere." (Heeres.) Een andere Nederl. expeditie 
onder de Gebrs. de Houtman door de Moucheron uitgezonden, landde in Juni 

1599 aan Atjeh's noordkust, die spoedig onder den invloed der daar aanwezige 
Portugeezen vyandeiyk behandeld werd, doch een Ned. expeditie van 1600 werd 
in Aty'eh goed ontvangen, en een Ned. factory werd hier toen opgericht. Sedert 

1600 werden vervolgens de Nederlanders bekend met de kustujn van West* 



Digitized by CjOO 



193 

Sumatra, waar Priaman, Tikoe, Pasaman door Paulus van Caerden werden 
aangedaan, en ook aan de oostkust werden onderscheidene gedeelten bezocht 
en handelsbetrekkingen aangeknoopt. Doch van een algemeene Sumatra-staat- 
kunde was geen sprake, zooals dat voor Java het geval was, en er kan 
alleen gesproken worden van betrekkingen tusschen de Compagnie en verschil- 
lende nederzettingen, staten en stammen aan de kusten van het eiland. Onze 
kennis van Sumatra was by het eind der 18de eeuw ook enkel tot deze bepaald. 
Wat men meer van het land wist, was meest door hooren zeggen verkregen; 
de bovenlanden en binnenlanden vormden een onbekend land. 

De ontdekking van de binnenlanden van Sumatra bad in de 19de eeuw 
zeer onregelmatig plaats. By gemis van een centrale Nederlandsche vestiging, 
vanwaar zich de kennis en het gezag uitbreidden en by de onzekere staatkunde 
werden nu in dit gedeelte, dan weer in een ander gebied exploratie-tochten of 
expedities ondernomen, veelal krygstochten, en de vestiging van Nederlandsche 
handelaren en van het Nederlandsen gezag ging daarmede dikwyis gepaard. De 
uitbreiding der kartographie, aanvankeiyk slechts schetskaarten, later meer ge- 
regelde opneming en elndeiyk de op triangulatie gebaseerde kartographie, volgde 
langzamerhand. 

De triangulatie van Sumatra's Westkust is in 1883 begonnen en na afloop van 
deze in 1896 werd met die van Zuid-Sumatra aangevangen in de Lampongsche 
distrikten, Benkoelen en Palembang. (Zie I, pag. 16 en: Triangulatie van Su- 
matra. Driehoeksnet van Sumatra's Westkust. Batavia 1900.). Daar het oostelijk 
deel van Sumatra wegens den vlakken, moerassigen bodem zich niet leent voor 
driehoeksmeting, moeten daar de vaste punten voor de latere topographiache op- 
neming door astronomische plaatsbepaling verkregen worden. 

De officieele kaarten der doelen van Sumatra, op het Topographisch Bureau 
te Batavia vervaardigd, leert de Regeeiings- Almanak van Ned. Indiê ons kennen 
(zie ook deel I, pag. 16 van dit boek). 

Algemeene beschry vingen van Sumatra uit de 18de eeuw waren er enkele: 
Valentijn's Oud en Nieuw Oost lndië, deel V, geeft een beknopte beschryving 
van de Nederlandsche betrekkingen met Sumatra, welke niet aanzieniyk waren. 
William Marsden, die in dienst was van de Engelsche Oost-indische Compagnie, 
en in 1771 te Benkoelen, toenmaals een Britsche bezitting, kwam, waar 
hy 8 jaar vertoefde, gal in 1788 zyn werk over dit eiland in 't licht: Hisiory 
of Sumatra, containing an account of the government, latcs, cuêtoms and 
manntrs of the naiivz inhabüants, wüh a description of the natural producliems 
and a relaüon of the political state of that island, l»te ed. 1783 en de 3de in 
1811, welke laatste veel verbeterd is. Een Fransche en een Duitsche uitgave 
zyn bewerkt naar den eersten druk. Dit boek is de eerste alles omvattende 
beschryving van dit eiland. Mr. J. C. M. Radermachkr gat een Beschrijving 
van het eiland Sumatra uit (Verh. v. h. Bat. Gen. III pag. 3 — 144, Tweede 
druk 1824). Door A. Eschels Kroon werd in 1782 gegeven oen: „Beschrei' 
bung der Insel Sumatra 1782, welke in 1783 vertaald verscheen onder den titel: 
Beschrijving van het eiland Sumatra inzonderheid ten aanzien van deszelfs koop- 
handel. De schryver was hier resident voor de Ned. Oost-Indische Compagnie 
11 13 



Digitized by Google 



194 



geweest en dus uit ervaring met het land bekend. I). van Hogen dorp gaf in zyn 
Berigl van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche Bezittingen in Oost-Indië 
1799, op pag. 159-161 eenige korte mededeelingen over Sumatra's Westkust, 
en pag. 181-183 over Palembang. Als oudere werken over Sumatra noemen 
wU nog: Dr. S. Muller, Berichten over Sumatra 1837, en Bedrage tot de kennis 
van Sumatra, 1846 en Dr. L. Hörner, Reizen en onderzoekingen in Sumatra 
(Tudschr. v. h. Delftsch Inst. II, 111), Reizen over Sumatra, Uittreksel uit bet 
dagboek van wijlen L. Hörner (Tydschr. v. h. Bat. Gen. X); H. von Rosenberg, 
Geogr. en ethnogr. beschr. van het district Singkel, de landen liggende langs 
de Simpang kanan en de Banjak-eil. (TUdschr. v. h. Bat. Gen. III); T. H. J. 
Netscher, Reis door de Z. O. grensdistricten der Padangsche Bovenlanden (T. Bat. 
Gen. VI); Mr. G. Nahuys, Schets van Benkoelen op de westkust van Sumatra 
(Verh. v. h. Bat. Gen. X, 1825); — Ibid. Brieven over Bencoolen, Padang het 
rijk van Menangkabau, eerste druk 1826, tweede 1827). 

Verder noemen wij: E. Francis, Herinneringen uit de loopbaan van een 
Indisch Ambtenaar, 1856—1860, waarin over de Lampongs, Palembang, Ben- 
koelen, Sumatra's Westkust gehandeld wordt; A. Pruvs van der Hoeven, 
Een woord over Sumatra in brieven: I. Benkoelen, II. Sumatra s Westkust 1864, 
terwijl de algemeene werken over Ned. Indie van De Hollander, Pijnappel, 
Roorda van Eysinga, Schuiling e. a. ook over Sumatra handelen. De beer 
J. van Baren gaf een beknopt overzicht van Sumatra in de Ene. v. Ned. Indif, 
terwijl de Encyclopaedie ook beschrijvingen geeft van verschillende onderdeelen. 

De belangrijkste onderzoekingen en grootere werken over de deelen van 
Sumatra zullen w\j de revue doen passeeren, doch wij moeten ons tot hoofd- 
zaken en enkele grepen bepalen, omdat de litteratuur zeer omvangrijk is. Vangen 
wij aan in het noorden. 

Van Atjeh was vóór den oorlog in 1873 met dit land bijna niets bekend 
dan de kustlijn, en deze nog zeer onvoldoende. 

De kustblokkade en het verblijf der oorlogschepen en der troepen gaf aan- 
leiding tot de eerste opnemingen en de samenstelling van zee- en terreinkaarten. 
Wat men in dien tijd van Atjeh wist, vindt men in het werk van P. J. Veth 
en W. F. Versteek: Atschin en zijne betrekkingen tot Nederland, Topographisch 
historische beschrijving 1873. Het belangrijkste werk over Atjeh, land en volk 
beschrijvend, is Dr. C. Snouck Huroronje, De Atjehers, 2 deelen 1893-94. 
Dezelfde schrijver gaf in 1903: Het Gajoland en zijne betooners. Deze beide 
standaardwerken zijn meesterstukken van beschrijving en samenvattende kennis. 
Over Atjeh verschenen nog: J. A. Kruyt, Atjeh en de Atjehers 1877 enDr. J.Jacobs, 
Het familie- en kampongkoen op GrootAtjeh, 2 deelen 1894. Door K. F. H. 
Langen werd het Atjehsche Staatsbestuur onder het Sultanaat beschreven. (Bijdr. 
Inst. v. Taal-, Land- en Volkenk. 1888) en van dezeltde hand verscheen een 
beschrijving van Atjeiïs Westkust (Tijdschr. K. N. A. G. 2de serie V en VI). 
Dr. E. B. Kielstra gaf een uitvoerige M Beschrijving van den Atjeh-oorlog tot 
1881" in 3 deelen met vele kaarten. 

Het lang nog onbekende Battaland en het geheimzinnige Toba-ineor werden 



Digitized by CjOO 



195 



onderzocht en beschreven door F. Junghuhn, Die Baüaldnder auf Sumatra, 2 
deelen, Berlin 1847, waardoor deze gewesten het eerst nader bokond werden. 
Sedert dien tyd werd dit land verkend door de „Rheinische Mtssions-Gesell- 
schaft", die onder de Bataks arbeidde, en door de reizen van W. A. Henny, 
Reis naar Segompoelon en Silindoeng in 1858 (Tydschr. v. h. Bat. Gen. 17de 
deel), van J. A. M. Cats baron i>e Raet, Reis in de Bataklanden in 1866 
en '67 (Tydschr. v. h. Bat. Oen. 22»te deel pag. 164), van C. de Haan, 
Verslag van een reis in de Bataklanden (Verh. v. h. Bat. Gen. 38»t« d. 1876), 
Dr. B. Hagen: 1. Reise noch dem Tobasee (Peterm. Mitt. 1883 II). - 2. Bei- 
tr&ge zur Kenntniss der Batta-Religion (T. v. h. Bat. Gen. 28). - 8. Rapport über 
eine in Dec. 188.') unternommene wissemch. Reise nach dem Tobahsee (ibid. Dl. 
81), en E. Modigliani Fra i Batacchi indipendenti, 1892. 

P. A. L. E. v. Dijk gaf in 1892 (T. Ned. A. Gen.) een Nota over de land- 
streek Habinsaran in de Tobalanden en beschreef later een Excursie naar de 
onafhankelijke landschappen in de Tobalanden (Tüdschr. A. Gen. 1895.). De heer 
C. J. Westenberg gaf een Nota over de onafhankelijke Bataklanden (T. Bat. 
Gen. 1&90) en interessante beschrijvingen van de Bataklanden, die hy door- 
kruiste, in het T. A. G. 1892, het T. v. Ned. Indiö 1900, in Eigen Haard enz. 

Een uitvoerig overzicht van de ontdekkingsgeschiedenis der Bataklanden 
goeft C. M. Plevte, Verkenning der Bataklanden (T. K. N. A. Gen. 1895), en 
hy toont aan, dat het groote Toba-meer in 1852 door Neubronner van der 
Tuvk was ontdekt geworden. 

Midden-Surnatra werd het eerst ontsloten door de expeditie b\j de Padri- 
oorlogen in 1823 (I pag. 340), en daarop volgden weldra de reizen van leden der 
Natuurkundige Commissie (zie I, pag. 53), waarvan wy bovenal die van Muller, 
Hörner en Korthals, zie boven, noemen. Wy wyzen op de publicaties : Reizen 
en onderzoekingen in den Indischen Archipel 1828-1836; Verhandelingen over 
de natuurlijke geschiedenis der Ned. Overzeesche bezittingen; Topographischc schets 
van een gedeelte van Sumalra 1847, en Bijdragen tot de kennis van Sumatra 
(zie ook over vegetatie I, pag. 189). 

Het in 1873 opgerichte Ned. Aardr. Genootschap zond van 1877- 
1879 een expeditie uit tot onderzoek van Midden-Surnatra, waaraan deel- 
namen J. Schouw Santvoort, A. L. van Hasselt, D. D. Veth en Joh. F. 
Snelleman. Deze expeditie bracht een groote voorraad materiaal mede omtrent 
de kennis der terreinen en der volken van de nog onbekende gewesten in het 
stroomgebied der Djambi en haar bovenloop, de Batang Hari. De resultaten van 
den arbeid der expeditieleden werden neergelegd in een groot werk : Midden- 
Surnatra, Reizen en onderzoekingen der Sumatra- expeditie, uitgerust door het Aard- 
rijksk. Oen. 1877-1879, verschenen 1881-1892. Dit werk bevat I. Reizen in 
Midden-Surnatra door A. L. v. Hasselt en J. F. Snelleman; II. Aardrijksk 
beschrijving, door D. D. Veth; III. Volksbtschrijving met ethnogr. atlas, door 
A. L. v. Hasselt, en IV. Bijdragen tot de kennis der flora en der fauna, door 
J. F. Snelleman. 

In 1891 werd door J. W. IJzerman (tegenwoordig voorzitter van het Kon. 



Digitized by Google 



196 

Ned. Aardr. Gen.) met Dr. J. F. van Bemmelen, S. H. Koorders en L. A. 
Bakhuis een onderzoekingstocht door Suinatra gemaakt, welke reis in een 
belangrijk boek: Dwars door Sumatra, 1895, beschreven is. De tocht ging door 
de Padangsche Bovenlanden en langs de Kwantan-rivier naar het oosten. Verbeek 
gaf in 1883 een Topografische en Geologische Beschrijving van een gedeelte van 
Sumatra's Westkust. 

Voor Z. en Z.O. Sumatra hebben w\] de eerste ontsluiting des lands te 
danken aan de militaire expedities, die van 1819— 1824 en later van 1851 -1859 
hier werden ondernomen, waarbij zich de opname des lands door topographen, de 
reizen van officieren van gezondheid en tevens natuuronderzoekers, als J. S G. 
Gramberg, Dr. O. Mohnicke aansloten, terwtjl beschrijvingen verschenen van 
ambtenaren als VV. L de Sturler, Proeve eener beschrijving van '< gebied van 
Palembang, 1843, Bijdrage tot de kennis enz. van het gebied van Palembang 1S57 
enz., van F. J. B. Storm van 's Gravezande, E. A. van Vloten: De Renau- 
districten in de residentie Palembang, F. S. A. de Clercq : De hoofdplaats Palem- 
bang (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1876). Bovenal hebben w\j voor de topo- 
graphische kennis van dit gebied veel te danken aan de Mijningenieurs, in de 
eerste plaats aan Dr. R. D. M. Verbeek: Topographisclie en geol. beschrijving 
van Zuid-Sumatra (Jaarb. v. h. Mynw. 1881). 

De kennis van Oost-Sumatra en van haar rivieren is bijna geheel te danken 
aan onderzoekingen uit den nieuweren tijd. Een der oudste beschrüvingen is John 
Anderson, Mission to the East Coasl of Sumatra in 1823, met schetsen over 
land, volk, handel enz. 182G. E. Netscher had hier reeds gereisd als ambtenaar 
(van 1861 - 1870 als resident van Riouw) en in onderscheidene artikelen van het 
Tijdschr. v. h. Bat. Gen. zijn zijn waarnemingen gepubliceerd. De leden der Sumatra- 
expeditie hebben veel bijgedragen om de kennis der riviermonden als van Djambi, 
Moesi, Tonkal, Reteh en Indragiri uit te breiden; de controleur J. G. Schot 
bereisde het kustgebied van de Kateman; de Indragiri of Kwantan, die door 
haar bovenloop in het Ombilien steenkolengebied der Padangsche Bovenlanden de 
aandacht trok, is sedert beter onderzocht, en vooral de expeditie IJzerman gaf meer 
licht over deze rivier; de Karapar werd in den bovenloop bereisd door den Ingenieur 
R. Ever wijn en de controleurs J. B. Neumann (1885) en E. Th van Delden 
en in den middenloop door J. Faes en J. A van Rijn van Alkemade. 

Over Deli gaf P. J. Veth een beschrijving: Het landschap Deli (Tyds. 
Aardr. Gen. II) en J. T. Crf.mer gaf Delische schetsen (Eigen Haard 1888, 89 
en 90); Dr. C. W. Janssen beschreef: Die Holldndische Kohnialwirtschaft m 
den Battaldnder 1886 ; H. J. E T. Schwartz schreef een Nota over den poli- 
tieken en economisclien toestand van het landschap Kwantan (Tijdschr. Bat. Gen. 1893). 

Werd aldus de kennis van Sumatra stukje bij stukje uitgebreid en het land 
kartographisch in beeld gebracht, het eerst werd dat verspreide en geenszins 
volgens eenzelfde stelsel verkregen materiaal voor de orographie des lands met 
veel zorg tot een eenheid samengebracht door Dr. J. F. Hoekstra, Die oro- 
und hydrographie Sumatra' s noch dem Standpunkte unserer heuiigen Kenntnisse 1893. 
Zeer volledige overzichten van de uitbreiding onzer kennis van Sumatra gat 
Prof. C. M. Kan in : Belangrijke reizen door Nederlanders ondernomen (Tijdschr. 



Digitized by CjOO 



197 



v. h. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1889) en in: Die Erweiterung unserer Kenntnisse 
von Sumatra seit 1870 (Verh. des 2ten deutschen Qeographentages zu Halle 1882), 
wat aangevuld werd door: Die neuesten Fortschritte der Kenntnisse von Sumatra 
(Verh. des 13ten deutschen Qeographentages zu Breslau 1901.) Verder raad- 
plege men voor de tüdschriftenlitteratuur de Repertoria van Hooijkaas en 
Hartmann en het juist verschenen Systematisch register op het Tydschr. van het 
Kon. Ned, Aardr. Genootschap van 1876-1904, bewerkt door W. C. Muller. 

De geologische kennis van Sumatra dagteekent van de laatste dertig jaren en 
is meest het resultaat der onderzoekingen van de Nederlandsche mijningenieurs. 
De belangrykste studiën noemen wi). Dr. R. D. M. Verbeek onderzocht ook hier 
het meest; hy publiceerde: 1. Het Oembilien-kolenveld in de Padangsche Boven- 
landen, Sumatra's Westkust. Met geogr. kaart, geol. overzichtskaart en profiel- 
kaarten. (Jaarb. v. het MJjnw. 1875, II); - 2. Over de beste ontginningswijze van 
een gedeelte van het Oembüien-kolen veld. Met kaartje. (Jaarb. v. h. Mjjnw. 1875 II); 
— 3. Topographische en geologische beschrijving van Zuid- Sumatra, bevattende de 
residentién Beng koelen, Palembang en de Lampongsche districten. Met geol. kaart, 
13 protielkaarten en 2 platte gronden (Jaarb. v. b. M\jnwezen 1881, 1); - 4. Aan- 
vullingen en verbeteringen, met 4 kaarten en 2 profielen (Jaarb. v. h. Mtfnw. 
1887. Tecbn. en Adm. ged. 11). - 5. Geologisch aanteekeningen over de eilanden 
van den Indischen Archipel in 't algemeen en de fossielhoudende lagen van Sumatra 
m het bijzonder (Verh. Kon. Ak. v. Wet. Afd. Nat XXI, 1881); — 6. Topo- 
graphische en geologische beschrijving van een gedeelte van Sumatra's Westkust, 
l»te gedeelte, naar de opnamen en verslagen van Verbeek, Van Schelle e. a. 
bewerkt door R. D. M. Verbeek; 2de gedeelte naar de opnamen van Verbeek. 
Met 19 kaarten, platten grond en 7 geol. kaarten. Batavia 1883. 

Verder : R. Fennema, Topographische en geologische beschrijving van een ge- 
deelte van Sumatra's Westkust. Batavia 1883. - Wing Eastox, 1. Eene geol. 
verkenning der Tobalanden, Samosir, Tóba en Silindoeng ; 2. Eenige nadere 
opmerkingen aangaande de geologie van het Toba-meer en omgeving (Jaarb. v. het 
M\)nw. N.I. 1894 en 1895 (Wetensch. deel). - E. A. Neeb, Verslag omtrent 
het onderzoek naar tinertsafzettingen in een gedeelte van Midden- Sumatra, omvat- 
tende de landschappen V. Kola, III. Kota Kampar, IV. Kola di Mudik, VII. 
Rota Kampar di Ilir, Rokan Kiri IV. Kota, Kunto, Bamba, Dalu-Dalu, Kam- 
pennan en aangrenzende streken. (Jaarb. v. h. Mynw. XXXI, 1902). 

Dr. W. Volz heeft het materiaal der kennis van de geologische gesteld» 
held van Sumatra tot een overzicht by elkander gebracht en tevens door eigen 
onderzoekingen uitgebreid. H(j schreef: Beitrdge zur geologischen Kenntniss von 
Nord-Sumatra (Zeitschr. d. deutschen geol. Gesellsch. 1899); - Zur Geologie von 
Sumatra, Beobachtungen und 8tudiën (In Geol. und Paleont. Abhandl. von 
E. Koken. Neue Folge VI, 1904). - F. Erb schreef: Beitrdge zur Geologie und 
Morphologie der südlichen Westküste von Sumatra (Zeitschr. d. Gesellsch. f. 
Erdk. 1905.) 

i 

De historie der Nederlandsche betrekkingen tot Sumatra is voornamelijk 



Digitized by Google 



198 



onderzocht door Dr. E. B. Kielstra. die ook economische toestanden be- 
sohreef. Wy whzen op diens werken: Beschrijving van dm Atjeh oorlog tot 1881 
in drie deelen; Sumalra's Westkust sedert 1819 (B^dr. t T. L. en V. 1886-92); 
Sumatra's Westkust omstreeks de helft der 18<fc eeuw (ibid. 1887); Eet ontstaan 
van den Padri- oorlog (Ind. Mil. Tydschr. 1887); Palembang sedert 1848 (ibid. 
1889); Nias tijdens Generaal van Swieten (ibid. 1890). De uitbreiding van het 
Ned. gezag op Sumatra (Gids 1887); De koffiecultuur ter Westkust van Sumatra 
(Ind. Gids 1888); De Lampongs van 1 832 - 34 (ibid); Onze aanrakingen met Troe- 
mon (ibid.); De ondergang van het Palembangsche Rijk (Gids 1892) enz. Over 
de oude geschiedenis van Sumatra gaf G. P. Rouffaer een overzicht, terwyl 
Prof. J. E. Hf.eres de nieuwe geschiedenis behandelde, beide in de Encyclop. 
v. Ned. Indie. Ook P. J. Veth (zie boven), E. Netscher e. a. leverden his- 
torische bijdragen over gedeelten van Sumatra. 



II. NATUURLIJKE GESTELDHEID DES LANDS. 

Naam van Het eiland Sumatra wordt in de oudste litteratuur 
sumatra. met onderscheidene namen aangeduid door de rei- 
zigers en handelaren, die met dit eiland of gedeelten er van 
het eerst kennis maakten en er eene beschrijving of aanduiding 
van gaven. Men vindt de namen: Malajoe, Java Minor, 
al-Ramni, Sjamoetra, Soematra, Samoedra, soms 
ook Taprobane, Andelas en Poelau Pertja, een veel- 
heid, die er op wijst, dat dit eiland nooit als één staatkundige 
eenheid tegenover het buitenland is opgetreden, zegt Roüfpaer. 
(Encyclopaedie v. N. I.). Sumatra' is op zijn meest de eerste 
vazal geweest van Groot-Java (Java) en werd daarnaar door 
Marco Polo met den naam van Java Minor ( 1 295) aangeduid. 
De naam Samoedra, in de oudheid een handelsplaats aan 
de noordkust van Pasei, is waarschijnlijk overgegaan op geheel 
het eiland, zonder dat die stad ooit de hegemonie uitoefende 
over een groot gebied. In die plaats echter waren de vreemde 
handelaren te huis, en waarschijnlijk heett Nicolo de Conti (zie I, 
pag. 3) in de 15 do eeuw den naam der plaats het eerst voor 
op het geheele eiland gebruikt. Een ander Venetiaan, Fra Maüro, 
bracht het eiland in 1459 in kaart als Taprobana of Sio- 
metra, waarmede de naam Sumatra in Europa voor goed haar 
intocht deed, die behouden bleef. De naam Andelas, oorspron- 
kelijk alleen aan een sfrreek in de tegenwoordige Pasoemah-landen 



Digitized by Google 



199 



toegekend, waarmede de Menang-kabauërs het eiland nog noemen, 
heeft nooit algemeen ingang gevonden, en evenmin die van 
Po el au Per tja of (waarschijnlijk) „Gomboomen eiland", die 
in verband staat met het produkt (I pag. 534). De oudste in- 
laudsche naam voor Sumatra blijkt geweest te zjjn Malajoe, 
Melajoe, die oorspronkelijk meer bepaald aan het zuidelijk 
deel, het land van Djambi en Palembang, toekwam, doch in 
de VM* eeuw door Javanen voor het geheele eiland werd ge- 
bruikt. Met de komst der Arabieren in de 9 do eeuw is de naam 
al-Ramni of al-Rami (volgens Kern vermoedelijk een spraak- 
en begrip-verwarring met het bij de Singhaleezen gebruikelijke 
Rainana = Arakan) een tijd lang in gebruik gekomen, maar ook 
zonder algemeen te worden. 

De naam Samoedra der genoemde nederzetting in het 
noorden van Sumatra is waarschijnlijk afkomstig van de kust van 
Malabar op het vasteland van Voor-lndië, waar de „Samoedri" 
(Zamorijn) als oceaan-koning heerschte. Een eilandje nabij Madras 
heeft nog den naam Samoedra of Sivana. De op de hellingen 
der Niligiri (Voor-Indiê) inheemsche pepercultuur werd blijkbaar 
(Rouffaer) tusschen 1350 en 1400 naar Samoedra (Sumatra) 
overgeplant, en de oudste peperkust in onze Oost is dan ook 
het Pasei-Pedirsche gebied, op Noord-Sumatra. 

Sumatra is, evenals Java, een lang uitgestrekt 
g^phiscifeu^. eiland, welks lengteas een hoek van 42° met den 
fonLrvo^" meridiaan maakt. Deze as heeft een lengte van 
1750 K.M., zoodat de uiterste punten op een afstand 
in hemelbreedte van elkander liggen als van Amsterdam naar 
Brindisi in Zuid-Italiê, terwijl de grootste breedte van Sumatra 
400 K.M. bedraagt. Met de kustlanden heeft Sumatra een opper- 
vlakte van 467 236 K.M. 1 , zonder deze geeft Dr. Hoekstra op 
± 435 000 K.M. a . De grootte van Sumatra bedraagt ongeveer 
13 x die van Nederland, en valt te vergelijken met die van 
Zweden (450 574 K.M. 2 ) en Spanje (497 244 K.M. 2 ;. 

Sumatra is in grootte de tweede der eilanden van den Ned. 
Indischen Archipel, het volgt op Borneo, en onder de eilanden 
der aarde wordt het overtroffen in oppervlakte door Nieuw- 
Guinea, Borneo en Madagaskar. 



Digitized by Google 



200 



Sumatra strekt zich vrijwel even ver aan beide zijden 
van den aequator uit. De lengteas ligt tusschen 5° 39' N.Br. 
en 5° 57' Z.Br. en tusschen 95° 13' en 106° 5 O.L. (Gr.). De strek- 
kingsrichting van Sumatra is N.W. Geen der groote eilanden 
in den lnd. Archipel heeft deze richting, en de overeenkomst 
hierin met het schiereiland Malakka, waarmede Sumatra parallel 
loopt, en waarvan het slechts door een ondiepe zeestraat ge- 
scheiden is, wijst er reeds op, dat Mala kka en Sumatra tot eenzelfde 
stelsel der vouwen van het aardrelief behooren (zie I, pag. 62). 

Sumatra, hoewel als eiland overal met de zee in aanraking, 
heeft een weinig geleden vorm. De zuidwestelijke kust is vrij 
recht loopend, enkel met zachte en kleine bochten. Aan den oost- 
kant alleen vindt men breeder waterarmen, die in het lage 
kustland doordringen, doch ook deze bochten hebben niet zoo 
groote waarde voor het verkeer als een blik op de kaart zou 
doen vermoeden, omdat de kust slecht bewoonbaar is, en niet 
zelden ondiepe banken er den toegang tot de rivieren verhinderen. 

Overzicht der ^ ne ^ rene ^ van Sumatra zijn, zooals reeds een 
orographische eerste blik op de kaart aantoont, in hoofdzaak te 
^'vatfde onderscheiden twee zonen : een lage, vlakke strook, 
rivieren. &\ e een breede gordel langs de N.0. helft van het 
eiland inneemt, en een bergachtige zone, die door het Z.W. 
loopt. 

De vlakte in het N.0. vormt een vrijwel homogeeD gebied, 
een reusachtig aanslibbingsland, zonder verheffingen van be- 
teekeuis. Alleen de rivieren verdeelen het terrein, dat langzaam 
hellend landwaarts stijgt, in afzonderlijke gewesten. Aan de mon- 
den zijn die rivieren meest breede waterarmen te midden van 
moerasbosschen, welke zich voortzetten in den aanslibbenden 
deltazoom, zoodat het dikwijls moeilijk is zee en land hier van 
elkander te onderscheiden. De oostelijke zeeén langs de kust van 
Sumatra zijn zeer ondiep; een vrij breede zoom van niet meer dan 
10 M. diepte, met modderachtigen bodem, loopt langs de geheele 
oostkust. Dat is het terrein, waar de afzettiug van slib de delta- 
vorming voorbereidt, en hetwelk voorbestemd is om na verloop 
van tijd achtereenvolgens als nieuw alluvium bij het land gevoegd 
te worden. Verder van de kust gaat de zeebodem in de zuidelijke 



Digitized by Google 



201 



helft van Str. Malakka tot ongeveer 30 a 50 M., tusschen Sumatra 
en de Lingga-eil. vindt men op zijn meest 33 M. diepte, en verder 
zuidelijk meest diepten van 20—30 M. De alluviale terreinen van 
Oost-Sumatra gaan aldus langzaam in den zeebodem over. De zee 
vormt hier een transgressie-zee (zie I pag. 30), waarbij de hoogste 
gedeelten van het onder gedoken land, als de eilanden van de 
Riouw-Lingga groep, Banka, Billiton enz., boven het water bleven 
uitsteken. Na de vorming der transgressie arbeidden de rivieren 
met kracht om de ondergedoken deelen weder op te hoogen tot aan 
den zeespiegel. Dat proces zet zich om de groote en hooge eilanden, 
die het meeste materiaal daartoe leveren, het sterkst voort, en 
daardoor heeft zich langs den berggordel van Sumatra een zoo 
breede strook aangeslibd laagland gevormd. 

Geheel anders is de westelijke helling van het bergland 
van Sumatra. Wel stijgt het gebergte op verre na niet overal 
onmiddellijk steil op uit zee, zooals kleine kaarten zouden doen 
vermoeden en als bij de vaart op een afstand langs de kust zich 
het eiland vertoont, wel ziet men bij nadere beschouwing schier 
overal aan de kust smalle vlakten, hier meer, elders minder breed, 
die langzaam ryzen tot heuvelland, maar van de zee rijst de 
bodem overal na korte hemelbreedte vrij steil tot het bergland, dat 
ook in enkele gedeelten geheel aan de kust komt. Het gebergte 
ligt aldus in de geheele lengte van Sumatra dicht b^j de west- 
kust, en de rivieren aan dien kant hebben alle een korten loop, 
dalen met groot verval van het bergland, en hebben slechts een 
uiterst kleinen benedenloop. De waterscheiding van Sumatra 
loopt in het Z. tot den aequator ongeveer op ± 300 K.M. van 
de oostkust en ± 50 K.M. van de westkust. 

De aldus aangeduide bouw des lands heeft tengevolge, dat 
aan den. westkant van bevaarbare rivieren, alleen enkele aan den 
mond uitgezonderd, nauwelijks sprake kan zijn. De grootste 
rivier aan de westkust is de rivier van Singkel, doch voor 
de scheepvaart heeft zelfs die bijna geen beteekenis. Aan den 
oostkant daarentegen bezitten de rivieren in de alluviale vlakte 
uitgestrekte stroomgebieden, en vormen zij de belangrijkste ver- 
keerswegen, welke veelal ook de centrale lijnen zijn, waarlangs de 
nederzettingen der bevolking gevestigd werden en de staatjes ont- 
stonden, die niet zelden met de rivieren dezelfde namen hebben. 



Digitized by Google 



202 



De belangrijkste rivieren in het oosten, wat bevaarbaarheid 
betreft van hoofdrivier en takken, zyn de Moesi endeDjambi. 
Over 't geheel wint de Djambi het van deze beide, doch inden 
benedenloop verkeert de Moesi in de gunstigste omstandigheden, 
zoodat hier ook de nederzetting Palembang ver boven Moeara 
Kompeh aan de Djambi in beteekenis moest uitkomen. Verder 
zijn in het O. nog belangrijke rivieren: de Indragiri, de 
Kampar, de Siak en de Rokan, benevens noordelijker de 
kleinere Asahan-, Serdang- en D el i-ri vier en. Van de vier 
eerstgenoemde heeft de Siak als waterweg de meeste waarde; 
over 't geheel zjjn de andere voor handel en scheepvaart niet 
van veel beteekenis, hoewel er bij elk dezer wateren belang- 
rijke gedeelten vallen aan te wijzen, die voor stoomschepen 
en groote prauwen te bevaren zijn. 

De grootste bezwaren aan de vaart op deze rivieren ver- 
bonden zijn de uitgestrekte, diepe modderbanken voor en in de 
monden, de afwisselende waterstanden (zoowel een gevolg van 
den onregelmatigen waterafvoer van boven als van de getijden, 
die de monden oploopen), en de vele stroomversnellingen in den 
bovenloop. De beteekenis der rivieren wordt verder beperkt, 
doordat er niet altijd een voldoende verbinding bestaat over land 
tusschen de verschillende rivierstelsels, terwijl de stroomge- 
bieden van onderscheidene rivieren dun bevolkt zijn. Hierdoor 
vindt men aan de mondingen van vele rivieren geen aanzien- 
lijke nederzettingen, doch op zijn hoogst enkele onaanzienlijke 
kampongs der Inlanders en kleine nederzettingen van Chineezen, 
die er een geringen handel dryven in verschillende produkten. 

Aan de Asahan-, Serdang- en Deli-rivier, hoewel zjj als 
waterwegen van minder beteekenis zijn dan de Indragiri, vindt 
men enkele grootere nederzettingen, evenwel door andere oor- 
zaken ontstaan, zooals wij later zien zullen. 

Ook de westelijke kustzee maakt een verschil met de ooste- 
lijke. Bijna nergens, en alleen voor onbeteekenende stukjes, vindt 
men in het W. een ondiepe zeezoora van 10 M. langs het land. 

Alleen kan men hier een smalle bank vinden, waarop de 
westkust van het eiland als op een voetstuk rust, dat diep in het 
water gezet is, ongeveer tot 200 M. diepte gaat (zie het diepte- 
kaartje in deel I, pag. 36), en dicht bij de kust meestal 50 — 100 M. 



Digitized by Google 



203 



diepte heeft, om buiten de eilandenrij, die Sumatra hier ver- 
gezelt, spoedig tot de volle diepte des Oceaans van meer dan 
5000 M. te dalen. De eilandenreeks der Mentawei- en andere 
eilanden vormt de eigenlyke grens van het vroegere land en 
van deze tot de tegenwoordige kust van Sumatra ligt de breuk- 
zone, die een overgangsstrook vormt, waar in enkele gedeelten 
diepe verzakkingen plaats vonden, als ten O. der Mentawei- 
eilanden (het Mentawei-kanaal), terwijl daarnaast kleine aard- 
schollen als de verbrokkelde deelen van den rand des lands 
bleven staan. De westkant van Sumatra vormt over 't geheel 
den hoogen afgebroken rand van het breede schiereiland, waar- 
mede Achter-Indiê zich in vroegeren geologischen tijd over Borneo 
tot Sumatra en Java uitstrekte. Een diepe inzinking der aard- 
korst langs een eenvoudige, regelmatig gebogen lijn heeft deze 
kustvorm aan den Indischen Oceaan doen ontstaan en had plaats 
langs de flank van een oud plooiingsgebergte met breuklijnen, 
(zie I pag. 62 enz.) 

Het bergland Beschouwen wij thans het bergland van West- 
van wett-su- Sumatra iets nader. Men kan dit bergland als één 



stelsel van verheffingen beschouwen, hetwelk als 
geheel veelal aangeduid wordt met den naam Boekit-Barisan 
(Boekit Mal. heuvel, bergtop). De inlandsche zeevaarders zagen 
van verre die reeks bergen als in een gelid (baris) staan en 
spraken daarnaar van Boekit B a r i s a n , een algemeene naam, 
welke door de Europeanen is overgenomen, en die in begrip 
ongeveer met bergketen overeenkomt. 

Het bergland van West-Sumatra blijkt bij nadere beschou- 
wing in het algemeen te bestaan uit twee of meer parallel 
loopende ketens, gevormd door plooien, antiklinale -^^^ 
en syuklinale vormen, met enkele inzinkingen en ver- 

brokkelingen van de aardkorst, terwijl tusschen de ketens een 
groot lengtedal valt aan te wijzen, hetwelk door vulkanische 
bergmassa's weer in eenige afgezonderde deelen gescheiden is. 
In dit lengtedal is de reeks van bergmeren ontstaan, welke in 
de lengte over het bergland voorkomen, en waarvan het Ra n au- 
ra eer, het Korintj i-meer, het Singkarah-meer , het Ma- 
nindjau-meer en het Toba-meer de grootste zjjn. Deze 



Digitized by G 



'204 



meren zijn gevormd door verzakkingen des bodems bij het proces, 
dat het bergrelief deed ontstaan, gedeeltelijk in vulkaankraters. 

In den vorm van het bergland van Sumatra bestaat een 
karakteristiek verschil tusschen het zuiden en het noorden. Het 
zuidelijk gedeelte van den Boekit-Barisan bestaat hoofdzakelijk 
uit dicht naast elkander gedrongen parallelle ketens, die enkele 
smalle hoogvlakten insluiten. Ten N. van l°N.Br. daarentegen 
vormt het gebergte een breed hoogland, dat meestal naar het 
W. het steilst eindigt, deels met randgebergten is bezet. Het 
hoogland neemt het grootste gedeelte van Noord-Sumatra in en 
daalt terrasvormig af naar de smalle kustvlakten, die het hier 
in 't W. en N. omringen, terwijl ook de oostelijke vlakte hier 
niet zoo breed is als in het Z. 

Het bergland van Sumatra wordt, meestal op betrekkelijk 
geringen afstand van de Westkust, over de geheele lengte van 
het eiland gekroond door een reeks van vulkanische bergen, 
waarvan onderscheidene nog werkende zijn. Als zoodanig zijn 
de volgende bekend: Krakatau (822 M.) in Str. Soenda, de 
Dempo (3120 M.) in de Pasoemah-groep ; de Kaba (1990 M.) 
in de Redjanggroep ; de Piek van Indrapoera (3690 M.) 
in de Korintji-groep ; de Talang of Soelasi (2542 M.), Sin- 
galang-Tandikat (2890 M.), Merapi (2891 M.), en de Pa- 
sa man-Te la mau (3000 M.) in de groep op het Padangsche 
Bovenland, de Sorik Berapi (1788 M.) in de Mandailing-groep, 
de Poesoeh Boekit, (2000 M.), de Dolok Sibajak (2172 M.) 
en de Dolok-Si Naboen (2417 M.) in de Bataklanden. Waar- 
schijnlijk is deze opsomming verre van volledig, doch wy zyn 
nog geenszins volledig ingelicht over het bergland van Sumatra. 

Hoewel het stelsel van den Boekit-Barisan in 
schouwing 't algemeen genomen, wat zijn vorming betreft, één 
Van ïand^ £ root 8 eneel uitmaakt, kan men toch op oro-hydro- 
graphische gronden in het bergland gevoegelijk eenige 
deelen onderscheiden. Dr. Hoekstra heeft in zijn met zorg be- 
werkte beschrijving der orographie van Sumatra een indeeling 
in hoofddeelen aangenomen, welke hij tot betere orienteering 
aanduidt in verband met de groote rivierstelsels en de politieke 
indeeling, omdat tot nog toe karakteristieke eigennamen voor 



Digitized by Google 



205 



de deelen van het bergland ontbreken. Al mogen de politieke 
grenzen zich weinig aansluiten bij de orographische configuratie, 
toch valt dit beginsel goed te verdedigen. Volgens die indeeling 
heeft men hier: 

1. Het bergland van Zuid-Sumatra. Hiermede omvat Hoekstra 
het bergland in de residentie Benkoelen en de aangrenzende 
deelen der Lampongsche districten en van Palembang tot ongeveer 
3° Z.Br., waarin het brongebied der rivieren van Benkoelen, de 
Lampongs en van de Moesi ligt. Het bergland van Zuid-Sumatra 
bestaat hier hoofdzakelijk uit twee parallelle bergreeksen, door 
een lengtedal van zeer afwisselende breedte gescheiden, welk 
lengtedal, als gevolg van jong-vulkanische uitbarstingen, niet 
een geheel vormt doch vier van elkander gescheiden lengte- 
dalen uitmaakt. In het Zuiden aanvangend ligt afgezonderd het 
ingressiedal der Lampongbaai, en vervolgens vindt men de 
vier dalen: 1. De Se man gk a-ba ai met het daarbjj aanslui- 
tende Semangk a-dal, dat in den bovenloop overgaat in een 
plateau van gemiddeld 900 M. hoog, hetwelk in een Diluviaal 
meer is gevormd. 2. Het Ranau-plateau is een tweede dilu- 
viaal plateau, ontstaan uit een meer, dat aangevuld werd met tuf 
van den vroegeren Ranau- vulkaan, welks krater later is ingestort 
en het tegenwoordige meer Ranau (= meer) vormt, 559 M. hoog 
gelegen. Het meer vormt een ketel met steile wanden, een echte 
oude krater, zooals ook met andere groote bergmeren van Sumatra 
het geval is. De halvemaanvormige gedaante van het Ranau-meer 
is een gevolg van latere erupties in den zuidelijken wand van 
den krater. Nadat de tuf in het vroegere Ranau-meer was neer- 
gelegd, werd het meer droog, doordien de Selaboeng-riv ier, 
verder oostelijk Komering geheeten, door den granietrand in 
het oosten een dieper bedding groef, en het meer ontwaterde 
naar de vlakte van Palembang. De rivier heeft in de tufmassa 
een erosiedal gevormd, dat op enkele plaatsen tot 177 M. 
diepte gaat. Het Ranau-plateau levert beroemde tabak. 

Na afbreking van het lengtedal door vulkanische gesteenten 
en nog werkende vulkanen, die de oudere aardlagen overdekken 
en een zeer gecompliceerd bergland vormen (waaronder de Pa- 
nindjawan 2165 M., de Patah 2200 M., en de Ringit 2000 M.), 
komt men voorbij de door fumarolen nog werkende Dempo, 



Digitized by Google 



20f> 



3167 M., aaii het 3 do plateau, dat der Boven-Moesi, 
hetwelk in het N.W. wordt afgebroken door den werkenden 
vulkaan van den Kaba, op welks vruchtbare hellingen de 
koffieteelt bloeit. Ook dit plateau, 300 a 400 M. hoog, 50 K.M. 
lang en 10 K.M. breed, heeft sprekend het karakter van een 
lengtedal. Het is een voormalig meer, aangevuld met tuf van 
den Kaba, en drooggelegd door de Moesi, toen die haar dal 
dieper door den oostelijken bergwand groef. 

Een vulkanische hoogvlakte van ± 1000M. hoog scheidt ge- 
noemd plateau van het dal der B o v e n-K a t a h o e n , de 4 do afdee- 
ling, welk dal eigenlijk de natuurlijke voortzetting van het Moesi- 
dal vormt. Hier stroomt de Katahoen door een enge vallei naar 
het N.W., loopt door een meer op 600 M. hoogte, van hooge 
bergen omringd, stroomt vervolgens door een hoogvlakte, waar 
zij bevaarbaar is, om naar het N.W. van het bergland met snellen 
loop in den Indischen Oceaan uit te monden. 

2. Het Overgangsgebied. Hieronder verstaat Hoekstra het 
brongebied der Batang-Hari tusschen 3° en 1° Z.Br., tot op de 
breedte van Padang. Hoewel dit gewest nog niet voldoende 
bekend is, valt toch in 't algemeen aan te nemen, dat het zui- 
delijk deel bestaat uit twee parallelle bergketens, en aansluitend 
bij het eerste gedeelte, met lengtedalen er tusschen, nl. die 
van het landschap Soengei-Tenang en van het Meer van 
Korintji, die door den Raja-v ulkaan, 2300 M., gescheiden 
worden, welke het Korintji-dal in het Z. met zijn vulkanische 
massa afsluit. Het Meer van Korintji ligt op de hoogvlakte, 
is 7 a 8 palen lang en half zoo breed, omringd door boschrijke, 
veelvuldig ingesneden oevers. De Batang-Sangkir, die op 
den Piek van Korintji ontspringt, stroomt over de hoogvlakte 
naar het meer, dat zich ontlast door den Maringin naar 
het oosten, waar zij zich zuidelijk met de Tembesi vereenigt. 

De G.-Korintji of Piek van In d rap oera breekt het 
lengtedal verder af. Het is een reusachtige vulkaankegel van 
3805 M. hoogte, die tot 3000 M. hoogte met woud bedekt is, 
hooger slechts met struiken. In den 500 M. wijden krater ziet 
men nog zwakke werking. Van het noorden uit maakt de berg 
den meest trotschen indruk, omdat zijn voet op 20 K.M. af stands 



Digitized by Google 



207 

reeds op een vlakte van 500 M. hoogte rust. Door zadels van 
1800 en 1600 M. hoogte staat deze berg in verbinding met zijn 
beide naburen : den Patah Sembilan in het W. en den Goe- 
noeng-Toedjoek zevengeb.), in 't O., welks kraterrand 
zich met 7 toppen verheft tot 2300 a 2600 M. 

Ten JN*. van deze vulkanen ligt het gebied van den boven- 
loop der Batang-Hari (Batang = rivier), die in het eerste ge- 
deelte door een lengtedal stroomt, en door de Goemanti, even- 
eens langs een parallel hiermede loopend lengtedal vergezeld 
wordt, welke zich er mede vereenigt. De Batang-Hari vormt 
met een loop van ± 800 K.M. de grootste rivier van Sumatra. 
Zij ontspringt op het bergland ten W. van het Danau (= meer) 
di Atas (Pad. Bovenl.), heeft weldra een Z.O. richting door een 
smal dal, ontvangt de B.-Seleti, die eveneens door een lengte- 
dal stroomt Hier is de rivier reeds voor kleine prauwen be- 
vaarbaar; zij stroomt verder naar het N.O., neemt de belang- 
rijke Goemanti op, richt zich N.-waarts, om na nog onderscheidene 
bijstroomen te hebben ontvangen het bergland en tevens de 
Padangsche Bovenlanden te verlaten en met stroorasnelten 
door de Batang-Hari -districten zich naar het Z.O. te wenden 
naar het gebied van Djambi. 

3. Het bergland van Zuidd ijk- Centraal- Sumatra. Dit derde 
gedeelte gaat tot 0° 15' Z.Br. en strekt zich ten O. van Padang 
en Priaman uit; het is een der langst bekende en best onder- 
zochte gedeelten van het bergland, dat uit eenige reeksen van 
parallelle ketens bestaat, door breeder of enger stroomdalen van 
elkander gescheiden. Hoofdzakelijk behoort dit bergland tot het 
stroomgebied der Ombilien, een der bronrivieren van de 
Kwantan of Rivier van Indragiri. 

Ten N. van den oorsprong der Batang-Hari ligt de hoog- 
vlakte van Alahan Pandjang, 1500 a 1600 M. hoog, gevormd 
door den dubbelvulkaan PasarArbaaen G.-T a 1 a n g (2596 M.), 
en op dit plateau ligt de Danau (meer) d i Atas op 1 53 1 M. 
hoogte, door kale heuvels tot 1620 M. van vulkanisch ma- 
teriaal omringd, terwijl in het Z.W. de Barisan tot 2100M. 
stijgt. Genoemd meer, dat door de Goemanti afstroomt, is het 
overblijfsel van een veel grooter watervlakte, welke ontstond, 



Digitized by Google 



20S 



doordien vulkanische uitwerpsels de afwatering verhinderden, 
en het meer, thans slechts 44 M. diep, zal nog kleiner worden, 
als de Goemanti haar bedding door erosie verdiept. 

De Pasar Arba& is een ingestorte krater, die door een 
meer wordt ingenomen, de schoone Danau di Bawah met 
11K.M. 2 oppervlakte op 1464 M. hoogte gelegen, door steile 
bergruggen ingesloten. De Talang is op dit oogen blik nog een 
werkzame vulkaan zonder eigenlijken krater. Uit een krater- 
spleet van 300 M. lengte en 30— 90 M. breedte, door loodrechte 
wanden ingesloten, stijgen gassen en waterdamp op. Met den 
Talang in 't Z. en den Merapi (2892 M.) in het N., ligt ten 0. 
van den Barisanketen een aanzienlijke verzakking, welker laagste 
gedeelte wordt ingenomen door het Singkarah-meer, het 
voorbeeld van een typisch langwerpige inzinking, welke de 
Duitschers als „Grabensenkung" aanduiden. Dit meerislSK.M. 
lang, 6,7 K.M. breed en ligt 362 M. hoog ; de diepte bedraagt 
in het Z. 180 en in het N. 240 M. In het N.W. mondt de Soe ni- 
poer, in het Z.O. de Selajoe of rivier van Solok in dit meer 
uit, welke laatste door een vruchtbare, dichtbevolkte vallei 
stroomt, waar verkeerswegen elkander uit alle richtingen ont^ 
moeten, en waardoor de spoorweg van Padang over Padang- 
Pandjang (die hier zich splitst, zoodat de eene lijn tot naar Fort 
de Koek gaat , terwijl de andere arm langs den oostelijken oever 
van het Singkarah-meer loopt) zijn weg neemt naar Solok en 
Sawa-loento. 

De afwatering van het Singkarah-meer heeft plaats door de 
O m b i 1 i e n , die het meer bij Moeko-Moeko verlaat, oostwaarts 
stroomt tot waar zij de Sello opneemt, en de richting van de 
laatste rivier daarna volgt naar het Z.O., langs de uitgestrekte 
Eocene kolenvelden, totdat zij de Pamoeatan opneemt en 
vervolgens hoofdzakelijk in oostelijke richting stroomt, om zich 
op een hoogte van 160 M. boven de zee te vereenigen met de 
Si nam ar, die uit het N. komt. Na eerst onder den naam 
Ombilien verder te zijn gestroomd en nog onderscheidene zij- 
riviertjes te hebben opgenomen, verkrijgt het aldus gevormde 
breede water den naam de K wan tan, die met talrijke bochten 
als een echte rivier weldra geheel afdaalt naar de vlakte. 

Een gordel van vulkanische gesteenten, in een N.O. — Z. W. 



Digitized by Goo 



209 



richting loopend, en waarop zich de drie groote vulkanen, de 
Sago (2261 M), de Merapi (2891 M.) en de Singalang- 
Tandikat (2S77 en 2137 M.) verheffen, sluiten dit gebied weder 
af. De Merapi is een der fraaiste en belangrijkste vulkanen, 
met afgeknotten kegelvorm en talrijke straalvormige ribben, 
die door het erodeerende water in den vulkaan zyn gevormd. 
Deze vulkaan, sedert 1879 in rust met enkel fumarolen-ver- 
schijnselen, wierp in 1905 bij een kleine explosie zand en steenen 
uit. Ten N. van de vulkaanreeks neemt het bergland in hoogte 
af; hier vindt men de vruchtbare en dichtbevolkte Diluviale tuf- 
plateau's van Fort de Koek en Pajokoemboeh. Padang-Pandjang, 
dat den toegang tot de plateau's van Solok en het laatstgenoemde 
vormt, heeft daardoor groote beteekenis. 

In het W. der hoogvlakte van Fort de Koek verheffen zich 
de imposante overblijfselen van den Manindjau-vulkaan, 
welks mantel met zijn oostelijke naburen zoo nauw samenhangt, 
dat er tusschen den Manindjau en den G. Singalang slechts een 
pas van 1325 M. open ligt. Door de instorting van den krater 
bleef een van binnen steile bergwal van elliptische gedaante 
bestaan, met de grootste as van 23 K.M. en de kleinste van 
1 1 K.M. bij 200 K.M. 1 oppervlakte. Binnen dezen kraterrand heeft 
op de plek van den vroegeren krater een centrale instorting 
plaats gevonden, waardoor het Manindjau-meer, ook Da- 
nau (-^meer) genoemd, gevormd is (16 K.M. lang, 9 K.M. 
breed, 93,575 K.M. 1 oppervl., en 157 M. diep), welks waterspiegel 
470 M. hoog ligt Door de Antokan-ri vi er stroomt het meer 
af op den Indischen Oceaan. 

4. Het bergland van noordelijk Centraal- Sumatra. Dit berg- 
land, dat tot lV/N.Br. gaat, vormt het achterland van Ajer- 
Bangis en Natal en omvat de stroomgebieden van Kampar 
en R o k a n , M a s a n g en Gadis. In dit ge- leelte van het berg- 
land komt ten N. van den Pasaman of Ophir (3000 M.) 
het lengtedal met evenwijdige ketens het meest sprekend voor, 
enkel door twee kleine ruggen afgebroken, welke het land 
in drie riviergebieden scheiden. Het lengtedal strekt zich uit 
van den Merapi in het Z. tot den Loeboek Üija in het N. 

Tusschen het schrale zandsteenplateau van den Boven- 
11 u 



Digitized by Goo 



210 



Kampar in het O. en een bergketen van den Kalaboe tot Loeboek 
Raja in 't westen ligt het puirasteen-tufplateau der Soempoer- 
rivier, die op den Pasaman ontspringt en door een jong erosie- 
dal naar de oostelijke vlakte stroomt, waar zjj Rokankiri 
heet en een noordelijke richting neemt. De hoofdwaterscheiding, 
die thans ten W. van de Soempoer-vallei gevonden wordt, lag 
in den Diluvialen tijd ten O. van deze rivier. 

Een lengtedal van grootsche afmeting wordt verder door- 
stroomd van de Gadis, die op den Kalaboe ontspringt, en 
de Angkola, welke in het N.W. op den Loeboek Raja zijn 
oorsprong neemt, e.i langs het bloeiende Padang Sidempoean, 
aan den voet van dien berg, naar het Zuiden stroomt, de Gadis 
tegemoet. Beide rivieren ontmoeten elkander op 170M. hoogte 
en breken vereenigd door het leisteen- en zandsteengeb. in 
het westen naar den Indischen Oceaan. Waarschijnlijk is de door- 
braak gevolgd toen de Loeboek Raja ontstond, die het lengtedal 
naar het noorden afsloot. 

5. Het bergland en hoogland van Noord- Sumatra. De Loeboek 
Raja, een vulkaan die zich tot 1900 M. verheft, welke in het 
beneden gedeelte bewoond wordt, doch welks top met zware 
wouden is bedekt, vormt een belangrijk punt in de orogra- 
phische gesteldheid van Noord-Sumatra. Men kan in 't algemeen 
aannemen, dat hier het stelsel van parallelle ketens overgaat 
tot de vorming van een breed bergland, waarbij verder noor- 
delijk de hoogvlakte domineerend is en de bergketens als rand- 
gebergten van het hoogland gezien niet of weinig uitkomen. 
Wij vatten dat noordelijk bergland samen als één geheel, en 
vinden dan in 't zuiden van dit gedeelte van Sumatra een over- 
gangsgebied, waarbij de ketenvorm des terreins overgaat in het 
breede bergland, dat tot hoogvlakte neigt, en waarbij de scheidende 
lengtedalen der ketens allengs verdwijnen, terwijl het noorde- 
lijk bergland van Sumatra, van de vlakte ten zuiden van het 
Toba-meer af, het sprekend karakter bezit van een hoogvlakte 
met steile randgebergten. 

Ten N. van den Loeboek Raja op 1 '/ a ° N.Br. vormt de Toroe- 
rivier nog een laatste voortzetting van het lengtedal; zij ont- 
springt op het bergland ten Z. van het Toba-meer, stroomt 



Digitized by Google 



211 



naar het Z.0. en buigt zich tegen den voet van den Loeboek 
Raja naar het W., om verder door de Tapanoeli-keten te breken 
en ten Z. der Golf van Tapanoeli in zee te vallen. Verder oostelijk 
komt uit het bergland ten Z. van het Toba-meer de Bi la-rivier 
met haar bystroomen, welker dal evenwijdig aan het vorige 
eerst naar het Z.0. loopt, doch de Bila buigt zich op ± 2° N.B. 
naar het N.0. en N. om. Tusschen beide ligt de lijn der water- 
scheiding. 

Vervolgens bereiken wij de hoogvlakte van het Toba-meer, 
een echt steppeachtig plateauland, welks oppervlakte gevormd 
wordt door tullagen. De Bataks noemen die hoogvlakte Hoembang 
(waarsch. van hembang uitgebreid). De noordelijke Toba-hoog- 
vlakte heeft in het midden een depressie van ongeveer 1000 a 
1100M., terwijl ten N. daarvan de hoogte 1300, ten Z. 1500M. 
bedraagt. Deze terreinvorm heeft tengevolge, dat de noordelijke 
rivieren een zuidelijke, de zuidelijke een noordelijke richting nemen 
en die in 't midden een westelijke. Aan den voet van het weste- 
hjke gebergte komen zij samen, om bij Singkel uit te monden. 
Ten N. van het Toba-meer ontspringt op den Dendoe, 1820 M. 
hoog, de voornaamste bronrivier van de Langkat. 

Het Toba-meer is het grootste bekende meer van Su- 
matra; het heeft, zonder het schiereiland Samosir gerekend, een 
oppervlakte van 1300 K.M. 2 en met dit 2050 K.M. 1 Daardoor is 
het ongeveer 12 maal zoo groot als het meer van Singkara. 
Het schiereiland Samosir, dat het midden inneemt, en door 
een smalle, moerassige landtong met den westoever verbonden, 
op een reuzenblad gelijkt, aan een dunnen steel op het meer 
gelegd, verdeelt het Toba-meer in twee deelen : het noorde- 
lijke gedeelte, Tao Silahai of Tao na bolak breede 
meer) geheeten, en een zuidelijk gedeelte, dat geen algemeenen 
naam heeft, maar genoemd wordt naar de aangrenzende land- 
schappen. Dat zuidelijk gedeelte heeft een diepte van * 500 M. 
Nagenoeg het geheele meer wordt door steile rotswanden inge- 
sloten, op korteren of verderen afstand door hooge bergtoppen ge- 
kroond, waaronder de Si Manoek in het O., 2377 M. en de 
Oeloe Darat in het W., 2172 M. hoog. Het eiland Samosir, 
dat de grootste hoogte van 1585 M. bereikt, daalt met glooiende 
oevers naar het meer, hier moerassig, elders zandig. Langs de 



Digitized by Google 



212 



oevers van het meer liggen nog enkele kleine eilandjes en het 
is omringd door dorpen, hoeta's, langs het straud gelegen, die 
een druk verkeer op het water hebben. Hevige valwinden maken 
echter de vaart dikwijls gevaarlijk. 

Het Toba-meer vormt een merkwaardig hydrographisch 
centrum in dit gedeelte van Sumatra. Rondom het meer ont- 
staan binnen kleinen kring op de berglanden onderscheidene ri- 
vieren, die van hier naar alle hemelrichtingen stroomen en 
eindelijk naar de beide kusten van Sumatra. Het meer zelf 
heeft zijn afwatering in het zuiden door de Asahan-ri v ier, 
die naar de Straat van Malakka stroomt. 

Het Toba-meer dankt waarschijnlijk zijn ontstaan aan een 
reusachtige, massale verzakking, met een spronghoogte, die in 
het N. op zijn minst lOüOM. bedraagt, terwijl in het zuiden 
de verzakking geringer was. De wegzinkende aardschol is bij 
dat proces verbrokkeld, en zoo zijn het schiereiland Samosir 
met eenige kleine brokstukken der oorspronkelijke aardschol aan 
den zuidelijken oever van het meer als horsten blijven staan. 
De noordelijke hoogvlakte van Toba is door ophooging ontstaan 
in deu tijd, toen het Toba-meer nog niet gevormd was. In het 
N.0. is het voorland, de 0. kust van Sumatra, weggezonken en 
op den steilen breukrand vindt men, evenals in de Padangsche 
Bovenlanden, een dubbele reeks van meest uitgewerkte vulkanen, 
de Si mbalon-Siba jak-Sim ilir-rij. Tusschen deze in het 
N.0. en de Longsibadon-keten in het Z.W. is door subae- 
rische afzetting de Karo-hoogvlakte gevormd. 

Ten N. der Bataklanden liggen de hoogvlakten der Gajo- 
en Alas-landen, die eerst in den laatsten tijd door de mili- 
taire expeditie van Van Daalen nader bekend zijn geworden. 

Het Gajo-land met de Alas-landen vormt een overgang van 
de Bataksche hooglanden naar Atjeh. In het W., N. en 0. is 
het Gajo-land overal omgeven door Atjehsche laag- en berglanden, 
die het als een meer of minder breeden gordel van den Oceaan 
scheiden. De Gajo-landen omvatten het centrale bergland van 
den noordelijkeu Barisan en vormen uitgestrekte hoogvlakten, 
doorsneden door tal van bergruggen, welke de stroomgebieden der 
voornaamste hier ontspringende rivieren, die van Peusan- 
gan, Meulaboh, Djambo Ajé, Djamboer Ajar, Tripa, 



Digitized by Google 



- 



213 

Temiang en Peureula, met tal van zijrivieren, van elkander 
scheiden. Het hoofdscheidingsgebergte vormt de grens tusschen 
de Gajo-landen en Atjeh's westkust ; het buigt zich by de boven- 
Seunagan -rivier naar het oosten en zet zich onder onderscheidene 
namen voort door Alas-landen naar de Bataklanden. De van 
deze hoofdketen uitgaande secondaire ruggen verdeelen de Gajo- 
landen in vier scherp geteekende hoogvlakten. De hoogvlakte 
van Laut-Tawar is aldus genoemd naar een meer van dien 
naam, dat 46K.M. in omtrek is en 1205 M. hoog ligt. Hoewel 
het geen kratermeer is maar door verzakking in den bodem ge- 
vormd schijnt te zjjn, wordt het bijna geheel door gebergten om- 
ringd, alleen aan de westzijde uitgezonderd, waar zich uitge- 
strekte sawah- vlak ten uitbreiden. Aan den zuidelijken oever 
worden slechts enkele beduidende nederzettingen met rijstvelden 
tusschen de bergruggen gevonden. De verdere hoogvlakten zijn, 
2 die van Boven-Dj ambo-A jé, 3 die van Gajo Loeös of 
Tanjo en 4 die van Serbodjadi, aan den bovenloop der 
Peureula. 

In het noordwesten van Sumatra splitst zich het bergland 
weder in twee takken, die het lengtedal der Atjeh-rivier 
insluiten, en welke als de laatste uitloopers der parallelle 
ketens van den Barisan beschouwd kunnen worden. Aan den 
noordkant wordt het land hier steil afgebroken en het bergland 
van Sumatra eindigt door genoemde ketens in twee hoekpunten, 
in Pedropunt in het oosten, en Atjehhoofd benevens Konings- 
punt in het westen. Tusschen deze hooge hoeksteenen ligt de 
moerassige lage kust van Groot-Atjeh, die in het bergland voort- 
schuift langs de rivier. Ten oosten van Pedropunt begint de 
laagvlakte van Oost-Sumatra. 

», De grondslag voor den bouw van het eiland 

Geologische o o 

geschiedenis Sumatra wordt gevormd door een stelsel van oude 
van Sumatra. gcn | e f er . 0 f leigesteenten (zie I, pag. 69), in petro- 
graphisch opzicht voornamelijk bestaande uit donkerblauwe kleilei 
en kwartsieten benevens grauwakken. Dit stelsel van oude lei- 
gesteenten duidt Dr. Voi.z in zijn jongste studie over Sumatra 
aan als Maleische formatie (Malaiische Formation), wegens 
de belangrijke rol, welke die reeks, van gesteenten vervult in 



Digitized by Google 



214 

den bouw der eilanden van den Jndischen Archipel, en om- 
dat hun ouderdom niet algemeen valt vast te stellen, zoodat 
een gelocaliseerde naam minder tot onjuiste beschouwingen 
aanleiding geeft dan een algemeene naam. 

De Maleische formatie komt op vele plaatsen van Sumatra 
aan den dag. Men vindt haar in het Lisoeng-geb. tot 1000 a 
] 200 M., waar zij een groote plaats inneemt, aan de doorbraak 
van de Kwantan-rivier, tusschen Pajakoemboeh en de Kampar- 
rivier, en van het Lisoeng-geb. breidt zij zich uit tot de grens 
der V Kotta's naar het N., met dezelfde gesteenten benevens 
glimmerlei. Het noordelijk daarbij aansluitende lage Soeligi-geb. 
(Goenoeng Soeligi 536 M.) bestaat meest uit harde, fijne kwarts- 
ieten. Nog op vele andere plaatsen is de Maleische formatie 
bekend en niet onwaarschij olijk moet deze als het grondgebergte 
van geheel Sumatra beschouwd worden, dat op de meeste 
plaatsen door jongere formaties aan het oog onttrokken wordt. 

De ouderdom der Maleische formatie kan slechts bij be- 
nadering worden aangewezen, zeiden wij, daar er tot nog toe 
geen versteeningen in gevonden werden. Verschillende geologische 
aanduidingen wijzen er echter op, dat de formatie zeer veel 
ouder moet zijn dan de opper- Karbonische, en dat zij waar- 
schijnlijk wel tot de Kambrischen tijd moet gebracht worden, 
en in elk geval oud-Palaeozoïsch is. 

De lagen der Maleische formatie werden reeds in dien 
oudsten geologischen tijd geplooid tot vouwenstelsels (zie I, pag. 
62 enz.) en hebben daardoor als het ware den eersten grond- 
slag gevormd van de bergketen, die in de lengte door Sumatra 
loopt en het geraamte vormt, waaromheen dit eiland is opge- 
bouwd. Toch vormde dit gebergte niet een geheel aaneengesloten 
plooiingstelsel, maar het bestond uit vier deelen, die als coulissen 
naast elkander stonden, en welks vormen nog in den omtrek 
van het tegenwoordig Sumatra uitkomen. Zij zijn: 1. het 
Atjeh-Batakland; 2. Tapanoeli-stelsel (Volz spreekt van 
Tapanoeli-Bogen), van Siboga naar Kalaboe, bestaande uit 3 

parallelle plooien; 3. het Padanger stelsel (van Kalaboe 
tot de Piek van Indrapoera), bestaande uit 6 a 7 vouwings- 
ruggen en 4. het gebergte van Zuid-Sumatra. 

Door welke krachten had de opheffing der prae-Karbonische 



Digitized by Google 



215 



lagen tot bergketens plaats? Was het door zijdelingschen druk 
als gevolg der contractie van het binnenste der aarde, of was 
het door een druk van het magma van onder naar boven tegen 
de nog jonge aardkorst? 

De waarneming leert, dat de vouwen der oude leigesteenten 
in innige betrekking staan tot de onderliggende granietmassa's, 
die als het ware de kernen vormen van de opwelvingen der 
leigesteenten. Hieruit valt als waarschijnlijk af te leiden, dat 
deze oudste gebergten ten deele gevormd werden als lakkolithen, 
(I pag. 87) een vorming, die bij de oudste verheffiDgen der 
aardkorst vermoedelijk een grooter rol heeft gespeeld dan 
later. Waar de dekmantel dier lakkolithen door denudatie 
in den loop der tijden werd weggenomen, komt het graniet- 
gesteente weer aan de oppervlakte, zooals op onderscheidene 
plaatsen van Midden-Sumatra het geval is, o. a. ten O. van 
Siboga, ten 0. van Padang en elders. 

Het gebergte, dat aldus gevormd was, stond in prae-Kar- 
bonischen tijd aan sterke denudatie ten prooi, waardoor de oude 
leilagen op onderscheidene gedeelten tot op de granietkern werden 
weggenomen. Hierdoor verkreeg Sumatra in den vóór-Karbo- 
nischen en Mesozoïschen tijd de gedaante van een vlak afloopend 
schild, aan de randen gedeeltelijk onder water gelegen, en waarop 
gedurende den jongsten Karbonischen tijd in onderscheidene ge- 
deelten koraalriffen ontstonden, die de Karbonische kalkge- 
steenten vormden, welke discordant op de lagen der Maleische 
formatie voorkomen. 

In den geologischen tyd, die daarop volgde, en welke nog 
vóór het Trias ligt, hadden er hevige erupties van diabasen 
plaats langs spleten, die veelal aan de grens der kalkriffen voor- 
komen in de richting der vouwingsplooien. Daarvan zijn vele 
voorbeelden in de Padangsche Bovenlanden, het Batang-Hari- 
gebied en elders aan het licht gekomen. 

In den oudsten Triastijd was Sumatra blijkbaar met het 
vasteland verbonden (I, 71). Doch de beweging des bodems* 
deed de grens van land en water voortdurend afwisselen, en weldra 
werd Sumatra door de Thetys-zee grootendeels overdekt, om ver- 
volgens weder droog gelegd te worden. Bij deze tijdelijke water- 
bedekking had de vorming van Mesozoïsche sedimenten plaats, 



Digitized by Google 



210 



bestaande uit leemlagen en zandsteenen van het Trias, welke o.a. 
aan de boven-Kwaloe voorkomen, daar lagen van 600- 800 M. 
dikte hebben, en die waarschijnlijk in Oost-Suraatra groote ver- 
breiding bezitten. 

Het begin van het Tertiair, nl. het Eoceen, kenmerkte zich 
door geringe vouwing, waardoor het prae-Karbonische rompge- 
bergte weder verscheurd werd, terwijl ook gesteenten uit het 
Eoceen aan die vorming werden onderworpen. Tot de gesteenten 
van het Eoceen behooren de productieve kolenlagen en onder- 
scheidene conglomeraten. (I pag. 556). Gelijktijdig daarmede, 
waarschijnlijk er mede in verband, had er weder eruptie van 
andesieten plaats langs lijnen van verbrokkeling of spleten der 
aardkorst in de richting van de plooien. 

Nadat tijdens het Mioceen en Plioceen, (het jonge Tertiair), in 
Zuid-Sumatra kalklagen, mergellagen, leemlagen, zaudsteenlagen 
en bruinkolen gevormd waren in de bekkens langs de toen- 
malige kust van het eiland, en ook vulkanische werkzaamheid 
zich openbaarde, hoewel nog niet krachtig, begon aan het eind 
van het Tertiair bij den overgang tot het Diluvium de hevig 
werkende bergvorming, die in hoofdzaak in den Indischen Ar- 
chipel het tegenwoordig reliëf deed ontstaan. De resultaten van 
die bergvormende energie der aardkorst waren verschillend, al 
naar de vastheid der lagen, welke er weerstand aan boden. Zware 
lagen uit het laatste Tertiair werden gevouwen tot bergruggen, en 
op het westelijke voorland van Sumatra, over Enggano, de Men- 
tawei-eilanden, Nias enz. ontstond een bergketen. Het oude 
rompgebergte en de jongere aardlagen van Sumatra werden bij die 
werking verscheurd op de meest zwakke lijnen, zooals men in 
West-Sumatra aan dien kant van het Barisangeb. en in Zuid- 
Sumatra nog kan zien. Intusschen hadden hierbij ook verticale 
inzinkingen plaats langs de westkust van Sumatra. Hierdoor 
ontstond de steile rand van het eiland naar den buitenkant. 
Verheffing door bergvorming aan den eenen kant, inzinking aan 
den anderen kant, nl. in den Indischen Oceaan, deze werkingen 
verscheurden en vervormden de aardlagen van het eiland. Langs 
de westkust zonk een gedeelte van het verbrokkelde land in 
de zee en alleen de hoogste gedeelten van het gebergte op 
het voorland: Enggano, Mentawei-eil. enz., bleven als geïsoleerde 



Digitized by Google 



217 



rotsen in den Oceaan zichtbaar, in hun rangschikking de richting 
nog aanduidende van de bergketen, waarvan zij een overblijfsel 
zijn. De westkust van Sumatra vertoont nog sporen van dien 
afgebroken rand in de vorming der kust. 

vulkanen en ^ 00r genoemde verscheuring der aardkorst in dit 
jongere for- vulkanisch gewest, waarbij uit den aard der zaak de 
breukzone een vrijwel rechten gordel vormde, werd 
deze als voorbestemd tot vulkanische erupties. Op die zone ont- 
stond de reeks van jonge vulkanen, welke in de lengte door 
geheel Sumatra loopt. (Zie pag. 204). 

Het aantal vulkanen is niet juist aan te geven bij het nog 
onvoldoende onzer tegenwoordige kennis. Doch men kan onge- 
twijfeld 93 jonge vulkanen op Sumatra tellen, waarvan 12, gelijk 
wij zeiden, nog werkende zijn, die als volgt geographisch zijn in 
te deelen. 

1. De Soenda-groep, 12 éruptiepunten, die Straat Soenda, 
een jonge inzinking, omringen of doorkruisen. Hiervan 6 in de 
Soenda- straat en 6 op Sumatra. 

2. Kroë-groep, 1 eruptiepunt. 

3. Ra na u-groep, 6 éruptiepunten. 

4. Pasoemah-groep, 16 éruptiepunten. 

5. Kedj ang-groep, 5 éruptiepunten. 

6. Korintj i-groep, 5 éruptiepunten. 

7. Padanger-groep, 15 éruptiepunten. 

8. Mandailing-groep, 3 éruptiepunten. 

9. Tapanoeli-groep, 1 (?) eruptiepunt. 

10. Batak-groep, meer dan 16 éruptiepunten. 

11. Alas-groep, 6 éruptiepunten. 

Hierbij moet men bedeuken, dat het aantal vulkanen in 
werkelijkheid veel grooter zal blijken te zijn, als zij nader be- 
kend worden, en dat het dikwijls moeielijk valt uit te maken, 
of men met één of meer vulkanen te doen heeft. 

Als men de vulkanen van Sumatra overziet, blijkt, dat 
zij in een lange smalle zone langs de westelijken kant van 
het gebergte gegroepeerd zijn. Het is een strook van 1600 K.M. 
laDg, terwijl zij het dichtst voorkomen in de Redjang-groep, de 
Korintj i-groep, de Padanger Bovenland-groep en in de Man- 



Digitized by Google 



218 



dailing-groep. Op 1 K.M. lengte vindt men in dat gedeelte van 
den vulkaangordel 13—20 vulkanen. De hoogste vulkanen op Su- 
matra zijn de Piek van Indrapoera 3690 M. en de Dempo 3120M. 

De hevige vulkanische actie, waardoor de jong-vulkanische 
bergen werden opgebouwd, zal op Sumatra evenals op Java 
(zie II, 37) in den laatsten Tertiairen tijd zijn aangevangen, en 
heeft zich voortgezet in den Quartairen tijd. De groote vulkaan- 
kolossen zullen in den Diluvialen tijd of nog later ontstaan zijn. 
Bij gemis van een volledige geologische kaart van Sumatra valt 
de beteekenis van het vulkanisme voor de vorming van den 
bodem van het eiland nog niet zoo volledig aan te wijzen, als 
dit voor Java kan geschieden. Alleen wijzen wij er hier op, 
dat vele der vruchtbare plateaus uit vulkanisch tufinateriaal 
gevormd zijn, afgezet in zoetwatermeren. Het plateau der boven- 
Semangka, het Ranau-plateau, het plateau der Boven- Moesi, 
dat bij het Korintji-meer, bij het Manindjau-meer, en de hoog- 
vlakte der Karo-Bataks zijn Diluviale tufformaties en ook elders 
komen die voor. 

In den Diluvialen tijd heeft niet alleen het vulkanisme aan 
den bouw van het eiland gewerkt, ook de hooge stand der 
zee (zie I, pag. 80) heeft tusschen het Tertiaire heuvel- en berg- 
land tal van Diluviale afzettingeu nedergelegd uit het materiaal 
van de hoogere gedeelten afkomstig. Het Diluvium bestaat meest 
uit rolsteen banken, conglomeraten en zandsteenen van vulkanisch 
materiaal. Het schijnen meest rivierafzettingen te zijn uit een 
tijd, toen de waterstand der rivieren belangrijk hooger was dan 
tegenwoordig en zij een grootere slib- en puinmassa afvoerden. 
De Diluviale zeevormingen zyn ook tot hoogten van 200 M. aan 
te wijzen ; zij omringen het bergland met heuvelachtige, breede 
terrassen en vormen den overgang tot de vlakte. 

Hebben wij in het bovenstaande in hoofdlijnen de geolo- 
logische ontwikkelingsgeschiedenis van Sumatra nagegaan van 
den oudsten tijd tot het eind van het Diluvium, sedert dien 
tijd arbeidt de natuur steeds voorts aan de vervorming van het 
eiland. De vulkanen zijn van tjjd tot tijd nog werkzaam, de 
erosie en denudatie in het binnenland tasten de rotsen aan en 
de aanslibbing langs de kusten zetten het proces der landvor- 
ming hier voort. Zelfs de actie der bergvorming is nog niet 



Digitized by Google 



219 



geheel tot rust gekomen, zij het ook dat de werking op kleine 
schaal plaats heeft (zie I, pag. 86). 

Klimaat kli maa, t der onderscheidene gewesten van 

a. windrich- Sumatra heeft een verschillend karakter, al naar de 
tl ° e ' ligging ten Z. of ten N. van den aequator, met een 
overgangszone onder den aequator, verder naar de ligging ten 0. 
of ten W. van het gebergte en naar de hoogte boven de zee. 
Naast deze hoofdfactoren, die in het tropische zeeklimaat hier 
wijzigingen brengen, komen nog andere locale invloeden. De 
westelijke klimaatgebieden zjjn tot een smalle kuststrook bepaald, 
de oostelijke hebben een grooter oppervlakte en sluiten zich 
nader aan bij het zeeklimaat van de westelijke .lava-zee en de 
Zuid-Chineesche zee. Wij wijzen verder naar de algemeene 
klimaatsbeschrijving (deel I, pag. 120 enz.) en staan hier enkel 
bij karakteristieke afwijkingen stil. 

Qaan wjj in de eerste plaats de windrichtingen van elk 
dezer deelen na. Het zuidelijk gedeelte der westkust tot nabij 
den aequator ligt in het gebied van den N.W. moesson van 
Nov. tot Maart, en den Z.O. moesson van Mei tot October. 
De Z.O. moesson is eigenlijk de Z.O. passaat, die nabij den 
aequator zoo goed als een oostenwind wordt. Als deze over het 
bergland van Zuid-Sumatra waait, valt hij voor de westkust 
samen met den landwind bij nacht, die van het land naar zee 
waait, en beide versterken aldus elkander, terwijl de richting 
hierdoor iets gewijzigd wordt. 

Daardoor waaien aan de Z.W. kust van Mei tot Oct. de 
0. tot N.0. winden bij nacht vrij geregeld. Doch over dag, als 
de W. zeewind waait, werkt deze den moesson (passaat) tegen, 
en zoo verzwakken zij elkander. Het gevolg is, dat men over 
dag in dien tijd aan de westkust geen vaste windrichting heeft, 
maar er veranderlijke winden overheerschen, uit alle streken 
van het kompas waaiend. 

Van Nov. tot April is de toestand omgekeerd: de zeewind 
waait dan over dag, een W. wind, die den W. en N.W. moesson 
versterkt, en dientengevolge waaien in dezen tijd de N.W. winden 
veel geregelder over dag dan bij nacht, wanneer de landwind 
hem tegenwerkt. Door deze bijkomende oorzaken en de ligging 



Digitized by Google 



220 



der kust ten opzichte van het gebergte wordt de N.W. moesson 
evenmin als de O. moesson aan de zuidelijke westkust veel 
opgemerkt, maar heerschen er verder veranderlijke winden naast 
land- en zeewinden, veelal vergezeld van zware regenbuien. 

In de overgangszone der westkust, van den aequator tot 
2° N.Br., heeft men geen bepaald overheerschende windrichting, 
maar hebben land- en zeewinden de overhand en wisselen zeer 
regelmatig af: de landwinden uit het O.N.O., de zeewinden uit 
het W.Z.W. 

Het gedeelte der kust verder noordelijk tot Atjeh heeft, 
vooral in de noordelijke helft, N.0. winden van Dec. tot Maart 
en Z.W. winden van Mei tot Sept. De N.ü. wind is evenwel 
minder in het oog vallend dan de Z.W. wind. In de zuidelijke 
helft van deze kust is de wind minder vast en bemerkt men 
nog in een overgangsgewest te zijn. 

De N.0. wind, dien wij hier gedurende de zuider-declinatie 
der zon van Dec. tot Maart leerden kennen (I pag. 143), is blijk- 
baar de N.0. passaat, die in December tot den aequator naar 
het Z. voortschuift, en de Z.W. wind in Juli is de Aziatische 
moesson, die gedurende de noorderdeclinatie der zon ontstaat 
om het luchtdrukminimum op het vasteland van Azië, waar- 
omheen een cyklonale beweging gevormd wordt. Toch staan de 
moessons aan de westkust niet geregeld en geenszins krachtig 
door. Het kustgebergte houdt een geregelden luchtstroom tegen, 
en ruimt aan land- en zeewinden der kust een grooter plaats 
in ten koste van den moesson. Daardoor dan ook, dat de eigenlijke 
Z.W. moesson het krachtigst waait aan de noordkust van Atjeh, 
en daar alleen tot zijn recht komt, maar aan de westkust van 
N. Sumatra enkel zwakke sporen vertoont. De noordkust van 
Sumatra behoort, wat de winden betreft, geheel tot het stelsel 
der moessons van de Golf van Bengalen, met Z.W.-moessons 
van April tot October, en met den N.0. -moesson (N.O.-passaat) 
van November tot April. 

Het noordelijk gedeelte der oostkust vau Sumatra ligt eens- 
deels in de beschutting van het westelijk hoogland en is aan den 
anderen kant begrensd door een smalle zeestraat, in het oosten 
afgesloten door het hooge schiereiland Malakka. Daardoor kan zich 
aan de kust en op de zeestraat het windstelsel der moessons 



Digitized by Google 



221 

en passaten niet vrij ontwikkelen. De Z.W. moesson waait zelden 
ver in de straat, en in plaats daarvan heeft men hier veel 
windstilte of veranderlijke winden. Aan de O. kust van Suraatra 
is de toestand in hoofdzaak dezelfde; hevige buien komen daar 
veel voor, die met windstilte afwisselen. De buien uit het W. 
heeten in de Straat van Malakka „Sumatranen"; het zijn hevige 
windvlagen, kort van duur maar met stortregens en onweders. 

In het Z. van de Str. van Malakka begint langs de kust 
van Su matra en op het land het windstelsel reeds te beerschen, 
zooals wij dat beschreven (I pag. 139 enz.). Op de breedte van Deli 
heelt men ongeveer den overgang dier windstelsels. Ten Z. 
van den aequator waait de oostmoesson, die er omstreeks Mei 
doorstaat (O.-passaat) en tot October heerscht, en ten N. van 
den aequator in een Z. wind overgaat. Dan wordt het de echte 
moesson, die in het tegengestelde jaargetijde door den N.ü. 
moesson (passaat) wordt afgewisseld. In de Str. van Malakka en 
in den Riouw-Archipel, die in Juli, als ten N. van den aequator 
gelegen, den Z.W. moesson zouden moeten hebben, waait van Mei 
tot Sept. meest Z.0. en Z. wind (zie het kaartje I, pag. 144). 
Deze wind is te beschouwen, als een gevolg van de luchtaspi- 
ratie, welke de Z.W. moesson aan den noordelijken toegang van 
Str. v. Malakka doet ontstaan. De naar die aspiratie toestroo- 
mende lucht doet door de richting der straat den Z.0. moesson 
(passaat) ten Z. van den aequator in diezelfde richting voortgaan 
ten N. van den aequator. In het tegengestelde jaargetijde heer- 
schen hier N.W. winden door soortgelijke aspiratie in het zuiden 
der straat. 



De regenval staat met de windrichting ten nauwste 
M&e"ekn" m verband. Daar nergens de moessons ongestoord 
maats-ver- heerschen, heeft de regen verdeeling op Su matra niet het 

scnij nsclcn* _ . 

echte moessonkarakter van een droog en een vochtig 
jaargetijde, al bestaat er verschil. De regel, dat de Z.0. moesson 
droog is in den Archipel, geldt niet voor Sumatra; deze wind 
heeft bij zijn weg over de Java-zee reeds voldoende vochtigheid 
ontvangen om aan de kust als een vochtigen wind aan te komen. 

De regenverdeeling op Sumatra leert het volgend overzicht 
kennen. 



Digitized by Google 



Hoogt e- 
sUtioDt. 



N.0. kuit; op 
geringe hoogte. 



N.kust Z.W. koit, 



co 3 



I • 

o 

ï 

I: 
I 

O 

i 

i 



1 



l 

I 
5" 



r 

8- 

f 

ET 

a. 

s 

I* 

i 



O p 



c- 

CE 



o o 

fï O 

SS® 

ZO p 

• 

o .— 

»» 

►i co 



^ > GO 
P >— • O 

ar o 
p l*f 
D ^ 

13 co 
p 

^£ 



c 
cc 

3 

cr 
o . 

CC •— 
— 63 



p 

Cn^5 I 
10 £ i- 

s 5ï ° 

00 ts 

I Sb 

b- 



v 'p' a 

cr >-- p 
p 

O \_, CD 

ca" °^ 

b"* 

w. 



<b 

CC r| 
Cu O 
P cc 

_ p 



b 



ra 



I ** 
I o 

cc öS 
" b 

O -1 

w 



1+ 

UT 

O 

as 
b 



f 1 

_ p 

O , . 



W^ 



£ 5P ^ to 

ca" 

H- • 



l+ 1+ 



o 

as 
b 



as 25 w cs 
b?- b 



O* 

o 

B 
Cf? 



u 

o 

b 



W M « _ *9 «9 «9 u_ _ »■ H9 N ,_ ic co co * " 
M N M üiN © a* _ •* »* 00 4- * •« 

V V ft ^9 6* ft oo ca ft O ft O co co ft N 


Janaari. 


H- ** *9 99 W W H- tO CO tO tO 5 

00 ? » ïi ^ • W ROCOCO OCO viCOC w 2 
O 6* »> «o ft 3 *9 ü> O n! to CO CS to •— CD C* 9 


Februari. 


>*»00CD<lS S 00 U«»»Oo£l 0» 

«9 0 ft • 9 «9 i— co «v* cc oo -j co • 


Maart. 


•9 M M D9 «9 N W } » M H ^ _ * * zc to 

W O 69 69 ^ Ui oo o co cc cc P m to o» ^ 


Anril 
Apni. 


5 to 1 ^- i— ' i— i— . »— ' Ü 1 ! - cococoto 

9 cc^co w ccoeco*too • e «a^tc^ t— 

• toootocc Oi^-co^oico m • k-oo^-»- co 


Mei. 


h— 1— 1 h- 1 t— » t— » t— * t— ' ' l— ' l— > t— ' CO lO CO tO I- - 
WnJOSOh COCOrf^tOtOO OS CO tO CC to 

— m^ccco o> oo to oo ooco oooceco to 


Juni. 


i— • t—' »— • i— ' t— • i— • ►—» i— i h • co co co t— > i— > 

«O O ^1 CC HHrfk Cf Htc tO ' OnOtD O 
CO ^3 Ol iO f— 1 00 CO tO Ci O CO O O •— ' to • — ' CO 


Juli. 


•— ' • 1 ' *— 1 •— ' i— ' •— ' JJ 8 ' t— ' t— ' cococoto »— > 
<I C< si O CO i-i^COj M if». t— ' to Ci tn to to 
h-o ojcöh tocccr»69«9cs c co cceotOi^- 


Augustus. 


!— 1 S »— 1 5? S S •— 1 rfk.C0l^tO M 

«00'J'gCfl ^^SSS* 0 •2 4^^!"^ tO 

cocsco^o a ai j> ^ *i m •« Q ooo69<i 


September. 


W^WhM M M 69 N «19 N «0 «9 u, » Cu 63 _ 
69 to M co 69 99 * * 9 M © g 69 ** 6jt ^ 
JDco69C5© M 69 «0 m 0» 69» 00 


October. 


M 69 N 69 «9 M N O M N N MM ^ Ö" Ö« 69 

69 © « CU 69 eXÜ»»(D N • mMXM 5 

N • 69 •! N» ft 1 N ft M <i ft 69 N -3 


November. 


W 6i 69 69 *9 69 W 69 9* 69 P P «9 ^ * C* 69 M 
b< jb O 63 CK ft * m O O Cu 6969 |£ ft m ft 69 
ft m ft m m ÖM» ;s« rop cl » I W 


December. 


tO lO tO tO tO tOtOtOH-tOt— tO «— ^^rfk-co to 
C i'' C M -acj«c3>eooco 0<ï O>«vJC7«C0 o 
i^COHWO lO CO W CO 00 M «vltO ^ to <t 00 
os cn to co os to co to O 00 CO 0C h- Cl 00 -2 o 


Jaar. 


totototoi— w ^ W m H m t— cococoto ^ 

C*jOC«C wCttOCS^Jcn 00 CO 00 CO <! 
cccoeoosto OJ Oi H- C'< W CO C04». oscor-cn co 


Normaal cijfer*. 
Gemiddelden 
per maand 



T * r van bet jaar. 



Digitïzed by Google 



■ 



228 

Uit het bovenstaande blijkt, dat Sumatra niet alleen een 
regenrijk klimaat heeft, (alle genoemde stations op een na met 
boven de 2000 m.M. regenval, en zelfs tot 4700 m.M. gaande), 
maar dat de regen ook over het geheele jaar verdeeld is. Regen- 
ar moede vindt men er in geen enkele maand des jaars, maar 
wel kenmerken zich eenige maanden door een toenemenden 
regenval. Over 't algemeen hebben de maanden Juni, Juli 
en Aug. den minsten regenval, en de maanden Sept., vooral 
October, November en Dec, zijn de regenrijkste maanden, 
Januari ook nog voor enkele gedeelten. Over 't geheel geeft 
Februari den minsten regen voor de Westkust, terwyl de tijd 
van Mei tot September meest overal het droogst is, evenwel 
geenszins arm aan regen. Atjeh heeft den hoofdregeutijd van 
Sept. tot en met Dec. en een kleinen regentyd in Mei; Jan.— 
April is 't er droog. 

Bij vergelijking der verdeeling van den regen over het eiland 
valt in het oog, dat de plaatsen aan de westkust nabij de zee 
gelegen den meesten regen hebben, en dat die niet, als op Java, 
toeneemt met de hoogte boven de zee. Het gebergte, dat zich 
met vrij steile hellingen langs de kust uitstrekt, is de oorzaak, 
dat de lucht hier reeds snel nabij de kust stijgt en daar een aan- 
zienlijken stijgingsregen veroorzaakt. De veelvuldige wouden op 
de berghellingen houden mede de zeewinden tegen, bevorderen 
aldus hierdoor een windstuwing en regenvorming. 

De cijfers leeren ons verder, dat de regenhoeveelheid per jaar 
toeneemt naar den aequator. De oorzaak hiervan ligt voor de hand. 

De lucht op Sumatra is aan de westkust bijna altijd vochtig, 
maar in de morgenuren het minst : des morgens na droge warme 
dagen heeft hier tusschen 4 — 6 uur een sterke dauwvorming 
plaats en tot 10 uur zijn de bergtoppen scherp afgeteekend 
tegen den blauwen hemel, maar daarna worden zij tot den 
volgenden morgen weer meest in nevels en wolken gehuld. 

Het klimaat der kuststreken van Sumatra overziende, doet 
het zich in de lagere gedeelten kennen als heet en vochtig, met 
aanzienlijken neerslag. Den drogen tijd, die op Java, nl. in 
het oosten, nog bekend is, vindt men op Sumatra niet. Een groot 
gedeelte van Sumatra ligt in het gebied nabij den aequator, 
met krachtige verticale luchtbeweging het geheele jaar door, 



Digitized by Google 



224 



maar het meest bij hoogsten zonnestand. De verdeeling van den 
regenval komt hiermede overeen. Een verschil is het met Java, 
dat het op Sumatra veel meer en harder waait, zooals door 
velen werd opgemerkt, de bergpassen van Java uitgezonderd. 
Een gevolg van de groote vochtigheid en het minder schijnen 
der volle zon is het minder gebruik van schaduwboomen bij de 
cultures van Sumatra, o. a. bij de koffie. 

De gemiddelde temperatuur is ongetwijfeld + '/i 0 C. hooger 
dan op Java, als gevolg van de ligging onder den aequator. 
Uit den aard der zaak geven de terreinafwisselingen vele 
regen- en temperatuurverschillen. Door het klimaat zijü de lage 
gedeelten van Sumatra, alsmede de heuvellanden en de niet 
te hooge berglanden, bij uitnemeudheid geschikt voor den groei 
van tropische planten. Waar de natuur vrij spel gelaten wordt, 
ontwikkelen zich de oerwouden op Sumatra, die als gevolg van 
de min dichte bevolking nog uitgebreide streken in beslag nemen. 
Wij hebben die oerwouden en hun plantengroei reeds beschreven 
(I pag. 206, 212) en gewezen op de verschillen tusschen de Ja- 
vaansche en de Sumatraansche wouden. 

Een geheel ander karakter dan dat der laaglanden vertoont 
het klimaat van het hoogland van Midden-Sumatra. De heer 
Westenberg schetste dit hoogvlakteklimaat, wel niet in getallen 
maar door woorden des te sprekender. 

De hoogvlakten van Sumatra laten door hun klimaat weinig 
vermoeden, dat men zich hier in het hartje der tropen bevindt. 
Zelfs midden op den dag, als de zon fel genoeg kan branden, 
wordt de hitte reeds getemperd door hevige winden, die zelfs 
onaangenaam guur worden, zoodra de lucht bewolkt is of de 
avond valt. De gewone Indische stortbuien, die kort duren 
maar hevig zijn, komen op de Bataksche hoogvlakte zeldzaam 
voor, doch dagen aaneen valt soms een fijne, kille motregen, 
terwijl in de morgenuren menigmaal een dikke mist over het 
land pleegt te hangen. Als de zon onzichtbaar blijft, gelijk hier 
dikwijls het geval is, heeft de natuur iets sombers, iets dreigends. 

Op heldere dagen is het anders ; dan kan de blik heel ver weg 
dwaleu over de eindelooze vlakte, waarop de wolkenschaduwen 
spelen ; dan teekenen de bergen aan den horizon zich in groote 
lijnen scherp af tegen het uitspansel en kronkelen in zilveren 



Digitized by Google 



225 



pluimen de rookzuilen der vulkanen ten hemel. Dan is het landschap 
wel niet lief en bekoorlijk maar heel grootsch en heel machtig. 

Planten en Over de verbreiding der planten en dieren in den 
dieren. Archipel hebben wij reeds gehandeld (I 192 enz.) in 
het algemeen en mede het oog op Sumatra gevestigd, zoodat 
wij daarnaar verwijzen, ook wat betreft de verschillen met de 
flora van Java. Wij zullen daaraan niet meer toevoegen, doch 
alleen de aandacht er op vestigen, dat Sumatra het echte land 
der tropische oerwouden is. De weinig dichte bevolking en de 
betrekkelijk geringe oppervlakte, welke in cultuur is genomen, 
schenken aan dit eiland, door overvloedigen regen over hetge- 
heele jaar en een zwaren verweeringsbodem, alle voorwaarden 
voor de ontwikkeling van het type der tropische regenwouden 
(I pagg. 206, 209, 212). Ook de tropische kustflora (I 222) heeft 
een groot gebied; voornamelijk langs de oostkust vindt men 
typisch de mangrove-vegetatie, terwijl ook de eigenaardige 
moerasbosschen (I, 225) hier veel voorkomen. 

De regenwouden komen op Sumatra tot groote hoogte voor, 
en alleen op de hoogste bergen valt een overgang tot de Alpine 
flora ' waar te nemen. De hoogvlakten van Sumatra, als die 
bij het Toba-meer, hebben eenigszins het karakter der xero- 
phiele savanne- wouden met lage boomsoorten, arm aan onderhout, 
en met lange grassen, waaronder het alang-alang een aanzienlijke 
plaats inneemt. Daardoor doen zij iets aan steppen denken. 

Ook de dierenverbreiding behoeven wij na het gezegde 
(I pag. 235 enz.), waar de dieren in verband met de geologie 
beschouwd zyu, niet te herhalen. Alleen herinneren wij hier er 
aan, dat de fauna van Sumatra een Aziatisch karakter heeft, 
en wel het meest van alle eilanden van den Archipel, doordat 
het later dan de andere van Aziö gescheiden werd. 



III. BEVOLKING. 

Bewoners De onderstaande statistiek leert ons de talrijk- 
van sumatra. heid der bevolking van Sumatra bij benadering kennen, 
volksaard. vo ig ens <i e 0 fficieele indeeling, die daarbij i s aange- 
nomen. Ook al zijn die cijfers niet in bijzonderheden juist, omdat 

II 15 



Digitized by Google 



226 



van een eigenlijke volkstelling op Sumatra geen sprake kan zijn, 
toch zullen de totalen bruikbaar zijn, om de algemeene groe- 
peering der bevolking van Sumatra en de omliggende eilanden 
te leeren kennen. Wij hebben daarbij genomen de gegevens voor 
de geheele Sumatragroep. 





Europ. 


V/U IIIVv 

zen. 


A r&* 
bieren. 


Andere 

vr©t*m d(! 

1 ) ■ t clar. 
V 'UB IOI " 

lingen. 


Inlander» 


Totaal. 


Padangscho Bovenlanden . . . 


1845 


9 462 


244 


1 433 


354 653 


867 137 


Padangscho Beaedenlanden . . 


953 


1 799 


17 


435 


832 968 


836 172 




869 


1 659 


72 


543 


321 309 


323 988 




244 


804 


34 


159 


161 185 


162 396 


Lampongseho districten. . . . 


121 


879 


53 


9 


141 364 


142 426 




618 


8 958 


2 194 


189 


792 340 ») 


804 299 




2079 


103 768 


365 


8 843 


306 035 


421 090 


Atjeh en Onderhoorigheden 1 ) . 


701 ') 


5 139 


43 


470 


104451 •) 


110 804 




238 


13 737 


1 


246 


71 964 ') 


86 186 


Banka 


269 


39 849 


246 


41 


65 900 


106 305 




84 


11577 


7 


4 


31714 


43 386 



De vergelijkende statistiek (zie I pag. 452) leert verder, 
dat de volksdichtheid van Sumatra uiterst gering is, en in bet 
dichtstbevolkte gedeelte des lands, het Gouvernement Sumatra's 
Westkust, op weinig meer dan 10 bew. per K.M. 1 kan gesteld 
worden. 

Sumatra is daardoor in vele opzichten nog een maagdelijk 
eiland, niet geëxploiteerd, waar de natuur vrij spel is gelaten, 
en dat het dichtst bevolkt is midden in het westelijk gedeelte, 
langs de helling van het bergland. De minst dicht bewoonde 
gedeelten zjjn de groote laagvlakten der oostelijke helft, met 



1) Deie cijfer» betroffen alleen de afdeelings- en onderafdeelingshoofdplaalsen. Van de af- 
deeliogen zelf i» de steikte niet op te geven. 

2) Hierin is begrepen het ramingscijfer 131 500 vuor het Rijk Djambi, met uitzondering 
van dc landschappen Korintji en Serampa» en het stroomgebied der Toenkal-rivier. Naar gissing 
zou Korintji alleen een bevolking van tusschen 75 000 en 250 000 zielen tellen. 

3) Onder dit cijfer i» niet begrepen de bevolking der afdeelingen Moekim VII, Lho Seu- 
mawe, Poeloe Raja. Meulaboeh en Tapa Toean, waaromtrent geen opgaven konden worden verstrekt. 

4) Hieronder een bij benadering verkregen cijfer van 10 703 voor Poeloo Toedjoeh. 



Digitized by Google 



227 



hun drukkend klimaat en met dichte, vaak moerassige en 
ongezonde oerwouden. 

In verband met de terreingesteldheid en het klimaat staat 
ook het verschil in physieke en geestelijke energie. De krach- 
tigste volken van Sumatra zij 11 de bewoners van het bergland 
en het hoogland, en eveneens vindt men bij dezen de meeste 
ontwikkeling, zooals wij bij de Bataks en Menangkabauers zullen 
zien. Een scherp onderscheid valt op te merken, o.a. bij de Bataks, 
tusschen de bewoners van het hoogland en van de lagere ge- 
westen, waarbij de gunstige invloed van het hoogtekliraaat 
boven die van het laagland op de bewoners duidelijk spreekt, 
zooals wij later aanduiden. Op den laagsten trap van ontwikkeling 
staan de physiek zwakkere laaglandsvolken, welke gedeeltelijk 
uit nog niet vast aan één woonplaats gebonden stammen bestaan, 
en in de oerbosschen verblijf houden. Wij wijzen hiervoor op 
de Orang-Koeboe, Orang-Loeboe (zie I pag. 364). Bij de laag- 
landsvolken valt verschil te maken tusschen hen, die de oevers der 
bevaarbare rivieren en de kusten bewonen en de stammen, welke 
in het binnenland in de oerbosschen verbly ven. De eersten komen 
onder vreemde invloeden, nemen eenige cnltuur-ideeên over, 
de laatsten zijn ongelukkige, willooze slachtoffers van de natuur- 
lijke omstandigheden, welke hier niet tot hun voordeel zijn. 

In het algemeen de bevolking van Sumatra beschouwende, 
treft het, dat zij nergens bijzonderen aanleg voor economische 
ontwikkeling vertoont. IJver, arbeidslust, zin om te sparen en 
kapitaal te vormen zjjn geen kenmerken, welke hier algemeen 
voorkomen. Het versnipperd staatsbestuur en gemis aan eenheid 
werkte dien toestand in de hand. Geen vorst of staatssuprematie 
deed hier over een grooter gebied gedurende een langer tijdperk 
eenheid ontstaan, geen ethnographisch eenheidsbesef of staat- 
kundig eenheidsgevoel heeft de bewoners met elkander vereenigd. 
Verdeeling en versnippering in kleine groepen heeft steeds de 
ontwikkeling der bevolking en haar optreden tot groote doel- 
einden belemmerd. Daardoor bleven de natuurschatten van Su- 
matra lang zoo goed als ongeëxploiteerd. En door de geringe be- 
woning hadden vreemdelingen hier zooveel moeite met het 
vestigen van landbouw- en mijnondernemingen, omdat de arbeids- 
krachten meest van elders moeten komen. 



Digitized by Google 



228 

In aard verschillen de flinkste volken van Sumatra veel 
van de Javanen. De bevolking van Sumatra's Westkust bijv. is 
uiterst beleefd zonder een spoor van de kinderlijke onderworpen- 
heid, die men bij de Javanen kan opmerken. Zelfbewustheid, vrij- 
heidsgevoel en moed vindt men bij de Sumatraansche volken veel 
meer ; men denke aan de Atjehers. De echt Sumatraansche volken 
hebben ook nooit zoo sterk onder vreemde overheersching ge- 
staan als de Javanen en zijn minder vermengd geworden. 



Als men de bewoners van Sumatra naar hun 
men°enyjï" afkomst beschouwt, moet men in de eerste plaats 
pen der in- verschil maken tusschen de kustbewoners en de stam- 

landers. 

men van het binnenland. De kusten van Sumatra 
zijn sedert eeuwen in aanraking geweest met vreemdelingen. 
Op de Oostkust van Sumatra hebben in de Lampongs, te Palem- 
bang en Djambi al sedert lang Hindoe- Javaansdie volksplanters 
zich gevestigd om handelsstations op deze kust te stichten. Aan de 
Westkust van Sumatra en rondom de kusten van Noord-Sumatra 
hebben Atjehers en Maleiers zich verbreid, voornamelijk om 
handel te drijven. Daarenboven hadden zich Chineezen, Klinga- 
leezen, Hindoe's en Arabieren op vele punten aan de kust ge- 
vestigd, en waren vermengd met de Inlanders. Hierdoor is de be- 
volking der Benedenlanden en der kusten doorgaans geheel ver- 
schillend van die der Bovenlanden en van het binnenland. De 
kustbevolking van geheel Sumatra bestaat uit gemengde rassen, 
waarin onderscheidene internationale elementen zijn opgelost. 

Bestaat er aldus een ethnographisch verschil tusschen de 
bewoners van het binnenland en die der kuststreken, eveneens 
valt er een sociaal- economisch verschil waar te nemen. De kust- 
bewoners hebben door den directen handel met vreemdelingen 
gedurende eeuwen beter geleerd te produceeren voor den ruil. De 
binnenlanders echter zijn tot het midden der 19 de eeuw meest 
buiten vreemden, nl. Europeeschen, invloed gebleven. Zij hebben 
hun eigen huishoudkunde het langst bewaard, hoewel er Hindoe- 
Javaansche invloeden uit lang verleden tijd zijn op te merken. 
Zelfs de Islam heeft er niet overal invloed gevonden ; men vindt 
daar nog resten der natuurhuishoudkunde en van de natuur- 
lijke ontwikkeling der maatschappij en van den godsdienst. 



Digitized by Google 



229 



De echt Inlandsche bevolking van Sumatra vormt een 
staalkaart van talrijke stammen en familiên. Hoewel misschien 
één in oorspronkelijke afkomst, en terwijl allen tot de Maleisch- 
Polynesische taalfamilie behooren, heeft het isolement in de 
verschillende deelen des lands toch voor vele groepen een zelf- 
standige ontwikkeling van eigenaardigheden en gewoonten ten 
gevolge gehad. Dit blijkt o. a. uit de vele talen van het eiland. 

Wij zagen reeds (I pag. 279), dat men bjj de bewoners van 
Sumatra en de naastbij liggende eilanden op zijn minst een 
tiental talen kan onderscheiden, terwijl de meeste weer in 
dialekten kunnen onderverdeeld worden. Op het hoofdeiland 
vindt men: 1. Maleisch, 2. Bataksch, 3. Atjehsch, 4. 
Gajosch, 5. Redjangsch en Lebongsch en 6. Lara- 
pongsch, elk weer met dialekten. Deze taalgroepen vertegen- 
woordigen ook in hoofdzaak de voornaamste stammen der In- 
landers op Sumatra. Wij zullen de toestanden en eigenaardigheden 
dezer Sumatrasche stammen in korte overzichten afzonderlijk 
nagaan, zonder in 't bijzonder te letten op de tegenwoordige 
politieke verhoudingen. 

i De Maieiers meest karakteristieke en sterkst vertegen- 

woordigde Inlanders van Sumatra, die reeds in de 
oudheid bekend waren, zijn de Maleiers en de Bataks. In aard 
en levenswijze verschillen deze hoofdgroepen zeer. Terwijl de 
Bataks altijd meest binnenlanders waren, die te huis bleven 
en zich voor goed op het hoogland van Sumatra vestigden, werden 
de Maleiers zeevaarders, die als emigranten naar elders trokken 
en zich overal in den Archipel langs de kusten nederzetten Alleen 
op Sumatra, in den Riouw- Archipel en op Malakka bleven de 
Maleiers als aaneengesloten geheel wonen (zie I, pag. 285). Op 
Sumatra namen zjj vooral de oostkust met het tegenwoordig 
gebied Palembang als centrum in, omdat dit gewest het meest aan 
de routes van het handelsverkeer lag, en zij verdrongen van hier 
de Bataks meer naar het binnenland of vermengden zich met 
hen. In het binnenland hield echter op de Padangsche Boven- 
landen de stam der Menangkabauers, die men van echt 
Maleische afkomst acht te zijn, zich staande; misschien moet men 
in hen een overblijfsel der oer-Maleiers zien, die gevestigd bleven 



Digitized by Google 



230 



in het binnenland, ook nadat andere Maleiers naar de kusten 
voortdrongen, en die zich hier zelfstandig ontwikkelden. (Zie I, 
pag. 288). 

De huidkleur der Maleiers is licht, roodachtig bruin, welke 
bij velen overgaat in een olijfkleur of geelbruin; het hoofd is 
plat en breed, het haar grof en sluik, terwijl zeer weinigen der 
mannen een baard bezitten en ook borst en ledematen bijna 
niet behaard zijn. Zij zijn kleiner van lengte dan de Europeanen, 
maar overigens sterk gebouwd; het gelaat is plat en breed, 
met uitstekende wangbeenderen en een middelmatig hoog voor- 
hoofd, terwijl de zwarte of bruine, een weinig scheef staande 
oogen, den kleinen, platten neus met breede neusvleugels en 
wijde neusgaten en den grooten mond met dikke lippen spoedig 
in het oog vallen. 

De Maleier wordt verder beschreven als vriendelijk van aard 
en over 't algemeen in zijn manieren beleefd en ongedwongen. 
Nimmer onderdanig, is hij tegenover vreemdelingen terug- 
getrokken en wantrouwend, hoewel hij dit niet toont. Hij is 
moedig en betrouwbaar in het uitvoeren van een taak, maar 
daarentegen verkwistend, leent gaarne geld en is zeer laksch in het 
terugbetalen. Hij is een aardig verteller, spreekt gaarne in gelijke- 
nissen, haalt spreekwoorden en wijze spreuken aan, heeft een 
humoristischen geest en houdt van aardige scherts. Hij is Mo- 
hammedaan en fatalist, maar daarbij zeer bijgeloovig. Hij drinkt 
nooit alkohol, is zelden een opiumschuiver, maar houdt veel 
van spelen, van hanengevechten en dergelijke sport. Hij is van 
nature een sportsman, vangt en temt olifanten, is een bekwaam 
visscher en volmaakt te huis in de boot. Hij leert gemakkelijk 
iets navolgen, en als hij doorzettingskracht heeft en ijver, kan 
hij een goed werkman zijn. Doch hij is eenigermate lui, kent 
orde noch regelmaat, zelfs niet voor zijn maaltijden, en tijd heeft 
voor hem geen waarde. Zijn huis is slordig, zelfs vuil, maar 
hij baadt zich tweemalen per dag; hij houdt van opschik en 
mooie kleeren. Het gevoel van stamverwantschap is zeer sterk 
bij hem ontwikkeld. 

Aldus de somatische eigenschappen en het karakter der 
echte Maleiers van Sumatra's Oostkust. Zij, die zich naar elders 
verspreidden en handel drijven, hebben door vermenging veel 



Digitized by Google 



231 

vreemde elementen in zich opgenomen. De zuiverste en oor- 
spronkelijke Maleische rastypen vindt men thans nog bij de 
Menangkabauers in de Padangsche Boven- en Benedenlanden. 
Over dezen nu in 't bijzonder. 

De karaktertrekken van de Menangkabauers worden niet 
geroemd. Zij zijn sterk gehecht aan voorvaderlijke gewoonten 
en zeden, en wijken daarvan niet dan noode at. Verder worden 
zij beschreven als stijfhoofdig, weinig voor overtuiging vatbaar. 
Een beleediging vergeten zij niet licht, maar trachten zij meestal 
in 't geheim te wreken, door den beleediger in diens persoon 
of goederen te benadeelen; toch onderwerpen zij zich gewillig 
aan straf. Huwelijkstrouw is niet streng bij hen in toepassing, 
de liefde van ouders tot kinderen is niet groot en evenmin is 
het medegevoel veel ontwikkeld. De Menangkabauer is over 
't geheel ijdel, wantrouwend, inhalig, kuipziek en bemoeizuchtig, 
aanmatigend tegenover zijn minderen, nederig tegenover zijn 
meerderen en vooral tegenover invloedrijke personen. Waarheids- 
liefde staat bij hen niet hoog aangeschreven, onderscheid tusschen 
het mijn en dijn wordt bij velen gemist. Bjj feestelijke gelegen- 
heden geeft hij zich dikwijls aan onmatigheid over. Zindelijkheid 
op lichaam, kleeding en woning wordt weinig betracht. De ernstige 
aard van den Menangkabauer maakt hem een vijand van luid- 
ruchtigheid ; toch is hij een minnaar van gezelschap en hij praat 
en disputeert gaarne; geheele nachten kunnen deze lieden bij 
elkander zitten te redetwisten eu te babbelen. Er Hgt iets aan- 
geboren advocatisch in hem, maar tegenover vreemdelingen is 
hij stug, in zich zelf gekeerd, weinig vatbaar voor levendige 
indrukken. Van dronkenschap heeft hij een afkeer; het gebruik 
van betel en tabak, de eerste als pruim en de tweede als ciga- 
rette, is er algemeen. 

De betelpruim heeft er groote beteekenis in het maat- 
schappelijk leven (zie 1 399). Over 't algemeen is de Menang- 
kabauer gastvrij tegenover bekenden en ook de vreemdeling, 
die hem belangstelling toont, geniet veelal bewijzen van vriende- 
lijkheid, en dan is hij trouw. Tegen pijn is hij uitermate gehard. 
Al is de Menangkabauer niet bepaald lui, arbeidzaam is hij 
evenmin; hij doet niet gaarne meer dan hij noodig heeft te 
verrichten. Hij heeft, trots hoog loon, niet veel lust om in de 



Digitized by Google 



232 



mijnen te arbeiden of op andere wijze een stuk brood door loon- 
arbeid te verdienen. Daarentegen is hij een energiek handelaar, 
een geduldig handwerker, maar afkeerig van flinke lichamelijke 
inspanning. Aansporingen van regeeringswege of van particu- 
lieren om katoen, rameh, cacao enz. te planten, waartoe de 
bódem in hun land zich goed leent, baten weinig; hij moet als 
het ware naar de sawah's gedreven worden en laat die na den 
oogst braak liggen. Eerst in den laatsten tijd is het gelukt 
hen hier en daar tot den aanplant van tweede gewassen te 
brengen. Die eigenschap der Maleiers maakt hen niet geschikt 
om den bodera des lands veel in cultuur te brengen, en het gemis 
aan werkkrachten is het groote bezwaar, dat bij de exploitatie 
der natuurlijke rijkdommen ook in hun gebied moet overwonnen 
worden. Eigenaardig is het wel, dat hij, die geen loonarbeider 
wenscht te zijn, in het verzamelen der boschprodukten een zekeren 
zin heeft. De oerwouden liggen in de nabuurschap van vele kam- 
pongs, en het fladderen in de bosschen strookt met den zelf- 
standigen aard der Menangkabausche bevolking. 

Hoewel tot voor kort zoo goed als geheel van onderwijs 
verstoken, zoodat alle wetenschap voor hen een gesloten boek 
bleef, zijn de Menangkabauers toch niet onvatbaar voor ontwik- 
keling, en wanneer aan de leergierigheid voldaan wordt en die 
goede leiding heeft, blijkt dikwijls, dat hij niet minder aanleg 
heeft dan de Europeaan. Rekenen, aardrijkskunde, dier- en plant- 
kunde, werktuigkunde, teekenen en schrijven leert hij goed. De 
versieringen der wapenen en van het huisraad, het snij- en 
schilderwerk aan de woningen, de patronen van vlechtwerk en 
weefsels en het fraaie filigraan, dat hun goudsmeden vervaardigen, 
zijn bewijzen van betrekkelijk hoogen kunstsmaak. 

De Menangkabauers zijn Mohammedanen, maar het wezen 
van den Islam is niet diep bij hen doorgedrongen. Hun godsdienst 
bepaalt zich hoofdzakelijk tot het volbrengen der uiterlijke voor- 
schriften, zooals het opgaan naar het bedehuis op Vrijdag, het 
verrichten der dagelijksche gebeden, het vasten, de besnijdenis 
enz., maar in het diepste van hun overtuiging heerschen nog 
steeds animistische voorstellingen van den natuurgodsdienst 
(zie I pag. 305 en 312 enz.) 

Het huiseüjk leven biedt weinig afwisseling bij hen aan; 



Digitized by Google 



233 



muziek wordt weinig beoefend, lustig, vroolijk zingen kent men 
er niet; wanneer de Menangkabauer zingt, is het veelal een 
klaaglied, dat getuigt van melancholische, verdrietige stemming. 
Dof klinkende trommen, meer helderklinkende koperen bekkens, 
kleine fluiten van rijststengels en grootere van bamboe en drie- 
snarige violen van eigenaardig model zijn hun muziekinstru- 
menten. De Menangkabauer is over 't geheel een hartstochtelijk 
speler, die houdt van hanengevechten, van duiven- en kwartel- 
gevechten, om daarby te wedden, en tevens zijn kaart- en dobbel- 
spel er in zwang. 

Het familieleven en de familiebetrekkingen worden bij de 
Menangkabauers nog beheerscht door het matriarchaat (zie I 
pag. 355). Om de leden van eenzelfde gezin in de meest beperkte 
beteekenis van het woord aan te duiden bezigt men de namen 
„samandai", „sadapua", „saparivea" of „sakawah", waarvan de 
eerste de kinderen van eenzelfde moeder op het oog heeft en 
de overige in verband staan met het gemeenschappelijk gebruik 
van haard en pot, of met het gezamenlijk drinken van koffie. 
In één huis wonen verscheiden gezinnen bij elkander, en ieder 
heeft daarin zijn eigen stookplaats. Zij zijn allen afstammelingen 
in de vrouwelijke linie van dezelfde stammoeder, en heeten als 
zoodanig „saboeah paroei", d. i. „uit één moederschoot" geboren. 
Men vindt in de Menangkabausche woning naar matriarchale 
instelling kinderen met hun moeders en verder ooms, tantes, 
grootmoeders, oud-ooms en oud-tantes, allen van moederszijde, 
vereenigd. Man en vrouw maken bij het huwelijk geen eigen 
gezin uit, doch ieder blijft tot zijn eigen familie behooren. Door 
te groote uitbreiding kan een familie zich splitsen en verschil- 
lende woningen betrekken. 

Het hoofd van ieder gezin is de .mama", — de oom van 
moederszijde, die in rechten en plichten de eigenlijke vader van 
zijn neven en nichten - „kamana'anV' is. De „saboeah paroei", 
de geheele familie, heeft een der „mama's" aan het hoofd, terwijl 
van de vereenigde familiên, die ten aanzien van elkander een 
„kampoeang" of „parindoeifan" vormen, weer een dezer als hoofd 
fungeert, als „panghoeloe kampoeang." Eenige „parindoeft'ans" 
maken tezamen een groep of stam uit, soekoe geheeten. Eigenlijk 
beteekent soekoe „een vierde gedeelte", naar de vier geslachten, 



Digitized by Google 



< 



234 

waarin zij aanvankelijk verdeeld heeten te zijn (vergel. ons 
„kwartier"), hoewel het aantal thans veel grooter is. In een In- 
landsche gemeente, negeri, wonen de leden van elk der verschil- 
lende, daar aanwezige soekoe's in dezelfde wijk bijeen; ze worden 
bestuurd door een Rapat of Raad der familiehoofden. De voor- 
zitter van dien Raad, „Panghoeloe Soekoe" of „Datoeq 11 , ver- 
tegenwoordigt de Soekoe in den Raad der gemeente. Oorspronkelijk 
was het bestuur der gemeente opgedragen aan een raad van 
Soekoehoofden, en dus vormde de gemeente een federatie der 
Soekoe's. Door de vestiging van het Nederlandsch gezag zijn 
echter gemeentehoofden ingesteld, onder den titel „Panghoeloe 
Kapala" of „Panghoeloe Rodi" (van 't Ned. orde), die door de 
bevolking worden gekozen, doch door het Ned. bestuur worden 
bevestigd en een bezoldiging uit 's Lands kas ontvangen. De 
Panghoeloe van den grootsten en oudsten Soekoe in de gemeente 
is uit den aard der zaak de aangewezen persoon om tot „Pang- 
hoeloe Kapala" te worden gekozen. Echter verplichtend is dit 
niet, en elk meerderjarig ingezetene, zonder lichaams- of ziels- 
gebreken, is verkiesbaar. 

Aldus is in het algemeen de soekoe-indeeling, die evenwel 
plaatselijk vele wijzigingen heeft. In de Padangsche Beneden- 
landen gaat het dubbele karakter der Panghoeloe's als wijk- 
hoofden en tevens als geslachtshoofden meer en meer verloren 
en worden zij bijna uitsluitend wijk- of districtshoofden. In de 
hoofdstad Padang is die evolutie reeds voltooid. ') 

De familieband is nog altijd de grondslag der indeeling bij 
de bewoners: de gemeente, zoowel als de staat en het huis- 
gezin worden daardoor bijeengehouden. Met de inrichting van 



1) In Siak noemt men Soekoe de gezamenlijke afstammelingen der vroegere Menang- • 
kabausche kolonisten in dat land, uit een bepaalde streek van Centraal-Sumatra afkomstig. 
Dezen hebben hun oorspronkelijk matriarchale instellingen onder den invloed van den Islam 
tegen de patriarchale verwisseld, zoodat de Soekoe zich daar in mannelijke lijn voortplant. 

De naam Soekoe komt in sommige staatjes ten N. van Siak voor in de beteekenis van 
landstreek, waarover een Datoeq of vorst bet bewind voert. De oorspronkelijke beteekenis is 
dus vcrloopen, evenals die bij ons „kwartier". In Groot Atjch noemt men „Soekoe" de vier 
nationaliteiten, waaruit de bevolking volgens overlevering bestaat. In de Lampongscho districten 
duidt men met Suekoe in de dorpen eonige aan elkander vermaagschapte buisgezinnen aan, die 
veelal oen eigen, maar aan het dorpshoofd ondergeschikt hoofd hebben. In het Palembangsche 
wordt in enkele streken „soekoe" gebruikt in de beteekenis van „geslacht", als onderdeel van 
stam, zonder gevolgen te hebben voor bestuur. 



Digitized by Google 



235 

huisgezin en familie stemt het erfrecht overeen; ook daarbij 
beheerscht het matriarchaat de verhoudingen. Alleen zij, die 
elkander in , vrouwelijke lijn bestaan, zijn elkanders erfgenamen. 
Van de moeder erven de kinderen en bij ontstentenis van dezen 
haar broers, zusters en zusterskinderen enz. Ook al zijn er kin- 
deren, dan blijft toch de bezitting in handen van het hoofd 
des gezins. Van den man zijn broers en zusters de erfgenamen 
en bij gemis van dezen de zusterskinderen. Over eigen gewonnen 
goed mag de eigenaar vrij beschikken, over erfgoed met voor- 
kennis en toestemming van de belanghebbenden. Dit stelsel 
heeft een buitengewoon sterk besef van solidariteit ontwikkeld 
bij de Menangkabauers; volgens de „adat tanggoengan" zijnde 
soekoe en de familie voor haar leden aansprakelijk (Zie I pag. 339). 

De woningen der Menangkabauers hebben wij reeds be- 
schreven en afgebeeld (I pag. 372); herinneren wij er enkel 
aan, dat zij gebouwd zijn op palen, terwijl het dak gewoonlijk 
uitloopt in twee hoornvormige punten, „tandoea", terwijl soms 
in het midden nog een kleiner, op zich zelf staand dakje ge- 
vonden wordt. De ruimte onder den vloer is de verblijfplaats 
van koeien, karbouwen, paarden, kippen en eenden en de berg- 
plaats voor landbouwprodukten. De bouw der dorpen is nog 
al verschillend. In de zuidelijke Padangsche Bovenlanden zijn 
de huizen gebouwd op erven, met vruchtboomen beplant en in- 
gesloten door een heg, al of niet op een wal geplaatst ; in Ra was 
en Ladang zijn de huizen dicht bij elkander geplaatst op een 
geheel schoongemaakte ruimte, hetzij in twee of meer rijen, 
hetzij langs de vier zijden van een rechthoek. Behalve enkele 
kleine tuintjes met bloemen of als geneesmiddel gebruikte kruiden 
vindt men in deze dorpen geen andere vruchtboomen dan de 
hoógstammige klappers. Naast de woningen op erven, ziet men 
ook de schuren om rijst te bergen, sommige met sierlijk snij- 
werk voorzien en met heldere kleuren beschilderd. 

Wy laten hier enkele regels volgen uit een schets van den heer H. R. 
Rookmaker (Ind. Gids 1902), die lang onder de Maleiers der Padangsche Boven- 
landen vertoefde, en die hun leven door en door kende. 

De woningen der Maleiers van de Padangsche Bovenlanden, hoewel dik* 
wyis geheel of gedeeltelik van kostelijke houtsoorten gebouwd en uitwendig 
door traai snywerk, heldere, schelle kleuren en spiegeltjes versierd, z\jn, wat 



Digitized by Google 



236 



betreft meubilair, alles behalve weelderig ingericht. Geen stuk vindt men er 
wat niet tot nut dient ; voor sieraad wordt niets gedaan, de woningen van enkele 
rijkaards in de hoofdplaatsen uitgezonderd. Een paar fijne matjes, een paar met 
zwaar koper beslagen kisten van deugdzaam hout, eenig koperen vaatwerk, soms 
ook een bord of een schotel, door hoogen ouderdom waardevol, dat is het 
eenige, wat men luxe zou kunnen noemen. 

Het woonerf maakt een vriendelijker indruk dan het inwendige der woning, 
de stoffeering is er minder sober. Kippen, eenden, geiten, runderen en buffels, 
soms een paard daarbij, getuigen van den welstand der bewoners van het hoog 
op palen gebouwde huis. Voor die dieren draagt de Maleier, vooral de Maleische 
vrouw, meer zorg dan men wel meent; alleen de hund heeft een treurig lot. 
Op menig erf vindt men een vischvtfver, in sommige kampongs zelfs op de 
meeste erven. Aan de randen met klapperboomen beplant, wuiven daar hoog 
boven het wateroppervlak de bladeren dier palmen, die luwte geven en tem* 
pering van het zonnelicht. In die vijvers teelt men de goerami, een voortreffelijk 
smakende vischsoort, verder de garing, de pawas en een goudkleurige karper- 
soort. 

De gezeten Maleische vrouw verkeert in benijdenswaardig goeden doen. De 
fraai besneden en versierde rijstschuur, de palmboomen, de beesten, runderen 
en karbouwen, het pluimvee, de vijver, de akkers, dat alles is het hare; de 
vrouw is baas in dit land, aan haar behoort het goed. Aan dat feit is voor 
een deel de welstand in het Menangkabauscbe land te danken, want de vrouw 
is arbeidzaam, verstandig, spaarzaam. De Maleische vrouw is een goede, zorg- 
volle echtgenoote voor den man, die eigenlijk haar logé is. Want het matriar- 
chaat, dat hier heerscht, verbindt hem aan zijn eigen familie, en hij is bij de 
familie van zijn vrouw alleen des nachts op bezoek. Vóór dat hij 's morgens 
terugkeert naar zijn moeder en zusters, dus naar zijn eigen gezin, verkwikt 
zijn vrouw hem met een kop koffie, vaak met een gebakje er bij, en presenteert 
ze hem de door haar zelf gerolde sigaretten. De man is dus pas ten bedde uit, 
terwijl de vrouw reeds naar de rivier geweest is om water te halen, hout heeft 
gehakt, vuur aangelegd, water gekookt enz. Zoo zorgt de vrouw voor den man, 
die eigenlijk de heer des huizes niet is. 

In de Menangkabausche dorpen valt in het oog het ta- 
boeah-huisj e; hier ligt de groote, van een uitgeholden boom- 
stam vervaardigde trom, waarmede bij bijzondere gelegenheden 
de bevolking gewaarschuwd en bijeengeroepen wordt. Verder 
wijzen wij op de balai, het raadsgebouw, waar de hoofden 
rechtspreken en vergaderen voor de belangen der gemeente; de 
moesadjid of moskee, de soerau, die als school en als bede- 
huis dienst doet, en de lap au, tegelijk winkel, restauratie en 
herberg. De markt of pasar wordt veelal gevormd door een groot 
plein, beschaduwd door waringin- of koebang-boomen. Hier komt 



Digitized by Google 



237 



eens per week de bevolking van wijd en zijd samen om te koopen 
en te verkoopen. 

De Menangkabausche bevolking leeft in hoofdzaak van den 
landbouw, den handel, de veeteelt, de nijverheid, de jacht en 
de visscherij. Wij zeiden reeds, dat zij geen ijverige werkers 
zijn. De onbebouwde gronden behooren aan een familie, een 
soekoe of aan de negeri (de gemeente), en deze hebben dan ook het 
recht om vergunning te verleenen voor het inzamelen van alle pro- 
dukten, welke die gronden opleveren. Uit de bosschen haalt men 
hout voor de bouwwerken van het Gouvernement en voor eigen 
woning; hier verzamelt men honig, was, rotan, hars enz., welke 
gedeeltelijk in den handel worden gebracht. De landbouw teelt 
vooral rijst, zoowel op besproeide als op onbesproeide velden. 
Verder levert het land peper, indigo, muskaatnoten, tamarinde, 
koffie, tabak, gambir, klappers, pinang, betel, kapok, maïs, gierst, 
aardappelen en groenten. Overal wordt door de bevolking een 
levendige handel gedreven; de Menangkabauers drijven dien 
vooral als kleinhandel en trekken van markt tot markt. Groot- 
handelaars treft men enkel aan op de hoofdplaatsen. De goe- 
deren worden vervoerd door den koopman zelf, door dragers, 
met karren, op paarden en in prauwen. Nabij en om de markt- 
plaatsen vindt men een menigte lapau's (winkel en logement), 
waarvan de eigenaren onder een „panghoeloe pasa" of markt- 
hoofd staan. 

De veeteelt staat bij hen lager dan de landbouw, maar 
is toch niet onbelangrijk. In hoofdzaak houden zij buffels, 
runderen, paarden en geiten. De buffels worden door de Menang- 
kabauers gebruikt als trekdieren of als melk- en slachtvee. Het 
paard dient tot rij-, last- en trekdier. Hengsten houdt men 
gewoonlijk op stal ol laat men weiden op het grasveld om de 
woning, de merries brengt men des nachts onder dak, ze moeten 
overdag met de veulens bet voedsel zoeken. Aan de geiten wordt 
niet veel zorg besteed; men houdt die om ze te slachten of te 
verkoopen. Als pluimgedierte houdt men er hoenders, eenden, 
kwartels, duiven, soms ook ganzen, argusfazanten en beo's. Voor 
de vechthanen draagt men veel zorg; ook kwartels worden 
afgericht om te vechten. Eenden slacht men er zelden, doch 
de eieren worden als toespijs bij de rijst gebruikt. 



Digitized by Google 



2:$8 



De industrie is vooral huisindustrie en meest geen afzon- 
derlijk beroep. De mannen houden zich bezig met timmeren, 
draaien, houtsnijden, prauwenmaken, smeden, delfstoffen graven 
enz., de vrouwen met spinnen, weven, houtwerken, matten- en 
mandenvlechten, goed wasschen, het verven van doek en het 
bakken van potten. De rijk met goud doorweven kains van Agam 
en de kostbare weefsels van Si Loengkang en Soengai Pagoe zijn 
zeer gezocht. Het garen voor die weefsels wordt tegenwoordig 
veel uit Europa betrokken. Het pottebakkersbedrjjf is het werk 
van vrouwen. Het verbouwen van suikerriet heeft in vele streken 
op groote schaal plaats en geschiedt om de suiker te verkoopen of 
voor eigen gebruik. Tabaksteelt heeft plaats voor de binnen- 
landsche markt en uit allerlei vruchtzaden worden oliën bereid. Op 
de markten verkoopt men vooral de klapper- en de simanoeaug- 
olie. De gambir wordt bereid in inrichtingen, die op kleine 
fabrieken gelijken; zij wordt gebruikt als versnapering bij de 
betelpruim, als looistof en als geneesmiddel. ') 

De Maleiers der Bovenlanden hebben zich ook verbreid over 
de Oostelijke vlakten. Naar het Zuiden vindt men in Korintji 
nog overblijfselen der Menangkabauers naast en vermengd met 
oorspronkelijke bewoners. Dezen zijn eveneens Mohammedanen, 
en hoewel in vele opzichten met de Menangkabausche Maleiers 
overeenkomend, verschillen zij er van in andere. 

ii. Redjangers Op het golvende hoogland aan den bovenloop 
en Lebongers. ^er Ketaun, in een vrij gezond klimaat, hoewel de 
cholera er soms verwoestingen aanricht, ligt het landschap 
Lebong, waar de Lebongers wonen, die in onderscheidene 
opzichten nog van de met hen verwante Redjangers onderscheiden 
zijn. De Lebongers hebben een eigen taal, waarom zij afzonder- 
lijk genoemd worden, maar komen overigens veel met de Maleiers 
van Midden-Sumatra in zeden en gewoonten overeen, terwijl 
velen ook het Maleisen spreken en hun taal met vele Maleische 
woorden vermengd is. Op slechts eenige dier verschillen willen 

1) Zie verder over deze bevolking.- A. I<. v. Hasselt, Reizen en onderzoekingen der Su- 
matra-oxpeditie. 3e deel. — A. W. Verkerk PiSTORrus. Stadiën over de iolandsche huishouding 
in de Padangache Bovenlanden. — J. L. v. der Toorn. Aanteekeningen uit het familieleven 
van den Maleier in de Padangscho Bovenlanden (Tijd»chr. v. h. Bat. Gen. XXVI). 



Digitized by Goo 



239 



wij wijzen. De huizen der Lebongers hebben niet de opwaarts 
gebogen dakpunten (zie II pag. 235) der Bovenlanden, terwijl 
de dakbedekking bestaat uit roembia-bladeren of uit gespleten 
bamboe, de omwanding veel uit boomschors. De stijlen, waarop 
de nokbalk rust, zijn dikwijls besneden en met roode en witte 
figuren beschilderd. Bij de huizen vindt men veelal vierkante 
rijstschuurtjes. De vrouwen kleuren zich gewoonlijk de oogleden 
donkerblauw met fijn Arabisch poeder. Bij den arbeid is de ge- 
wone kleeding der vrouwen een badjoe van boombast. Verschillend 
van hetgeen men in andere Menangkabausche landen ziet is een 
klein vijgeblaadje van goud, zilver of blik, dat de meisjes aan een 
touwtje om den buik dragen tot het zesde jaar. De mannen 
dragen het haar lang of zoo geschoren, dat aan eiken slaap een 
lange lok blijft hangen. De hoofddoek, ikat-ikat, is meestal 
van boombast vervaardigd. De godsdienst der Lebongers is 
de Islam, echter met veel heidensche begrippen vermengd. De 
voornaamste cultures in hun land zijn rijst, voornamelijk op 
ladangs, suikerriet, tabak, gambir (doch weinig), cardamon, 
koffie, klappers, sirih en djagoeng. Men voert er uit koffie en 
vogelnestjes, meest naar Palembang. Veeteelt en nijverheid staan 
er op lagen trap. 

Aan den bovenloop van de Moesi ligt Redjang, de 
woonplaats der Redjangers, die met de Lebongers verwant 
zijn, maar als minder gastvrij en niet zoo welwillend bekend staan, 
en wier trots, roofzucht en krijgslust dikwijls zoowel de vorsten 
van Palembang als ons gezag zorg baarde. Marsden beschouwde 
hen als oertype der Maleiers, wat evenwel niet juist is. De Red- 
jangers zijn Mohammedanen, maar met veel heidensch in hun 
opvattingen en gebruiken; zij brengen offers aan den krater 
van den Kaba, die als heilig wordt beschouwd. Op de helling 
van dien berg vindt men Hindoe-oudheden, die, evenals enkele 
gewoonten, wijzen op den vroegeren invloed der Hindoe-Javanen. 
In afwijking van wat in Lebong geschiedt wijzen wij er nog op, dat 
de dansen door jongens en meisjes afzonderlijk worden uitgevoerd. 

De cultures der Redjangers zijn ongeveer dezelfde als der 
Lebongers, alleen voor de klapperteelt is de grond minder geschikt. 
De koffiecultuur is sedert 1866 belangrijk geworden, de uitvoer 
gaat over Benkoelen, en die van tabak is eveneens belangrijk. In 



Digitized by Google 



240 



dit gebied zijn goudmijnen in exploitatie (I pag. 560), die van 
groot belang beloven te worden. 

in. De Lam- De Lampongers wonen in de Lampongsche dis- 
pongers. tricten, het zuidelijk gedeelte van het bergland van 
Sumatra, zooals de Atjehers in het noordelijk deel. Zij hebben 
een eigen taal, die naar woordvoorraad en klankstelsel volgens 
Van der Tüük, eenerzij ds verwantschap met het Soendaneesch, 
anderzijds met het Bataksch vertoont, en met beide meer over- 
eenkomst heeft dan met het Maleisch van Midden-Sumatra. Door 
die overeenkomst kwam Jünghühn er zeker toe een verwantschap 
der Lampongers met de Bataks te vermoeden, terwijl Zölj.ingkr 
aan de Soendaneezen dacht. Met zekerheid valt hierover nog 
niet te beslissen, doch niet onwaarschijnlijk vormen zij mede 
een type der oerbewoners van Sumatra. 

Het oordeel over het karakter en de eigenschappen der 
Lampongers is zeer verschillend, zoodat het niet mogelijk is dit 
in een algemeene opvatting te vereenigen. Gunstig wordt het 
meestal niet voorgesteld; men noemt hen lui. Vooral moeten 
zij gesteld zijn op uiterlijke onderscheidingen. Ieder die het be- 
talen kan, moet een „pangkaf hebben, d. i. een graad of waardig- 
heid. Men heeft er vele soorten van pangkats, die alle verkregen 
worden door het betalen van een koopprijs en het geven van 
feesten, waarbij een bepaald aantal buffels moeten geslacht 
worden. Hooge titels, die vroeger door den Sultan van Bantam 
aan hoofden werden verleend, worden nog door tal van per- 
sonen gedragen, zooals Pangéran, Radèn, Dalem, Temanggoeng 
enz. Ook getrouwde vrouwen noemen zich : Anggin, Mas, Inten 
enz. Zeer bijzondere onderscheidingen zijn de „papadoen'' en 
de „sesako." De eerste is een bank, die een troon voorstelt. 
Om zich daartoe te laten verheffen moet men de middelen be- 
zitten voor de hierbij gevorderde feesten, lagere rangen hebben 
doorloopen, en geen smet op naam of familie hebben of daar- 
van op bepaalde wijze gezuiverd zijn. De papadoen, die dan 
met gouden plaatjes of zilveren geldstukken belegd is, wordt 
slechts eens door den in rang verhevene gebruikt, en wel bij 
de feesten, die bij de verheffing worden gegeven. Het praktisch 
voordeel van de verheffing is, behalve de eer, dat de Lamponger 



Digitized by Google 



241 



een hooger bruidschat voor zijn dochters kan vragen; vroeger 
mocht hij ook hooger boeten opleggen. Ons bestuur tracht het 
„beklimmen van den papadoen" zooveel mogelijk tegen te gaan. 
De „sesako" is van minder beteekenis : het is een gebeeldhouwde 
leuning, waartegen de te verheffen persoon geplaatst wordt, en 
die daarna wordt weggeborgen. Behalve genoemde komen er 
nog vele onderscheidingen in hun maatschappij voor. 

De kampongs, dikwijls ver van elkander gelegen, zjjn meest 
aangelegd aan rivieren, die het geheele jaar door water afvoeren. 
Zij nebben een „sesat" of „balaj", d. i. een gemeentehuis, waarin 
het dorpsbestuur zijn bijeenkomsten houdt en de bevelen der over- 
heid worden opgehangen. Ook dient de sesat tot het geven van 
feesten, tot logies van gouvernements-ambtenareD enz. en tot rust- 
plaats en nachtverblijf van doortrekkende Inlanders. Uit de sesat 
blijkt het aanzien van het dorp ; in de aaozienlijkste dorpen rust zij 
op kolommen, aan welker boveneinden wel eens groote schenk- 
bladen als kapiteelen zijn vastgehecht. 

De bewoners van een kampong staan onder een of meer 
soekoehoofden, die op hun beurt weer aan het kamponghoofd 
ondergeschikt zijn en tezamen vormen zij het kampongbest uur. 
Kampong- en soekoehoofden worden door de bevolking gekozen ; 
eerstgenoemden door den resident, de laatsten door den controleur 
aangesteld. 

De huizen („noea", bij aanzienlijken „kraton", „doenja" 
(= wereld) genoemd, ook al onderscheiden zij zich weinig van 
de gewone) staan zooveel mogelijk om de sesat; zij zijn van 
hout of bamboe gebouwd, met atap, sirap of pannen gedekt, 
rusten op palen van ± 6 voet hoog, worden soms aan den voor- 
kant geverfd en met snijwerk versierd. Dikwijls bestaan zij uit 
2 of wel uit 3 verdiepingen, ieder in [afzonderlijke vertrekken 
verdeeld. Elk huis heeft een eigen erf, gewoonlijk door een 
omheining afgesloten. 

De gewone wijze van huwelijk bij de Lampongers is de 
„djoedjoer", waarbij het meisje van haar vader gekocht wordt voor 
een som, door den familieraad vastgesteld. De vrouw wordt dan 
het eigendom van haar man, na diens overlijden van zijn broeder 
of verderen naasten bloedverwant, die verplicht is haar te onder- 
houden, en die haar, vroeger althans, tegen haar zin mocht huwen 

II 16 



Digitized by Google 



242 



(leviraats-huwelijk). Door invloed van het Ned. bestuur is het 
bedrag der djoedjoer sterk verminderd, en worden wel in naam 
maar niet in werkelijkheid kostbare dingen voor de bruid ge- 
geven ; zoo betaalt men een stuk wit katoen in plaats van een 
karbouw enz. De volle djoedjoer bedraagt, al naarmate de bruid 
van hooge „pangkat" is, soms honderden guldens; deze vormt een 
hinderpaal tegen huwelijken en werkt onzedelijkheid in de hand. 

In de Lampongs komen verlovingen soms op zeer jeugdigen 
leeftijd tot stand, wanneer nl. een paar aanzienlijken met een 
politieke of financieele bedoeling een innigen familieband wen- 
sehelijk achten, of wanneer er vrees bestaat, dat er kapers op 
de kust zijn. De huwelijken worden echter gewoonlijk gesloten 
als beide partijen reeds tot oordeel des onderscheids zijn gekomen, 
waarbij met hun neigingen wel degelijk rekening wordt gehouden, 
als die maar niet in flagranten strijd zijn met de plannen der 
ouders. 

In de Lampongs treft raen talrijke huwelijksvormen naast 
elkander, zooals misschien nergens anders in den Archipel. In 
het Toelang-Bawangsche kan men wel een zevental dier vormen 
onderscheiden. Zij zijn: 1. een huwelijk tusschen lieden van goeden 
stand met toestemming van beide ouders, waarbij voldoende 
goederen bij het huwelijk als uitzet worden medegebracht en 
de noodige feesten volgens de adat plaats hebben; 2. een hu- 
welijk met wederzijdsche toestemming der ouders zonder die 
feesten; 3. een huwelijk door schaking; 4. het huwelijk, dat tot 
stand komt door aanneming tot schoonzoon; 5. het z.g. leviraats- 
huwelijk ; 6. het zoogen. verwisselingshuwelijk, tusschen den man 
met de zuster zijner overleden vrouw en 7. het huwelijk, waarbij 
de echtgenoot bij de ouders der vrouw intrek neemt, totdat de 
bruidschat voldaan is. 

Na het overlijden van den vader erft volgens de adat de 
oudste zoon uit een huwelijk geboren, of ook wel die zoon, 
welken volgens de volksinstellingen de vader tot erfopvolger heeft . 
aangewezen, de dochters en de helft der roerende goederen; de 
verdere zoons krijgen de overige helft ; onroerende goederen erft 
de oudste zoon geheel. Vreemden kunnen geadopteerd worden 
en treden dan als erfgenamen op. Het Moslemsche erfrecht wordt 
echter meer en meer toegepast in plaats van de inlandsche adat 



Digitized by Google 



243 



iv. De Ba- In het binnenland van Noord-Sumatra tusschen 
taka - 2 en 3° N.Br. ligt op ongeveer 900 M. hoogte te midden 

van het bergland het merkwaardige To ba-meer (zie pag. 211), 
welks omstreken als de bakermat van de volksgroep der Bataks 
zijn te beschouwen. Langs den noordelijken oever vindt men 
een smal strookje zandig strand, op de meeste plaatsen echter 
rijst een steile bergwand op uit het water. De berghelling 
is gemiddeld ongeveer 400 M. hoog en slechts op enkele plaatsen 
beklimbaar langs moeielijke, hoewel niet gevaarlijke paden. Is 
men eens boven, op ongeveer 1300 M. boven de zee, dan be- 
vindt men zich op een uitgestrekte met gras begroeide hoog- 
vlakte, een golvend terrein, doorsneden van enkele ravijnen met 
hier en daar alleenstaande bergen. Ten N. van de hoogvlakte 
om het Toba-meer loopt een keten van vulkanische bergen in 
de richting N.W. — Z.O. en als men deze dwars overtrekt, daalt 
men eerst steil, later meer geleidelijk af naar de Residentie 
Sumatra's Oostkust, die de lage berghellingen, het heuvelland 
en de kustvlakte inneemt. De rug van genoemd gebergte vormt 
in Langkat en Deli de natuurlijke grens van het Nederlandsen 
gebied. Hier in de binnenlanden liggen de nog onafhankelijke 
Bataklanden, die in de laatste jaren hoe langer hoe meer worden 
ingekrompen door de expansie van het Nederlandsch gezag. Langs 
het midden van den oostelijken oever van het Toba-meer liggen 
de kleine staatjes Si Antar en Tanah Djawa tot aan het meer 
toe, die ongeveer 15 jaren geleden bij minnelijk overleg onder 
ons bestuur gebracht zijn. 

De Bataks zijn een merkwaardig volk in de hooge binnen- 
landen van Sumatra, dat de residentie Tapanoeli, een gedeelte 
van Sumatra's Oostkust en de hieraan grenzende gedeelten 
bewoont Men onderscheidt bij de Bataks drie hoofdstammen: 
de Toba's, de Mandai li ngers en Daïriërs, welke zich 
door verschillende dialecten onderscheiden, en behalve dezen 
vindt nog de groepen der Timor-ofSimeloe n ga n-B a ta k s 
ten Z. en O. van het Toba-meer, de Karo-Bataks ten W. 
en N.W. van het meer, de Pak-Pak-Bataks ten W. van 
het meer, de Raja-Bataks in het Z.O. en aan de oevers 
van het meer de Tob a-B at aks. Verder kan men naar den 
aard der woonplaats by de Bataks onderscheiden de goe- 



Digitized by Google 



244 



noeng- en de doesoen-menschen, wat zoowel wijst op 
een staatkundige onafhankelijkheid als op een verschil in aard 
en karakter. De goenoeng-menschen zijn de bewoners der onaf- 
hankelijke berglandschappen, terwijl de doesoen-menschen wonen 
in de lagere gedeelten, in de bovenlanden der kuststaatjes Lang- 
kat, Deli, Serdang, Bedagei enz., en onder Nederlandsch gezag 
staan. „Goenoeng" en „doesoen" staan als verschillende natuur- 
vormen in vele opzichten tegenover elkander, en hadden ieder 
een eigen en sterk uitkomenden invloed op de bewoners, waar- 
om wij bij beide landschapstypen hier iets nader stilstaan. 

De „goenoeng' 1 vormt het typische hoogland. Het is één 
kale, golvende vlakte, met een bodem zoo mager en schraal, 
dat zelfs de Alang-alang er moeielijk schijnt te groeien. Soms be- 
paalt de plantengroei over een aanzienlijke uitgestrektheid zich 
uitsluitend tot lage varens. De overigens typische Indische vrucht- 
boomen zoekt men er tevergeefs, zooals de Kokospalm en de 
Doerian, die elders een groote rol spelen in de huishouding van 
den Inlander, maar de Arengpalm groeit er goed, welks sap, 
meest in gegisten toestand, een lievelingsdrank der Bataks vormt. 
Rijst en maïs groeien er wel, maar eischen veel zorg en blijven 
laag. Het klimaat is hier het echte hooglandsklimaat. Hoewel 
tusschen 2°— 3° N.Br. wordt de temperatuur door de hoogte veel 
verlaagd, (V«°C met 100 M.; zie I pag. 132) en zelfs midden 
op den dag, als de zon fel brandt, wordt de hitte getemperd 
door de hevige winden, die tot guur en onaangenaam worden, 
als de avond valt. 

„De typisch Indische stortregen, die kort duurt maar hevig 
is, valt hier zelden; het land ligt boven de grens der inten- 
sieve onweersvorming, doch dagen aaneen valt er soms een fijne, 
geniepige motregen, terwijl in de morgenuren soms een sombere 
mist over het land schijnt te hangen. Op heldere dagen is het 
landschap wel niet lief en bekoorlijk maar grootsch en imposant. 
Als donkere smaragden teekenen de boschjes, waarin de dorpen 
liggen, zich dan af tegen het fletsche groen der eindelooze alang- 
alang-velden, terwyl ver aan den horizon de bergen hun kam- 
lijnen afteekenen tegen het uitspansel, en enkele vulkanen er 
hun rookpluimen doen opstijgen." 

Als men het land doortrekt, ziet men, dat het doorsneden 



Digitized by Google 



245 



is van diepe kloven, veelal zoo smal, dat men er niets van be- 
speurt, vóór men aan den rand staat, en 80 a 100 M. beneden 
zich den blauwen hemel weerkaatst ziet in het water der sawah's. 
Behalve de strookjes boschgrond roDdom de koeta's of dorpen 
zijn de smalle ravynbodems de eenige vruchtbare plekjes op 
deze hoogvlakte. Door elk dezer kloven stroomt een riviertje, 
onbeteekenend en van geringe capaciteit maar voldoende voor 
het bevloeiingswater der langs hun oevers zorgvuldig aangelegde 
sawah's, die de kostbaarste bezittingen der Bataks uitmaken. 
Op de eigenlijke hoogvlakte is de landbouw slechts op droge 
velden mogelijk, doordat het water er ontbreekt. 

Zoo vormt de goenoeng een van canons doorsneden steppe 
met schrale flora en betrekkelijk ruw klimaat. Een geheel ander 
karakter heeft het lager gelegen doesoen-landschap. Dit 
laatste draagt al de kenmerken van het tropisch woud- en heuvel- 
land, waar namelijk de Europeesche cultuur nog niet is opge- 
treden en de oerbosschen heeft doen verdwijnen. Als dit het 
geval is, wordt de alang-alang oppermachtig heerschend. Al wordt 
er in de laatste jaren iets aan gedaan, om de voor de tabakscultuur 
verwoeste wouden na het eindigen dier cultuur weer te doen 
toenemen, dit heeft het land niet het oude karakter teruggegeven. 
De zone der doesoen-dorpen is de hoogte der zware slagregens, 
die gevormd worden door den zeewind, welke tegen de bergen 
opstijgt, en in de namiddaguren, meest tusschen den middag 
en den ondergang der zon of in den avond, zich tot stijgings- 
regenbuien vormt, van hevige onweders vergezeld. Dan worden 
de zacht ruischende beken in weinige oogenblikken hevige ri- 
vieren, soms kokende bandjirs, evenwel slechts voor korten tijd. 

De echte energieke Batak met zijn vrijheidlievende natuur 
en afkeerig van vreemden invloed is in zijn hart bewoner van 
het hoogland, van de goenoengs. Door zijn conservatieve natuur 
houdt hij niet van het land, waar vreemde indringers zich 
vestigen, en dientengevolge zag men ook reeds Batak-families uit 
de streken van het heuvelland, waar de tabakscultuur-maat- 
schappijen hun ondernemingen voortschuiven, naar het bergland 
verhuizen, minder voor cultures geschikt. Evenwel gemakzuchtige 
Batak-families vestigden zich ook van het hoogland in de weel- 
deriger doesoenlanden. 



Digitized by Google 



246 

De bewoners der doesoendorpcn, waar de natuur als het 
ware zonder arbeid in de behoeften des levens voorziet, hebben 
het toch gemakkelijker dan die der gure, schrale goenoengs. 
Dat heeft in de doesoendorpen geleid tot verslapping van 
het ras, wat bij de mannen het meest merkbaar is. In het 
algemeen, dus ook op de hoogvlakte, wordt de veldarbeid bij 
de Bataks meest overgelaten aan de vrouwen, en enkel waar 
haar krachten te kort schieten helpen de mannen, vooral voor 
het aanleggen van waterleidingen en dammen, voor het in ge- 
reedheid brengen van droge velden, voor boschkap, omspitten en 
ploegen; ook helpen zij enkele dagen bij den rijstplant. In de 
doesoens is dat schier het eenige, wat de meeste mannen uit- 
voeren, naast een weinig visschen met hengel of net, maar voor 
het overige slijten zij hun tijd in niets doen. 

Doch den goenoeng-bewoners ontbreekt het niet aan een 
zekere mate van energie om meer te doen voor het bestaan. 
Velen hunner verdienen iets met het halen van zout van de 
kust, dat zjj op de hoogvlakte met winst verkoopen, anderen 
door bij de Europeesche industrieelen tijdelijk te gaan werken 
als boodschappers en schurenbouwers, bij Maleische hoofden in 
de kuststreken peper te planten, of bij welgestelde doesoen-Bataks 
gambir-tuinen te helpen exploiteeren. Enkelen houden zich bezig 
met den handel in paarden, die in groot aantal naar de oost- 
kust worden vervoerd, of in karbouwen. 

Werpen wij thans een blik op de nederzettingen. In de 
onafhankelijke Bataklandeu bij het Toba-meer zijn de dorpen 
(hoeta) veelal omgeven door dicht bijeengeplaatste palissaden, 
aarden wallen en vaak bovendien door een daar achter gelegen 
gracht en een omheining van doornachtige bamboe. Soms liggen 
zij daar op steile, moeielijk toegankelijke hoogten. In de onaf- 
hankelijke Karo-landen zijn zij meestal door dicht geboomte 
omgeven en slechts van een heg van bamboe voorzien; zelden 
worden zij daar versterkt, omdat de oorlogen er gevoerd worden 
uit koeboe's of versterkingen, die in het veld worden opgeworpen. 
In de streken, die onder Nederlandsch gezag staan, zijn die ver- 
sterkingen niet meer aanwezig of in verval. In elk dorp bevindt 
zich gewoonlijk in het midden een soort van gemeentehuis, in 



Digitized by Google 



247 



Toba doorgaans sopo, in de Karo-landen balé of djamboer 
geheeten. Het is een gebouw op palen van kostbaar hout, ver- 
sierd met snijwerk, zonder omwanding, dat voor beraadslagingen 
wordt gebruikt. Ongehuwde jongelingen (die te huis niet mogen 
overnachten) en doorreizende vreemdelingen vinden hier een 
nachtverblijf, en overdag verzamelt zich hier oud en jong, om 
er te praten of lichten arbeid te verrichten. Dikwijls vindt men 
meer dan een sopo in een dorp. Verder heeft men er rijst- 
schuren. De huizen zijn veelal naast elkander gebouwd (zie 
ook I pagg. 374, 384 en 385). Iu de nabijheid van de Bataksche 
dorpen vindt men soms karbouwen-kralen, die het eigendom 
zijn van de ingezetenen en door ongehuwde jongelingen des 
nachts worden bewaakt. 

De doesoen-dorpen zien, door de verschillende natuur des 
lands, er anders uit dan die van het hoogland. Meestal liggen 
zij in het bosch verscholen; aan alle zijden rijst het woud, 
«zwijgend met honderd stammen/' een muur vormend; die elk 
plaatsje schijnt af te sluiten van heel de verdere menschheid. 
De nachten zijn er heerlijk koel, maar overdag is 't hier 
warm, een bedompte warmte van een bosch-atmosfeer, en tevens 
heel vochtig. Maanden van droogte zijn hier onbekend, weken 
van droogte uiterst zeldzaam. Overal is water in het gebied 
der doesoendorpen, in elke terreinplooi ruischt een murmelend 
beekje, in elk dal een riviertje, soms bruisend door de diepe, 
smalle dalen, die het water heeft uitgeschuurd in de rotsen. 
Waar het terrein er zich toe leent, zijn die wateren veelal geleid 
om kunstmatig aangelegde, soms zeer uitgebreide sawah's te be- 
sproeien. Nu en dan vestigen zich bergbewoners in de doesonge- 
westen, die hen een land van melk en honing schijnt, zoodat 
men deze als kolonisten kan beschouwen uit het gebied der 
Karo's. De hoeta's zijn overal verspreid, hier in het dal, dicht 
bij het riviertje, veelal echter tegen of op de heuvels, waar 
't veiliger is in den tijd van oorlog. Daar moeten dan de vrouwen 
het noodige water in groote bamboekokers naar boven dragen. 

De Bataks zijn echte autochthonen in de binnenlanden van 
Sumatra, meer in het bijzonder van het bergland. Oorspron- 
kelijk waren zij verbreid over het grootste gedeelte van Sumatra's 
noordelijke helft, van ± 1° Z.Br. tot Atjeh's noordpunt, zooals 



■ 

Digitized by Google 



248 



uit oude berichten over het tatoueeren en het menscheneten 
der inboorlingen blijkt; ten zuiden daarvan begon het gebied 
der Maleiers. De naam Batak wordt door het volk zelf als een 
schimpnaam beschouwd; de heer Roüfpaer stelt de vraag, of 
die ook met het Mal. Polyn. „patik", „batik" in verband staat, 
en dus „getatoueerden" beteeken t. 

Voornamelijk door aanraking met Hindoe-Javaansche kolo- 
nisten hebben de Bataks van ouds reeds een zekeren graad van 
beschaving bereikt. Dat in de Bataklanden vroeger Hindoe's 
gewoond hebben, blijkt uit de ruïnen van Hindoe-tempels te 
Padang La was gevonden. De bouwkunst der Bataks, hun schilder- 
achtige huizen en versierselen wijzen waarschijnlijk op dien in- 
vloed der Hindoe-Javanen, en van den Hindoe-godsdienst schijnen 
hier sporen te zijn overgebleven in het volksgeloof. In de zui- 
delijke Bataklanden is de leer van Mohammed verbreid, doch 
de noordelijke landen hebben den ouden natuurgodsdienst be- 
waard, vervuld van animisme en met Hindoesche elementen. 
Het Christendom heeft onder de Heidensche Bataks vorderingen 
gemaakt, sedert de Rijnsche zending in 1861 hier haar arbeid 
begon terwijl ook het Ned. Zend. Gen. hier werkte; in 1890 
vond men er ± 15 000 Christenen. 

De Bataksche maatschappij is verdeeld in stammen, hier 
marga's geheeten. Bij de Bataks heerscht, in tegenstelling met 
de Menangkabauers, het patriarchale stelsel, en een marga is 
bij hen een vereeniging van personen, die hun afkomst van 
denzelfden stamvader afleiden, uitsluitend in mannelijke lijn. 
De bevolking van een „hoeta" is doorgaans samengesteld : 1°. uit 
degenen, die tot de heerschende marga behooren, welke zich 
ergens het eerst heeft gevestigd; dezen hebben allen gelijke 
rechten en verplichtingen en althans bij de Toba s aanspraak 
op den titel van „Radja". Aan een van hen wordt echter een 
zekere suprematie toegekend, hetzij volgens recht van eerstge- 
boorte, of als stichter van het dorp, of als afstammeling vau 
dezen stichter in rechte mannelijke lijn. 2°. Uit ,anak boroe 1 ', 
d. i. personen, die van een andere marga dan de heerschende zijn, 
terwijl het jus connubii tusschen beide marga's bestaat. 3°. Uit 
leden van een vreemde marga, die zich hier gevestigd hebben. 
In Toba worden de laatsten minder aangetroffen, doch slaven 



Digitized by Goo 



249 



komen er voor in de plaats. Het bestuur berust onder de Bataks 
bij de volksvergadering, waarin alle volwassenen stemrecht 
hebben, en waarin zij groote bespraaktheid aan den dag leggen. 
De persoon, die het dorp vertegenwoordigt en aanvoert in den 
oorlog, wordt het dorpshoofd, „soehoet 1 ', genoemd. Onderscheidene 
staatjes worden gevormd door een „hoeta", het moederdorp, met 
de nederzettingen, die daarvan in den loop der tijden zijn uit- 
gegaan. Somtijds vereenigen zich eenige van zulke staatjes tot 
een bondgenootschap; in de Karo-landen treft men een aantal 
van acht bondgenootschappen (oeroeng) aan. Een „oeroeng" be- 
staat uit een of meer hoofdkampongs met eenige kleinere kam- 
pongs, nederzettingen van den hoofdkampong uitgegaan. Tusschen 
de „oeroeng's" verspreid liggen nog op zich zelf staande kam- 
pongs. De hoofden van deze kleinstaatjes zijn echter voortdurend 
met elkander in onvrede. Grenskwesties, het niet betalen van 
schulden, vooral van speelschulden, boete's enz. zijn daarvan 
de oorzaak. Vorsten of hoofden met hun afstammelingen vormen, 
althans in enkele streken, een soort van adel. De vrije inge- 
zetenen maken den burgerstand uit, en daarenboven vindt men 
in de Bataksche maatschappij een klasse van slaven. Slaven zijn 
in dien toestand gekomen door geboorte, krijgsgevangenschap, 
niet betaalde schulden en boete. Ook pandelingen kunnen na 
een zeker aantal jaren, als hun schulden niet betaald zijn, tot 
slaven verklaard worden. In het dagelijksch leven bemerkt men 
weinig van het verschil in stand tusschen de vrijen. 

De grond behoort aan de marga, wier voorouders dien het 
eerst in bezit hebben genomen, of later door verovering hebben 
verkregen. Ontgint het lid eener marga een stuk woesten grond 
van dat stamgebied, dan wordt het zijn persoonlijke eigendom 
en hij gaat bij erfrecht over op de nakomelingen. Lieden, die 
geen lid der marga zijn, kunnen den grond van die marga, dien 
zij ontginnen, alleen voor zekeren termijn gebruiken, welks duur 
verschillend is. In Angkola echter wordt elk ontginner eigenaar 
van den ontgonnen grond. Evenwel de toestanden van grondbezit 
zijn zeer verschillend in de onderscheidene staatjes; in enkele 
wordt het hoofd of de vorst als grondeigenaar beschouwd. 

Bij de Bataks bestaat exogamie (zie I, pag. 356) met pa- 
triarchale banden der verwantschap. De vrouw gaat bij het 



Digitized by Google 



250 



huwelijk over uit haren stam in dien van den man en trekt 
bij hem in; veelal krijgt het paar een kamer in het huis van 
den man. Bij voorkeur huwt men een dochter van zijn oom 
van moederskant, en betaalt daarvoor een bruidschat. De positie 
van de vrouw is een geheel ondergeschikte; zij bezit niets, en 
alles, wat zij gedurende het huwelijk verkrijgt, is het eigendom 
van haar man. Zij heeft veel werk te doen, zoowel te huis als 
op het veld. Alleen de zwaardere veldarbeid, bijv. het bewerken 
van den grond met een houweel, wordt doorgaans alleen door 
den man verricht, zeiden wij. Overigens wordt de vrouw over 
't geheel goed behandeld, is zij met haar lot tevreden, den man 
getrouw, en oefent zelfs niet zelden eenigen politieken invloed 
uit. Vroeger hield men het ongepast, dat een jong paar, zoolang 
er nog geen kinderen waren, in 't openbaar gemeenzaam met 
elkander omging ; zelfs schaamden zij zich met elkander te spreken 
of te loopen. Dit wordt anders. Over 't geheel ontbreekt de liefde 
niet, want als de vrouw ziek is, loopt de man spoedig naar den 
medicijnmeester, en verduurt opofferend de vermoeienis van het 
gewone werk der vrouw te verrichten, bijv. waterhalen, koken enz. 
Als de vrouw in verwachting is, geeft hij haar de spijze, die zij 
begeert, en legt hij gaarne het noodige ten koste, om door den 
medicijnmeester een talisman voor haar te laten maken. Als een 
paar kinderen heeft wordt de gemeenzaamheid meestal grooter 
dan voor dien tijd. Bigamie en polygamie komt bij de Bataks voor. 
De redenen hiervoor zijn verschillend; sommigen doen dit om 
meer nakomelingen te hebben, anderen enkel om sexueele 
redenen. Ook geschiedt het om de taak der vrouwen te ver- 
lichten, omdat de vrouwen elk voor zich en hare kinderen 
werken. De kinderen verrichten vele werkzaamheden als: vee- 
hoeden, water en brandhout halen, rijststampen en koken. Later 
helpen de zonen in den oorlog of bij twisten; de vader heeft 
veel aan een dapperen zoon, die vrees weet in te boezemen, 
een geschikt medicijnman kan worden, koophandel drijft enz. 
Dochters kunnen de rijstvelden wieden, groente zoeken, weven, 
rijststampen en zelfs de rijstvelden bewerken. 

Naast het gewone huwelijk komt ook het zoogen. „man- 
dingding" voor, waarbij geen bruidschat wordt betaald, omdat 
de echtgenoot die niet bezit, terwijl de vrouw bij haar familie 



Digitized by Google 



251 



en de man bij zijn schoonouders blijft inwonen en voor hen 
arbeidt De kinderen behooren ook dan tot de marga van 
» den man, en zoodra de echtgenoot den bruidschat kan voldoen, 
verlaat het paar het huis van de familie der vrouw. Schaking 
komt voor en ook kinderhuwelijken zijn niet zeldzaam; deze 
worden door de ouders tot stand gebracht en voltrokken als 
de kinderen huwbaar zijn. 

Bataksche meisjes worden over 't geheel als bekoorlijk ge- 
schetst. Het ronde gezichtje is goed gevuld, de tint niet te donker, 
de oogen zijn groot en sprekend, neus en mond welgevormd, 
al is de eerste wat breed. Jammer dat de lippen door het vele 
gebruik van sirih hard en droog zijn; de tanden worden afgevijld 
tot bijna op het vleesch en daarna zwart geverfd. Het gelaat heeft 
een diepere aantrekkelijkheid dan het platte, breede, uitsluitend 
zinnelijke mooi van vele Javaansche schoonen. De kleeding, 
een smaakvol gevouwen hoofddoek, een kleedje onder de armen, 
een ander om het middel geplooid en vastgestoken, bestaat uit 
dun katoen, van Europeesch fabrikaat, in het land met indigo 
blauw geverfd. De soepele stof laat den bouw van het lichaam 
uitkomen. Schouders en armen zijn onbedekt, slechts bij guur 
weer worden heel korte, open baadjes met nauwsluitende mouwen 
gebruikt Als sieraden dragen zij zeer zware, zilveren, liervormige 
oorhangers; om den hals hebben zij een dubbelen snoer van 
fraai bewerkte kralen, van zilver, soms vermengd met goud, 
en ringen aan de vingers. 

De landbouw, met name de rijstcultuur, is de belangrijkste 
bron van bestaan der Batak3; hij heeft plaats op bevloeide velden, 
als dat mogelijk is, anders op droge velden; de eerste liggen 
op de hoogvlakte in de diepe ravijnen. De cultuur van indigo 
en kapas gaat in de meeste streken achteruit door den invoer 
van Europeesche manufacturen. Paardenteelt vindt men nog 
veel in in een gedeelte der Toba-landen en tegenwoordig ook 
meer in Padang Lawas; karbouwen en andere runderen zijn 
er talrijk. De paarden worden meest uitgevoerd, soms wel 
gegeten, maar zelden als rij- en trekdieren gebruikt. De gras- 
vlakten van het hoogland bevorderen de rundveeteelt. De varkens 
maken een voornamen rijkdom uit van de heidensche Bataks 
op het hoogland. Als boschprodukten worden uitgevoerd van 



Digitized by Google 



252 



Padang Lawas: bijenwas, rotan en enkele soorten van gom- 
hars; kamfer en benzoé voert men vooral uit van de westkust. 
Baroes, waar de kamferboom welig groeit, is van ouds bekend 
door den uitvoer van dit produkt. De industrie bepaalt zich in 
Padang Lawas hoofdzakelijk tot het vlechten van verschillende 
soorten van fijne en fraaie matten van pandan- of palmbladeren, 
van zakken tot berging van sirih enz., het bereiden van palmsuiker, 
het maken van aarden potten met bevallige, fantastische orna- 
menten, en langs de rivieren en het meer vindt men het maken van 
prauwen. Langs het Toba-meer vervaardigt men zelfs groote prau- 
wen, die voor den oorlog en den handel gebruikt worden, en 50 a 60 
personen kunnen bevatten. De Toba's van het schiereiland Sa- 
mosir brengen daarin paarden en runderen ten verkoop naar 
de naburige markten, soms ook vrouwen en meisjes, die zij 
geroofd hebben. Door den invoer van katoenen stoffen wordt 
de kunst van weven geheel verleerd, alleen enkele plaatsen uit- 
gezonderd. Ook verstaat men zeer goed de bewerking van ivoor 
en koper; keurig snijwerk van hout wordt vervaardigd, hoewel 
die kunst achteruitgaat. De handel heeft plaats op de markten 
(onan of bij de Karo's tiga), die op bepaalde plaatsen met ge- 
regelde tusschenpoozen, gewoonlijk van vier dagen, gehouden 
worden. De verkeerswegen zijn slecht ; zij bepalen zich in de onaf- 
hankelijke landen tot voetpaden. Toch is het verkeer tusschen de 
bewoners der hoogvlakte en die der Benedenlanden van de 
residentie Suraatra's Oostkust veel levendiger, dan men zou 
vermoeden. 

Een kenmerk van 't Bataksche bestaan en ook voor zijn 
maatschappij is het weinig gecompliceerde, en het zoo goed 
als geheel ontbreken van verdeeling van arbeid. Een goeroe bijv. is 
er tegelijk dokter, toovenaar, waarzegger, leeraar, priester, alles 
in één persoon. Zoo is het bij vele bedrijven des dagelijkschen 
levens. 

Wij moeten hiermede de beschrijving van de Bataks ein- 
digen, doch willen ten slotte enkele vergelijkingen maken van 
dit merkwaardig volk met de boven behandelde Maleiers. De 
bestudeering der talen van Bataks en Maleiers leert, dat beide 
volken waarschijnlijk uit één stam zijn voortgekomen, maar 
zich verschillend ontwikkeld hebben. De Maleiers zijn Moham- 



Digitized by 



253 



medanen geworden, de Bataks hebben voor een gedeelte den 
ouden natuurgodsdienst behouden, maar ook bij de eersten vindt 
men nog veel overblijfselen van den animistischen natuurgods- 
dienst. Hierdoor is de Islam voor de Maleiers eigenlijk meer 
een kleed, dat de oppervlakte bedekt, dan een uit overtuiging 
aangenomen godsdienst. Bij de Heidensche Bataks vindt het 
Christendom minder tegenstand dan bjj de Mohammedaansche 
Maleiers, zoodat de zendelingen bij de eersten met meer vrucht 
arbeiden, en door het Christendom zijn er veranderde toe- 
standen ontstaan. De indeeliug der bevolking volgens soekoe's en 
lawa's bij de Maleiers vindt men ook bij de Bataks in de horong's 
en marga's. In de familiebetrekkingen bestaan echter verschillen : 
bij de Bataks is alles geregeld volgens het patriarchaat, bij de 
Maleiers volgens het matriarchaat. Bij de Bataks bestaat exo- 
gamie, en raag geen vrouw uit de marga als echtgenoote ge- 
nomen worden, dit zou gelden als bloedschande ; bij de Maleiers 
was het vroeger ook zoo, maar onder den invloed van den Islam 
is die opvatting gewijzigd, zoodat het huwen met een vrouw uit 
de soekoe niet meer geldt als overtreding. De sociale toestand der 
vrouwen is bij de Bataks beter; zij hebben er meer invloed op 
den loop der dingen, en bij zwaren arbeid helpen de mannen de 
vrouwen op het veld. Slavernij wordt bij beide gevonden, waar de 
Ned. invloed die nog niet tegenging. Bij kenmerkende verschillen 
vindt men verder veel overeenkomst tusschen beide volken. 

„ . , Ten noorden der Bataks wonen op het hooc- 

V. De Gajo s r ° 

en Aias-voi- land de Alas- en Gajo- volken, zeker stamverwant 
met de Bataks, maar in vele opzichten er toch ethno- 
graphisch van gescheiden. 

In den laatsten tijd is eerst het Gajoland nader bekend 
geworden door de militaire expeditie en het belangrijke werk 
van Dr. Snoück Hürgronje, dat wij hier voornamelijk volgen. 

Het karakteristieke van het Gajo-landschap is vooral ge- 
legen in de groote grasvelden, die de berghellingen en hoog- 
vlakten bedekken evenals het Toba-land. Men kan er een viertal 
afzonderlijke hoogvlakten onderscheiden. Op de blang (— open, 
hoog terrein; in Atjeh heet dit padang) van de hoogste vlakte 
groeit een soort van hertengras, alang-alang, de in stoelen 



Digitized by Google 



254 



groeiende plant „sanggé M , welker bladeren de karbouwen vreten, 
de oejom-boom, welke veel overeenkomt met de Europeesche 
sparren, en die voor timmerwerk en brandhout dient, en verder 
ziet men er de kekemoe-boomeD, welker bast in de meerstreek 
als surrogaat dient voor de daar ontbrekende pinang bij het 
betel-kauwen. Smalle boschranden omzoomen de stroompjes, die 
het land doorvloeien naar het meer. De tweede vlakte ligt lager, 
wat blijkt uit het verschijnen van pinang- en kokosboomen, 
die op het hoogste gedeelte niet voorkomen, en naarmate men 
lager komt verschijnen de tropische vormen meer en meer, om 
eindelijk geheel in den tropischen plantengroei over te gaan. 
Rondom daalt het hoogland door een breede, onbewoonde streek 
van bergland met oerwouden bedekt af in de kustvlakten, een 
natuurlijk grensgebied tusscben het Gajo-land en de Atjehsche 
landen, waar alleen smalle boschpaden als woudpoorten den 
doorgang door verleenen. Aan die boschpaden vindt men hier en 
daar schoongekapte plekken, die voor rustplaatsen dienen, de 
zoogen. „pemarèns." 

In dit door de natuur afgesloten hoogland ligt het Gajo- 
land met de Gaj o's als bewoners. Hoewel de reliëfvorm bet land 
in vier deelen scheidt, kan men de Gajo's toch als een ethno- 
graphische gemeenschap beschouwen, welks leden allen dezelfde 
taal spreken, zjj het ook met kleine locale verschillen en tong- 
vallen. Ook in de zeden en gebruiken heerscht gelijke eenheid 
als in de taal; de inrichting van de familie en van den stam, 
de vormen van bestuur en rechtspraak zijn overal dezelfde. De 
materieele levensvoorwaarden der Gajo's, die voor een goed deel 
door den bodem bepaald worden, zijn verder in hoofdzaak even- 
eens geüjk door het geheele land. Ook in het geestelijke zijn 
de Gajo's een éénheid. Alle Gajo's zijn Mohammedanen en de 
Islam heeft hier op soortgelijke wijze als elders zijn stempel 
gedrukt op de levensopvatting der menschen, zonder dat daar- 
door hun doen en laten geheel wordt beheerscht door de minu- 
tieuse voorschriften der wetgeleerden, of dat hun gelooven zich 
laat binden in de kluisters der orthodoxe dogmatiek. Aldus is de 
Gajo door den Mohammedaan geenszins uitgewischt, evenmin als 
dat met den Atjeher, den Turk of den Arabier het geval is. 

Hoewel in alle opzichten een eenheid uitmakend, heeft er 



Digitized by Google 



255 



toch al lang vermenging met vreemden plaats gehad en hebben 
zich tal van elementen der Atjehers, Maleiers en ook Bataks 
in de Gajo's opgelost, hetzij die als slaven onder de Gajo's aan- 
gevoerd, of door aanhuwelijking er mede verbonden werden. 
Zoo heeft ook door handel en ander verkeer de Atjehsche taal 
en het Maleisch invloed gehad op de Gajo-taal. 

De inrichting van familie en stam heeft bij de Gajo's sprekende 
trekken van overeenkomst met de Batakscbe; echter valt het 
moeielijk te zeggen, in hoever hier van ontleening of verwant- 
schap sprake is, daar de afkomst van den stam der Gajo's on- 
bekend is. De Gajosche familie berust op patriarchale basis; zjj 
bestaat in theorie uit leden, wier afstamming, in de mannelijke 
ljjn nagegaan, samenvalt met één stamvader. De Gajosche staats- 
inrichting is patriarchaal-republikeinsch. Het normale huis be- 
staat uit 5—9 „roeangs", elke roeang is bewoond door een 
familie in den beperkten zin des woords (man, vrouw en kroost), 
en de gezinnen, die één huis bewonen, behooren door geboorte 
tot één patriarchaal geslacht. Als uitbreiding noodig is, bouwt 
men een nieuwe woning in de onmiddellijke nabijheid der oude, 
enz. Zoo kan een gehucht of kampong ontstaan uit huizen, alle 
bewoond door leden uit één geslacht. Dit heeft dan één hoofd, 
radja genaamd. Hij is de primus inter pares, en al heeft hij 
niemand boven zich, toch is zijn macht zeer beperkt. Maar boven 
de radja's kwamen nog hoogere hoofden te staan, die de bevolking 
meer algemeen vertegenwoordigden, en wel een zestal met hooger 
gezag. Dat was vooral onder Atjehschen invloed. Atjeh, het 
machtige kustrijk, werd door het Gajosche landbouwersvolk met 
zeker gevoel van vrees aangezien, en tot zekere hoogte werd 
Atjeh's suzereiniteit aanvaard. Zoo gevoelden de Gajo's zich 
grootendeels één met Atjeh, en dit kwam bij het uitbreken van 
den Atjeh-oorlog met Nederland aan het licht. Evenzeer als in 
de zuiver Atjehsche landschappen werd in het Gajo-land regel- 
matig een bijdrage voor den „ heiligen oorlog" van Atjeh tegen het 
Ned. Gouvernement afgezonderd. De rijst werd verkocht en het 
geld bij gelegenheid der komst van menschen, die met een zegel 
van den sultan van Atjeh gewapend waren, aan dezen afgedragen. 
Soms hield men ook bijzondere geldinzamelingen voor dat ge- 
wyde doel, en zelfs de armsten offerden daartoe hun penningske. 



Digitized by Google 



25Ö 



Werpen wij nader een blik op het familieleven der Gajo's. 
Wij zeiden, dat de stam een patriarchaal geheel vormt, welks 
mannelijke leden in rechte lijn afstammen van één stamvader. 
De vrouwen worden door koop van andere stammen verkregen 
(exogamie), en de dochters van een huis gaan eveneens door ver- 
koop in andere stammen over. De stam wordt uitgebreid, in de 
eerste plaats door geboorte, en verder door annexatie. Dit laatste 
geschiedt door adoptie. Atjehers, Maleiers, vrijgelaten Bataksche 
slaven worden, als er geen mannelijke nakomelingen zijn, ge- 
adopteerd als echtgenoot van een meisje in een familie; de 
geadopteerde moet dan bij die familie inwonen, er den veldarbeid 
verrichten, en de kinderen uit het huwelijk behooren tot de familie. 
Een andere vorm van annexatie is het „angkap-huwelijk", waarbij 
de dochter het ouderlijk huis niet verlaat, maar een vreemden 
man krijgt, die zonder betaling van een bruidschat huisman 
wordt en tevens „Saudoro", familielid, van de broeders en stam- 
genooten zijner vrouw. 

Het gewone huwelijk, waarbij de vrouw tegen betaling van 
een bruidschat uit het familieverband, waarin zij geboren werd, 
wordt losgemaakt, heeft veel van een koop. Doch godsdienst 
en zeden der Gajo's hebben de vrouw tot meer dan een passief 
voorwerp van handel gemaakt. Men zegt bij het huwelijk dan 
ook niet „een vrouw koopen" maar „halen." De bruidschat, 
voor een vrouw te voldoen, is hoog, in sommige streken wel 
tot 800 a 900 roebels, terwijl niet zelden nog geschenken voor- 
afgaan. Door die hooge kosten wordt een vroeg huwelijk tegen- 
gegaan, en vindt men er velen op leeftijd, die ongehuwd zijn. 
De nachtverblijven der ongehuwde mannen tellen vaak een tal- 
rijke bevolking. Polygamie, hoewel geoorloofd, komt zelden voor, 
en echtscheiding fe nog zeldzamer. 

Tot het huisgezin behooren ook de slaven. In Gajoe Loeös 
zijn dit Bataks, elders uit Atjeh ingevoerde slaven van Nias. 
Getrouwde Gajo's verlangen zeer naar kinderzegen; zoons zijn 
kostwinners, die bij den veldarbeid en de verzorging van het 
vee den vader helpen en naar Atjeh handel kunnen gaan drijven ; 
dochters brengen haren prijs op of zijn middelen om, door een 
angkap-huwelijk, volwassen zoons te annexeeren. De invoer van 
Bataksche slaven is in de laatste tijden verminderd. Hoewel de 



Digitized by 



257 



slaven als zaken beschouwd worden, met buffels te vergelijken 
zijn, verwerven sommigen hunner toch eigendom, nl. koopwaar 
en geld, waarna zij zich weten vrjj te maken. 

Besnijdenis, ook der meisjes, en tanden vijling der kinderen 
heeft hier plaats, doch wij mogen bij die verschillende gebruiken 
niet verder stilstaan. Geloof aan den Islam en animistisch 
heidensch bijgeloof gaan bij tal van volksgebruiken hand aan hand. 

Nog moeten wij ten slotte het oog vestigen op de middelen 
van bestaan. De rijstbouw heeft hoofdzakelijk plaats op gronden, 
door levend water bevloeid, hier en daar afwisselend met moeras- 
gronden. De tijd van zaaien en oogsten wordt door gewoonte 
bepaald. Gelijk de leden van een geslacht zooveel mogelijk samen 
wonen, plegen zij ook in dezelfde buurten hun sawah's aan te 
leggen. De hoofdwaterleiding wordt door allen, die er partij 
van trekken, onderhouden. Een met de waterregeling belast 
hoofd ontbreekt, zoodat de uiteenloopende belangen alleen door 
onderling overleg met elkander in overeenstemming kunnen 
worden gebracht. Niet zelden echter geeft dat aanleiding tot ge- 
schillen en vechterij. Daar het water de bron is van den zegen 
voor den oogst, vieren de Gajo's, vóór dat het water over de 
velden gevoerd wordt, feest bij die bron, bestaande in een ge- 
meenschappelijken godsdienstigen maaltijd. Terwijl arme lieden 
den grond met een soort patjoel bewerken, maken meer wel- 
varenden gebruik van buffels, runderen of paarden om den ploeg 
te trekken. De vrouwen nemen aan de grondbewerking slechts 
bij uitzondering deel, in tegenstelling der Bataks, doch het zaaien 
en uitplanten is geheel hun werk. De vrouwelijke familieleden 
van den eigenaar worden daarin door jonge meisjes van andere 
gezinnen bijgestaan, hetzij onder voorwaarde van wederkeerig 
hulpbetoon, of voor den kost met een kleine belooning. Wieden 
is eveneens het werk der vrouwen en ook het snijden der 
rijst. Doch het dorschen geschiedt weder door mannen met 
behulp van daartoe genoodigde gasten, die bijzonder goed ont- 
haald en somtijds zelfs met geweerschoten en muziek van gongs 
en tjanangs ingehaald worden. Allerlei ceremoniën vergezellen 
den landbouwarbeid, vele van bijgeloovigen aard. 

De sawahgrond wordt hoogst zelden verkocht; dit geldt 
als laakbaar, maar wel wordt hij verpand, als de bezitter geldnood 

II 17 



Digitized by Google 



258 



heeft. Verhuur komt alleen voor, als de grond ver van de woon- 
plaats des eigenaars ligt. Tweede gewassen worden in Gajoland 
niet gekweekt; na den rijstoogst blijven de velden braak liggen 
tot de volgende uitzaaiing. De groenten, vruchten enz., die als 
toespijzen bij de rijst dienen, worden op de erven, in tuintjes 
en op ladangs gekweekt, en door arme lieden gezocht op ver- 
laten ladangs en iu jong bosch. Sirih wordt meestal gekweekt 
in jong bosch. De gewassen, die eenig voordeel opleveren, be- 
halve voor eigen gebruik, zijn tabak en suikerriet, die beide 
gewoonlijk op ladangs geteeld worden, welke men in het woud 
aanlegt. De tabak wordt door de Gajo's uaar de kust verhandeld. 
Het suikerriet dient tot versnapering, maar by grooten aanplant 
wordt er ook suikerstroop van gemaakt, die men in het land 
verkoopt. Alleen in Serbödjadi teelt men gambir. Men vindt 
overal in Gajo-land nabij de kampongs een soort van koffie- 
heesters, van welker bladeren de Gajo's wel een aftreksel drinken, 
doch dat geen echte volksdrank is. Eerst in de laatste tijden 
wordt de koffie ook verkocht. 

Als veefokkers staan de Gajo's niet hoog en lager dan 
de Atjehers, hoezeer het vee ook bij hun veldarbeid noodig is. 
Het grootste gedeelte van hun veestapel bestaat uit buffels. 
Groote kudden worden in het gebergte en in het „blang terrein" 
onder hoede van een paar menschen geheel losgelaten, en des 
nachts worden vuren aangestoken, waarom de buffels zich ver- 
zamelen. Dichter bij de kampongs brengt men ze des avonds bijeen 
in „wórs", omheinde kralen. Melk van buffels wordt gaarne 
gedronken, nadat men ze gekookt, geroerd en met eenig zout 
vermengd heeft. Echter het melken geschiedt niet geregeld. 
Runderen zijn er niet talrijk ; men houdt ze dichter bij de kam- 
pongs. Melken doet men ze zelden, en hun vleesch is minder 
gezocht dan dat der buffels. Paarden houdt men eveneens dicht 
bij de kampongs. De Gajo's zelf maken weinig gebruik van de 
paarden, maar zij worden veel naar de kust uitgevoerd en daar 
verkocht aan Atjehsche liefhebbers. Vroeger kochten de Karo- 
Bataks veel paarden der Gajo's om ze weder aan Sumatra's Oost- 
kust te verkoopen. Verder noemen wij de geiten en schapen; geiten 
worden uitgevoerd uit Gajo Loeös naar de Oostkust van Atjeh. 

Goudwasscherij komt in Boven Gajo Loeös voor, doch niet 



Digitized by Google 



259 



als een winstgevend bedrijf. Vroeger moet dit belangrijker ge- 
weest zijn. Zout wordt er nog gevonden, maar verder leveren 
de mineralen des lands weinig op. De boschprodukten worden 
door de Gajo's bijna alleen voor eigen gebruik verzameld; voor 
den uitvoer verzamelt men alleen op sommige plaatsen eenige 
rotan en damar, en in de laatste jaren getah, waar men die 
vinden kan. 

De Gajo's zijn bijna uitfluitend landbouwers; ambachten 
oefenen zij schier alleen uit in den vryen tijd. Men vindt bij 
hen ijzersmeden, goud- en zilversmeden, buskruitmengers, bouw- 
meesters en houtsnijders ; de vrouwen oefenen de weefkunst uit, 
vlechten matten en houden zich met pottenbakkerij bezig. Door hun 
eenvoudige, voor allen bgna gelgke levenswijze, voorziet iedere 
familie door haar eigen arbeid ongeveer in de eigen behoeften. 
Hierdoor is de handel der Gajo's onderling van geringen omvang, 
en men vindt dan ook nergens vaste verkoopplaatsen, en niets, 
wat op de „keudé's" of „peukans" der Atjehers gelijkt. Het eenige, 
dat in sommige opzichten aan een algemeene verkoopplaats doet 
denken, zijn de dobbelloodsen, die in de meestbevolkte gedeelten 
van Gajoland door liefhebbers worden opgericht. Deze z.g. 
„djamboers" zijn zoowel speelholen als terreinen voor hanen- 
gevechten, en hier worden ook artikelen verhandeld. Doch de 
eigenlijke handel bestaat alleen met de Atjehsche kustland- 
schappen; die moeten voorzien in de door het Gajo-land zelf niet 
vervulde behoeften der bewoners. De meest onmisbare zaken, 
welke men van de kust betrekt, zijn : zout, kleedingstoffen, opium, 
aardewerk, koperwerk, ijzer, lood, fijnere blanke wapens, ge- 
weren en kleinere zaken. En daarvoor voeren de Gajo's aan: 
vee, tabak, enkele boschprodukten, ivoor, rhinoceroshoorn. Doch 
de Gajo's hebben ook geld in gebruik. Lang waren hier als munt 
de oude Spaansche dollars in omloop, alsmede Atjeh-dollars. 

Opiumschuiven komt in verschillende gedeelten veel voor; 
het opium wordt ingevoerd. Evenals de Soendaneezen zich, 
trots hun omgang met de Javauen, bleven onthouden van het 
opiumgebruik, deden dit ook de Alassers, hoewel zij met de 
opiumschuivende Gajo's en Bataks omgingen. Evenzoo hebben de 
Alassers ook het dobbelspel uit hun eigen land nog weten 
te weren. 



Digitized by Google 



260 

vi. De At- 1° den noordwestelijken uithoek van Suniatra, 
jchera. waar het centrale gebergte van het eiland en de hoog- 
vlakte wordt afgebroken door de zee, en een smalle kustvlakte 
met lang uitgestrekte lagunen gevormd is, terwijl een enkele 
rivier door een breede vallei, die dieper landwaarts smaller wordt, 
van sawah's omringd uit de terugwijkende bergen van het hoog- 
land te voorschijn komt, ligt het gebied van Groot-Atjeh. 
Groot- Atjeh vormt de kern van het vroegere rijk van Atjeh, 
dat zich veel verder uitstrekte. Nog in 1873, vóór den Atjeh- 
oorlog, besloeg het gebied, waarover de Sultan van Atjeh het 
gezag uitoefende, voor een deel trouwens niet meer dan in naam, 
geheel Noord-Sumatra, van Oedjong Patikala op de west- tot 
aan de Tamiang-rivier op de oostkust. Wij komen later op het 
Rijk van Atjeh terug en beschouwen thans alleen de eigenlijke 
Atjehsche bevolking, die langs de kusten van Noord-Sumatra 
en in het binnenland ten N. der Gajo-landen woont. Het be- 
langrijke werk van Dr. Snouck Hdrgronje heeft ons het best 
omtrent de bevolking van Atjeh ingelicht. 

Over 't geheel is er een verschil tusschen de kust-Atjehers 
en de bewoners van het bovenland. De Bovenlanders duidt men 
aan als „orang toenong", de Benedenlanders als „orang baroh." 
De Bovenlanders stonden wel niet als deugdzaam te boek, want 
diefstal, roof en moord waren bij hen aan de orde van den 
dag, maar zjj waren minder verwijfd dan de Benedenlanders, 
bij welke zich alle nationale ondeugden ontwikkeld hadden tot 
den hoogsten graad, waar misbruik van opium en drank en 
verschillende andere ondeugden heerschten. Bij de Bovenlanders 
vond men onberedeneerd fanatisme, minachting van alle vreem- 
delingen en eigenwaan sterker dan in de kustgewesten, die meer 
met anderen in aanraking kwamen. Ook werden de Bovenlanders 
moediger geacht. Dat die opvatting juist schijnt te zijn is ge- 
bleken uit den langen strijd, dien de Bovenlanders tegen het 
Nederlandsch gezag hebben weten vol te houden. Zelfs in kleeding 
zijn Bovenlanders en Benedenlanders te onderscheiden. Beiden 
dragen de eigenaardige Atjehsche broek en beschouwen hetgroote 
stuk in het kruis als een kenmerk der Moslemsche kleedij, even- 
als het lendenkleed. Maar de Benedenlanders dragen gewoonlijk 
baadjes met lange mouwen, de Bovenlanders een kleed, idja, 



Digitized by Google 



261 

dat soms over de schouders wordt gedragen, soms op het hoofd 
gelegd, soms om het middel vastgebonden. De koe pi ah wordt 
algemeen gedragen als hoofddeksel, soms met een doek om den 
onderrand gewonden als tulband. Verder behoort tot de klee- 
ding de boengkoëhranoeb,d. i. een samengevouwen doek, 
waarin de benoodigdheden voor het sirih-kauwen worden geborgen. 

Als de Atjeher uitgaat, draagt hij een rintjong, een aan 
eene zijde scherpe, puntige dolk en bovendien als hij op reis 
gaat den Atjehschen degen, terwijl de klewang, zonder scheede 
gedragen, meer als pronkwapen der volgelingen van hoofden 
dient of op tochten wordt medegenomen. De Bovenlanders nemen 
bovendien op reis twee werpspietsen en een speer mede, be- 
nevens een of ander schietgeweer. Ook de vrouwenkleeding heeft 
bjj Beneden- en Bovenlanders verschil. Beiden dragen over 
den Atjehschen broek een „idja pinggang," maar dit kleed 
hangt in de Benedenstreken tot op de voeten, in de Bovenstreken 
slechts iets lager dan dat der mannen, d. i. even beneden de 
knie. Algemeen dragen de vrouwen een baadje, maar de mou- 
wen zijn in de Bovenstreken nauwer; ook dragen ze in beide 
streken een kleed bij wijze van slendang, maar in de Beneden- 
landen dragen zij, als ze uitgaan, nog een kleed van dezelfde 
soort om het hoofd te bedekken. 

De gewone hoofdspijs der Atjehers, die men tweemaal daags 
eet, des morgens 8 — 9 en des avonds 5 — 6 uur, is in water 
gaargekookte rijst, waarbij gewoonlijk sajoer (groentennat) ge- 
bruikt wordt. Verder eten zij veel stokvisch, uit de Malediven 
ingevoerd, gekookte zee- en riviervisch, en bij feestelijke ge- 
legenheden gebruikt men gele, (met kurkuma gekleurde) kleef- 
rijst en „toempoe", een soort van pannekoeken. Als genotmiddelen 
gebruikt men sirih met toebehooren, en aan opium gaan velen 
zich te buiten. 

De woningen der Atjehers en de erven beschreven wij reeds 
(1 pag. 370). De woningen in een groep vereenigd vormen de 
kampong, het dorp, de kleinste territoriale eenheid. Het is 
een geheel van erven, deels tot tuinen ingericht, met een of 
meer huizen, door heiningen van elkander en van de kampong- 
paden gescheiden, en het geheel is weder door een heining om- 
ringd, waarin een of meer uitgangen zijn. Even buiten of in de 



Digitized by Google 



262 



kampong vindt men een klein gebouwtje, „meneutah", dat dient 
tot nachtverblijf voor de jongelingen en de tjjdelyk in de kam- 
pong verblijf houdende mannen, die niet in de kampong getrouwd 
zijn, zoowel voor vreemdelingen als voor hen, wier moeder bijv. in 
de kampong woont, en die voor het oogenblik geen lust hebben 
hun elders wonende vrouwen te bezoeken. Voor zulke mannen 
ware het onbetamelijk in een huis te logeeren. Na zonsonder- 
gang zijn, afgezien van feestelijke gelegenheden, alleen vrouwen, 
echtelieden en kinderen in de huizen; al het mannelijke, dat 
niet tot deze categorieën behoort, is dan in de «meneutah." 
Die gewoonte is zeer oud; bij naburige Heidensche zoowel als 
bij Mohammedaansche volken vindt men die nachtelijke af- 
scheiding der mannen. 

De kampongs zijn waarschijnlijk ontstaan uit de geslachten, 
die territoriaal gescheiden waren. Het kampongbestuur bestaat 
uit de „keutjhi", het kamponghoofd, belast met de handhaving 
van den adat, die dit ambt als eereambt vervult, maar voor 
de diensten bij huwelijken enz. beloond wordt, en de „teung- 
koe", aan wien de handhaving van de geestelijke wet is op- 
gedragen. 

De heeren des lands, de territoriale hoofden, waren in Atjeh 
de oeléêbalangs"; zij worden ook wel de radja's van hun 
gebied genoemd. Daar het woord „oeléëbalang" krijgsoverste 
beteekent, is het niet onwaarschijnlijk, dat die naam hun gegeven 
werd door een der machtigste haven koningen, die trachtte de 
territoriale hoofden tot zijn ondergeschikten te maken, door hun 
het bevel te laten over de strijdbare mannen in hun gebied, 
maar het koningschap allengs voor zich zelf te monopoliseeren. 
Dit is dan echter niet gelukt, want nog altijd zijn de oeléé- 
balangs bestuurders, rechters en krijgsoversten in hun gebied, 
en zij erkennen feitelijk geen hooger gezag. Hun gebied heeft 
geen Atjehschen naam; wij noemen het „oeléêbalangschappen," 
maar de Atjeher spreekt van het land van de zoo- en zooveel 
moekims. 

Het gedeelte van Groot-Atjeh, dat niet onmiddellijk door 
den Sultan bestuurd werd, is verdeeld in drie sagi's, en elke 
sagi bestaat uit een zeker aantal districten: moekims. Die drie 
sagi's worden genoemd, de Sagi der XXII moekims, der XXVI 



Digitized by Google 



263 

moekim s en der XXV moekims. Blijkbaar zjjn die sagi's ont- 
staan door federatie van de moekims, die door nabuurschap, 
gelijkheid van zeden en dialect werden samengebracht. Aan het 
hoofd dier sagi's staat een panglima sagi, waartoe elke sagi 
den invloedrijksten of machtigsten oeléébalang koos, die alleen 
gezag heeft in zaken van gemeenschappelijk belang, maar zich 
niet mengt in de huishoudelijke zaken van elke oeléébalangscbap, 
waar ieder oeléébalang zelf vrij heerscht. 

Tusschen kampongbesturen en den oeléébalang staan de 
imeums, de hoofden der moekims, waarin een oeléebalaugschap 
verdeeld is. Moekim is een Arabisch woord, dat eigenlijk inge- 
zetene eener plaats beduidt, maar werd gebruikt voor den kring 
van kampongs, die gezamenlijk een vrijdagsmoskee hebben. Die 
moskee werd nu eens in dan buiten een kampong geplaatst, om 
een centraalpunt te hebben, dat men van alle zijden gemakkelijk 
kan bereiken. Deze indeeling komt geheel overeen met onze 
kerspels, die één kerkgebied omvatten, terwijl ook hier de kerk 
soms buiten het dorp staat. Aan het hoofd van een moekim 
staat een imeum (Arab. imam), wiens taak aanvankelijk een 
grootendeels godsdienstige was. Doch langzamerhand werden 
zij wereldlijke districtshoofden, die zich weinig meer met de 
mo3kee bemoeiden, en die een vrij groote zelfstandigheid er- 
langden, soms zoo goed als de oeléébalang. 

Nog enkele woorden over het familieleven der Atjehers. 
De uithuwelijking der meisjes geschiedt vroeg, en zij worden 
veelal reeds op het achtste of tiende jaar aan de echtgenooten 
overgegeven. De mannen huwen niet voor het zestiende jaar. 
Gewoonlijk doet een tusschenpersoon het aanzoek, dat van den 
echtgenoot uitgaat, echter na voorafgaande besprekingen met 
de ouders. De bruid ontvangt een verlovingsgeschenk, dat zij 
behouden mag, als het huwelijk buiten haar schuld niet doorgaat. 
De jonggehuwde vrouw volgt haar man niet naar zijn kampong, 
maar in haar moeders huis wordt een vertrek te harer be- 
schikking gesteld, waar de echtgenoot haar komt bezoeken. 
Het onderhoud van het jonge gezin komt voor rekening der 
ouders van de vrouw gedurende een tijd, evenredig aan de 
grootte der bruidschat. Voor eiken „boengkaj" goud (25 dollars) 
der huwelijksgift, blijft de bruid een vol jaar ten laste der ouders. 



Digitized by Google 



264 



Daarna gaat de vrouw over aan de zorgen des mans. Gedurende 
dien tijd is de echtgenoot alleen verplicht af en toe geschenken 
aan zijn vrouw te geven, wat als vergoeding kan beschouwd 
worden voor de kosten van zijn verblijf ten harent, dat op 
10 a 15 dagen per maand kan worden gesteld. 

Hoewel de meerderheid der Atjehers zich tot monogamie 
beperkt, komt toch polygamie voor, wanneer de middelen het 
hen veroorloven. Doch zeer veel wordt er een concubinaat 
aangetroffen met slavinnen, vooral van Nias. Echtscheiding is 
in Atjeh, vergeleken met andere Mohammedaansche landen, 
zeldzaam. 

In vergelijking met andere Mohammedaansche landen staat 
de positie der vrouwen hoog in Atjeh. Zelfs was de rijkstroon 
van 1641 — 1699 herhaaldelijk door vrouwelijke sultans bezet, 
en ook later kwam het nog wel voor, dat vrouwen in de onder- 
hoorigheden bestuur voerden. Dat een vrouw bij afwezigheid 
van haar man gezag voert, is zeer gewoon, en nog niet lang 
is het geleden, dat een voorname vrouw met loshangend haar 
feitelijk deelnam aan een binnenlandschen oorlog. Ook bij vrou- 
wen, die niet tot familiehoofden behooren, treft men meestal 
groote vrijmoedigheid aan, en, zoover de Atjehsche gezichts- 
kring reikt, zaakkennis en gezond verstand. Zij zijn het ook, 
die ouderwetsche woorden, uitdrukkingen enz. het best bewaren. 

Besnijdenis heeft plaats bij jongens en meisjes, tandeuvijling 
eveneens. Bij vrouwen geschiedt het tanden vijlen na het huwelijk, 
om den man daarover de beslissing te laten. Daar de getrouwde 
vrouw in den regel haar eigen huis of dat harer ouders bewoont, 
waar de vader in zekeren zin vreemdeling is, worden de kinderen 
in het huis der moeder opgevoed. Dit is een der vele sporen 
van het vroeger matriarchaat, die de Atjehsche maatschappij 
vertoont; overigens heerscht er het patriarchale stelsel meest. 
Toch zou het niemand in Atjeh in de gedachte komen den 
vader te verbieden zich ernstig met de opvoeding van zijn kinderen 
te bemoeien, zooals in de Padangsche Bovenlanden het geval is, 
waar dat recht voor den broeder der moeder wordt gereserveerd 
(zie boven pag. 233). De familie der vrouw laat in Atjeh den 
man vrij terrein, om zich met de opvoeding te bemoeien, maar 
de moeder blijft er de eerste rol bij spelen, omdat de vader 



Digitized by Google 



265 



veel afwezig is. Heeft de man bijv. meer dan een vrouw, dan 
zijn die echtgenooten gewoonlijk in verschillende kampongs ge- 
vestigd, en de man verdeelt zijn beschikbaren tijd tusschen zijn 
vrouwen. Veel van zijn tijd brengt hij echter dikwijls bij zijn 
eigen familie door, of hij reist rond om vrienden te bezoeken, 
zaken te doen enz. Men heeft peperplanters, zeevaarders, visschers 
enz., die soms voor jaren van het echtelijk huis afscheid nemen. 

Hoofdbron van bestaan is de landbouw ; de rijstteelt wordt 
zoowel op sawah's als op ladangs gedreven. Een complex van 
bijeengelegen rijstveldeu, die tot een kampong behooren, heet 
,blang", het veld; sawah's, in het moeras aangelegd, heeten ge- 
zamenlijk het moeras, „paja". Onbebouwde velden komen in de 
Benedenlanden zelden voor, daar is alles in bezit genomen, doch 
in de Bovenlanden vindt men ze nog veel. Zjj heeten hier „padang" 
en behooren evenals de blang tot bepaalde kampongs, hoewel 
de rechten, die de omwonenden er op kunnen uitoefenen, niet 
tot een kampong zijn beperkt, maar zich tot een geheele moekim 
uitstrekken. Als de rijstoogst is afgeloopen, wordt tijdelijk het 
geheele veld gemeengoed eener kampong, waar ieder zijn run- 
deren vrij laat grazen, iets wat men ook in Nederland nog wel 
vindt (stoppelweide). Wil men tweede gewassen oogsten op het 
veld, dan moet men het afperken. Als tweede gewassen worden 
geteeld djagoeng, groenten, suikerriet. Als men dit laatste in 
het groot verbouwt, plant men het in tuinen om er suiker en 
stroop van te maken; in de vier maanden, dat het veld open 
is, kan het riet niet voldoende groeien, en men snijdt het tegen 
ploegtijd af, om het uit de hand te eten. Ladangs legt men 
in de wouden der Bovenlanden aan, om den bodem door een 
jaar rijstbouw voor de pepercultuur geschikt te maken. Behalve 
padi en peper plant men in de ladangs suikerriet, Spaansche peper, 
uien enz. De werkzaamheden van den rijstbouw worden in de 
Benedenlanden alleen door mannen verricht; in Pidië, Daja en 
hier en daar in de Bovenlanden laat men het wel aan vrouwen 
over, die zich tegen een gering dagloon daartoe verhuren. Voor- 
name lieden, die veel velden bezitten, noodigen voor deuitplanting, 
het snijden en het dorschen van de padi groote gezelschappen 
uit, welke voor hun moeite goed te eten krijgen, een vorm van 
vrijwillig dienstbetoon, ook elders en eveneens in ons land niet 



Digitized by Google 



266 



onbekend. Eenvoudige lieden oogsten alleen met hun huisgenooten 
of met een paar vrienden, die op wederkeerig hulpbetoon rekenen. 
De hoofdprodukten des lands zijn pinangnoten, peper, getah, 
coprah, muskaatnoten en huiden. Want ook de veeteelt is ei- 
aanzienlijk. 

_ „ , „ De Nederlandsche betrekkingen met Sumatra zyn aangevangen. 

Ontwikkeling 

der Neder- "ij Atjeh. Wel had de eerste expeditie uit Nederland naar Aziö 
landsche be- den 5deo Juni 1596 bet eiland Enggano aangedaan, maar met de 
^Suinïtra 10 * naaktlo °P end6 bewoners waren geen betrekkingen aangeknoopt. 

De expeditie onder leiding van de gebroeders de Houtman, uit- 
gerust door de Moucheron, kwam in 1599 aan Atjeh's noordkust voor anker. 
De stemming van Atjeh tegen de onzen was onder Portugeeschen invloed niet 
vriendschappelyk, doch twee jaren later werd die beter, zoodat in 1601 te Atjeh 
een Nederlandsche factory kon worden opgericht. Reeds in 1600 werden door 
Paulus van Cakrden aan de westkust van Sumatra verschillende plaatsen 
aangedaan, als Priaman, Tikoe en Pasaman, waar de Sultan van Atjeh heer- 
schappij voerde. 

Het land aan de Westkust van Sumatra leverde voornameUjk kamfer en 
benzoë op, in enkele streken ook goud, dat meest uit de binnenlanden kwam. 
Men vond aan de Westkust een gemengde kustbevolking, die grootendeels uit 
Maleiers was samengesteld, en aan wie door de Bovenlanders de produkten uit 
het binnenland werden gebracht. Van het noorden der westelijke kuststreek 
wordt vermeld, dat daar in het Atjehsche gebied nogen goudmijnen gevonden 
werden, die veel goud leverden, hetwelk echter laag van toets was. 

In den eersten tyd waren de betrekkingen met Atjeh en in de Atjehsche 
gewesten vriendschappelyk, en de Nederlanders, die enkel kwamen om handel 
te draven, waren daarmede tevreden. Een bepaalde Sumatra-politiek had de 
Compagnie gedurende haar bestaan niet op bet oog, zegt prof. Heeres terecht, 
en zy kon dat niet hebben wegens den eigenaardigen economischen en geographi- 
schen toestand van het eiland, die zooveel van Java verschilde. Toen evenwel 
de betrekking met Atjeh minder vriendschappelyk werd, en de handel op 
onderscheidene nederzettingen onder Atjehschen invloed werd tegengewerkt, begon 
de Compagnie ook hier met kracht optetreden. Zoo werden onderscheidene kust- 
plaatsen er toe gebracht, de verbinding met Atjeh te verbreken, om zich onder 
de Compagnie te stellen. Het waren echter op zichzelf staande betrekkingen 
van de verschillende staatjes, stammen of nederzettingen. Met Salida werd op 
die wyze in 1662 door de Compagnie een contract van handelsmonopolie 
gesloten. Padang, waar de Compagnie reeds handel mede dreef, verzocht 
in 1663 de hulp der onzen tegen Atjeh, welke in 1664 verstrekt werd, waarna 
er verdragen met de Compagnie werden gesloten en haar werd toegestaan vaste 
kantoren te vestigen te Tikoe, Padang, Priaman en Poeloe Tjinko. In 
1667 werd Padang hier de zetel van het Compagnie's gezag, om het monopolie 
van haar handel te handhaven. Baros verwisselde in 1668 het Atjehsche gezag 



Digitized by Google 



267 



voor dat der Compagnie; door Singkel geschiedde dit in 1672, door Na tal en 
door Ajerbangis in 1698, door Tapanoeli in 1755. Geiyktydig met en door 
die vestiging der Compagnie in de belangrykste handelsplaatsjes van West- 
Sumatra ging de invloed en handel van Atjeh aldaar achteruit, en verloor dat 
r\jk zijn groote beteekenis. 

Zoo breidde de Compagnie haar handelsinvloed uit langs de westkust van 
Sumatra van Baros tot by Indrapoera, terwijl zil ook binnenlands op enkele 
plaatsen haar invloed liet gelden, o. a. door een contract met Korintji, waarby 
het goudmonopolie werd bedongen. De goudmynen van Salida werden sedert 
1670 door Nederlanders geëxploiteerd. Echter waren de betrekkingen met Su- 
matra geenszins die van een rustig bezit, en dikwyis was het gezag meer schyn 
dan werkeiykheid, omdat de Compagnie zich niet altyd veel aan deze posten gelegen 
liet liggen. Ben koel en o. a., op welke kust de Compagnie handel gedreven 
had in peper en specerijen, was in de 18de eeuw reeds meesttyds in handen 
der Engelschen en eerst in 1824 ging het in Nederlandsche handen over. 

Het eigeniyk Nederlandsch gezag over Sumatra is eerst in den loop der 19de 
eeuw langzamerhand, telkens by gedeelten, tot stand gekomen en werd, van de kust- 
streken uitgaande, trapsgewyze naar het binnenland uitgebreid. In 1838 kwam het 
Gouvernement Sumatra's Westkust tot stand. De Padangsche Beneden- 
landen vormen er de oude kern van het Gouvernement. Het gedeelte, dat wy hier 
in 1819 van de Engelschen terugkregen, bepaalde zich tot een gering kustgebied 
in zeer verwaarloosden toestand. Het was niet meer dan de hoofdplaats Padang 
met een zwakke suprematie over de stranden tot voorby Priaman noordwaarts 
en tot Benkoelen in het zuiden. De binnenlanden, de zoogen. Bovenlanden, 
waren toen geheel onafhankeiyk, en zelfs had geen Europeaan het nog gewaagd 
daarin ver door te dringen. Alleen wist men door de Bovenlanders, die de pro- 
dukten naar de kust brachten, iets van dit land. Hier werd in het binnenland 
het z,g. Ryk van Menangkabau gevonden, van welks machtige vorsten 
allerlei verhalen verspreid waren, die zich o.a. M ah ara dj a, d. i. Keizer, noemden, 
en in brieven van hun oppergezag over China en Turkye spraken. Dikwyis 
wordt er gesproken van een uitgebreid ryk van Menangkabau, de Padangsche 
Bovenlanden ongeveer omvattend, en waartoe ook DJambi en Indragiri be. 
hoorden, maar in werkeiykheid was het gezag er niet zeer groot en waren 
de Mohammedaan sche vorsten van Menangkabau meer een voorwerp van ver- 
eering dan dragers van oppermacht, meer priester dan koning of keizer. De 
gewesten in het binnenland bestonden in werkeiykheid uit tal van miniatuur- 
rykjes onder schier onafhankelijke potentaatjes, en het land vormde een staal- 
kaart van kleine staatsgewesten, telkens afwisselend van vorm, onzeker van macht, 
en vooral dan van beteekenis, als energieke vorsten optraden, die grooter gezag 
tydeiyk centraliseerden. In de 19de eeuw vond men echter van een groot ge- 
centraliseerd ryk al weinig meer over. 

In den tyd onzer vernieuwde vestiging op Sumatra in de 19de eeuw ontstond in 
deze binnenlanden de godsdienstige Mohammedaansche beweging der Padri's, wier 
aanhangers er naar streefden de volksinstellingen onder de Menangkabauers, 



Digitized by Google 



268 



die in strijd waren met den Islam, af te schaffen, en een nauwgezette navol- 
ging van de godsdienstvoorschriften, zooals zij die begrepen, desnoods met ge- 
weld door te voeren. Deze beweging werd geleid door lieden, die padri's ge- 
noemd werden (waarsch. van 't Portug. padre = vader). De inlandsche onlusten 
en oorlogen, die hieruit ontstonden, de Padrioorlogen, hadden tengevolge, 
dat het Nederlandsch gezag tegen de Padri's moest optreden. Eerst in 1838 
werd hun macht gebroken en werden allo door de Padri's overheerschte land- 
schappen tot onderwerping gebracht. Daardoor werd het geheele voormalige 
Menangkabausche rijk in naam onderworpen. Doch daar b\j de JJenangkabauers 
de macht niet gecentraliseerd was, en zij feitelijk onder hun stam- of groeps- 
hoofden een soort van federatieve republiek vormden, konden zij zich niet ge- 
makkelijk onder het centrale Nederl. gezag schikken. Aldus moest de feitelijke 
onderwerping nog voltooid worden, en die geschiedde eerst na een tal van 
kleine gevechten. Niet voor 1844-45, toen de onderwerping van Soengei Pagoo 
en de XII kota's voltooid was, had het Nederl. gezag een uitbreiding verkregen 
byna tot de tegenwoordige grenzen. Soengei Pagoe werd dadelijk, de XII Kota's 
werden eerst in 1876 onder ons rechtstreeksch bestuur gebracht, de afdeeling 
L Kota's in 1879, en zoo breidde het Üouvernementsgezag zich uit. De V Kota's 
in den N.O. hoek der Bovenlanden sloten in 1899 door vreedzame onderwerping 
zich hierbij aan. 

Nu wij by deze uitbreiding van gezag over kota's spreken, moet de betee- 
kenis van dien naam, welke in deze binnenlanden voor de gewesten voorkomt, 
nader worden toegelicht. Het Mal. Kota, in 'tJav. Koto, in 'tMenangkab. 
hoeta (Sanskrit koeta), beteekent oorspr. vesting, versterkte plaats, maar 
beduidt tegenwoordig, nu weinig plaatsen meer versterkt zijn, hoofdplaats, hoofd- 
stad of hoofddorp. In de Maleische landen van Sumatra beteekent de III Kota's, 
de IV Kota's enz. een gewest, bestaande uit een federatie van UI, IV vestingen 
of steden enz. Het zijn derhalve de namen der vroegere staatkundige indeelin- 
gen, 'die nog bewaard bleven. In Atjeh vormen de Moekims ongeveer soort- 
gelijke kleine indeeüngen of territoriën. (Zie pag. 263). 

Op het zuidelijk deel der oostkust van Sumatra hadden de Hindoe- 
Javanen in den bloeitijd van hun handel en staatkundige beteekenis onderscheidene 
volkplantingen gesticht en op eenige punten staatkundige betrekkingen met de 
daar bestaande rijkjes aangeknoopt, zooals Atjeh van het noorden uit in de kust- 
staten zijn invloed deed gelden. De expansie der Javanen geschiedde door de 
Hindoe-rijken Madjapahit en Padjadjaran (II pag. 78). 

Na het ondergaan dezer rijken verkreeg het Rijk Bantam op West-Java 
de meeste Javaansche rechten op Sumatra en dreef op de kusten handel, maar 
als concurrent van den Bantaraschen handel zien wij in de 17d« en 18d« eeuw 
in verschillende rijkjes de Oost-Indische Compagnie optreden, die den invloed 
van Bantam verdrong en door haar eigen monopolie verving. Dit geschiedde in 
de Lampongs, in Palembang, in Djambi en elders. 

De Lampongsche gewesten, in het Z. van Sumatra, werden ge- 
rekend tot Bantam te behooren, en toen dit in in 1753 een leen werd van de 



Digitized by Google 



269 



Compagnie volgden ook de Lampongs. Maar de invloed der Compagnie was hier 
meer schijn dan werkelijkheid. Daendels bracht de Lampongs in 1808 wel 
onder direct bestuur, doch het eigenlijk gezag beduidde ook toen lang nog weinig. 
In 1856 werd nog een expeditie naar deze gewesten gezonden, waardoor het 
Ned. gezag beter werd gevestigd. 

Aan de oostkust werden door de Compagnie in 1617 handelsbetrekkingen 
aangeknoopt met het Rjjk van Palembang, die evenwel nog niet blijvend 
waren. Een contract met den Vorst van 1640 werd vervangen door een nieuw van 
1642, toen na gewapend optreden de Compagnie er monopolie-voorrechten ver- 
kreeg, die evenwel geen groote beteekenis erlangden. Herhaaldelijk werden de 
betrekkingen nog weer verbroken, en hoewel na de expeditie in 1669 er een 
fort aan de Moesi werd gebouwd, en het monopolie van den peperhandel aan 
de Compagnie werd afgestaan, was de Europeesche macht er gering en kon 
die alleen met moeite en door expedities in schijn bewaard blijven. Eerst 
na veel strijd en onzekerheid werd in 1825 het sultansbestuur in Palem- 
bang opgeheven en het gewest onder onmiddellijk gezag van den resident ge- 
plaatst. Nog was de orde hiermede niet gevestigd; in 1849 braken er onlusten 
uit en nadat deze bedwongen waren, werd het gewest in 1864 voor goed 
onder controle van Ned. ambtenaren gesteld. 

Djambi was eens een leenryk van Madjapahit, ontstaan uit Javaansche 
volkplantingen, die over Palembang daar gekomen waren. Later werd hier de 
suprematie van Menangkabau wel erkend, maar de handel bleef er toch be- 
heerscht door Bantam. Da. Compagnie richtte hier in 1616 een kantoor op, om 
van Bantara's handel onafhankelijk te zijn, en dreef een aanzienlijken handel 
in peper op Djambi. Het eerste contract met den vorst werd in 1643 gesloten. 
Ook hier was de verhouding afwisselend ; in 1096 moest het kantoor weer worden 
opgebroken, in 1707 werd het hersteld, doch in 1724 opnieuw verlaten en niet 
voor 1833 kwamen de Nederlanders hier terug, om do zeoroovers er te bedwingen. 
Daarbij werd toen besloten het Ned. gezag op de oostkust uit te breiden en in 
1833 en 34 sloot Michiels er contracten van souvereiniteit, terwijl te Moeara 
Kompeh een versterking werd gebouwd. 

Indragiri was in vroeger tijd een vazalstaat van den sultan van Djohor, 
en toen diens zetel naar Riouw verplaatst werd in 1718, kwam het onder opper- 
hoogheid van den Sultan van RiouwJ(Lingga) en daarmede ging het in 1784 
aan de Compagnie over. De handelsnederzetting der Compagnie was echter al 
lang opgeheven en een nieuwe vestiging had plaats, toen de Sultan in 1837 de 
Souvereiniteit overdroeg aan het Ned. Gouvernement. Eerst langzamerhand breidde 
dat zijn gezag in Indragiri uit. 

Het gebied der tegenwoordige residentie Sumatra's Oostkust bestond 
in de 17^e en 18de eeuw en in de eerste helft der 19de eeuw uit onderscheidene 
rijkjes, waarvan er eenige met Atjeh in betrekking stonden. In het midden der 
16de eeuw hadden de Atjehers hier het Rijk van Aroe (Langkat) en van Gasip 
(Slak) vernietigd, en Deli was in 1613 onder Atjeh gekomen, doch had zich 



Digitized by Google 



270 



in 1669 daarvan losgemaakt. De staatkundige toestand in die verschillende rakjes 
wisselde zeer af. De O. Ind. Compagnie had de oudste vestiging alhier aan de 
Siak-rivier in 1689, maar deze was niet van langen duur en alleen werden van 
tyd tot tyd èr handelsschepen heen gezonden. Wy mogen by de geschiedenis 
dier rykjes aan de Oostkust niet stilstaan; alleen wijzen wy er op, dat Siak 
(Siak Sri Indrapoera) hier in vroeger eeuwen een tyd lang een machtig ryk 
vormde, hetwelk over vele kleine staatjes het oppergezag uitoefende. Dat Ryk 
Siak omvatte het stroomgebied van dien naam en Btrekte voor een tyd zyn gebied 
ook uit over de zuid- en zuid westwaarts gelegen landschappen: Mandau, Pekan 
Baroe, Taboeng Kanan en Taboeng Kiri en de noordwaarts gelegen landschappen : 
Boekit Batoe, Tanah Poeti, Bangka, Koeboe, Pané, Bila, Kota, Pinang, Koewalo, 
Asahan, Batoe Bahra, Bedagei, Padang, Serdang, Pertjoet, Pebaoegan, Deü, Lang- 
kat en Tamiang e. a., alsmede over de eilanden: Mandal, Rantau, Rangsang, 
Padang, Bengkalis, Roepat en andere langs de oostkust in de Str. v. Malakka gelegen. 

In de eerste helft der 19de eeuw was het Ryk Siak aan voortdurende on- 
lusten ten prooi, doch de tusschenkomst van het Nederlandsen Gouvernement in 
1857, waardoor de rust hersteld werd, had bet sluiten van een verdrag van 
vriendschap, handel en scheepvaart ten gevolge tuaschen Nederland en Siak. 
Door een nieuwe bemoeiing, die in 1868 noodig was, werd een nader verdrag van 
Nederland met den Sultan gesloten, in Febr. 1858, waardoor Siak en onder- 
hoorigheden onder Nederlandsche opperheerschappy werd gesteld, terwyi sedert de 
Nederlandsche invloed steeds toenam en de orde langzamerhand werd verzekerd. 

By Besluit van 15 Mei 1873 werd het gebeele Siaksche gebied, zooals het 
tot dien tyd officieel nog erkend werd, verheven tot een zelfstandige residenüe 
onder den naam Oostkust van Sumatra, en in 1874 stond de Sultan het 
eiland Bengkalis in vollen eigendom aan Nederland af. In Siak oefenen wy, 
evenals op vele gedeelten van Sumatra, slechts indirect gezag, en is den Vorsten, 
behoudens gebondenheid aan de verdragen, het bestuur gelaten. Sedert 1893 
zyn ook in eigeniyk Siak, behalve de in* en uitvoerrechten, de belastingen aan 
het Ned. Gouvernement gekomen. 

In het noorden van Sumatra lag het grootste ryk van dit eiland, nl. Atjeh. 
Zooals wy zagen, was in de 17de en 18<lo eeuw het gebied, dat met Atjeh 
verbonden was, vooral door het optreden der Nederlanders, ingekrompen, en in 
de 19de eeuw werd de zelfstandigheid van Atjeh na veel stryd geheel vernietigd. 
Doch de staat, die eens zulk een kracht ontwikkelde, verdient nog ten volle 
belangstelling. 

In Atjeh hebben wy niet te doen met een oorspronkeiyk krachtige mo- 
narchie, die allengs is verbrokkeld, maar met een veelheid van staatjes, die 
alleen door raseenheid der burgers en de nominale suprematie van den haven- 
koning werden samengehouden. In het begin der 16de eeuw heeft nl. van de haven 
der Atjeh-rivier uit, waar de sultan gezag had over een levendig handelsvolk, 
een staatkundige expansie plaats gegrepen, waardoor de Sultan van Atjeh als 
heer erkend werd door verschillende kuststaatjes van Noord-Sumatra, waarvan op 
een lyst van 1598 genoemd worden: Pedir, Pasei, Gori (= Kerti?), Asahan, 



Digitized by Google 



271 



Rokan, Tokoe, Baroes en Priaman. De betrekking met deze staatjes had hoofd- 
zakelijk bandelsbeteekenia; het eigenhjke volk der Atjehers en bun staat moet 
men enkel in Noord-Sumatra zoeken. 

Historische gegevens over de afkomst van het Atjehsche volk bestaan er 
niet; alleen laat zich velerlei aanvoeren vóór de meening, dat die oorsprong 
zeer gemengd geweest is, zegt Snouck Hurgronje. Dit stemt overeen met de 
omstandigheid, dat Atjeh een handelsgewest was, waar men van het vasteland 
het eerst den Archipel bereikte, en waar op natuurlijke wyze aan de kust een 
stand van tusschenhandelaars ontstond, die de staatkundige expansie bevor- 
derden, terw\jl z\j de kustnederzettingen van Sumatra bezochten. Door dien bandel 
stond Atjeh sterk bloot aan vreemde invloeden, zeker ook aan Hindoeschen invloed, 
al valt het niet zeker te zeggen, in hoeverre er Hindoesch bloed door de aderen 
der Atjehers vloeit. Verder hebben Maleiers, de handelaars bij uitnemendheid, 
Klingaleezen, Arabieren en ook Javanen zeker elementen geleverd aan de Atjehsche 
kustbevolking, hebben zich slaven van Nias en anderen in het ras opgelost. 
Het meest bad dit plaats in de bevolking der handeldrijvende kuststreken, minder 
in het binnenland. De Bovenlanders bleven van die invloeden meer vrij. De 
Benedenlanders werden in hun taal en zeden vooral beheerscht door de hoofd- 
stad en het staatkundig gezag hield hiermede verband. Om den Dalam (de 
verblijfplaats van den vorst, door ons ten onrechte Kraton genoemd) of de 
Koe toe-rad ja, „vorstelijke versterking" (een andere naam voor den Dalam, 
door ons minder juist aan de hoofdplaats gegeven), lagen vóór den oorlog een 
aantal voorname, welvarende kampongs, welker centrum met moskee en markt 
de Banda-Atjeh, de hoofd- of handelsstad van Atjeh heette, en deze gaf 
voor het geheele rijk op 't gebied van zeden, taal, kleeding enz. den toon aan. 
De bewoners dezer dorpen om de hoofdplaats en hun zeden en taal duidde men 
aan met het adjectief ban da, d. i. steedsch, beschaafd. Daartegenover stonden 
de overigen, die hun eigen volksdialect apraken en de steedsche manieren niet 
kenden ; zy heetten d o e t o n (evenals in het Soendaneesch doesoen) d. i, dorpsch, 
onbeschaafd. Uit den aard der zaak kwamen wel de bewoners van het benedenland 
het meest onder den invloed van de handelsstad, maar ook voorname familiën 
in het bovenland volgden de stad na, een algemeen verschijnsel, terwijl even- 
eens verder van de stad de kustbewoners minder onder den invloed van de 
residentiebewoners stonden. 

Het Atjehsche rijk heeft de onafhankelijkheid het langst bewaard (zie later) 
maar is na den oorlog sedert 1878 - 1904 thans onderworpen en de Gajo- en Alas- 
landen hebben eveneens de Nederlandsche souvereiniteit erkend. Aldus is schrede 
voor schrede het Nederlandsch oppergezag over Sumatra uitgebreid, van de kustge- 
westen uitgaande, en bijna geheel Sumatra is thans óf door direct bestuur óf 
door betrekkingen van verband met het Gouvernement verbonden. Alleen in de 
Bataklanden en aan den bovenloop der Batang Hari en der Kwantan-rivier vond 
men voor kort nog geheel onafhankelijke gewesten, maar ook by deze werd van 
tijd tot tijd door hoofden der kleine volksgroepen meer en meer de Nederlandsche 
souvereiniteit erkend, en worden telkens nieuwe verdragen gesloten, zoodat hun 
onafhankelijkheid of geheel of bijna geheel heeft opgehouden. By die afzonderlyke 



Digitized by Google 



272 



verdragen zullen wy niet stilstaan; wie ze wil kennen vindt ze medegedeeld, 
in de Handelingen der Staten Generaal, aan wie er kennis van wordt gegeven, 

en in J. Boudewijnse en G. H. v. Soest: Dc Indo- Nederlandsche wetgeving (zie 
ook I pag. 482). 

Een belangrijke geographische en ethnographische invloed op de inbezit- 
neming van Sumatra had de omstandigheid, dat het land staatkundig zoo ver- 
snipperd was en zoo schaarsch is bevolkt. Hierdoor had het Nederlandsen gezag 
slechts zelden te strijden tegen een grooten staat, maar meestal tegen op zich 
zelf staande, kleine volksgroepen. Dit had voordeelen, omdat de tegenstand niet 
zoo groot was, en nadeelen, omdat het gezag slechts stukje na stukje kon worden 
uitgebreid. De grootere machten, waartegen Nederland had te strijden, waren 
die van Henangkabau, Siak en later van Atjeh; de oorlog met het laatste 
hield het langst aan, omdat een tal van volkseenheden in het binnenland der 
Gajo- en Alas-landen de Atjehers steunden. 

Deze enkele grepen uit de geschiedenis der staatkundige betrekkingen van 
Nederland tot Sumatra wijzen aan, dat eerst in de 1W» eeuw het Nederlandsch 
gezag hier feitelijk gevestigd werd. Al was reeds van den Bosch bezield door de 
gedachte om geheel Sumatra te vereenigen onder Nederlandsche souvereiniteit, 
en al liet, toen van den Bosch in den Padri-oorlog door de hardnekkige ver- 
dediging van Bondjol ontmoedigd werd, Koning Willem I niet na zijn Minister 
te herinneren, „dat de geheele onderwerping van Sumatra steeds zijn en blijven 
zal het staatkundig beginsel van het bestuur in Indie", toch konden in dien tijd 
nog niet meer dan stuksgewijze pogingen hiertoe aangewend worden. Eerst na 
1871, toen het Sumatra-tractaat met Engeland gesloten, aan Nederland volle 
vrijheid van handelen gaf op dat eiland, kon het politieke beginsel, om geheel 
Sumatra onder Nederlandsch gezag te brengen, verder worden uitgevoerd. 

In een eeuw tyds zijn aldus de staatkundige verhoudingen op Sumatra 
geheel veranderd. In het begin der 19de eeuw was Sumatra nog grootendeels 
onbekend land, beheerscht door tal van inlandsche vorstjes zonder kracht of 
zonder macht, en de kusten waren tijdelijk in bezit genomen door de Engelschen. 
En thans zijn er slechts kleine volksgroepen, die de Nederlandsche souvereiniteit 
niet erkennen, terwijl de welvaart en orde in vele gewesten is toegenomen 
onder het Nederlandsch bestuur. 



IV. ONTWIKKELING DER ECONOMISCHE TOESTANDEN OP SUMATRA 

EN CÜLTUURGEOGRAPHIE. 

Invloed der ^ 00r Z ^ n lig ^ ing nat *N b ©t vaste J anQ " van Azië en als het 
geographische ^* Westelijkste dei Groote Soenda-eilanden vormde Sumatra de 
ligging op de verbindingsbrug van het continent met den Archipel. Langs deze 

eC ° n °kk S ii he brug üebben zicu dieren en planten naar het oosten verbreid, 
ontwi e ng. ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ Dewoner8 van het vasteland volgden 

dien weg naar de eilanden. Zoo werd ook Sumatra het vroegst door de handelaars 



Digitized by Google 



273 



en scbeepvaarders bezocht; langs Sumatra's kusten schoof de scheepvaart naar 
Java voort. 

De oostkust van Sumatra lag het meest in de Ujn van de oude handels- 
beweging en was het veiligst te volgen: de weinig gelede westkust, meestal 
onbeschut naar den Indischen Oceaan gericht, werd in den eersten ttyd der zeevaart 
nog als een wilde, ongenaakbare kust beschouwd, waar men niet licht den wog 
langs koos. Langs de oostkust ontstonden dan ook onderscheidene kleine neder- 
zettingen, als verbindingsschakels voor den handel naar Java en de Holukken. 
Toch konden deze nederzettingen op de oostkust zich niet tot groote handels- 
plaatsen ontwikkelen, omdat de breede, moerassige laagvlakte aan dien kant 
de gemakkelyke betrekking met de meest bevolkte gedeelten van het eiland 
belemmerde. Was de vlakte der oostkust minder moerassig geweest, en had zy 
beter goschiktheid aangeboden voor de vestiging eener landbouwende bevolking, 
zeker zou z\j een belangryker rol in het verkeer vervuld hebben, en Sumatra 
zou niet of weinig by Java hebben achtergestaan. 

De westkust van Sumatra, hoewel ten opzichte van den Oceaan minder 
veilig gelegen dan de oostkust, bad toch boven de zuidkust van Java dit voor, 
dat de inhammen op enkele plaatsen door kleine eilandjes worden gedekt. Verder 
was het een voordeel, dat de westkust dichter by de gedeelten van Sumatra 
lag, die het meest bevolkt waren en de krachtigste en welvarendste bewoners 
hadden, nl. de hoogvlakten en terrassen uit vulkanisch materiaal opgebouwd, 
die daardoor zeer vruchtbaar zyn. De breede, moerassige oostkust, hoewel van vele 
bevaarbare rivieren doorsneden, was veel moeiiyker door te trekken dan het 
heuvel- en bergland van het westen. De Inlanders van het Bovenland kwamen 
dan ook liefst aan de westkust met hun produkten: daardoor werd die kust het 
meest door handelaren bezocht. Van de westkust werden later ook de eerste belang- 
ryke expedities naar het binnenland ondernomen en de meesto wegen aangelegd. 

Lag in de oudheid Sumatra in de lyn van Indié naar Java, de meest ge- 
kozen handelsrichting voor den Archipel, in den tyd der Compagnie lag het aan de 
lyn der vaart van Java naar Ceylon en Voor-Indiö, een route, die ook van veel belang 
was voor dat handelslichaam. Toen Ceylon verloren ging, kwam Sumatra meer 
buiten de route te liggen, maar de opening van het Kanaal van Suez verhoogde de 
beteekenis van Sumatra weder, vooral voor de gedeelten by de Str. van Malakka. 
De groote lynen van het wereldverkeer loopen thans door deze straat, niet ver van 
de kust van Sumatra. Daarop berust ook de stichting der haven van Sabang. 

Toch is het niet waarschyniyk, dat een der plaatsen van Sumatra zich 
ooit tot groote handelsstad met internationalen omslagshandel zal ontwikkelon. 
De havens van Sumatra zullen het meest z\Jn aangewezen op de handelsbeweging 
van het eiland zelf, en zullen mo6ten gevoed worden door de produkten, welke 
het land levert. Singapore heeft door de ligging als internationale handelsplaats 
veel voor boven de havens van Sumatra. 

De eigenaardige economische eh staatkundige ontwikkeling van Sumatra 
heelt tengevolge gehad, dat hier weinig groote nederzettingen ontstonden. De 
vorsteUjke residenties waren niet te vergeiyken met die op Java en de handels- 
steden evenmin. 

II 18 



Digitized by Google 



274 



De bodem als In K eolo ^ 8ch °P zicht be ide eilanden vergelijkend, is Sumatra een 
factor voorde oud eiland, Java een jong eiland. Deze tegenstelling heeft niet 
economische alleen wetenschappelijke maar ook praktische beteekenia. Hieruit 
Delfstoffen" 6 wordk verklaard, dat Sumatra rijk is aan nuttige mineralen, welke 
op Java betrekkelijk weinig gevonden worden. 

Het goud komt overal in kwartsgangen van de oude leigesteenten voor; 
in de spleten van dat gesteente heeft het water gecirculeerd, dat het kwarts 
met gouddeeltjes daar afzette. Dat zijn de primaire vindplaatsen van het goud. 
Waar de oude leigesteenten aan de oppervlakte kwamen, verweerden zU en werden 
vergruisd. Als dit verweeringsmateriaal door het afstroomend water werd mede- 
gevoerd en elders nedergelegd, werden daar goudhoudende lagen uit vergruisd, 
los materiaal gevormd. Dit geschiedde reeds voor den Diluvialen tyd, vooral 
ook in het Diluvium, en heeft thans nog plaats. 

De bodem van Sumatra bevat daardoor goud in drie formaties: in goud- 
rijke kwartsaders, in sedimentaire formaties van los materiaal en in rivieren, die door 
de goudhoudende kwartsaders of sedimentaire lagen stroomen, het goud daaruit 
medevoeren en in het rivierzand doen bezinken. Uit de rivieren wordt het goud 
verkregen door goudwasscherij. Over geheel Sumatra: in Atjeh, Tapanoeli, in 
de Padangsche Bovenlanden, Djambi en Palembang wordt in de rivieren goud 
gewasschen. Doch ook de goudhoudende losse afzettingen worden door de In- 
landers veel ontgonnen, en vermoedelijk werd het goud, dat Sumatra in vroeger 
eeuwen uitvoerde, voornamelijk op die wijze verkregen. Dit valt daaruit af te 
leiden, dat deze lagen, waar ze voor de hand liggen, reeds meest doorwoeld 
blijken te zijn. Goudaderen werden ook van tijd tot ÜJd ontgonnen. Vermoedelijk 
werd op die wijze goud verkregen in Atjeh, ongetwijfeld ook bij Salida (Painan), 
en verder in de Palembangsche Bovenlanden. Hier in Redjang-Lebong zet een 
goudm\jnbouw-maat8chappij de ontginning voort van een goudader, welke waar- 
schijnlijk reeds vóór den Hindoet\jd was aangebroken. Dat in den tijd der Com- 
pagnie hier goud gewonnen werd, hebben wü reeds gezien (Zie I pag. 559). 

Ook bevat de bodem van Sumatra graphiet in de oude leigesteenten, 
maar tot nog toe is het niet in ontginbare hoeveelheid gevonden ; verder kwik, 
atoods gebonden aan zwavel, dus als zinnaber, in Sumatra's Westkust, en 
hier en daar ijzer- en looderts; echter z\jn die ertsen nog van ondergeschikt 
belang. Kopererts komt voor in de diabaas of op de grens van diabaas en 
andere gesteenten. In Atjeh had vroeger ontginning van kopererts plaats; het 
gewonnen metaal werd tot munten geslagen. 

De belangrijkste delfstoffen van Sumatra zijn steenkool, petroleum 
en tinerts. De steenkool komt er voor als echte steenkool in de oud- 
Tertiaire (Eoceen) formatie (zie I pag. 656) en als bruinkool in het jong- 
Tertiair (Mioceen). Steenkolen vindt men in het Ombilien-kolenveld, aan de west- 
kust van Atjeh, aan de baai van Tapanoeli, in de omstreken van Benkoelen 
en misschien olders. Bruinkolen zijn van ouds bekend aan de Lematang, bij 
Moeara Enim en op andere plaatsen in Palembang, aan de Kwantan boven Ringat 
en nog in verschillende streken van het laagland aan de Oostkust. De bruin- 
kolen zijn waarschijnlijk veelal ontstaan uit plantenmassa's door de rivieren 



Digitized by Goo 



275 

van elders aangespoeld, of op de wijze als tegenwoordig de venen gevormd 
worden. 

Petroleum komt meest voor in de Mioceen-formatie, in betrekkelijk laag 
gelegen terreinen, welke in den jong-Tertiairen tijd nog door de zee bedekt 
waren. Tot nog toe is het voorkomen van petroleum op Sumatra bekend voor 
Atjeh's oostkust, Langkat (de noordelijkste afdeeüng van Sumatra' s Oostkust), 
Djambi, Palembang en voor onderscheidene plaatsen in de kuststreek van Ben- 
koelen. (Zie ook I, pag. 555). 

Het tinerts komt voor in kwartsgangen van graniet en oude leigesteenten ; 
echter wordt het nooit door aderontginning gewonnen, maar bijna uitsluitend 
als stroomtinerts, op secondaire plaatsen (zie I, pag. 554). Op Sumatra komt 
het tinerts hier en daar voor in het bovengebied van de Slak-rivier, van de 
Kampar en de Kwantan. Vroeger had in deze streken Inlandsche tinontginning 
plaats, en nog vindt men er die op kleine schaal. In Atjeh moet tinerts langs 
de Asahan-rivier voorkomen. Het is evenwel nog niet zeker, of op het eiland 
Sumatra de tinerts in voldoende hoeveelheid voorkomt voor een geregelde voor- 
deelige ontginning. Op Malakka, Banka en Billiton en tusschengelegen eilanden 
komen rijke tinlagen voor, die evenwel langzamerhand zullen worden uitgeput 

De delfstoffen op Sumatra worden bijna niet ontgonnen door de Inlanders. 
Op kleine schaal geschiedde dat in vroeger tijden met enkele, maar in den tegen- 
woordigen tijd is de mijnbouw bijna geheel in handen van Europeanen, meestal 
van maatschappijen. 



De bodemgesteldheid van het eiland en de aard der terreinen 
Bodem en g ee ft schier overal geschiktheid voor plantengroei, enkele naakte 
graniet-, lei- en kalkgesteenten uitgezonderd. Meest overal is de 
bodem met losse aardlagen overdekt, hier met verweeringsgruis, meer of minder 
fijn van samenstelling, daar met lateriet, elders met zware lagen humus. Naar 
die verschillen, in verband met het reliëf en de besproeiing, vindt men karakte- 
ristieke eigenaardigheden in den natuurlijken plantengroei. Op lateriet, graniet- 
zand en zandsteen-terreinen, die niet regelmatig besproeid worden en boven 
het hoogste rivierpeil liggen, zal men meest, enkele zeer regenrüke gebieden 
misschien uitgezonderd, alang-alang als oorspronkelijke vegetatie vinden. Met 
de alang-alang wisselt dikwijls kreupelhout en niet zelden ook de varen-vegetatie 
af. Alang-alang- vegetatie vindt men ook op de verlaten cultuurgronden van 
Sumatra, en als de alang-alang zich eenmaal ergens gevestigd heeft, ontwikkelt 
daar eerst langzaam weer bosch. 

Qroote uitgestrektheden van Sumatra zijn nog met wouden bedekt, op vele 
plaatsen echte natuurwouden, op andere secondaire bosschen, die weder op- 
sloegen op gronden, vroeger in cultuur genomen. Op de berghellingen is in 
den regel de wild groeiende vegetatie tot typische tropische regenwouden 
met groote verscheidenheid van soorten ontwikkeld, echte galerij-wouden 
(I pag. 212). Bij de boomsoorten staan wi) niet stil; enkel wijzen wij op de 
hooge kamferboomen, die in de residentie Tapanoeli byna uitsluitend voor- 
komen, en boven de andere boomen uitsteken. Verschillende houtsoorten der 



Digitized by Google 



276 



wouden leveren uitstekend timmermateriaal. Echter het djati-woud, dat op Java 
een belangrijke plaats inneemt, en door zyn periodieken bladafval te huis be- 
hoort in streken met een afwisselenden drogen en een regentijd, vindt men op 
Sumatra, met regen over het geheele jaar niet. De samenstelling van het bosch is 
in het algemeen zeer verschillend naar de hoogte boven de zee en de geaard- 
heid van den grond. Waar in groote hoeveelheid boomsoorten voorkomen, die 
hun wortelsysteem vlak uitbreiden, zooals vele Ficussoorten, wijst dat op 
waarschijnlijke minderwaardigheid van den ondergrond. Een hoofdvoorwaarde 
voor de ontwikkeling van zwaar bosch is rijkelijke verzorging met water, die 
echter niet in periodieke overstrooraingen mag ontaarden. Daardoor vindt men aan 
den voet van de hellingen, in het midden en op het heuvelland de beste voor- 
waarden voor den boschgroei. Eigenaardig zijn op Sumatra de overstroomings- 
wouden en de echte zoetwater-moerasbosschen in de streken aan de monden 
der rivieren, die periodiek overstroomd worden, plantentormaties, welke men 
op Java niet kent. 

De bodem van Sumatra, door de natuur overal met een rijke vegetatie 
bezet, is ook in vele gedeelten uitstekend geschikt voor verschillende cultures. 
Voor de cultures komen in de eerste plaats de berghellingen in aanmerking, 
vooral die van jong vulkanisch terrein, verder de Diluviale tufplateau's, terwijl ook 
de verweerde gronden van oude leien eji van kalksteen, voor zoover hier het 
terrein niet te geaccidenteerd is, voor cultures geschikt zyn. De Diluviale tuf. 
steenplateau's in het bergland zijn het best bebouwd en het dichtst bewoond. 

Het heuvelterrein aan de oostelijke helling van den Boekit Barisan bestaat 
aan de oppervlakte voor een groot gedeelte uit lateriet* en kwartszandgronden. 
Lateriet kan zeer vruchtbaar zyn, doch niet altijd is dat het geval. Wel is deze 
heuvellandzone een gebied, waar groote, zware bosschen zich uitstrekken, maar 
voor cultures worden die gronden algemeen niet best geschikt geacht. Echter 
vindt men hier ook zeer vruchtbare en bruikbare heuvelterreinen, vooral aan den 
voet der vulkanen, maar bij de keuze van cultuurgronden op 150 tot 1000 
voet hoogte moet men steeds omzichtig zijn. De verbreiding der Inlanders, die 
de deugdelijkheid van den grond uit ervaring kennen, werd hierdoor mede bopaald. 

De zoetwatermoerassen in het binnenland komen voor de cultuur voorloopig 
niet in aanmerking: zij zijn dan ook niet of uiterst dun bewoond. Beter is het 
gesteld met de aangeslibde gronden aan de kust bij de mondingen der rivieren. 
Wanneer deze gronden in cultuur zullen worden gebracht, is echter voor vele 
inpoldering noodig, en bh het gebrek aan werkkrachten is daaraan nog niet 
te denken. 

Het gezegde is voldoende om te doen zien, dat de bodem van Sumatra 
in de meeste gedeelten zeer geschikt is om door den mensch tot zyn voordeel 
geëxploiteerd te worden voor onderscheidene cultures, als men met overleg de 
goede plekken uitkiest. Wanneer dit niet geschiedde, hebben cultuur-onder' 
nemingen groote teleurstelling veroorzaakt. Doch behalve vruchtbaarheid van 
den bodem moet by de keus van cultuurgronden in het oog gehouden worden, 
of er werkkrachten zyn te bekomen, en de afvoer zonder groote moeite kan 
geschieden. 



Digitized by Google 



277 



Economische ^«rt de natuur, zooals uit het voorgaande blijkt, vele hulp- 
toestanden, middelen voor den menach, toch is daarvan tot nog toe slechts 
Bronnen van in zeer beperkte mate gebruik gemaakt. Als men Java met Su- 
de^nlandcrT matra ver ffelijkt, bujkt er een groot verschil te bestaan tusschen 
deze eilanden. Java is voor het grootste gedeelte in cultuur ge- 
bracht en kan men beschouwen als een groote landbouwkolonie, waar rietvelden 
afwisselen met suikerriet-, tabaks- en indigo-velden, of met koffie-, thee- en kina- 
plantages; op Sumatra daarentegen is slechts een betrekkelijk klein gedeelte 
van den bodem ontgonnen en ligt het grootste gedeelte nog braak. Als men 
zich eenigszins van de kustplaatsen en de cultuurstreken verwijdert, maakt 
het eiland den indruk van een samenhangend geheel van boschage, met enkele 
oasen, wsar de mensen door zyn arbeid de natuur heeft geleid. 

Verschillende oorzaken hebben samengewerkt om Sumatra in dien onont- 
wikkelden toestand te doen verblijven. In de eerste plaats is het de geringe 
dichtheid van bevolking, die op Sumatra, met in de dichtstbewoonde gedeelten 
10 per K.M. 3 , veel verschilt van die op Java met gemiddeld 218 per K.M 1 ., 
(Zie I, pag. 452), ruim 21 maal zooveel. Daarbij komen andere oorzaken. 

Evenals de staatkundige geschiedenis heeft ook de economische geschiedenis 
van Sumatra een bijzonder karakter gehad. De handel op Sumatra was ge- 
decentraliseerd, was meestal kleinhandel, en de productie des lands had bijna 
geheel op kleine schaal plaats. Er bestonden bijna geen groote staten en ook 
bijna geen groote economische gewesten op Sumatra; alleen Menangkabau, Atjeh 
en Indrapoera waren staten die eenigszins als zoodanig konden gelden. Sumatra 
bleef tot de 19de eeuw de zone van vele kleino staatjes, onderscheidene niet grooter 
dan dorpen of gemeenten, zonder eenheid van gedachte, zonder gemeenschappelijke 
plannen of leiding voor productie en uitvoer. Die versnippering in landschappen 
en staatjes had een gemis aan samenwerking ten gevolge, een individualisme 
met weinig verkeer en veel onrust. Daardoor was de toestand op Sumatra veel 
verschillend van die op Java. Java was door eigen initiatief der bowoners een 
land geworden, dat beslist en planmatig produceerde voor den uitvoer (Zie II, 
pag. 82); Sumatra leverde niet veel meer dan door ruwe inzameling in de 
bosschen gewonnen werd om zich van het noodigste te voorzien. Het bedrijf 
op Sumatra bleef byna geheel een primitieve verzamehujverheid, en de groote 
rijkdommen der natuur van Sumatra bleven tot de 194» eeuw byna ongeex- 
ploiteerd, waren zelfs bijna niet bekend. Peper, benzoo, kamfer en goud waren 
de hoofdprodukten van Sumatra, die op weinig economische wyze verzameld 
werden als ruilmiddel tegen enkele fabrikaten, welke ingevoerd werden. 

De Inlandsche landbouw, de hoofdbron van bestaan op Sumatra, verkeert 
nog in een eerste stadium van ontwikkeling en dient meestal slechts om in de 
noodigste behoeften te voorzien. Bovenal is het nog een roofcultuur, waarbjj 
de bosschen worden uitgeroeid om bouwveld te bekomen, de maagdelijke grond 
slechts kort wordt gebruikt en daarna weer woest biyft liggen, spoedig bedekt met 
allerlei struiken, alang-alang enz. Slechts betrekkelijk klein is het aantal voort- 
durend bebouwde velden en door waterleidingen regelmatig besproeide sawah's,* 
die op Java al vroeg bestonden. De landbouw is er meest hakbouw, waarbij 



Digitized by Google 



278 



weinig van de ploeg en van trekdieren gebruik wordt gemaakt, maar de bodem 
uit de hand met het houweel wordt bewerkt. 

De produkten, die de Inlanders van Sumatra uit eigen initiatief voor den 
wereldhandel of voor den uitvoer leveren, zyn dan ook betrekkelijk gering. Z(j 
bestaan uit coprah, peper, noten (pinang- en muskaatnoten), rotting, 
getah-pertjah, gom-benzoe, gom-damar, go ra-copal en ruwe katoen 
(zie de tabel van uitvoer II pag. 20). De meeste dezer produkten worden door 
dien primitieven landbouw of door eenvoudig halen uit de bosschen verkregen; 
de peper alleen is een eigen cultuur, de koffie eenigermate. 

De bosschen op Sumatra bezitten ongetwijfeld goede houtsoorten, maar worden 
nog weinig met zorg geëxploiteerd. Op ruwe, onregelmatige wijze wordt het 
bosch van tijd tot tijd gekapt en verbrand, en de grond wordt daarna beplant 
met eenjarige gewassen om vervolgens weer 5 a 10 jaren aan zich zelt over- 
gelaten te worden. Dan zorgt de natuur wel voor wederbedekking van het 
verlaten stuk gronds met dicht en snel opschietend houtgewas, waardoor de 
bodem opnieuw voor bebouwing geschikt wordt, maar flinke, echte oerbosschen 
ontstaan hierop niet. Ook wordt het ontgonnen veld wel met pisangs 
beplant, die echter spoedig zoo verwilderen, dat na het tweede jaar daarvan 
geen eetbare vruchten meer verkregen worden. Dan wordt het terrein, dat 
intusschen met een dicht bosch van pisangboomen bedekt is, verlaten en door 
de alles verstikkende pisang wordt alle boomgroei onderdrukt, zoodat in de 
open plekken van dergelvjken grond enkel alang-alang opschiet. De jonge pisang- 
boomen, die voor de olifanten een gezocht voedsel opleveren, lokken deze dieren, 
welke het geheele pisangbosch vernielen. Als daarna in den drogen moesson 
die wilde massa in brand wordt gestoken, is aldus voor een reeks van jaren 
de wederbedekking met bosch belemmerd. Op die wijze zhn groote gedeelten 
der oerbosschen in het gebied van Palembang verdwenen, en daarvoor zijn 
ondoordringbare wildernissen van jong hout in de plaats gekomen, die weldra 
opnieuw worden weggekapt en beplant. Door dit ondoelmatig handelen ontstond er 
in enkele gedeelten van Sumatra wel eens gebrek aan goed hout, waarom o. & 
in 1845 bepalingen in het Palembangsche tegen den houtkap werden uitge- 
vaardigd, die echter niet veel baatten, zooals uit een circulaire van 1861 blijkt 

Toch trots die verwoesting zijn er nog uitgestrekte bosschen onaangetast, 
en als de zorg en het toezicht op de bosschen wordt verbeterd, als het land- 
bouwbedrijf ophoudt roofbouw te zijn, zooals in vele gewesten van Palembang 
nog het geval is, kan ook het hout van Sumatra waarde verkrijgen in de toekomst 

Van de boschprodukten wordt gom-benzoö vooral geleverd door Palem- 
bang ') en Sumatra's Westkust, gom-damar eveneens door Sumatra' s West- 
kust en Palembang, en in kleine hoeveelheid door Sumatra's Oostkust, gome- 
lastiek door Palembang, Sumatra's Westkust Sumatra's Oostkust, Benkoelen, 
Atjeh en Onderh., rotan-soorten door Palembang, Sumatra's Westkust 
Sumatra's Oostkust, Atjeh en onderhoorigheden en was door Sumatra's 
Oostkust. 



1) Palembang met Djambi worden steeds bedoeld. 



Digitized by 



279 



Invloed der In de öeuw is de inlandsche productie in de streken, 
Europeanen, die onder Nederlandsen gezag kwamen, wel iets verbeterd, maar toch 
Europeesche zijn b\j vele stammen de primitieve economische toestanden nog 
bewaard gebleven en wordt er weinig geleverd voor de markt 
buiten. Gemis aan initiatief, weinig zin voor arbeid, geen behoefte aan 
sparen, de gehechtheid aan de adat, de slechte staatkundige toestanden, dat 
zijn eenige der oorzaken, welke den achteriyken toestand op Sumatra lang deden 
voortduren. 

Gedurende de laatste halve eeuw wordt echter Sumatra tot leven gewekt 
door den invloed van vreemden. Nu er rust en orde beginnen te heerschen, 
wordt op allerlei wijzen getracht de natuurlijke rijkdommen te exploiteeren. 
Cultures worden aangelegd, de mijnbouw wordt tot ontwikkoling gebracht, en men 
denkt er aan den rijkdom der bosschen te ontginnen. Doch dit gaat grooten- 
deels geheel buiten het initiatief en zelfs de deelneming der Inlanders om, anders 
dan dat z\j toestemming tot handelen geven. Werken op de ondernemingen 
van vreemden doen de Inlanders niet gaarne, en de koffieplanters op Sumatra's 
Westkust plegen zelfs nog Niaasers in dienst te nemen, hetzij als contract* 
koelies of als dagloonera. Op de koffie-ondornemingen der Lampongs zijn het 
schier uitsluitend Javanen, die den arbeid verrichten, bi) de tabaksplantages 
van Sumatra's Oostkust Chineezen, Klingaleezen en Javanen, en in de mijnen 
zijn het eveneens meest vreemden. 

De oudste dier nieuw ingevoerde cultures is de koffie. De koffie werd 
eerst in het begin der 19d« eeuw een uitvoerartikel van Sumatra's Westkust, 
waar de cultuur reeds bij de Inlanders bestond. Aanvankelijk was zij geheel 
aan den vrijen handel overgelaten, en de productie ging goed vooruit, zoodat in 
1834 werden uitgevoerd ± 100 000 pikols, wat van veel beteekenis is, als men 
bedenkt, dat de wegen in dien tijd zoo slecht waren, dat het produkt veelal 
naar de markten moest gedragen worden. De koffiecultuur werd geheel indi- 
vidueel door de bevolking gedreven, totdat Van den Bosch in 1833 pogingen 
aanwendde om het produkt aan de Regeering te doen leveren, welke evenwel 
niet gelukten. Vervolgens werden nog verschillende pogingen gedaan om het 
Gouvernement meer voordeelen van de koffiecultuur op Sumatra te verschaffen. 
In 1847 werd reeds de verplichting tot levering der koffie voor Sumatra's West- 
kust ingevoerd door den Gouverneur Michiels, en na veel strijd over de on- 
zekerheid, of die invoering wettig was, werd in 1877 door den Gouv. Gen. een 
beslissing genomen omtrent de wijze, waarop de koffiecultuur op Sumatra's 
Westkust zou worden gedreven. Hierbij werd bepaald, dat dit een verplichte 
teelt was, waarvoor de Inlanders cultuurdiensten moesten verrichten, terwijl 
geregeld nieuwe tuinen zouden worden aangelegd. (Zie Dr. Kielstra). 

De Gouvernementskoffiecultuur bestaat nog, doch is al jaren lang achter- 
uitgegaan. De opbrengst der Padang-koffle, die in 1857 190 947 pikols bedroeg, 
een maximum, nam sedert dat jaar af. In 1860 was de opbrengst 151057 
pikol, in 1870: 157 000 pikol, in 1880: 130 000 pikol, in 1890 : 50 135 pikol, 
in 1900: 30000 pikol en in 1903: 25 000 pikol. Zoo zien wij een geregelden 
vermindering der Gouvernements-kofflecultuur op Sumatra. 



Digitized by Google 



280 

By" de Gouvernementskoffiecultuur op Sumatra's Westkust waren ingedeeld 
in 3903: 





Kampongs of 
negriën. 


Huisgezinnen. 


Schatting van het 

aantal vrucht- 
makende Doonien 
op ultimo 1903. 


Padangsche Benedenlanden . . . . 


8 


1 203 


798 925 




417 


201 172 


70 012 938 




447 ») 


15 790 


4 883 757 


872 


218 165 


1 75 695 620 



Neemt de Gouvernementskoffiecultuur at, daarnaast vindt men in het Gou- 
vernement Sumatra's Westkust nog een koffieproductie van 36 827 pikols (in 
1903 in Tapanoeli) door vrye cultuur der bevolking, benevens 16 Europeesche 
ondernemingen met een productie van 8045 pikols in de Padangsche Boven- 
landen en 1 in Tapanoeli met 450 pikols productie, op gronden door het Gou- 
vernement in huur of erfpacht afgestaan. Koffiecultuurondernemingen op gehuurde 
of in erfpacht verkregen gronden vindt men verder 2 in Benkoelen, (opbrengst 
in 1908: 136 pikols), 3 in de Lampongsche Districten (opbr. 3600 pikols) en 
3 in Palembang (opbr. 8900 pikols), terwijl door vrye cultuur der bevolking wordt 
geproduceerd in Sumatra's Oostkust (43 584 pikols), Benkoelen (4230 pikols), 
de Lampongsche districten (4683 pikols) en Palembang (5035 pikols, alles voor 
1903). De opbrengst der koffie op Sumatra van de erfpachtsgronden, die in 1877 
bedroeg 1000 pikols, beliep in 1880: 5000 pikols, in 1890: 12000 pikols, in 
1900: 11000 pikols en in 1908: 21000 pikols. 

In Sumatra's Oostkust vindt men de koffie-onderneuiingen vooral in het 
B\jk Langkat (37 ondernemingen met ± 39 400 pikols productie) en verder in 
Deli, Serdang en Asahan. De koffiecultuur in Sumatra's Oostkust, Liberia-koffie, 
werd begonnen omstreeks 1896, toen de tabaksoogst door een crisis tydelyk 
achteruitging, en zich uit Serdang terugtrok. Eenmaal begonnen heeft men de 
cultuur met y ver voortgezet, ook al deed daling der pryzen de winsten verminderen, 
en al ging de tabak weer spoedig vooruit. 

Van alle Europeesche landbouwondernemingen zyn de Inlanders nog het 
nauwst betrokken by de koffiecultuur; overigens wordt Sumatra's ontwikkeling 
belemmerd door gemis van eigen bruikbare werkkrachten. Daardoor wordt er 
ook een betrekkelijk klein aantal perceelen woeste gronden in erfpacht door het 
Gouvernement uitgegeven en aanvaard. Volgens het Kol. VersL werden als 
zoodanig aanvaard van 1874—1903 in erfpacht: 



1) Zonder de afdeeling Padang Lawaa, waar dc teelt is vrijgelateo, doch nog slecht* ver- 
pliehto levering bestaat, en zonder de afdeeling Toba en Silindeng, waar beido zijn vrijgelaten. 



Digitized by CjOO 



281 















In 81 jaren. 














Perc. 


bouw. 






perc. 




4098 bouwe 


22 


4 098 








n 


18 290 


» 


42 


20 296 






n 


n 


6 655 


a 


6 


7 612 






0 


i» 


28 011 


n 


16 


28 011 




... 26 


t; 


n 


131 782 


tl 


26 


131 782 




... 17 


n 


n 


75 083 


n 


17 


75 083 






* 


- 


55 


t> 


2 


55 












! 13L 


27G 937 



Daarby komen nog 36 perc. in de Pad. Beneden!. (2480 bouw tezamen), 1 in de 
Pad. Bovenl. (120 bouw) en 4 perceelen in Benkoelen (92 bouw) aan particulieren 
in eigendom afgestaan. De geringe beteekenia van dit grondgebruik door Europeanen 
valt in het oog, als wij het vergelijken met het grootendeels in cultuur genomen 
Java, waar in 32 jaren werden uitgegeven 2599 perceelen, totaal van 587 037 bouws. 

Van groote beteekenia echter is de omvang der gronden door Inlandsche 
Vorsten en Rijksgrooten aan Europeanen afgestaan op Sumatra's Oostkust. In 1903 
bedroeg dit 168 perceelen, waarvan 128 tabaksondernemingen, tezamen 35 710 
bouws met tabak beplant. De tabakscultuur maakt sedert 1870 de belangrijkste 
cultuur van Sumatra uit. Op deze cultuur komen wij terug bij de beschouwing 
van Sumatra's Oostkust- 
Door deze laatste cultures vooral heeft Sumatra in den laatoten tijd in 
eenige gewesten een internationale beteekenis verkregen. 

De Inlandsche nijverheid (I pag. 572 enz.) staat nog op een 
laag standpunt, al hebben enkele handwerken er een zekere ont- 
wikkeling verkregen. Vooral de goud» en zllversmederij heeft op dit goudrijke 
eiland een groote kunstvaardigheid bereikt. Voor den wereldhandel beteekent 
echter de inlandsche nijverheid op Sumatra weinig, en zelfs voor Inlandsch ge- 
bruik is zij achteruit gegaan door den invoer van buitenlandsche fabrikaten. 
Dit is nl. het geval met de weefnijverheid. 

Ook het Europeesche fabriekwezen op Sumatra is, gelijk wij reeds op* 
merkten, weinig ontwikkeld. De meeste fabrieken vindt men in Sumatra's Oost- 
kust, waar het atelier van den Delispoorweg voor herstelling van materiaal ongeveer 
200 werklieden telt, en verder ijsfabrieken, een mineraal waterfabriek, eenige stoom- 
houtzagerijen enz. In het gebied van Palembang telt de petroleumraffineerdery 
te Bajoeng Lentjir (van de Petroleum-Maatschappij Sumatra- Palembang) ruim 1050 
werklieden, die van Moeara Enim te Moeara Pladjoe 290, die van de Moesi Ilir 
135 werklieden, terwijl een inrichting tot herstelling van werktuigen 185 werk- 
lieden telt, en men er eenige houtzagerijen vindt. In Sumatra's Westkust vindt 
men mineraal waterfabrieken, houtzagerijen, steenbakkeryen, kalkbranderijen, zeep- 
ziederyen van kleinen omvang. In Atjeh een steenbakkerij met 23 werklieden, 
een limonade-fabriek, machinale houtzagerij en schaverij, en een cement-, tegel- en 
pannenfabriek. 



Digitized by Google 



282 



Het gezegde overziende blijkt, dat vooral de tabakscultures, 
wik a |celing ,nt " ** 6 P etr °l eumin dustrie, de koffle-cultuur, de steenkolen- en de goud- 
mijnen op dit oogenblik de handelsbeweging op Sumatra vooral 
voeden. Elk van deze produkten heeft zyn centrum, waarom zich bepaaldelijk de 
handel daarin concentreert, en die weer door beboette aan verschillende benoodigd- 
heden anderen handel voedt. Doch een plaats met grooten, algemeenen handel, zoo- 
als te Batavia, vindt men op Sumatra nergens. De handel van Sumatra berust 
hoofdzakelijk op den uitvoer van de eigen produkten des lande, en den daarmede in 
verband staanden invoer. Hoofdzakelijk wordt die van buiten af gedreven. Vroernde 
handelaren komen gewoonlijk niet verder dan in de kustplaatsen, waar de In- 
landers hun waren aanvoeren. Chineezen, Klingaleezen. Haleiers vervullen een 
belangrijke rol in dien handel; ook kooplieden van Singapore en van de Straits 
drijven veel handel op de kustplaatsen met de Inlanders. In den laatst en tijd 
wordt ook door Nederlanders getracht meer handelsbetrekkingen met do In- 
landers aan te knoopen. 

Het meest nam de handel toe door de Europeesche cultuur- en mijn-onder- 
nemingen op Sumatra. Den loop van dien handel leert het volgend overzicht kennen. 

Ontwikkeling van het handelsverkeer van Sumatra 

van 1880-1903. 



Invoer. 



Uitvoer. 



GEWESTEN. 


1880 
X ƒ1000 


1890 
X ƒ 1000 


1900 

x/iooo 


1903 
X ƒ 1000 


1880 
X ƒ 1000 


1890 
X ƒ1000 


1900 
X ƒ1000 


1903 
X ƒ1000 


Atjeh en Ondorh.. . 


5628,4 


2908,7 


4642,9 


7185,8 


39,8 


149,0 


4475,0 


2539,5 


Sumatr. Westk. . . . 


4952,8 


7296,2 


6599,4 


6473,0 


7330,0 


7720,2 


7106,4 


5677.6 







6,1 


331,4 


417,6 






438,5 


224,6 




5.2 


9.7 


44,3 


187,4 


0,3 


19,4 


58,4 


623,8 




2267,0 


2297,8 


4873,9 


4400,9 


2637,5 


8584,8 


8088,4 


10301,7 




452,2 


402,6 


515,7 


739,1 


458,5 


680,4 


653,3 


254.9 


Oostk. v. Sumatra. 


6032,7 


20589,4 


21434,7 


21000,9 


1 7708,9 


16151,6 


18645,2 


27602,2 


Riouw ca Ond. . . 


2640,9 


3736,1 


1034,2 


1304.4 


7940,2 


5634,5 


1760,1 


3066,3 


Indragiri 






567 


648,1 






968,4 


1735,9 




21979.2 37248,6 39033,2 


42357,2 


26016,2 


87139,9 


42143,7 


52026,5 



Zoowel invoer als uitvoer is van 1880 tot 1903 ongeveer verdubbeld. De 
uitvoer is steeds aanzienlijker dan de invoer. Echter moeten wij er op wijzen, 
dat de bedragen van den uitvoer in geld niet in dezelfde verhouding de hoe- 
veelheden aangeven, omdat de prijzen elk jaar naar de marktprijzen verschillend 
berekend worden in de otücieele statistiek. 



Digitized by Google 



> 



-83 



Dit kan ten slotte wel zonder o verdry ving ge/.egd worden, dat Sumatra's 
bodem zoowel als de natuurlyke gesteldheid van het land door mineralen en 
den plantengroei groote rykdotnmen bezit, die wachten op werkkrachten en 
kapitaal om vruchtdragend gemaakt te worden. 



wegen op Sumalra nog veel minder goed in orde dan op Java vóór den aanlog dor 
spoorwegen reeds het geval was, en een algemeen plan van wegen-aanleg, om 
stelselmatig de binnenlanden te ontsluiten en de verschillende landschappen mot 
elkander in betrekking te brengen, biykt slechts in enkele gedeelten te z\)n 
gevolgd. In verschillende gewesten heeft men wegen aangelegd, naarmate het locale 
verkeer dit verlangde en de beschikbare geldmiddelen en de heerendiensten der 
bevolking het toelieten. Voor elk ressort op zich zelf beschouwd zyn de wegen 
vrywel voldoende, maar de aansluitingen tusschen de wegennetten in verschil» 
lende gewesten en op de grenzen der residenties worden nog te veel gemist. 
Daar vindt men gapingen in de straatwegen van 20-80 K.M., welke enkel 
langs karrewegen en voetpaden kunnen worden afgelegd. Maar ook op de groote 
wegen is in 't algemeen het verkeer niet gemakkehjk. Gouvernementsposteryen, 
als er op Java bestonden (zie II pag. 64), zyn er niet, en huurkarretjes zyn 
niet altyd te krygen. Daarenboven zyn deze minder geriefeiyk dan op Java. 

Het zuidooateiyk gedeelte der Lampongs is van groote wegen doorsneden, 
die van Kalianda en Telok-Betoeng uitgaan en in Goenoeng Soegih een kruispunt 
hebben, van waar zy het middelgebied der Sepoetih doorkruisen. Verder vindt 
men er tal van karrenwegen. Doch ten N. van de kampong Laboean Maringgai 
vindt men aan de oostkust geen groote wegen meer in het moerassige kust- 
gebied. Daardoor loopen de lynen van uitvoer der Lampongs voornameiyk samen 
in Telok-Betoeng. 

Van T. Tjina loopt langs de westkust van Benkoelen een karren weg, die 
op korten afstand ten Z. van Pasar Bintoehan in een grooten weg overgaat, 
welke op zeer korten afstand de kust volgt tot de Resid. Padangsche Beneden- 
landen. Van dezen hoofdweg gaan tal van kortere kleinere wegen dwars af tot 
een kleinen afstand in het land langs de helling van het bergland. Door het berg- 
land van den Barisan loopen slechts enkele karren wegen; alleen van de stad 
Benkoelen loopt dwars door het bergland een harde weg langs de nederzettingen 
Kepahiang, waar hy den bovenloop der Moesi bereikt, langs Talong Padang, Tebing- 
Tinggi, waar het dal der Moesi verlaten wordt, door het heuvelland naar Lahat, 
voorby Moeara Enim, de bekende petroleum-concessie, gedeelteiyk langs de 
Ajer Lematang (een bystroom der Moesi), gedeelteiyk langs andere stroomgebieden, 
naar Palembang. Kleinere karren wegen en een groote weg van Batoe Radja naar 
Moeara Enim sluiten zich hierby aan. 

In de Padangsche Benedenlanden wordt de Groote weg eerst afgebroken 
door moerassen om by Indrapoera weder aan te vangen en door te loopen 



Verkeers- 
wegen op Su- 
matra. 



Met de uitbreiding van het Nederlandsen gezag en de toe- 
neming van den handel zyn de verkeersmiddelen op Sumatraveel 
verbeterd, en onderscheidene goede harde wegen, karrenwegen en 
enkele tram- en spoorwegen aangelegd. Toch zyn de verkeers- 



Digitized by Google 



284 



tot Tikoe. Van Padang, Priaman en Tikue loopen groots wegen dwars uit naar 
de Bovenlanden, die zich hier in alle richtingen uitbreiden, terwyi een hoofd- 
weg in de üjn der as van het gebergte de lengtedalen volgt, ongeveer door de 
geheele lengte der Padangsche Bovenlanden. Daarby komt in dit gebied de spoor- 
wegverbinding van de Emmahaven en Padang tot Fort de Kock-Pajakoemboeh 
en Solok-Sawa-loentoh. 

Tin N. van Tikoe maakt de moerassige kust het vervolgen van den hoofd- 
weg moeieiyk. Op enkele punten komt een korte dwarsweg uit het binnenland, 
zooals te Sasak en Ajer-Bangis, Natal en Siboga. Deze kustplaatsen liggen onder- 
ling b\jna onverbonden door landwegen. De weg van Siboga gaat het diepst in 
het land en geeft deze plaats weer een grooter achterland, waar Padang Si- 
dempoewan in het binnenland op 305 M. hoogte het middelpunt van uitmaakt. 

In het gebied Atjeh en onderhoorigheden loopt van Meulaboeh op de west- 
kust een weg naar het binnenland tot het dorp Longgo. Goede wegen vindt 
men verder in Groot-Atjeh langs de westkust en in de vallei der Atjeh-rivier, 
waar ook de stoomtram van Kota-Radja naar Seulineuni loopt, welke thans is 
voortgezet naar Segli aan de noordkust, van hier grootendeels de kust volgend 
op korten afstand tot Bajan. 

Sumatra's Oostkust is in het gebied van 
waar de meeste groote tabakscultures gevestigd zyn, alom met goede wegen door- 
sneden, en hier heeft men spoorwegverbinding van Laboean Deli aan de kust 
naar Medan en Loeboeh Pakam. Van Laboean Roekoe aan de kust gaat een 
weg een eind binnenlands door de afdeeling Batoe Bahara en van Tandjoeng 
Balei aan de kust, gedeelteiyk langs den bovenloop van de Asahan-rivier, naar 
den zuidoever van het Toba-meer en naar Taroetoeng in de afd. Toba. 

Verder vindt men aan de oostkust met de uitgestrekte moerassen en boa- 
schen weinig landwegen en moeten de rivieren het verkeer tot stand brengen. 
Dat is het geval in Indragiri, Djambi en het overig gedeelte van Palembang. 
Alleen deze plaats beeft een landweg naar het binnenland, geiyk w\j zagen. 
En behalve de genoemde hoofdwegen vindt men er de paden en karrenwegen 
der inlanders. De rivieren als verkeerswegen bespreken wy by de gewesten. 



V. NADERE BESCHRIJVING DER GEWESTEN EN DER BELANGRIJKSTE 

NEDERZETTINGEN. 

Administra ^ e u * tbre 'ding der kennis van Sumatra en die van het Neder- 

tieve gewesten landsch gezag hebben plaats gehad, wy wezen er reeds op, van 

en natuurlijke enkele punten aan de kust uit. Het meest werden by dit voortdringen 

landschappen. yan de kust naar het binnenland natuuriyke wegen gevolgd, en 

het waren ook vrtf wel meer of minder goed afgesloten natuuriyke landschappen, 
die aldus successieveiyk verkregen werden. Hierdoor sluit zich de administra- 
tieve indeeling van Sumatra, in ruime omtrekken gerekend, tamehjk wel by 
oon indeeling in natuuriyke landschappen aan, en waren het veelal een of meer 



Digitized by Google 



285 



riviergebieden, die als eenheden gekozen werden, terwül in het bergland de reliëf- 
vormen telkens de grenzen aanwezen voor de uitbreiding van het gebied. De 
inlandsche staatkundige eenheden werden ook hoofdzakelijk door de natuurlyke 
gesteldheid bepaald. Deze omstandigheid geeft ons des te gereeder aanleiding bh' 
de afzonderiyke beschrijving des lands de administratieve gewesten te volgen. 
De hoofdindeeling in administratieve gewesten van Sumatra is als volgt: 
I. Het Gouvernement Sumatra's Westkust, bestaande uit de resi- 
denties o. Padangsche Bovenlanden, ö.PadangscheBenedenlanden 
en c. Tapanoeli, (Taplan na Oeli), waarvan de beide laatste worden bestuurd 
door residenten, aan den Gouverneur van Sumatra's Westkust ondergeschikt, 
terwijl de eerste rechtstreeks onder den Gouverneur staat. De Residentie'» : 
II. Benkoelen, III. Lampongsche districten, IV. Palembang, 
V. Oostkust van Sumatra en VI. het Gouvernement Atjeh en Onder- 
hoorigheden. 

Deze hoofdgewesten zyn verder verdeeld in afdeelingen, onderafdee- 
lingen, landschappen enz., welke laatste meestal onder inlandsch bestuur 
staan. By het Inlandsch Bestuur van Sumatra vindt men onderscheidene door het 
Ned. Gouvernement aangestelde en veelal bezoldigde hoofden. Zoo o. a. in Sumatra's 
Westkust een tweetal regenten, echter met minder hooge positie dan die op 
Java en ongeveer gehjk aan districtshoofden. Verder een radja, districts- 
hoofden, in Tapanoeli koena- of onderkoeria-hoofden en elders laras- 
hoofden') en negariehoofden, die den titel van „panghoeloe kapala" 
voeren; in Benkoelen mantris, 1 ) districts- en marga-hoofden met 
den titel van „pasirah" en zelfstandige datoes of passer hoofden , die 
denzelfdeji rang hebben. Onder marga-hoofden staan doesoenhoofden met 
den titel van „pro-a tin." In de Lampongs vindt men districtshoofden 
met den titel van demang; in Palembang districts- of mar ga-hootden 
(pasirah's) met den titel van „pangeran" of „dipati;" in Djambi bestuurt 
een Sultan, doch te Djambi, Moeara-Koempeh en Saba is een bezoldigd in- 
landsch hoofd over de onder rechtstreeksch bestuur staande bevolking gesteld. 
In de Oostkust van Sumatra hebben Inlandsche vorsten het bestuur, doch 
te Laboean Batoe en te Bengkalis door het gouvernement bezoldigde hoofden. In 
Atjeh en Onderhoorigheden heeft men inlandsch bestuur en de districts- 
hoofden (hoeloebalangs), kamponghoofden (ketjik) en ook geestelijken 
ontvangen er bezoldiging. Uit dit schematisch overzicht blnkt reeds, hoe ver- 
schillend het inlandsch bestuur is in de onderscheidene gewesten. 



1) 1<aras beteekent in hot Menangkabausch : loop van een geweer, loop van oen rivier. Ook 
werd die naam gegeven aan do staatkundige partijen in Menang-Kabau. Thans wordt die naam 
gegeven aan districten. Radja, van het Sanskr. „Radjan", beteekent vorst. In bat Riouwsche 
worden vorstelijke portonen van Maleisehe afkomst met Tongkoe betitold, die van Boegineesche 
met Radja. Maharadja, d. i. oppervorst, een titel vroeger door den vorst van Menang- 
kabau gedragen, wordt alleen aan don Koning (Koningin) van Nederland toegekend. 

2) Mantri, in de Maleischo landen mot het recht van zelfbestuur, veelal dc titel van raads- 
man van den vorst. 

8) Zie over de marga pag. 248. 



ized by Google 



2SG 



I. De Lampongache districten. 

Van Java uit gaande naar Sumatra bereiken wij in Straat 
Algemeene , . , , v 

gesteldheid des Soenda in de eerste plaats de overkust van Bantam en de Lam- 

landsenneder- pongsche districten, een gebied van 69368 K.M. 1 opper- 
zettingen. vlakt6j dat a d. m ini 8 tratiet een residentie uitmaakt, die ± 142 400 
inw. t«lt. 

De Lampongache districten strekken zich langs de kust uit van de Ma- 
soedji-rlvier op de grens van Palembang in het N. tot Tandjoeng Tjina. 
Het gewest omvat ongeveer de riviergebieden, welke tusscben doze beide punten 
naar het O. strooroen. De oostkust tot Varkensboek is laag en vlak en vormt 
een moerassige kuststrook, die gedurende den regentijd overstroomd wordt door 
de rivieren, welke hier uitmonden (Toelang Bawan, Sepoeti en Sekampoeng.) 
Tusschen Varkenshoek en Vlakke Hoek aan Straat Soenda vormt de kust 
twee inhammen: de Semangka- of Keizersbaai en de Lampongbaai, 
die diep in het land dringen, zoodat het zuidelijk gedeelte van Sumatra hier 
drie spits toeloopende landtongen heeft. De W. landtong, in Tandjoeng 
Tjina eindigend, is de laagste, loopt in het Z. in vlak land uit; van de mid- 
delste verrijzen tegenover de Lagoendi-eil. onmiddellijk hooge rotsen uit zee 
op, die een bergreeks in N.W. richting vormen, welke zich dieper landwaarts 
by de bergreeks van de westelijke tong aansluit. 

Tusschen beide ligt een naar het Z.O. geopende vallei, waardoor de Se- 
mangka-rivier naar de Semangka-baai stroomt. Onder de bergen van de 
middelste landtong vindt men enkele vulkanen, nabij de Zuidpunt o. a. de 
Tangkang (1162 M.), verder in het binnenland de Pesawaran en ten N. 
van de Keizersbaai de Keizerspiek ot Tangkamoes (2102 M.), met zeer 
regelmatigen, spitsen kegel. De oostelijke landtong is in het Z. het hoogst, en 
hier verheft zich de tweetoppige Goenoeng Radja Bas sa tot 1291 M. Tal- 
rijke rotsachtige eilandjes in deze baaien en de vulkanische actie in dit gebied, 
die nog niet is uitgedoofd (Krakatau) wijzen er op, dat hier de bergketen van 
West-Sumatra in jongen tijd is verbrokkeld door inzinkingen (Verwerfungen), 
waardoor deze baaien als ingressies ontstaan zijn. Op den achtergrond van ge- 
noemde baaien vangen de bergketens van W. Sumatra aan, hier een drietal 
evenwijdige reeksen, door lagere ruggen verbonden, welk bergland het westelijk 
gedeelte der residentie inneemt (Zie II, 205.). Ten oosten van het bergland gaat 
de bodem in heuvelland en laagvlakte over. 

De belangrijkste rivieren worden aan de O. kust gevonden. Van deze kan 
de Toe lang-Ba wang, een der grootste, van Patjar Dewa at door groote prau- 
wen en zelfs door stoomers bevaren worden. De Masoedj i*rivier, hoewel 
minder groot, heeft toch groote waarde voor den afvoer van produkten, omdat 
stoomscheepjes van 10 voet diepgang ver de rivier kunnen opvaren, en men 
met niet diep gaande vaartuigen langs deze rivier door de Babatan, (een 
kanaal op last van een der vroegere sultans van Palembang gegraven), en over de 
Komering en de Peladjoe Palembang kan bereiken. De tocht van Palembamg 
naar den mond der Masoedj i-ri vier duurt ongeveer 14 dagen. De oevers der 



Digitized by Google 



287 



Masoedji z\jn uitstekend geschikt voor klapper-, rijst-, sago», suiker-, katoen- en 
indigo-cultuur; duizenden bouws land worden er jaarlijks ter hoogte van 1 a 2 
voet overstroomd, waardoor natuurlijke sawah's ontstaan. Doch wegens de ge- 
ringe bevolking wordt er weinig party van de vruchtbaarheid getrokken. 

De Sepoeti-rivier met breede monding heeft 32 zeemijl stroomopwaarts 
nog een breedte van 30-40M. en 3 a 4 vadem diepte en zou goed bevaarbaar 
z;jn, als de ondiepte voor de monding, bfi laag water slechts 3 voet diep, den 
toegang niet belemmerde. Thans wordt zij enkel door prauwen bevaren. De 
oevers der rivier zijn dicht met bosch bedekt, waartusschen slechts enkele 
kampongs uitkomen. De Sekampoeng-rivier, met breede, trechtervormige 
monding, is eveneens te ondiep om haar binnen te komen. 

Hoewel de Lampongs uitgestrekte gewesten van uitstekende vruchtbaarheid 
bezitten, zoowel in het vulkanische bergland als in de vlakten, heeft toch wegens 
de geringe dichtheid der bevolking de cultuur zich slechts op kleine schaal kunnen 
ontwikkelen. Vele woeste gronden, door Europeanen in erfpacht verkregen, konden 
daardoor niet in exploitatie genomen worden. Door de inlandsche bevolking wordt 
hier en daar in vrijen arbeid Java- en Liberia- koffie geteeld, maar in geringe 
hoeveelheid; verder teelt de bevolking rijst, peper, kapok, tabak, muskaatnoten 
en suikerriet. Koffie, peper en tabak voor de inlandsche markt zijn de hoofd- 
uitvoerartikelen. 

De Lampongsche districten hadden veel te lUden van de uitbarsting van 
Krakatau in 1883; ongeveer 12 500 menschen kwamen daarbij om, 00 kam- 
pongs werden verwoest, het grootste gedeelte van de hoofdplaats Telok- 
Betoeng en van de afdeelingshoofdplaatsen Katimbang en Beniawang 
werden door de vloedgolf weggeveegd; in de aideelingen Katimbang en 8e- 
mangka moesten nieuwe plaatsen, Kali-Anda en Kotta-Agoeng, als zetel 
van het Europeesch bestuur gekozen worden. De cultures hadden veel te lijden, 
het eiland Sebessi met zijn uitgestrekte pepertuinen werd geheel onder een 
dikke aschlaag bedolven. 

De bevolking der Lampongs beschreven wü reeds (zie pag. 240). Het land 
is schraal bevolkt en de bevolking neemt zeer langzaam toe. Van 118 550 
zielen in 1885 tot ± 142 400 in 1900 geeft slechts een gemiddelde toeneming van 
0,8 °/ a per jaar, veel geringer dan het gemiddelde op Java. Over 't geheel is de 
bevolking van de Lampongs welvarend ; heerendiensten worden dikwijls afgekocht. 

Het aantal nederzettingen in de Lampongs is klein, zeiden wij: de inland- 
sche kampongs liggen ver uit elkander, meest aan de rivieren. De hoofdplaats 
Te lok-B etoeng, met een bevolking van 2873 personen (waarvan 587 Chin., 
53 Arab., 41 Europ.), bestaat uit een aantal kampongs, gelegen aan de Lampong- 
baai. De plaats heeft een betrekkelijk drukken handel en wordt eens in de 
twee weken aangedaan door de schepen der Paketvaartmaatschappij. 

In het binnenland Goenoeng Soegih, op een kruispunt van wegen, en 
noordelijker M e n g g a 1 a , 8354 in w. (bijna geheel Inl.) met aan de Toelang Bawang. 
— Kali-Anda met 770 inw., aan de Lampongbaai. Van de eilanden voor de 
Lampong-baai noemen wij: de Lagoendi-eil. zeven dicht begroeide doch onbe- 
woonde eilanden; Poehawang, een hoog eiland, door koraalriffen omringd; 



Digitized by Google 



288 



F. Seboekoe, een bergachtig eiland en P. S e b e s 8 i , vroeger met pepertuinen 
(zie boven 287), dat zich voordoet als een tweetoppige berg, meeat door koraalriffen 
omgeven. Voor de Semangka-baai ligt P. Taboewan of Keizer s-eiland, 
een hoog eiland, dicht begroeid en met een piek. 

II. De Residentie Benkoelen. 

Algemecne De smalle kuststreek van Z.W. Sumatra, van Vlakkehoek tot 

gesteldheid en de Mendjoeta-rivier op 2° 30' Z.Br., en in het O. tot het Barisan- 
nederzettingen geb ^ wordt j Dgenomen door de Residentie Benkoelen (= Bang- 
koelon = Westkust), die een oppervlakte heeft van 24441 K.M.* en 162 300 inw. 
telt. Het land bestaat grootendeels uit de hellingen van het gebergte, dat op 
vele plaatsen zelfs steil in zee afdaalt, en op ztyn hoogst enkele smalle kust- 
vlakten overlaat. Diepe inhammen in de kust vindt men er niet; het zyn meest 
open baaien, weinig beschut tegen de deining der zee. Het aantal rivieren is 
talrijk, maar alle hebben een korten, snellen loop en zijn niet bevaarbaar. 

De inheemsche bevolking van geen gewest in den Ind. Archipel is uit zoo- 
vele verschillende elementen samengesteld. In de strandge westen zijn hoofdzakelijk 
Maleiers gevestigd; in de binnenlandsche districten der afdeelingen Mokko- 
Mokko, LaTs en Ommelanden van Benkoelen: Lebongers en Redjangors; 
in de afd. Seloema en Manna: Seraweïers; in de bergdistricten der laatst- 
genoemde afdeeling Pasoemahers; in die der afdeeling Kaoer Semindoërs 
en in die der afd. Kroë Lampongers. De laatsten met de Semindoërs en 
Pasoemahers vormen de bergvolken van het gewest; zij behooren tot het nij- 
verste, de 8eraweïers tot het traagste en de Maleiers, inzonderheid van de hoofd- 
plaats, tot het vadzigste deel der bevolking. Over *t geheel wordt de bevolking 
als weinig arbeidzaam, lui en onverschillig geschilderd, steeds zoekend om aan de 
zucht naar genot te voldoen, en met een dikwijls tot weerspannigheid over- 
slaanden geest van onafhankelijkheid. Deze geaardheid der bewoners heeft ten 
gevolge, dat de landbouw op lagen trap staat en ook de huisnijverheid heeft 
over 't geheel weinig te beteekenen. Kigon gemaakte kleederen dragen schier 
alleen de vrouwen, in de Seraweïstreken ook de mannen. De rijst wordt meest 
op ladangs geteeld; bevloeide sawah's zijn er weinige, behalve in de afdeeling 
Mokko-Mokko, de eenige, die nog rijst uitvoert. De specerijcultuur, door de 
Engelschen in 1798 met veel moeite ingevoerd, is later weer te niet gegaan. 
De pepercultuur echter is er van ouds inheemsen; verder wordt er koffie, maïs, 
gambir, suikerriet, kokos- en pinangboomen, tabak, katoen en katjang geteeld. 
De uitvoer voor de wereldmarkt bestaat (II, 20) voornamelijk uit koffie en getah. 
De veeteelt is er van meer belang; er worden jaarlijks van hier veel buffels 
uitgevoerd naar Palembang. Runderen, paarden en varkens zijn er niet vele, 
maar schapen en geiten wel. De kustbevolking houdt zich bezig met vischvangst, 
welke door de vele koraalriffen bevorderd wordt. 

De hoofdplaats der residentie is Benkoelen, met 7707 inw. (waarv. 627 
Chin., 130 Europ.) De plaats is in 1714 aangelegd door de Engelschen, die de 
vroegere hoofdstad, 6 mijlen noordelijker aan de kust gelegen, wegens ongezonde 



Digitized by Google 



2S9 



ligging naar bier verplaatsten. De reede van Benkoelen is echter voor de scheep- 
vaart niet gemakkeiyk te bereiken, want zy ligt een goed eind uit den wal en 
is verre van veilig by N.W. winden. De schepen ankeren daarom bij het eilandje 
Tikoer, vanwaar de passagiers in sloepen naar de nieuwgebouwde pier worden 
geroeid. Het stadje Benkoelen maakt, met zijn meest steenen gebouwen, een 
zeer aangenamen indruk. Het is fraai aangelegd op een hoogte, vanwaar men 
een schoon gezicht heeft op de zee en op het Ratteneiland. Terwijl men by de 
meeste nederzettingen hier de Nederlandsche neiging terugvindt zich op vlak, 
vaak moerassig terrein te vestigen, valt by Benkoelen de hooge. frissche lig- 
ging, de ruime aanleg met breede wegen en fraaie lanen in het oog. Benkoelen 
was oorspronkelijk ook een Engelsche nederzetting, zeiden wy, door Raffles ge- 
sticht; het groote fort is van Engelschen oorsprong. Daarachter ligt een groot 
plein, waaraan de meeste openbare gebouwen staan en een paar monumenten, 
o.a. een ter nagedachtenis van den Engelschen resident Parr, in 1805 door 
de inlanders vermoord. De woning van den resident, het vroegere Britsche 
Gouvernementshuis, is een groot steenen gebouw van twee verdiepingen, met 
fraaien parkaanleg. In de Chineesche wyk en op de pasar Marlbourough wordt 
de meeste handel gedreven en heerscht nog al bedrijvigheid. 

Achter Benkoelen verheft het terrein zich spoedig, om vervolgens op te 
loopen tot de westelijke hellingen van het centrale gebergte, waarvan verschil» 
lende toppen bij helder weer scherp afsteken tegen de lucht. Men ziet hier van 
af het N. naar het Z. den Loemoe (het suikerbrood) (1806 M.), den Kaba 
(1650 M.) en den Dempo (3170 M.). De Kaba vertoont aan den top in de kleine 
dampwolkjes nog sporen van het vulkanisme. 

Van Benkoelen loopen goed onderhouden wegen in verschillende richtingen: 
noordwaarts naar het gewest Mokko-Mokko, zuidwaarts langs Seloema en Manna 
naar Bintoehan, de zuidelijkste controleursplaats. Doch men kan van bier ook 
zonder gevaar of buitengewone inspanning dwars door Sumatra naar Palembang 
en de oostkust reizen over Tebing Tinggi, Lahat en Hoeara Enim, vanwaar 
stoombootjes de Moosi. afvaren naar Palembang. 

Verdere nederzettingen zijn: Mokko-Mokko, in het N. aan de kust, 
2622 inw., meest Inlanders en 12 Europ.; Kroe, 2383 inw., waaronder 73 
Chin. en 14 Europ. 

Het eiland Enggano (Portug. naam = misleiding) of Potlot Telandjang 
(= eiland der naakten). Tot de residentie Benkoelen behooren nog eenige kust- 
eilandjes en de eilandengroep Enggano. De Enggano-groep bestaat uit het 
hoofd-eüand Enggano of Telandjang, op een afstand van 104 K.M. van den 
vasten wal van Sumatra gelegen, met nog een zestal onbewoonde eilandjes. Het 
heeft een grootte van ±1250 K.M 2 , en telt ±500 inw., meest Inlanders en 
enkele Chineezen. De bevolking neemt in aantal af, zoodat de Inlanders weldra 
zullen zijn uitgestorven. 

Het hoofdeiland wordt in de richting van N.W. naar Z.O. door een lage 
bergketen doorsneden, die over 't geheel niet meer dan 170 M. hoog is, op 
enkele punten tot 330 M. Op dit gebergte ontspringen onderscheidene riviertjes. 
Wegen zyn er niet aangelegd in het binnenland; de gemeenschap heeft 
II 19 



Digitized by Google 



290 



er plaats langs de kust of wel te water over de riffen, met een sampan. Onder 
de cultuurge wassen zijn vooral de kokospalmen van belang. De planten en dieren 
komen overeen met die van Sumatra; het wilde zwijn is het eenige wild, be- 
halve de vogels. 

De Inlanders stonden voor kort nog op een uiterst lagen trap van ont- 
wikkeling, waren onbeschaafd, doch werden als goedig en gedwee beschreven, 
niet vreesachtig. De echt Engganeesche woningen zien er uit als een bijenkorf; 
op ongeveer 10 voet hooge palen van bamboe en rotan geplaatst; de eenige 
opening is een rond gat juist groot genoeg dat een mensen er door kan wringen, 
en dat men dan een trap kan bereiken. Dr. C. Winkler heeft deze eilanden 
omstreeks 1902 bezocht en vond toen een geheele verandering in de leefwijze 
der Engganeezen, gedurende het laatste tiental jaren aangenomen, door den om- 
gang met beschaafder volken, als Europeanen, Maleiers, Boegineezen, Chineezen 
enz. Die snelle verandering in leefwijze schijnt een nadeeligen invloed op hun 
voortplanting uit te oefenen. Men vindt er thans reeds veel Maleische huizen 
en de algemeen Maleische kleederdracht. 

De uitvoer bestaat voornamelijk uit klappernoten, touwwerk, van boomschors 
vervaardigd, rotan en eenige deugdelijke houtsoorten. Daar het geld nog weinig 
als ruilmiddel gebruikt wordt, ontvangen zij voor hun produkten door bemiddeling 
van de Chineezen in ruil messen, gereedschappen voor huis- en scheepsbouw, 
spiegeltjes, koralen enz., in den laataten tijd ook kleeren. 

m. Het Gouvernement Sumatra's Westkust, 

Een strook langs de westkust van Sumatra van 2 e 53' N.Br. tot 2° 25' Z.Br., 
waar in het Z. het riviertje Mendjoeta de grens vormt, met in het binnen- 
land een gedeelte der Bovenlanden, vormt het Gouvernement van Su- 
matra's Westkust. Zonder de talrijke eilanden beslaat het een oppervlakte 
van 82 325 K.M. 3 met 1 527 300 inw. Het gebied wordt bestuurd door een 
Gouverneur, die te Padang gevestigd is, en wordt onderverdeeld in de resi- 
denties: 1. Padangsche Benedenlanden met de Batoe-, Mentawei- en 
P ageh- of Nassau-eilanden; — 2.- de Residentie Tapanoeli, waartoe 
ook Poeloe Mensala, de Banjak-ei), en Nias met de omliggende eil. 
behooren en 3. de Residentie Padangsche Bovenlanden. De eerste 
residentie wordt rechtstreeks bestuurd door den Gouverneur, de andere resi- 
denten zijn aan den Gouverneur ondergeschikt 

I. De Padangsche Benedenlanden. Dit gewest vormt een smalle 
kuststrook, van de Soengei Mendjoeta in het Z. tot de Ophir-rivier en Ajer- 
Ba;igis in het N. en tot het Barisangeb. in bet O. Daardoor bestaat deze resi- 
dentie slechts uit een smalle strook met enkele lage kustvlakten, terwijl op 
onderscheidene plaatsen de uitloopers van het gebergte tot aan de kust komen 
en daar steil afdalen. De rivieren hebben door die gesteldheid een snellen loop 
en zijn slechts voor korten afstand bevaarbaar. Aan den oostkant wordt het 
gebied door de keten van den Barisan afgesloten, waardoor een krachtige lucht- 
circulatie wordt belemmerd. Eigenlijke stormen zijn hier onbekend, de gevreesde 



Digitized by Google 



201 



orkanen van den Indiacben Oceaan komen er niet voor. Deze residentie heeft 
een oppervlakte van 17715 K M.» en telt 844600 inw., d. i. ± 19 per K.M.'. 

De residentie wordt ingedeeld in vier afdeelingen. De zuidelijkste afdeeling, 
Painan, heeft dicht bi) de kust een groot aantal kleine eilandjes, eigenlijk 
weinig meer dan versnipperde rotsblokken aan den breukrand van het eiland. 
Het zuidelijk gedeelte, waar het vroegere Rijk van Indrapoera lag, is nabij de 
zee vlak en moerassig en gaat verder binnenwaarts over in een heuvelland, 
vanwaar de Piek-van-Indrapoera in het bergland zich voordoet als een schoone 
bergkegel met trotschheid van vormen. Verder noordelijk wordt deze afdeeling 
door uitloopers van het gebergte doorsneden, die zich tot de kust voortzetten 
en daar het gebied tot een berg- en heuvelland maken. De rivieren, hoewel kort 
van loop, zijn aan de monding veelal wel geschikt om door handelsprauwen te 
worden bevaren, hoewel ondiepten en branding beletselen zijn bij den toegang. 
Bruikbaar zyn van het Z. af: de Indrapoera-rivier, de Ajer Adji, deFalangai.de 
Kam bang, de Siranti, Batang Kapos, Bajang en Batang Bahroe. De bodem is zeer 
vruchtbaar en de afdeeling is rijk aan goed timmerhout en boschprodukten. De 
bodem moet edelgesteenten en goud bevatten; in den tyd der Compagnie be- 
stond hier een bekende goudmijn te Salida. 

De ontginning der mijnen, in 1887 weer ter hand genomen, is mislukt 
door gebrek aan kapitaal. Ook steenkolen zijn er gevonden. Landbouw, veeteelt, 
vi8chvang8t en handel zijn hoofdbronnen van bestaan. De veeteelt is er belang- 
rijk; karbouwen en runderen worden uitgevoerd, paarden ingevoerd voor den 
aanfok. Vroeger werd van hier veel rijst naar de overige Benedenlanden ge- 
voerd; door de toeneming der bevolking en den rijstaanvoer te Padang uit de 
StraitsSettlements is de rystuitvoer dezer afdeeling verminderd. De handel is 
er levendig en heeft een drukke kustvaart ten gevolge. Boschprodukten, timmer- 
hout, brandhout, notenmuskaat, foelie, tabak, klappers, coprah, kapok, gedroogde 
en gezouten visch, goud en koffie van Eorintji worden van hier uitgevoerd. De 
koffie behoort tot de Gouvernementscultuur. De vroeger bloeiende pepercultuur 
was in 1856 al geëindigd. 

Indrapoera was oudtijds een welvarend sultanaat, met een bloeiende pepor- 
cultuur. In 1649 werd hier door Johan Fruitmans een contract van monopolie 
gesloten met den vorst, waarbij deze zich verbond alleen aan de Compagnie de 
peper te leveren, in ruil tegen lijnwaden. De pepercultuur is door het stelsel 
der Compagnie geheel te gronde gegaan. De nederzetting Indrapoera, ook 
Tandjong Medan geheeten, ligt aan de rivier van dien naam, niet ver van 
den mond. Painan, met 1800 inw. (waaronder 9 Europ. en 62 Chineezen) is 
de afdeelingshoofdplaats. 

In het noorden der residentie ligt de afdeeling Ajer ban gis, een dun 
bevolkt gebied, met hoofdzakelijk landbouwers. De hoofdplaats Ajerbangis 
ligt aan een baai, — door alleenstaande bergen omgeven, gedeeltelijk beschut door 
eenige eilandjes, — waar een rivier van denzelfden naam uitmondt, die voor prau- 
wen over 10 a 12 zeemijlen bevaarbaar is. 

Ten Z. hiervan ligt de afdeeling Priaman met gelijknamige hoofd- 
plaats aan de rivier Priaman. De plaats heeft veilige ankergelegenheid, door 



Digitized by Google 



292 



eenige eilandjes gedekt Van hier gaat een kustweg naar Padang, enover Kajoe 
Tanam een weg naar Padang Pandjang. Noordelijker aan de kust ligt Ti koe, 
een goede haven, van waar een groote weg over Loeboe Baaoeng naar Manindjau 
loopt en van daar naar Fort de Koek. Deze atdeeling is de eenige, die eenige 
nijverheid heeft in de beneden landen; men vindt er schrijnwerkers, draaiers, 
timmerlieden en enkele goud- en zilversmeden en kopergieters. 

Padang en de Emmahaven. De afdeeling Padang bestaat ten N. van 
de rivier van Padang, die de afdeeling in een westelijke richting doorsnydt, 
uit een alluviale kustvlakte, terwijl ten Z. daarvan zich een woest bergterrein 
uitstrekt, met het hoofdgebergte verbonden en tot aan zee gaande, om eerst 
ten zuiden van de Troesanbaai weer ruimte over te laten voor een strand. De 
Padangrivier of Batang-Arau is in den benedenloop alleen bevaarbaar voor 
inlandsche vaartuigen en laadprauwen, niet dieper gaande dan 18 dM. De be- 
vaarbaarheid, die door baggeren onderhouden wordt, strekt zich slechts uit tot 
even boven het Chineesche kamp van Padang, en daarna wordt zty ondieper. 

Aan deze rivier heeft zich de handelsplaats Padang ontwikkeld, de hoofd- 
plaats van het Gouvernement Sumatra's Westkust en de voornaamste handels- 
plaats aan deze kust met 38 910 inw. (waarv. 7914 Chin. t 1234 Europ. en 
239 Arab.). 

Om van zee Padang te bereiken wordt koers gezet naar, de Koninginne- 
baai, vroeger Brandewijnsbaai geheeten, een breede, naar het Z.W. geopende 
reede, welks noordelijkste hoek, Batoe Pileh of Djoengoet Batoe Pati, ongeveer 
4'/i K.M. ten Z. van den uithoek van den mond der Padang rivier ligt. Wie 
de kust nadert, zou van hier niet de ligging van een groote stad in de nabij- 
heid vermoeden; Padang ligt van zee uit gezien geheel verscholen. De Apen- 
berg, 360 voet hoog en met dicht geboomte begroeid, verrijst steil uit zee aan 
den zuidkant der uitmonding van de Padang-rivier en een heuvelry, welke even- 
eens met boschage begroeid is, loopt van hier naar de Koninginnebaai, waardoor 
de Btad geheel aan het oog wordt onttrokken. Zoodra men de Koningin nobaai 
binnenvaart, ziet men in het N.0. de E m m a-h a v o n voor zich, op den achter- 
grond geheel omsloten door een hoogo, bogroeide heuvelrt). De Emma-haven, 
door de Inlanders „Teloek Bajoer" genoemd, is aangelegd, toen de Ombllien- 
steenkolenvelden in exploitatie kwamen; in 1887 werd de bouw begonnen en 
in 1892 was die voltooid. De aanleg had moeielü kneden daar de koraal, waar- 
uit de bodem bestaat, hier niet, zooals men verwachtte, op rotaachtig terrein 
rust (zie I pag. 111), maar op een ondergrond van witte modder. De haven 
is gedekt door een golfbreker, die 0,5 zeemijl lang is en ongeveer in Z.O. rich- 
ting van den westwal is uitgebouwd. Daardoor wordt een ruimte van 0,6 zee- 
mijl in het vierkant afgesloten met een diepte van 4-4,75 vadem, welke de 
eigenlijke Emma-haven vormt Op de zandbank Karsik of Pasir Ketjil, die zich 
in het midden bevindt, is een dam gebouwd, ± 260 M. lang, in N.0. richting 
loopend, evenwijdig aan de aanlegsteigers, met ± 360 M. tusschenruimte. Door 
deze kunstwerken ligt de Emmahaven beschut tegen alle winden; alleen het 
gedeelte der Emmahaven ten O. van den zeebreker is open voor Z.W. winden. 

In de Emmahaven zijn een drietal steigers van 85 M. lang en 10 M. breedte 



Digitized by Googl 



293 



uitgebouwd en een van 62 M. lengte, verder een van 10 M. lengte voor de zout- 
pakhuizen. Ren viertal goederenloodsen liggen nagenoeg tegenover de aanlegsteigers 
en daartusschen vindt men twee entrepots en een kleine ijzeren loods voor 
goederen, die aan zelfontbranding onderhevig zijn. De spoorbaan loopt langs de 
havens en voor het lossen van zware goederen zijn twee stoonikranen aanwezig, 
elk met een laadvermogen van 3000 a 4000 K.G. 

Door den aanleg van deze haven wordt de oude reede van Padang, die noorde- 
lijker ligt, ten O. van het eilandje Pisang Gedang, en van waar de geloste goe- 
deren in prauwen langs den mond der Padang-rivier naar de stad gebracht 
werden, meer en meer verlaten en concentreert zich het verkeer op de Emma- 
haven. Schepen met petroleumlading moeten echter steeds op de reede lossen. 

Van de Emma-haven loopt de spoorweg met een IJzeren brug over de rivier 
naar Padang, een afstand, die in 20 min. wordt afgelegd. 

De spoorhjn gaat tot de recherche-pakhuizen aan de Padang-rivier, terwijl zij 
verder naar het binnenland loopt tot de Ombilien-kolenvelden. Ook loopt een 
landweg voor karren van de haven naar de stad, en te water dienen prauwen 
van het Padangsche prauwenveer voor goederenvervoer en stoomscheepjes voor 
personenvervoer van de haven naar Padang. 

Padang wordt een der schoonste plaatsen van Ned. Indië genoemd door 
den ruimen aanleg en het fraaie geboomte. Hoofdzakelijk bestaat zij uit een 
geheel van breede, goed onderhouden, grootendeels lommerrijke wegen, beplant 
met tamarinden en tjemoro-boomen, afgewisseld door bamboestruiken, terwijl de 
wegen aan weerszijden omzoomd zijn door ruime erven, waar de woningen als 
in tuinen liggen, met de bijgebouwen op den achtergrond. Zoo gelijkt de stad 
op een reusachtig park, de Inlandsche woningen verstrooid in het dicht ge- 
boomte, hier en daar met Europeesche woningen er tusschen, welke laatste 
evenals de Inlandsche woningen eenige voeten boven den grond zijn gebouwd. 
De ligging en de bouw der huizen geven aan Padang een eigenaardig karakter. 
Behalve door genoemden paalbouw onderscheiden de woningen zich door een hoog, 
puntig dak van atap, dat een paar meter over de wanden reikend, galerijen overdekt, 
en de wanden tegen den onmiddellijken invloed van de zonnestralen beschermt. 
Door de hooge ligging wordt het nadeel van het vochtig warme strandklimaat 
eenig8zins getemperd. Vele dier woningen, met ruime voor-, achter en binnengale- 
rljen, met luchtige kamers, de houten wanden door papier bedekt, zyn veel gezelliger 
dan de steenen huizen met bepleisterde muren der meeste Indische hoofdplaatsen. 

Minder aangenaam is het in de wijken van Chineezen en Klingaleezen, met 
aan elkander gebouwde lage woningen. De Chineesche tempel verdient bezich- 
tiging, wegens snijwerk en muurschilderingen. De Inlandsche bevolking woont 
meest in de nabijheid van het strand of van de rivier. Langs de rivier staan ook 
in regelmatige rijen Gouvernements entrepot- en koffiepakhuizen en meer boven- 
waarts volgt een plein met Gouvernementebureaux, het kantoor der Java'sche 
Bank enz. Hoogerop ziet men kantoren en pakhuizen der Europeesche firma's, 
de woning van den Kapitein Chinees, de factorij der Handelmaatschappij. Be- 
langrijke wijken zijn het Plein van Rome, de Belantong en het Michielsplein 
met het monument van Generaal Michiels. 



Digitized by Google 



1 



294 

Welk een verandering heeft deze nederzetting in 3 / 4 eeuw ondergaan: nog 
in 1824 werd Padang genoemd, wat betreft woningen, bouworde en zindelijk- 
heid, het onaanzienlijkste en meest ongeregelde plaatsje, door Europeanen be- 
woond. De plaats, waar in 1Ö37 de O. Ind. Compagnie vrijheid van handel was 
toegestaan, en waar in 1670 een resident gevestigd werd tot handhaving van 
het monopolie der Compagnie, was onder dat regime door tal van omstandig- 
heden zoo zeer achteruitgegaan, dat in 1795 Commissarissen-generaal besloten 
zich vooreerst van alle openbare daden van souvereiniteit omtrent Padang te ont- 
houden. Toen in 1819 de Engelschen Padang teruggaven aan Nederland, werd 
het als een lastpost beschouwd en ook als zoodanig behandeld; de plaats lag 
in 1824 nog te midden van een wildernis. Eerst na 1830 begon langzamerhand 
Padang op te komen, doordien het verkeer toenam; de wildernissen om de 
nederzetting werden in tuinen herschapen, en alle gronden weldra voor sawah- 
aanleg in beslag genomen. 

Padang is in de eerste plaats een handelsstad geworden door de produkten 
uit het achterland der Padangsche Boven- en Benedenlanden. Daar Sumatra's 
Westkust tot het meest bloeiende gedeelte van den Archipel behoort, is dat 
achterland van groote beteekenis. 

Het scheepvaartverkeer van Padang leert het volgend overzicht kennen van 
1895 - 1903. 



Scheepvaartverkeer in de haven van Padang. 





X *> 1 
<e cv. 
c* 

1 1 

l ! 

cn 


ft 

> 0. 

•s ■ 

I! 

3 

1" 


O. "O 

O. B 1 

m m 

1 • 1 
S "o 

i • 

•5 * 


9 2 

3 1 

3 2, 

x * 


3 

m 

X 

O 
M 
V 

a 
< 


Totaal inhoud in 
1000 ton. 


ZciUch. 


Inhoud in 1000 ton. i 


3 . 

- s- 

I 1 


— è 
a g 

A l 


1895 


204 


? 


S 




? 


276,3 


2 


2,6 


206 


279 


1896 


256 


156 


70 


ï 


29 


327,8 


2 


2,0 


258 


329 


1897 


279 


130 


73 


59 


17 


417,9 






279 


417 


1898 


315 


139 


85 


59 


32 


473,2 






315 


478 


1899 


828 


134 


79 


62 


47 


513,6 






328 


518 




1 357 


136 


84 


65 


72 


598,0(?) 










1900 j 


13») 










19,6 


6 


3.8 


} 376 


617 




1 359 


128 


81 


70 


80 


623,S<?> 










1901 












25,9 


3 


' IJ 


j 378 


651 




1 833 


127 


71 


71 


! 64 


623.8 










1902 


1 5' 


■ 








6,3 


6 


6,3 


| 344 


636 




[' 326 


! 136 


65 


i 

! 72 




582,5 






1 




1903 


I 5.,! 






1 58 


6,3 


6 


i 8,8 


| 331 


592,6 



l e rcede. 



Digitized by Google 



2or, 



De cyfers wgzen op een langzaam toenemende handelsbeweging. De landbouw- 
en boachprodukten der geheele Westkust worden meest door de Padangsche han- 
delaren opgekocht en van Padang naar Batavia, Europa en Amerika verscheept. 
Hoofdprodukt des lands is de koffie, die van 1890—1899 bedroeg in duizend 
pikols elk jaar : 67, 79, 74, 69, 56, 62, 70, 72, 49, 81. In 1902 werd uitgevoerd te 
Padang 4083 882 K.G. gepelde koffie, een waarde van 2'/, mill. gulden vertegen- 
woordigend. Daarvan werd uitgevoerd naar Amerika 3571, naar Nederland 504, 
naar Port Said 43, naar Singapore 24, naar Hongkong 18 en naar Duitschland 16 
duizend K.G. Verder werd er uitgevoerd coprah 4608 naar Frankr\)k, 2744 naar 
Penang, 908 naar Nederland en 760 (telkens duizend K.G.) naar Singapore. Wy 
noemen verder als belangrijke uitvoerartikelen: huiden voor f 196000, ge tan- 
pertjah voor ƒ508000, andere getah /"116000, gom-benzoö ƒ297000, 
gom-damar ƒ129 000, kaneel ƒ269000, notenmuskaat ƒ 233 000, 
rotting ƒ298 000, tabak ƒ839 000. 

De groothandel is voornamelijk in handen van Europeesche firma's, de klein- 
handel is meest in handen van Chineezen, Maleiera en enkele vreemde Ooster- 
lingen. 

Padang heeft eenige industrie, doch die is hier evenmin als elders belangrijk. 
Zy bestaat uit rijstpelmolens van Chineezen, Chineesche bakkerijen, ijzer- 
smederijen van Maleiers, Chineesche olieslagerijen, goud- en zilveramedeiijen 
(stofgoud komt uit Korintji, de Batang-Hari- en Ophir-districten). 

De Padang- Van de Padangsche Benedenlanden is na 1838 het Nederlandsch 
sche Boven- gezag successievelijk ook uitgebreid over de gewesten der Padang- 
Undcn - sche Bovenlanden, het land, waar zich eens het Menangkabausche 
Rijk uitstrekte, en waar nog de Menangkabauers de hoofdbevolking uitmaken. 
(Zie U pagg. 231). Zy omvatten het bergland van Sumatra van de Piek van Indra- 
poera in het zuiden geheel langs de Benedenlanden zich uitstrekkend tot de 
residentie Tapanoeü in het N. en in 'tO. begrensd door de binnenlanden der 
ryken Siak, Kampar, Kwantan en Djambi. 

In dit bergland, dat wy reeds beschreven (zie II, pag. 206), vindt men het 
brongebied der Batang Hari, der Kwantan en der Kampar, drie groote 
rivieren, welke naar de oostkust stroomen. 

De Residentie der Padangsche Bovenlanden beslaat een oppervlakte van 
22528 K.M. 3 met 836172 inwoners, d. i. 37 per K.M.», zoodat zy een der dichtst 
bewoonde gedeelten van Sumatra vormt. Naar de natuur des lands behooren 
deze gewesten tot de mooiste berglanden der aarde; de woeste pracht van het 
oerwoud, de met zwaren plantengroei getooide bergruggen en ravynen en de 
grauw getinte toppen der vulkanen, die uit het dichte groen eenzaam naar boven 
rijzen, vormen treffende tegenstellingen met de ontgonnen gronden der hoog- 
vlakte en langs den bergvoet, waar in een kalme natuur alles welig groeit en 
tiert, wat men er zaait. De Padangsche Bovenlanden deelen ook ten volle in 
den roem, dien wy Boven- en Benedenlanden (zie pag. 237) gezameniyk toe- 
kenden, tot de welvarendste gewesten van Indiö te behooren. Hier bloeit de 
koffiecultuur, en de Maleische bevolking houdt zich gaarne bezig met de in- 



296 



zameling van boschprodukten ; men teelt er tabak voor de inlandscbe markt, 
die naar Java en de Straits wordt uitgevoerd en ook de gambir-cultuur is er 
van belang. De rijst teelt men er op sawah's, vaak goed besproeid, zoodat die 
naar de aangrenzende landen kan worden uitgevoerd, en verder leveren dezo landen 
suiker, vruchten, groenten en gevogelte aan de omliggende gewesten. Men vindt 
er een belangrijke veestapel; de nijverheid beoefent er goud- en zilversmeder\j 
en het maken van snijwerk voor woningen, rijstschuren enz. (zie I, pag. 372, 
II, pag. 235). Een levendig bedrijf i» de exploitatie der steenkolenmijnen aan de 
Ombïlien-rivier (zie I, pag. 566). 

De bergachtige gesteldheid des lands heeft de Bovenlanden verdeeld in een 
tal van afzonderlijke valleien en landschappen, die door de natuur gescheiden 
zijn. Wg zullen bij enkele nederzettingen bier nader stilstaan, en daarvoor den 
hoofdweg volgen van de stad Padang naar het binnenland. 

Van Fadang tot Kajoetanam blijft de spoorweg grootendeels in vlak 
terrein en volgt den postweg. Kajoetanam, 444 M. boven de zee gelegen, is een 
schilderachtig plaatsje te midden van tjemorobosschen aan een helderen berg- 
stroom gelegen ; wegens de gezonde ligging wordt het als herstellingsoord voor 
zieke militairen aangewezen. 

Hier begint het terrein sterker te stijgen en de steile hellingen maken een 
tandradspoorweg noodzakelijk voor het grootste gedeelte tot P ad ang-P and- 
jan g, waar men de grens der Bovenlanden is overschreden. Deze plaats ligt 
-£ 800 M. hoog, en hoewel een der regenrhkste stations van geheel Indié is het 
er zeer gezond. De spoorweg gaat hier over het randgebergte, dat den toegang ver- 
leent tot de VI Kota's, een schoone vallei tot de afdeeling Batipoe en X Kota's 
behoorend en door de vulkanen Merapi, Singgalang en Ambatjang omringd. De 
Merapi met verscheidene kraters is een nog altijd onvermoeid werkzame vulkaan, 
hoewel hij zich bepaalt tot het uitwerpen van asch, zand en steenen, en sedert 
lang geen lava meer doet uitvloeien. Van den Singgalang en Ambatjang komen tal 
van stroompjes naar beneden, aie zich vereenigen tot de A n e i , welke zich een 
weg door het gebergte naar de westkust baant langs de z.g. Kloof, een diepe 
insnijding, waardoor ook de postweg loopt, en waarlangs vóór den aanleg van 
den spoorweg de produkten uit de Bovenlanden werden afgevoerd. Deze weg 
biedt langs de Anei, die schuimend over de rotsblokken voortjaagt en de schiet- 
stroomen door watervallen afwisselt, te midden van de schoone wouden op het 
bergland en met hier en daar uitzichten over het westelijk golvende laagland, 
de prachtigste natuurtafereelen ter beschouwing aan. 

Padang Pandjang is een bloeiend vlek, 2855 inw. (waaronder 291 
Chin. en 192 Europ.), gelegen op een punt, waar de belangrijkste wegen uit de 
Bovenlanden, die naar Padang loopen, samenkomen, en dat door znn ligging 
aan de Kloof den voornaamsten toegang tot het binnenland beheerscht. Hier splitst 
zich ook de spoorlijn in twee takken, een naar het N. tot Fort de Koek en 
een naar Sawah-Loento. 

Fort de Koek, door de Maleiers Boekit Tenggi geheeten, is de hoofd- 
plaats der Padangsche Bovenlanden. Het werd aldus genoemd naar een vroeger fort, 
(dat thans verlaten is) en telt 2270 inw. (waarv. 282 Chin. en 280 Europ.). Het is een 



Digitized by Googl 



297 



aardig gebouwde nederzetting met een drietal hotels on veel garnizoen. De plaats 
ligt ruim 900 M. boog op het vulkanische plateau van Again, aan den noordelijken 
voet van Merapi en Singgalang, een vruchtbaar, goed gecultiveerd landschap, 
met overal woningen, klapper- en pisang-tuinen, heiningen van kofneboomen. 
Ten N.0. van Fort de Koek ligt Pajakoemboeh, afdeelingshoofdplaats met 
1545 inw. (waarv. 828 Chin. en 48 Europ.), zich vertoonend als gelegen in een 
onmetelijk bosch van kokospalmen, waardoor een breede weg is gebaand te midden 
dor prachtige, boomryke hoogvlakte. De ligging is zeer gezond; de plaats is een 
herstellingsoord. Pajakoemboeh is het middelpunt van een levendigen binnen- 
landschen handel, beeft de beroemdste pasar van de Padangsche Bovenlanden; 
men kan hier het fijne, zoogenaamd Padangsche zilverwerk en fraaie goud- 
draadweefsels bekomen. Van Pajakoemboeh uit bestaat een verbindingsweg met 
de Oostkust, die door Mekkagangers wel gebruikt wordt en ook nog al voor den 
handel dient, maar van meer beteekenis zou zvjn, als hy beter in orde werd gemaakt. 

Ten N.W. hiervan ligt Soeliki, en ten O. hiervan vindt men de kloof van 
Uarau, die groote overeenkomst heeft met het dal van Lauterbrunnen ; de 
loodrechte, naakte wanden, vol diepe groeven en spleten, loopen een klein uur 
gaans evenwijdig naast elkander op een afstand van 20 - 200 M. voort; slechts 
hier en daar zjjn de rotamuren aan de noordzijde met een kleinen krans van 
groen behangen, terwijl zij aan de overzijde met een rijken plantengroei prijken. 
Tal van watervallen storten zich langs de wanden naar beneden; de schoonste 
is wel die van de Ba tang Harau, welke zich als een tweede „Staubbach" in fijnen 
regen oplost, voor hy den grond bereikt. 

Hier in het N.0. der Padangsche Bovenlanden ligt het brongebied van 
de Kampar-rivier (de Kampar-Kanan met de Kampar-Kiri vormen na hun 
samenvloeiing by Moeara Sakö den Kamparstroom), de breedste rivier van 
Sumatra, die door het Rijk Poeloe Lawan stroomt en in Str. v. Malakka 
uitmondt. Dit geheele landschap, naar het O. afhollend, is rijk aan natuurschoon ; 
pbantastisch zijn de bergvormen, indrukwekkend de kloven, waardoor de 
rivieren bruisen, grootsch is van de hoogte het gezicht op den 800 M. diepen 
dalketel der Mahê, (die naar de Kampar stroomt), een oude meervlakte, geheel 
door bergen ingesloten, waardoor de rivier langs een smalle spleet zich heen 
wringt, om aan de andere zijde eveneens langs een kloof het dal te verlaten. 
De rivier heeft hier in Diluvialen tijd het puimsteenmateriaal gebracht, dat den 
bodem der vlakte uitmaakt. Snel daalt hier het bergland naar het O., hoewel 
het uiterlijk nog woest biyft; Kota Baroe, waar de controleur gevestigd is, 
ligt 66 M. boven de zee; by de samenvloeiing van Kampar en Mahé is de hoogte 
84 M. en weldra stroomt de Kampar geheel door de vlakte naar het O. (Zie 
de beschryving der Y Kota's: Tydschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1900, door 
A. L. v. Hasselt). 

Ten W. van Fort de Koek ligt aan het meer van dien naam (zie II, pag. 207), 
omringd door de goedbevolkte landschappen VI en IV Kota's (waarnaar het meer 
ook Meer der X Kota's genoemd wordt, of eenvoudig Danau = meer), het 
dorpje Manindjau, standplaats van den controleur, met prachtige uitzichten op 
het water, en eenige schoep vaart op het meer. 



Digitized by Google 



298 



Van Padjan g-Pandjang loopt de spoorweg langs den oostoever van bet 
Singkarah-meer, 362 M. hoog gelegen, aan de oost- en westkust door heuvel- 
achtig terrein begrensd, terwyl aan den zuidkant de alluviale vlakte van Solok 
er zich by aansluit. Men ziet hier veel klapperteelt (van Padang worden belang- 
rijke hoeveelheden coprah uitgevoerd), visscbery op het meer, ten deele met 
groote zeilprauwen. 

By Sawah-Loento vindt men de beroemde steenkolenmynen. Dit plaatsje 
ligt in een nauw dal, rondom door steile bergen omringd, ± 250 M. hoog, zoo- 
dat het er nog al warm is, aan een klein zytakje van de Ombilien-rivier. In 
de kolenvelden is de Ombilien een echte bergstroom. De resultaten van de 
exploitatie der kolenmynen zyn nog niet schitterend. De afvoer der kolen toch 
heeft plaats naar de westkust, omdat deze weg de kortste was en met het 
oog op allerlei overwegingen het best viel aan te leggen, terwyi aan de oost- 
kust de behoefte aan kolen grooter is. De beste wyze van afvoer der kolen is 
altyd nog een open vraagstuk. 

De residentie Tapanoeli (Tapian na Oei = heldere badplaats) 

Tapanoen nUC omvat het & ebled tu88chen de Padangsche Beneden- en Boven- 
landen in het Z., het Gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden 
in het N. en gaat in het O. tot de onafhankeUjke Bataklanden, de Residentie 
Oostkust van Sumatra en de onafhankelijke staatjes Rambah en Kapenoen, 
terwyi eenige eilanden (zie pag. 800) er toe behooren. Het grootste gedeelte 
der Bataklanden, die de Nederlandsche souvereiniteit erkennen, behoort tot 
deze residentie. De oppervlakte der residentie bedraagt 42025K.M. 3 en het 
aantal bewoners 323 988, waarvan 369 Europ., 1695 Chin., 72 Arab. en 543 
andere vreemde Oosterlingen. De volksdichtheid is zeer gering; zy bedraagt nog 
geen 8 bewoners per K.M.* De geringe volksdichtheid en de langzame toeneming 
der bevolking wordt door A. L. van Hasselt toegeschreven aan de ongunstige 
hygiënische toestanden in dit voor het grootste gedeelte ongezonde land, en aan 
de treurige positie, waarin de vrouw by de Bataks verkeert, waardoor z\j weinig 
zorg aan haar kinderen kan wyden, terwyi ook haar vruchtbaarheid, zelfs als 
zy die niet kunstmatig tegengaat, van korten duur is door den zwaren arbeid. 
Verder heeft er herbaaldeiyk emigratie van jonge mannen naar Sumatra's Oost- 
kust plaats, waar dezen door kleinhandel en door werken op de tabaksplantages 
op een niet te zware wyze geld kunnen verdienen en onttrokken zyn aan de 
gedwongen heerendiensten in hun eigen land. 

De bevolking is niet gelykmatig over de residentie verspreid, zoodat enkoio 
gedeelten een dichter, andere nog dunner bevolking hebben dan het gemiddelde. 
Slechts eon klein gedeelte des lands, niet meer dan Vio» "» bewoond en be- 
bouwd, ongeveer 9 / I0 is onbewoonde wildernis, moeras of ilalangveld. Op een 
kuststrook van 296 K.M. vindt men, behalve eenige kleinere vlsschersdorpen, 
slechts vier plaatsjes van eenige beteekenis: Natal, Siboga, Baros en 
Singkel, waarvan het grootste niet meer dan 2549 inw. telt. 

De smalle kuststrook van laagland wordt door onderscheidene rivieren uit 
het bergland doorsneden, die slechts enkele kilometers voor prauwen bevaarbaar 



» 



Digitized by Googl 



299 



zijn. Langs die rivieren liggen onbeduidende kampongs, maar overigens is het 
eerst vlakke, daarna golvende land van de zee tot den westelijken bergkam, hier 
en daar 40K.M. breed, nagenoeg onbewoond, en door de moerassige gesteld- 
heid meerendeels ook voor bewoning ongeschikt, tevens wegens ongezondheid. 
De bevolking heeft zich geconcentreerd op de hoogvlakten van bet binnenland 
met hun valleien en rivierdalen (Batang Taroe, Batang Gadis enz. zie pag. 209); 
de bevolking der hier gelegen afdeelingen Toba, Silindoeng, Mandeling en Ang- 
kola is wel tweemaal zoo groot als die van al de overige deelen der residentie. 
Hier is de grond het vruchtbaarst en de gelegenheid voor voordeeligen landbouw 
het grootst; hier liggen de r\jke kofflegronden van Sipirok en Pakatan, en hier 
vindt men de uitgestrekte vlakte van Groot Mandeling, die de voorraadschuur 
van ryst voor geheel de kuststreek zou kunnen zyn. Hier is ook het voornaamste 
arbeidsveld van de Christenzendelingen in een ryk bevolkte streek, deels voor 
landbouw, deels voor veeteelt uitnemend geschikt; een gewest, dat tot hoogen 
trap van welvaart zou kunnen gebracht worden, als door goede en veilige ver- 
keerswegen naar de kust het isolement van dit binnenland wordt verbroken, 
en zoodra door spoedige algeheele afronding van ons gebied allerwege rust 
en veiligheid en gemakkeiyk onderling verkeer verzekerd zijn. Eenmaal zal het 
Toba-meer het middelpunt kunnen vormen van een bloeiend gewest, welks 
christenbevolking de hechtste steun zal zijn van Nederlands gezag in Noord- 
Sumatra. Aldus prof. A. L. van Hasselt, die dit gebied uit aanschouwing 
goed kent. 

Wy zullen de meestal onherbergzame kust van deze residentie niet in by- 
zonderheden beschryven, doch bepalen ons tot enkele mededeelingen over de 
belangrykste nederzettingen. In de eerste plaats valt van het Zuiden Na tal in 
het oog, een kleine plaats aan de baai van dien naam en aan den mond van 
een rivier, die in de kustvlakte tot de kampong Tapoes bevaarbaar is. Natal 
heeft door afvoer van koffie eenig vertier, maar mist een goeden verbindingsweg 
met het binnenland. Ook ligt de reede te veel open voor N.W winden. 

Een beter beschutte reede vormt noordelijker de baai van Tapanoeli, 
de ruimste en veiligste baai van de geheele Westkust van Sumatra. Zy is rondom 
door boog gebergte ingesloten, dat zich in eenige evenwydig loopendo bergreeksen 
langs de kust uitstrekt, die te Siboga dicht aan zee naderen, doch zuideiyker 
verder in het land gaan en hier ruimte open laten voor een moerassige kust- 
vlakte. Toch beeft ook de nederzetting Siboga zich niet tot een aanzienhjke 
haven ontwikkeld; de plaats heeft 2550 inw. (waarvan 554 Chin., 111 andere 
vreemde Oosterl. en 34 Europ.). Tot voor kort was Siboga door geen enkelen 
bruikbaren weg met het binnenland verbonden, en thans is alleen een weg tot 
Padang Sidempoeman aangelegd. Het transport van goederen en produkten naar 
en van Toba en Silindoeng en het achterland moet van hier geheel door dragers 
geschieden. 

Baros of Bar o es, 28 zeemyi verder noordeiyk aan de baai van Tapanoeli 
gelegen, is een oude nederzetting en was vroeger van veel gewicht. Reeds in vroege 
oudheid hadden zich hier Hindoes gevestigd, en tot de 19de eeuw was het de 
tweede handelsplaats op Sumatra' s Westkust na Padang, en het achterland 



300 

• 

was destijds dicht bevolkt Toen Baros in 1668 aan de O. I. Comp. kwam, had 
het belangrijken handel in kamfer en benzoë. Sedert het midden der 18*« eeuw 
nam de handel van Baros af, werd de plaats lang ten prooi aan den overmoed 
der Atjehneezen, en Baros heeft haar bloei moeten afstaan aan het gunstiger 
aan zee gelegen Siboga, werd in de laatste eeuw ontvolkt en is tot een doode 
plaats gedaald. Baros heeft nog eenigen uitvoer van benzoë, getah pertjah, rotan, 
kamfer en buffelhuiden. 

Sin g kei, met een veilige reede, op een eiland van de delta der rivier van 
Singkel, was vóór onze vestiging in 1840 reeds een bloeiende handelsplaats, 
hoofdzakelijk bewoond door Atjehers, die toen de plaats verlieten. Langzamer- 
hand vestigde zich er een nieuwe bevolking van Atjehers, Maleiers, Niassers 
en Chineezen, een eigenaardig mengsel van bewoners, die een bijzonder dialect 
spreken. Het is een plaats van weinig beteekenis; de uitvoer bestaat hoofd- 
zakelijk uit benzoë, kamfer en was. De Singkel rivier, hoewel de grootste der 
Westkust, geen beteekenis heeft voor de scheepvaart. (Thans administratief tot 
Atjeh). 

Eilanden Langs Sumatra's westkust ligt een reeks eilanden, die de 

langs Suma- overbUjtselen vormen van een in zee verzonken bergketen, waar- 
tra's West- van de hoogste gedeelten als horsten boven het water bleven 
ku8t " (zie pag. 216). Enggano bespraken w|) reeds (pag. 289); tot Su- 
matra's Westkust behooren daarvan van het Z. af: de Nassau-eilanden, 
de Mentawei-eilanden en de Batoe-eilanden, Nias en de Banjak- 
eilanden; tot het Gouv. Ayeh: Simaloer of Oe. 

» 

1. De Naaaau-eilanden. — De Nassau-eilanden, ook Paggi-, Pageh- 
of Poggi-eilanden genoemd, zyn Zuid-Pa geh en Noord-Pageh. Zuid- 
Pageb, 68 K.M. lang en op zjjn meest 18 K.M. breed, wordt omringd door eenige 
kleinere eilanden en is in 't binnenland heuvelachtig. Noord-Pageh is 32 K.M. 
lang en 27 K M. breed. Beide eilanden z|jn met boomen begroeid, bezitten aan 
plantingen van sago- en klapperboomen. De bevolking is vreedzaam van aard 
maar staat op lagen trap van beschaving. Evenals op Enggano is het geld er als 
ruilmiddel nog bfona niet bekend, en bestaat er enkel ruilhandel in produkten. 

2. De Mentawei-eilanden. - Verder noordelijk liggen de eigenlijke Mentawei- 
eilanden. Het totale aantal der Mentawei- ell. bedraagt ongeveer 70, en dit 
z|jn meest zeer kleine eilanden; alleen een tweetal z\jn grooter, nl. 1. Si beroet, 
Mentawei of N. Pora en 2. Sikabau of Zuid-Pora. 

Zuid-P ora (Sipora) is door de Nassau-straat van de Pageh-eil. gescheiden ; 
het is 48 K.M. lang en 7 tot 18 K.M. breed, en wordt omringd door kleinere 
eilandjes. Aan de oostkust op onderscheidene plaatsen laag, r|jst het in het 
binnenland tot heuvels op; de westkust is meer rotsachtig. De bevolking is van 
vredelievenden aard, terwijl de meerdere aanraking met de buitenwereld dan op 
de Nassau-eil. duidehjk biykt. 

Siberoet of Noord-P ora (ook Sibiroe, Mentawei en Groot Fortuin) 



Digitized by Google 



301 



genoemd), is 102 K.M. lang en 27 tot 43 K.M. breed en vormt dus het grootste 
der Menta wei- eilanden. Het is een vrij hoog, geheel begroeid eiland, met eenige 
inhammen aan de Z. en O. kust, die goede ankerplaatsen zijn. Ook de be- 
volking hiervan wordt beschreven als schuw doch van vredelievenden aard, staande 
nog op lagen trap van beschaving, en btyna geheel naakt loopend. Ptjl en boog 
zijn hun wapenen ; ook gebruiken zij vergiftigde pijlen. De vaartuigen zijn er ten 
deele nog uitgeholde boomstammen. 

De bewoners der Mentawei-eüanden hebben in 't bijzonder de aandacht der 
ethnographen getrokken, door de afwy kingen van het gewone Maleische type. Von 
Rosenberg, die hier eenige maanden vertoefde, rekende hen tot een Polynesisch 
ras; Junghuhn achtte hen verwant met de Bataks, en enkelen brachten hen tot de 
Maleiere. Alfred Maass (Tjjdschr. v. Ned. Indiö 1898) beschouwde hen als een 
oerstam der bevolking van Sumatra, die op de eilanden den oorspronkelijken toe- 
stand vrü zuiver bewaard had. Dr. Max Morris (Die Mentawei-sprache 1900) toonde 
aan, dat onderscheidene motieven van de sprookjes der Mentawelers ook in de Batak- 
sche, Indische en zelfs in Europeesche letterkunde voorkomen, en dat het Menta- 
weisch veel overeenkomst heeft met het Bataksch en Niasch. De Mentaweiers zijn 
van middelmatige lichaamsgrootte; de vrouwen zijn kort en ineengedrongen ge- 
bouwd, verwelken spoedig tengevolge van geslachtelijke gemeenschap op jeugdigen 
leeftijd. De huidkleur is geelachtig bruin. De beide geslachten tatoueeren zich 
met een zwarte kleurstof, die bereid wordt uit donker damarhars met wilde honing 
vermengd, en die blauw door de huid heen schijnt De tatoueering bestaat uit het 
aanbrengen van enkele krachtige lijnen ; in zeer enkele gevallen zijn op het boven 
dijbeen dierenfiguren geteekend; zeer gewild zijn bierby de haan en een hertensoort. 
Bi) de vrouwen loopt een lijn van de kin tot de buik, door een dwarsUJn in 
verbinding staande met eenige andere, die op den schouder in een punt samen- 
loopen. Het gezicht wordt zelden getatoueerd en dan nog alleen het voorhoofd. 

De Mentaweiers hebben lang, zwart haar met een nuance naar het bruine. 
Mannen scheren zich de haren boven het voorhoofd een paar centimeters weg 
en dragen het haar in een wrong, waarin bloemen of een chignon bevestigd 
zijn. Zij leven hoofdzakelijk van vischvangst en jacht en de kleine opbrengst 
der vruchten uit hun tuinen. Ter verkrijging van dierlijk voedsel gebruiken zij 
pijl en boog. De pijlen hebben houten punten, die boven het vuur gehard 
en met plantengif worden bestreken. Verder hebben zij op dolken gelijkende 
messen. Naast jacht en vischvangst (deze wordt ook door de vrouwen verricht) 
drijven de inboorlingen op bescheiden schaal wat landbouw op kleine velden. 
Hun gereedschappen zijn eenvoudig; zij gebruiken kapmessen, bijlen en plant- 
stokken. De jongelingen planten pisang, bira-bira, suikerriet, klappers en sago, 
terwijl vrouwen meer uitsluitend in.keladituinen (knollen) werken. Z\j hebben eenige 
huisdieren, nl. varkens, en de meergegoeden nog hoenders, terwijl als huisdier ook 
de hond nog voorkomt. De nijverheid is van geen belang. Communaal eigendom 
bestaat er niet, alleen individueele eigendom, en onbeheerd land; tot dit laatste be- 
booren de heuvels en de hooger gelegen oerwouden. De woningen z\jn alle op 
palen gebouwd, eenige voeten boog; sommige zijn voor een 30 a 40tal gezinnen 
bestemd, andere voor slechts een gezin. 



302 



3. De Batoe-eitonden. Straat Siberoet scheidt het noordelijkste der Mentawei- 
eilanden van do Batoe-eilanden, 3 groote eilanden benevens een 49 kleinere, 
omringd door vele en uitgestrekte koraalriffen, welke misschien aanleiding ge- 
geven hebben tot den naam (batoe, Mal. = steen, rots, vaak gebezigd in plaats- 
namen). Het zuidelijkste groote eiland is Tana Bala, het middelste Tana 
Masa, het noordelijkste Pinie. Deze eilanden zijn schaars bewoond door 
lieden van Niasschen oorsprong en verder gedeeltelik van Haleische en Boegi- 
neesche ai komst, terwijl er eenige Chineezen gevestigd zijn. Van de kleinere 
eilanden zijn een twintigtal bewoond. De handel bestaat voornamelijk in klapper- 
olie, de belangrijkste bron van bestaan ; ook vindt men er voortreffelijk hout, 
geschikt voor scheepsbouw, zoodat er ook 'prauwen vervaardigd worden. Verder 
worden er uitgevoerd: kamler, hars, coprah, gedroogde visch, tripang. 

4. Het eiland Nias en de Niassers. Nias is het grootste en dichtst bevolkte 
der eilandenry langs West-Sumatra; het heeft een oppervlakte van 4500 K.M.* 
(tweemaal zoo groot als Limburg) en telt ;£ 150000 bewoners. Met uitzondering van 
eenige aan de oost- en noordkust liggende vlakten is het geheele eiland met heuvels 
en bergen bedekt. Alleen het binnenland van Zuid-Nias, het hoogste en voor 
de geologische formatie bet meest belangrijke deel, bezit een regelmatig berg- 
stelsel; de bergreeks begint in het Z.O. ongeveer een dagreis van de kust, 
loopt eerst N.W., daarna W., en bij het naderen van de westkust weer N.W., 
om eindelijk te verloopen in onregelmatig door elkander liggende heuvelruggen 
en bergen. De gemiddelde kamhoogte bedraagt 870—440 meter. Een tweede 
bergstelsel ligt in het midden van W.-Nias en is op zijn meest 370 M. hoog; 
een derde stelsel ligt nabij ^e oostkust, met eenige toppen van 800 —400 M. 
Voor 't overige is Nias met een menigte bergen, heuvels en plateaux overdekt, 
welke in den regel niet hooger dan 800 M. gaan. Werkzame vulkanen vindt 
men er niet, zoover bekend is, doch aardbevingen komen hier talrijk voor, vooral 
in het O. en Z.U., en deze bewijzen, dat de bodem er nog niet in rust is „In 1843 
kwam het geheele eiland in beweging, de grond scheurde en heuvels stortten 
in." De kusten van Nias zijn afwisselend rotsachtig of omgeven door een zand- 
strand. Overal, waar men de kust nadert, ziet men klapperboomen oprijzen. 
De vlakten vindt men meest aan de oostkust; zij z\jn daar ontstaan door aan- 
slibbing van het materiaal, dat de rivieren uit het gebergte aanvoerden. De 
rivieren, die het eiland in alle richtingen doorloopen, zijn slechts weinig van 
beteekenis. Met uitzondering van de moerassige vlakten stroomen de rivieren 
tusschen hooge oevers, in den bovenloop door rotskloven, terwijl zij voor de 
monding veelal banken bouwen, op welke ondiepten by eb een hevige branding 
staat Alleen in de vlakten zyn de rivieren voor prauwen bevaarbaar over 
korton afstand. Het eiland wordt door wegen en smalle voetpaden doorkruist, 
die over de heuvels langs en door rivieren en beken loopen, dikwijls zeer steil 
zijn, wat den Niasser in zijne tochten weinig hindert, want hij is een stoer wandelaar. 

Zwaar woud, met hooge boomen, ontbreekt op Nias meestal, enkele 
streken uitgezonderd. Ten behoeve van den handel in timmerhout, voornamelijk 
met Baros en Singkel en door het verbranden van dorpen uit hostiliteit is 



Digitized by Googl 



303 



er veel bosch uitgeroeid. Toch vindt men er nog prachtige houtsoorten. 

De voornaamste artikelen van uitvoer van Nias zyn varkens en coprah 
Nias is een voorraadschuur van varkens en voorziet er Atjeh geregeld van. Sedert 
enkele jaren is de inlandsche bevolking begonnen met den aanplant van muskaat- 
noten en koffie. De doerian-boom komt hier veel voor, en de klapperboomen 
zyn over bet geheele eiland verbreid; men vindt er verder katoen, dat de 
Niassers zelf verwerken. 

De handel is byna uitsluitend in handen van Maleiers en Chineezen; zy 
voorzien de bevolking van tabak, wapens, kruit en lood. Alleen waar Maleiers 
op het eiland zyn, wordt handel gedreven en worden prauwen aangetroffen; 
men vindt die niet op plaatsen, waar enkel oorspronkelijke Niassers wonen. 

De afkomst der bevolking van Nias is nog onzeker ; met de Bataks hebben 
de Niassers overeenkomst maar ook groote verschillen. Eigenaardig is het ver- 
schil in lichaamsbouw, in energie, in reinheid en inrichting der huizen van Noord* 
en Zuid-Nias. By bet hooren der beide talen zou men zelfs aan verschillende 
volken denken. De huidkleur der Niassers wisselt af tusschen geelwit en licht- 
bruin, die van den baard tusschen donkerbruin en zwart met rossige punten. 
Door het dragen van zware lasten hebben de vrouwen een eigenaardigen gang, 
maar er zyn vele welgemaakte figuren onder hen; zy worden door de Maleiers 
zeer gezocht. De Zuid-Niasser is over 't geheel het best lichameiyk ontwikkeld. 

Het karakter der Niassers wordt niet geroemd ; men noemt hen zelfzuchtig, 
wantrouwend, jaloersch. Zonder bepaald lui te zyn, en buiten zyn land zelfs 
vlytig, brengt hy toch op het eiland zyn tyd meest in ledigheid door. De wraak- 
zucht is grenzenloos en gaat van ouders op kinderen en kleinkinderen over; 
hy is geboren dief, bedrinkt zich gaarne en wordt dan strydlustig. Maar daar- 
naast wordt hy genoemd : opgeruimd, dankbaar, goedhartig en zelfs medeiydend. 
De Zuid-Niassers in 't byzonder zyn, als 't er op aankomt, dapper en zeltopofferend. 
De Niasser gebruikt geen opium en dobbelt niet. In het N. zün de dorpen meestal 
op den top van een heuvel gebouwd, waarvan de hellingen zoo steil zyn gomaakt, 
dat men ze alleen met ladders kan beklimmen ; in het Z., waar de dorpen grooter 
zyn en tot 500 huizen tellen, liggen zy veel in de vlakte, zyn dan dubbel om- 
muurd en van geplaveide wegen en dwarswegen voorzien. Die versterking der 
dorpen is noodig door de voortdurende onrust en oorlogen. Alleenstaande huizen 
buiten het dorp vindt men hier zelden. Overal staan de huizen op palen. 

Het voedsel bestaat uit ryst, aardappelen, sago, mals, klappers en eenige blad- 
soorten; kippen en varkens alleen by byzondere gelegenheden. By feesten wordt 
veel palmwyn gedronken. Kleederen maken de Niassers zich van boombast, van een 
weefsel van ramen of ananasvezels of van ingevoerd katoen. Voor den man is 
een reep boombast om de heupen en tusschen de beenen doorgehaald meestal 
voldoende kleeding, of hy draagt daarby een vest met schouderlappen. Een hoofd- 
doek is reeds teeken van welstand. De kleeding der vrouwen is oen kort rokje, 
van voren afgezakt, zoodat de buik grootendeels onbedekt blyft. De zendelingen 
hebben echter een meer bedekkende kleeding weten in te voeren. In Zuid-Nias, 
met meer welvaart, wordt ook grooter zorg besteed aan de kleeding. Over 't ge- 
heele eiland tatoueeren de bewoners zich min of meer. 



Digitized by LiOOQlc 



304 



Koppensnellen komt er nog voor, en menschenoffors worden in de zuide- 
lijke districten b\j begrafenissen van aanzienlyken nog gebracht met bygeloovige 
bedoelingen. De Niassers toch zijn nog heidenen, die zich door een heir van 
goede en booze geesten omringd wanen, en denken dezen dienstbaar te maken 
door offers, amuletten enz. Wel heeft de „RheinischeMissions-Gesellschaft" sedert 
1866 haar posten op Nias, maar het aantal Christenen bedraagt nog slechts 
ongeveer 2100. 

Nederland heeft reeds betrekking met Nias sedert 1660, toen de O. I. Com- 
pagnie met de hoofden van 33 dorpen een verbond sloot, dat in 1693 bekrachtigd 
en door de toetreding van andere dorpen werd uitgebreid. Tijdens het Britsch 
tusschenbestuur hadden de Engelschen in 1810 tractaten gesloten, waarby de 
slavenhandel verboden werd, en in 1825 werden by overneming dezer bezitting 
de contracten met Nederland vernieuwd. In 1857 werd het geheele eiland door 
Nederland in bezit genomen, de slavenhandel tegengegaan en aan de hoofden 
verboden op eigen gezag oorlog te voeren. Tot nog toe is ecbter alleen het N.O. 
gedeelte onder geregeld bestuur gekomen; het zuidelijk gedeelte is nog altyd 
het tooneel van onrust en hevige geschillen der hoofden en de Ned. regeering 
zoekt daarmede weinig aanraking. Alleen als de hoofden het te bont maakten 
met sneltochten als anderszins, moest tegen hen worden opgetreden. In het midden 
en zuiden des eilands heerscht de gewoonte van koppensnellen toch nog steeds. 
Echter breidt de Nederlandsche invloed er zich uit, en daardoor zullen betere toe 
standen ontstaan. 

Ooenoeng Sitoli is de hoofdplaats van Nias, ook de standplaats van den 
Ned. Controleur. Als men de plaats nadert, ziet men, dat het strand niet breed 
is, en onmiddellijk achter de huizen verheffen zich groene heuvels. Zoo ver het 
oog reikt, is de kuststreek met klapperboomen beplant. Van land gezien maakt 
het plaatsje een vriendeUjken indruk: rechts de benting en de woningen van 
de officieren, recht vooruit dieper landwaarts, do woning van den controleur, 
links de breede pasar, grootendeels door pasarboomen aan het oog onttrokken. 
Er wonen slechts enkele Europeanen, en onder dezen ook een zendeling van 
het Rynsche zendingsgenootschap te Barmen. 

5. Tapah- eilanden en Banjak eilanden, Deze beide eilandengroepen behooren 
nog tot het Gouvernement Sumatra's Westkust. De laatste bestaan uit ruim 
een 50-tal kleine eilanden waarvan Toeangkoe of Groot-Banjak de voor- 
naamste is. Het inlandsch hoofd, met den titel Toeangkoe, dezer groep, woont 
op de noordkust van Lamoeng ten N. van Toeangkoe, Toeangkoe is een berg- 
of heuvelachtig eiland, met een laag voorland aan de oostkust, hetwelk met 
bakau is begroeid. De Tapa heilanden liggen 22 zeemuien ten W. hiervan. 

6. Simaher. Eiland Simaloer of Oe, door de bewoners kortweg Poelau 
geheeten, door de Atjehera Poelau Oe, ligt noordelijk van laatstgenoemde groep, 
108 K.M. van de kust van Sumatra. Vroeger tot Atjeh behoorend, sloot het 
een verbond met Nederland en werd het in 1880 verklaard te behooren tot het 
gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden. Het is een bergachtig eiland, met rots- 



Digitized by Google 



305 



achtige kusten en wordt omringd door een aantal grootere en kleinere eilandjes, 
met 8teenachtigen bodem en van koraalriffen omzoomd. De bevolking is scbaarsch ; 
hoofdzakelijk zyn alleen de kusten bewoond, zoodat het aantal bewoners van 
Simaloer op ±5700 geschat wordt. De oorspronkelijke bewoners spreken nog 
afzonderlijke talen, doch het Maleisch is verstaanbaar. Behalve de Inlanders vindt 
men er Niassers, Atjehers en Maleiers, die zich gedeeltelijk vermengd hebben. 
Menangkabausche elementen zijn er duidelijk te bemerken, en de Menangkabausche 
taal verstaat ieder. De bewoners zijn arm en weinig ontwikkeld; zi) worden 
beschreven als goedaardig en gewillig, eenvoudig en kinderlijk en in ontwikkeling 
boven die der andere westelijke eilanden staande. Op blinkende sieraden, lucifers 
enz. zijn zi) verzot. De natuur, die overvloedig alles aanbiedt, heeft hen niet 
geprikkeld tot arbeid; de bevolking is lui. Slechts een klein gedeelte van Simaloer 
langs de kust is bebouwd; overigens is het geheel met oerbosschen bedekt, 
evenals de kleinere eilanden. Op de laatste vindt men veel aanplant van klapper-, 
pisang* en andere vmchtboomen. De uitgestrekte bosschen zijn goede bronnen 
van inkomsten, daar van het semantok-hout, dat deze opleveren, flinke woningen 
en prauwen gemaakt worden. De scheepstimmerlieden van Simaloer zijn zeer 
bekend ; de door hen vervaardigde fraaie vaartuigen worden in alle havens van 
Sumatra's Westkust gaarne gekocht, maar het is opmerkelijk, hoe weinig haast 
zij met den arbeid maken. De heer Westenenk zag er een prauw, waarvan 
het onderwerk reeds begon te vergaan, terwijl de bovenbouw nog niet klaar 
was, en dit moet dikwijls gebeuren. Er moeten goede steenkolen voorkomen. 
Simaloer is bekend om zijn karbouwen, het is een dorado voor de veeteelt. Hoe- 
wel de zee er krioelt van visch, wordt er aan de vischvangst nagenoeg 
niets gedaan. ') 

Simaloer voert voornamelijk uit: karbouwen, huiden, klappers, rijst, ebben- 
en reukhout en boschprodukten ; de invoer bestaat uit kleeren, manufacturen, 
aardewerk, ijzerwerk en tabak. Als de handel niet door ruiling van produkten 
plaats heeft, wordt met kopergeld betaald. 

IV. Het Gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden. 

Gesteldheid Het noordelijk gedeelte van Sumatra vormt het Üouvernement 
der kust- Atjeh en Onderhoorigheden, bestaande uit de afdeeling 
streken. Q r00 ^ t j e h en de afdeeling Onderhoorigheden van Atjeh, 
waaronder een tal van landschapjes en staatjes worden begrepen, die na de onder- 
werping van, Groot- Atjeh, dat hierop zekere souvereiniteltsrechten uitoefende, onder 
het Nederlandsch gezag kwamen. De gesteldheid van het land en de bewoners, de 
Atjehers langs de kuststreken, de Gajo's in het binnenland en de daarmede ver- 
wante Alla's, hebben wij reeds beschieven (zie pag. '253 enz.), zoodat wij daarbij 
niet behoeven stil te staan. Alleen houden wij ons hier iets nader met de kust 
bezig, met het eigenlijk Atjeh en met de beteekenis van het land voor den 
handel. 



1) L. C. Wkstenenk. Simaloer. (Tijd»ohr. K. N. A. Oen. 1904). 
II 



20 



S06 



A. De Westkust van Atjeh. De westkust van Atjeh bestaat voor het grootste 
gedeelte uit een smalle, vlakke kustzoom, die op enkele gedeelten geheel afgebroken 
wordt door rotsen, op andere gedeelten na een smalle overgangszone snel stygt 
tot het gebergte, eigeniyk de rand van hot hoogland. De vlakten worden meeat 
gevonden, waar rivieren van eenige beteek enis een weg naar zee banen en in 
staat waren een jonge aanslibbing te vormen. Een eigenaardig kusttype ont- 
staat hier, doordien de zware branding, welke tegen de kust slaat, het slib en 
fijne zandmateriaal, dat de rivieren medevoeren, terugwerpt, zoodat hierdoor 
dammen vóór de riviermonden worden opgehoopt, en dientengevolge de rivier 
in het benedengedeelte achter dien dam evenwydig met de kust moet stroomen. 
Dit soort van hafvorming vindt men in Bakongan ten Z. van de Kloeat-rivier, 
by de Lembang-rivier en by meer rivieren. Vooral aan de noordkust van Atjeh 
komt die kustvorm veel voor. De vele kleine bergstroomen, waaraan de westkust 
van Atjeh rijk is, z(jn daardoor aan hun mond verzand, en kunnen alleen met 
kleine Atjehsche prauwen bevaren worden; de grootere rivieren, als de Kloeat-, 
Terpiah-, Senagan- en Melaboe-ri vier hebben wel hetzelfde gebrek, doch 
zyn vérder binnenwaarts beter te bevaren. Het binnenkomen dezer rivieren 
wordt verder bemoeilijkt door de hevige branding op de banken, vooral sterk 
en gevaarlek by den W. moesson. 

De westkust van Atjeh wordt ingenomen door een groot aantal kleine kust- 
staatjes, die vroeger het souvereine gezag van Atjeh erkenden maar daarna akten 
van verband met het Nederlandsen gezag hebben gepasseerd en onze opper» 
macht erkennen. De bevolking bestaat meest uit Atjehers en Maleiera. In al die 
westelyke kuststaatjes is, met uitzondering van Soesoe en Tampat, de landbouw 
het hoofdbedrijf; in deze genoemde twee landschappen houdt men zich meer 
met kustvaart, handel en vischvangst bezig. De hoofdprodukten zijn peper en 
r\jst; als nevencultures worden geteeld suikerriet, koffie, klappers, pinangnoten, 
muskaatnoten en tabak. De nijverheid is er weinig ontwikkeld en bestaat hoofd* 
zakelijk in het bouwen van huizen, het vervaardigen van prauwen, landbouw- 
werktuigen, wapenen, goudsmederij, eenige koperpletterij, zijdeweverij, zoutziederij, 
het vlechten van matten, maar alles op kleine schaal. De bodem levert steen- 
kolen, goud, koper en ijzererts. 

De produkten, die het land levert, worden uitgevoerd langs de kustplaatsjes 
met eenigszins bruikbare reeden, waar de handel hoofdzakelijk wordt gedreven 
door Nederlanders, Engelschen en Chineezen van Penang. Als zoodanig noemen 
wij de Tampat Toeanbaai, met de kampong Tampat Toean, welkereede 
eens in de vier weken wordt aangedaan door de schepen der K. Paketvaart- 
maatschapplj. Verder de Baai van Koeala Batoe, de Melaboe-baai, het 
eilandje Raja dicht by de kust, met een reede, die eens in de vier weken wordt 
aangedaan door de schepen der Kon. Paketvaartmaatschappy. Singkel is in den 
laatsten tyd administratief by Atjeh gekomen (Zie pag. 300). Nog vindt men 
bebalve de genoemde, onderscheidene kleine, weinig beduidende reeden aan deze 
kust, waaraan kampongs gelegen zyn, doch deze gaan wy voorby. Een belangrijk 
punt aan deze kust is Koningspunt of Oedjong Radja, de hooge, aan alle 
kanten kenbare hoek, waar de rotsige kust steil uit zee oprijst. Nog een korten 



Digitized by Google 



307 



afstand met steile kust, en w|j zijn bij Atj eh-hoofd , een bergachtig voorland 
aan de noordkust van Sumatra, aangekomen. 

B. De Noordkust van Atjeh, Van Atjeh-hoofd tot Pedro-punt loopt de kust 
ongeveer in O.N.O. richting. Deze beide hoeken vormen de uiteinden der parallelle 
uitloopers van den Barisan en sluiten het dal der Atjeh-rivier in. Hier vormt bij 
genoemde hoeken de kust twee baaien, de westelijke, de baai van Ole h l eh, 
en de oostelijke, de baai van Oigieng. Tusschen de steile hoekpunten ligt 
een zandig strand, waar op enkele plaatsen het zand tot duinen van aanzienlijke 
hoogte is opgewaaid, met een smal strookje zeestrand er voor. Achter deze zandige 
kuststrook ligt een grootendeels moerassig en weinig begroeid teirein, hier en 
daar met hoog geboomte begroeid, en dat doorsneden is van „troesans" of lagunen, 
waarin onderscheidene kustwateren uitmonden. Deze echte lagunenkust met 
„Nehrungen" gaat landwaarts over in een hooger en droger terrein, met sawah's 
overdekt, waar de kampongs, verscholen achter klapperboomen, schilderachtig uit- 
komen tegen het blauwe, bergachtige achterland. Wy staan hier voor de Atjeh-vallei. 

De Atjeh-vallei wordt aan beide zijden door bergruggen begrensd. De wes- 
telijke bergrug verheft zich steil uit de vlakte tot een aanzienlijke hoogte en 
kan worden beschouwd als het noordelijk uiteinde van den Barisan keten. Over 
't geheel zijn de lagere berghellingen met alang alang, de hoogere met oerwoud 
bedekt, waardoor slechts enkele, zeer moeielijk begaanbare paden naar de west- 
kust leiden. De oostelijk van de vallei gelegen bergrug vertoont eon geheel 
ander karakter, is minder hoog (800 — 500 M.), met uitzondering van den be- 
noorden Seulimeum zich verheffenden top Seulawaïh Agam (1726 M.), inde 
wandeling de Goudberg genoemd, een uitgedoofde vulkaan, zooals de kegelvorm 
en de in zijn omtrek voorkomende warme bronnen en solfataren aantoonen. 
In Z.O. richting is deze berg door een lagereu rug, die de waterscheiding vormt 
tusschen Groot-Atjeh en Pedir, met het centrale hoofdgebergte verbonden. Met 
uitzondering van den Goudberg en de vallei-randen is dit oostelijke gebergte 
schaars met bosch bedekt. 

Het N.W. gedeelte der Atjeh-vallei wordt gevormd door een uitgestrekte, 
wegens haar vruchtbaarheid bekende laagvlakte, welke zuidoostwaarts, bij Tjot 
Mantjang, Indrapoeri en Mamprée wordt begrensd door heuvelterrein, vroeger 
een plateau, maar thans door de Atjeh-rivier en haar talrijke zijtakken diep 
ingesneden. Op deze vlakke heuvelkoppen, en vooral in de enge dalen, zijn 
sawah's aangelegd. 

De vallei wordt in de lengte doorstroomd door de Atjeh-rivier, die ont- 
staat uit tal van bystroomen in het hoogland, en eerst door een smal dal stroomt, 
dat in den benedenloop zich verbreedt. Van 5° 20' N.Br. af is verder noordwaarts 
de vallei en zijn enkele zijdalen met reeksen kampongs bezet. De rivier is tot 
Anagaloeng voor groote prauwen bevaarbaar en verder op nog voor kleinere. Voor 
den mond bevindt zich echter een breede baar, waarop meestal hevige branding 
staat, en die het binnenkomen bemoeiel\jkt. De breedte aan den mond bedraagt 
ongeveer 100 M. Door een troesan, welke alleen voor sampans bevaarbaar is, 
is de rivier verbonden met de lagune van Tjangkoel. 



308 



De oevers der Atjeh-rivler zyn in het benedengedeelte moerassig, doch op 
ongeveer 3'/, K.M. van den mond, by de kampong Djawa, verkrijgt het land- 
schap een ander aanzien. Gedurende den regentyd echter veroorzaakt de Atjeh- 
rivier door haar overstroomingen vaak groots verwoestingen, waarby het geheele 
land van Oleh-leh en den kraton wordt onder water gezet 

Ten oosten van Pedro-punt strekt zich de noordkust van Atjeh met een 
zacht gekromde holle bocht in hoofdrichting naar het oosten uit tot Diamant- 
punt, de N O. hoekpunt van Sumatra. Hier is langs de geheele kust tot nabg 
Telok Semaweb, in tegenstelling van die langs Groot-Atjeh, het land berg* ot 
heuvelachtig tot het strand, met strandlagunen in enkele gedeelten. Vervolgens 
houdt het bergland van Sumatra op en hier zet zich de kustvlakte van Oost- 
Sumatra voort naar het N., welke een aanzieniyke breedte heeft. 

Door deze formatie des lands bestaan er voor het grootste gedeelte dezer 
kust slechts smalle kustvlakten. Over 't geheel is het een gesloten kust, en de 
meeste plaatsen zyn onbelangryke kampongs. Wel vindt men aan deze kust 
onderscheidene rivieren, die toegang geven tot het land, maar de meeste dezer 
bezitten ondiepe mondingon en zyn (niet ver bevaarbaar. Op enkele der aanleg- 
plaatsen willen wy de aandacht vestigen. 

Segli ligt op de plaats, waar de Koeala Segli, de oosteiykste en voornaamste 
mond der Pedir-rivier, met twee aanhoudend in richting en diepte veranderende 
geulen, van welke de westelykste by laagwater droog valt en de oostelykste dan 
slechts een diepte van 2 voet heeft, in zee valt. De Koeala wordt 2 zeemyi 
van de kust zoo smal, dat zy alleen voor ondiep gaande Atjehsche prauwen 
(djaloers) bevaarbaar is. Toch heeft zy beteekenis door het vry dicht bewoonde 
gebied, dat zy doorstroomt. 

Te Segli bestaat een militaire post aan beide zyden der Koeala Segli, en 
by den mond dier rivier staat een groote loods tot opslag der produkten. Eens 
in de 14 dagen, zoowel op de heen- als terugreis, wordt Segli aangedaan door een 
der schepen van de Kon. Paketvaartmaatschappy op het traject tusschen Batavia — 
via Padang en Edi en bovendien door bootjes tusschen Atjeh en Penang, terwül 
het door een stoomtram met Atjeh verbonden is. Op ongeveer 1'/, K.M. van 
Segli ligt aan de rivier de aanzieniyke kampong Pedir met een vervallen oud 
Portugeesch fort. 

Verder oosteiyk vormt Koeala Endjoeng den mond eener vry belang» 
ryke rivier met aanzieniyke scheepvaart. De rivier buigt zich onmiddeliyk binnen 
den mond naar het W. om, loopt ongeveer drie K.M. evenwydig aan de kust 
door de kustvlakte, waar de kampong Endjoeng ligt. Vervolgens vormt de 
Olim-ri vier een breeden mond van 100 M., waaraan op ruim 2 K.M. van de kust 
de kampong Olim Ugt. De rivier versmalt weldra, maar is nog diep genoeg voor 
kleine schepen, en na 2K.M. vindt men or de belangryke kampong Mand jan g. 

De Koeala Samalangan is de ondiepe mond van de rivier van dien 
naam; tot de kampong Samalangan, op l'/j K.M., heeft zy by laag water 3 
voet diepte. Aan den mond vindt men lagunen. Koeala Doi of Koeala 
Had ja vormt den mond van een vry belangryke en diepe rivier, die met hoog- 
water door sloepen gemakkeiyk valt binnen te loopen, met een kampong aan 



Digitized by Google 



309 

den mond. Vervolgens zien wy de Koeala Pasangan, een vry groote rivier, 
met lagunen aan den mond, die voor ondiepe prauwen bevaarbaar ztyn. 

Verder oostehjk vinden wy T e lo k Semaweb, een militaire post, by den 
N.O. hoek van bet bergland op een eilandje van dien naam, met een goede, 
veilige reede. Door de gunstige ligging (Jhr. Schmidt auf Altenstüdt noemt 
bet de beste haven van Atjeh's noordkust) vindt men hier handel en scheep- 
vaart en verschillende volkselementen als Groot-Atjehers, Pedireezen, Passeiers 
e.a. hebben er zich gevestigd, en ook de Chineezen ontbreken er niet De sterkte 
der bevolking wordt op 2500 zielen geschat (400 Chin.) 

, Als v*y de gesteldheid en de ligging der Noordkust van Sn- 

Opkomst cn 

achteruitgang uiatra overzien, springt in het oog, dat onderscheidene natuurUJke 

vanAtjeh.Te- voordeelen hier de opkomst van handel en verkeer begunstigden. 

genwoordige p e ^ üs i hoewel geenszins een uitmuntende havenkust vormend, 
toestand. 

had toch onderscheidene bruikbare toegangsplaatsen voor de scheep- 
vaart in den ouden tyd, en het heuvelland, dat den achterrand vormt, was niet 
zoo hoog, of de verbinding met het binnenland was goed tot stand te brengen 
en werkte dus niet scheidend. Daardoor konden de produkten van het achter» 
land hier goed de kust bereiken. Daarenboven was deze kust gunstig gelegen 
voor de handelsvolken van het vasteland van Azië: de Indiërs, Chineezen en 
Arabieren, en by het verkeer langs de kust van dit werelddeel en naar den 
Archipel lag de noordkust van Sumatra in de route, om het eerst en meest 
bezocht te worden. 

De verschillende geographische voordeelen maakten deze kust tot den be- 
middelaar van Noord-Sumatra met de handelaren van het vasteland, en de ge- 
steldheid des lands met zyn rivieren en lagunen vormde er tevens een oefen- 
school voor de zeevaart, zoodat de bewoners van hier langs de kusten weldra 
ook andere gedeelten van het eiland bezochten. Terwyi aldus de handel tot 
bloei kwam, ontwikkelden de nederzettingen aan de kust zich tot hoofdplaatsen 
van welvarende staatjes, welks hoofden of vorsten de voordeelen van dien geo- 
graphischen toestand genoten, en al spoedig een zekere macht en grootheid 
aan den dag legden. Zoo ontstonden in de oudheid de havenstaatjes : Passei, 
(Pasai, Pasó), Pedir (Pidië) en Atjeh. In Passei lag het in oude kro- 
nieken genoemde Samoedra ofSamadra, een belangrijke zeehaven, die met 
het staatje van dien naam samenviel, en waarop de Arabieren in de 12do eeuw 
drukken handel dreven. Wy zagen, dat de naam dier stad, waarvan nog sporen 
in de nabijheid van Segli schynen aangewezen te kunnen worden, overging op 
geheel het eiland (II pag. 199). 

De kustplaatsen aan de noordkust van Sumatra leverden in de middel- 
eeuwen peper, benzoë, kamfer, sapanhout, goud, pinang, zwa- 
vel, getah-per tjah , rhinocer os-hoor n en zyde aan den handel. Volgens 
Rouffaer is de pepercultuur in het laatst van de 14de eeuw van Voor-Indië 
naar Sumatra overgebracht. Zelfs verkreeg men in dien tyd al petroleum 
van Perlak, die, meent Rouffaer, als oorlogsmiddel op zee gebruikt werd en 
een soort van Grieksch vuur leverde. 



Digitized by Google 



310 



Van die kuststaatjes, welke zich aldus op Noord-Sumatra ontwikkeld hadden, 
werd Atjeh in het eind van de middeleeuwen de belangrijkste. Zeker heeft de 
gunstige ligging in de vallei der Atjeh-rivier, met een gemakkelijk, te bereiken 
en aanzienlek achterland en een betrekkelijk goede toegang uit zee, zooals die 
by geen der andere staatjes in die mate gevonden wordt, er toe medegewerkt 
Atjeh het meest te doen bloeien. Yoornameiyk is Atjeh tot rykdom gekomen 
in den tyd der Portugeezen. In de 15de eeuw en het begin der 16de was Ma- 
lakka als handelsplaats voor het oosten, wat Singapore thans is. Toen in 1511 
Malakka door de Portugeezen veroverd werd, verplaatste zich de handel naar 
Atjeh, en dit staatje werd weldra de machtigste staat van geheel Sumatra. De 
toenemende rykdom des volks ging gepaard met energie en deed de havenkoningen 
van Atjeh, de sultans, naar expansie van gezag streven, zy het ook voornameiyk 
om handelsvoordeelen te verzekeren. Dit gelukte, en zoo zien wy in bet begin 
der 17de eeuw den vorst van Atjeh als souverein erkend in de kuststreken 
van noordeiyk Sumatra, aan de westkust tot aan Salida, aan de oostkust tot 
aan Siak. Zoo leerden de Europeanen Atjeh kennen als een zekere suprematie 
over Noord-Sumatra uitoefenend; de vorsten dier vele staatjes waren vazallen 
van Atjeh. Wy zagen reeds, dat de Europeanen allengs de macht van dit ryk 
beperkten. 

De kern van dat handelsgebied was Groot-Atjeh, en de haven van Atjeh 
werd in de 16de eeuw druk bezocht door de natiën, die op den Indischen Oceaan 
handel dreven. Vooral de Portugeezen hadden drukken handel op Atjeh. Cornelis 
Houtman bezocht Atjeh in 1599 en vond er veel handelaars; de rykdom van 
den vorst en de glans van het hof in dien tyd worden met schitterende kleuren 
geteekend. 

De Nederlanders, die hier in 1601 een tactory (Zeeland) vestigden, konden 
evenwel in Atjeh geen vaste plaats behouden; in 1616 werden zy verdreven. Die 
afbreking van den handel met Atjeh had evenwel ten gevolge, dat de Neder- 
landers de suprematie van dit ryk op Noord-Sumatra het meest bestreden en 
weldra gedeelteiyk de plaats innamen, door Atjeh eens bezet. 

Zoo ging in het laatst der 17do en in de 18de eeuw Atjeh's handel weder 
achteruit, en de souvereiniteit van den sultan werd hoe langer hoe meer beperkt 
of bleef alleen in naam bestaan. Met het begin der 18de eeuw begon het ryk 
bepaald te vervallen. Batoe Bara, ten Z. van Deli, verklaarde zich in 1705 on- 
af hankeiyk ; Siak maakte dezelfde aanspraken en breidde langzamerhand zyn opper- 
gezag uit tot aan de Tamiang-rivier. Ook inwendige verdeeldheid en burgeroorlog 
ontnamen aan Atjeh een groot gedeelte van zyn kracht. Toen de Engelschen 
Poeloe Penang en Malakka in bezit namen, had Atjeh, aan alle zyden door Engelsch 
bezit omringd, in de eerstvolgende jaren geen aanraking met eenige andere Euro- 
peesche mogendheid. In 1816 herstelde Raffles den verdreven sultan van Atjeh 
op zyn troon en sloot met dezen in 1819 een verdrag, dat verviel door het 
tractaat van 1824 tusschen Engeland en Nederland gesloten (Zie I pag. 433). 
Nederland nam hierby op zich de verplichtingen met Atjeh in dier voege te regelen, 
dat onder zyn invloed deze staat, zonder iets van zyn onafhankeiykheid te 
verliezen, den zeevaarder en handelaar bestendige veiligheid zou aanbieden. Het 



Digitized by Googl 



311 



sluiten van een nieuw contract met Atjeh bleef achterwege. Sedert bleef de 
verhouding met Atjeh steeds onzeker, en hoewel in 1867 een verdrag werd 
gesloten met den sultan, bevattende toelating van wederzydsche onderdanen tot 
handel, scheepvaart en verbhjf en het tegengaan van zee-, strand- en menschen- 
roof, toch bleef Atjeh een roofnest, dat de omgelegen zee onveilig maakte en 
zich weinig stoorde aan de verdragen. Eerst toen in 1871 het Sumatra-tractaat 
met Engeland gesloten was, kreeg Nederland vrijheid van bandelen met Atjeh, 
en in 1873 brak de Atjeh-oorlog uit, die na veel strijd eindigde met de be- 
zetting van Groot-Atjeh en langzame onderwerping der vorstjes en staatjes van 
Noord-Sumatra, die met Atjeh in verbinding stonden. Het achterland der Gajo- 
en Alias-landen, die steeds den stryd der Atjehers voedden, en welk gebied nog 
zoo goed als geheel onbekend was, werd eerst in 1904 tot rede gebracht. 

Door den Atjeh-oorlog is de toestand in Atjeh geheel veranderd, en zyn 
de gewesten van Noord-Sumatra afhankelijk van Nederland. Vóór den aanvang 
van den oorlog was de handel op Atjeh reeds geheel vervallen. De haven van 
Atjeh, vroeger zoo druk bezocht door Europeanen, werd voor een dertigtal jaren 
slechts zelden door hun schepen aangedaan, tenzy ze door tegenwinden of gebrek 
aan water daartoe genoopt werden. Van Penang en Singapore, vooral van het 
eerstgenoemde, bezochten jaarhjks een 15 a 20 tal brikken de kust van Pedir 
in de maanden Juni tot Augustus, om betelnoten te halen, waarvan dan de 
oogsttijd is, maar zelden kwamen die te Atjeh. Een tien- of twaalftal schepen 
van Klingaleezen bezocht jaarlijks Atjeh op hun reizen van en naar Singapore, 
terwyi ook Arabische schepen, die met bedevaartgangers voor Singapore kwamen, 
soms Atjeh aaudeden. Eenige weinige schepen van Surate brachten er dadels, 
zout en inlandsche manufacturen, en eenige jonken en topen van Chineezen te 
Penang kwamen er rvjst halen. Wel waren de Atjehneezen zelt stoute zee- 
vaarders, die met eigen schepen van zonderling maaksel in jaren van overvloed 
de voortbrengselen van hun landbouw, vooral r\jst en pinangnoten, op vry groote 
schaal naar naburige gewesten voerden, maar deze handel was in belangrijk- 
heid niet te vergeleken met dien der 16de eeuw, toen goud en koper er in 
aanzienlijke hoeveelheid werden uitgevoerd en zelfs edelgesteenten in Atjeh 
werden verhandeld. 

De peperhavens der westkust, groótendeels door Atjehneezen maar ten 
deele ook door Maleiers en Pedireezen bewoond, werden deels door vaartuigen 
van Penang, de kust van Koromandel en uit de Ned. bezittingen van Sumatra's 
Westkust bezocht, gedeelteiyk door Amerikaansche schepen. De laatste be- 
taalden de verkregen ladingen met pilaardollars en opium en waren daardoor 
zeer gezien. Duizenden pikols peper werden van bier uitgevoerd, hoewel die 
uitvoer ook voor een dertigtal jaren reeds veel verminderd was. 

Onder het bevestigd Nederlandsen gezag is in Atjeh de orde hersteld, zyn 
er tal van wegen aangelegd, de verwoeste kampongs weder herbouwd. De 
aanleg van den stoomtram (zie II pag. 284) heeft het verkeer vergemakkeUjkt, 
en de produktie des lands is weder toegenomen. De hoofduitvoerartikelen zyn 
peper, pinangnoten, getab, coprah, rotting en huiden (zie II pag. 20). Den invoer 
leert ons het volgend overzicht kennen. 



312 



Invokk in Groot-Atjkh. 


1902 


1904 




ƒ250 289 


ƒ232 050 




3 805 254 


2 679 960 




703 129 


683 510 


Tabak (K.G.) 


85736 


91 741 




ƒ01 580 


ƒ68 580 


Gedroogde visch (K.G.) ..... 


166 883 


224 730 




200156 


ƒ438 952 


n invoer van Fedir leert het volgend overzicht kennen. 


Invoer van Prdib. 


1902 


1904 




ƒ109 354 


ƒ55 437 




18 989 


40 612 


Kramery n.a.g. (id.) 


ƒ76 138 


ƒ7 047 


Manufacturen n. a.g. (id.) .... 


ƒ360 017 


ƒ100 807 


Meel n. a. g. (K.G.) 


74 762 


92 556 




162 453 


73 927 


Rijst, gepelde (K.G.) 


3 336 200 


8 407 780 




331909 


311 355 


Tabak, niet v. d. Holl. markt (K.G.) 


27 610 


14 240 


Visch, gedr. of gezouten (id.) . . . 


| 309 583 


1 376 802 



De hoofdplaats van hot gouvernement is Kota Radja, l 1 /, uur gaans van 
Oleh-leh gelegen, met 5026 inw. (waaronder 1169 Chin., 461 Europ., 340 vreemde 
Oosterl. en 20 Arab.). Kota Radja is de vroegere kraton of dalam van den Sultan. 
Die kraton beslaat een langwerpig vierkant, met een muur omringd en door 
een gracht ingesloten, 1500 M. lang en 800 M. breed, en door een riviertje, 
Kr oen g Doeroe, doorsneden. De binnenruimte wordt gebruikt voor woning 
van den Gouverneur, voor militaire en civiele bureaux, officierswoningen en 
kazernen. Aan de zuidzijde van den Kraton ligt het prachtige militaire kampe- 
ment te Nesoek. Aan den weg naar Pantei Perak zijn woningen voor officieren 
en ambtenaren gebouwd. Voor Chineezen, Javanen en vreemde Oosterlingen zijn 
afzonderlijke wijken aangewezen, de eerste aan den linkeroever, de laatste aan 
den rechteroever der Atjeh-rivier. 

De havenplaats van Atjeh is Oleh-leh, op de zandige landtong tusschen 
de lagunen van Tjangkoel en de kust aangelegd. Een drietal hoofden biedt ge- 
legenheid tot lossen en laden: het westelijkste, een ijzeren hoofd, tot waar de 



Digitized by Google 



■ 



313 

stoomtram van Kota Radja doorloopt, is het z.g. Gouvernementshoofd, het tweede 
of z.g. Chineesche hoofd is evenals het derde van hout. Onder het Sultansbestuur 
was Oleh-leh een onbeduidend plaatsje, daar de schepen hier niet mochten ankeren, 
maar den mond der Atjeh-rivier moesten opvaren naar de hoofdplaats om daar 
tol te betalen. De hoofdstraat der nederzetting strekt zich een halfuur gaans even- 
wijdig met het strand uit; zij wordt eerst gevormd door het Europeescbe kwartier, 
vervolgens door de Chineesche wijk. Een houten brug over de lagune verbindt 
de plaats met de Atjehsche kampong. 



Ten N. van Atjeh doet het gebergte van Sumatra zich nog 
en > °dc° e havca bennen door ©enige afgescheurde, rotsige eilandjes. In het W. liggen 
van Sabang. Poeloe Nasi Besar en Poeloe Beras met omliggende 
Beteekenis kleinere eilandjes. Doch van meer belang is het eiland Poeloe 
van Sabang! w 6 D ' in üet 008ten gölögen. De naam beteekent in het Atjehneesch 
„plotseling ontstaan" of „aangedreven eiland". Het is een berg- 
achtig eiland, weelderig begroeid, en heeft een oppervlakte 180 K.M. 3 , bijna '/io 
van de provincie Utrecht Het eiland is schaars bewoond, want bet aantal be- 
woners, de niet-Atjehsche medegerekend, gaat weinig boven de 1000. De be- 
woners zijn meest Atjehneezen, enkelen uit Pedir, die zich hoofdzakelijk toe- 
leggen op ladangbouw, pepercultuur en vischvangst. Evenwel de productie maakt 
dit eiland niet belangrijk; het is bovenal de natuurlijke geschiktheid voor den 
aanleg van een haven en de gunstige ligging aan den verkeersweg van Europa 
en Noord-Amerika door het Suez-kanaal via de Straits naar Singapore, die Poeloe 
Wen beteekenis geeft. 

Poeloe Weh werd reeds in 1878, vóór het begin der tweede expeditie tegen 
Atjeh, door een onzer oorlogsschepen bezocht. In 1877 zond de civiele en mili- 
taire bevelhebber van Atjeh er een commissie heen met opdracht om te onder- 
zoeken, of dit eiland geschikt zou zijn er een gezondheids-etablissement op te 
richten, doch het oordeel daarover was ongunstig. Men schatte destijds de bevolking 
op ongeveer 500 zielen, waarvan vijfmaal meer mannen dan vrouwen, omdat de 
meeste mannen er voor de pepercultuur slechts tijdelijk verblijf hielden en hun 
vrouwen in Atjeh achterlieten. Het eilandje was op vele gedeelten met bosch 
bodekt; men vond er kokondo modderwellen en solfataren. Poeloe Weh was 
destijds in vier districten verdeeld onder van elkander onafhankelijke hoofden, 
en de aanzienlijkste bevolking werd in district Balohan gevonden. De Ned. vlag 
werd er het eerst geheschen den 44on Aug. 1877 by de Balohan baai of Zuid- 
baai, die men uit maritiem oogpunt toen het belangrijkst achtte. Deze baai werd 
in 1880 en 81 opgenomen door een onzer oorlogsschepen. De Sabang- of Noord- 
baai van het eiland werd in 1887, 88 en 98 door onze oorlogsschepen opgenomen. 

Sedert 1886 betoonde men meer belangstelling in dit eiland, en in 1887 
werd het geheel topographisch opgenomen. Allengs werd de aandacht het meest 
gevestigd op de Sabang-baai en op de Straits zag men reeds in, dat Sabang 
wellicht eens een belangrijke mededinger kon worden voor Penang. In 1890 
werd door de Indische regeering voor de som van ƒ6000 aan de firma Lange 
& Co te Batavia een terrein van 65 000 M* aan de noordzijde der Sabang-baai 



Digitized by Google 



314 



afgestaan. Wel werd in 1892 in de Ned. Tweede Kamer Foeloe Weh besproken, 
en de plaats op advies van Kolonel Pompe van Meerdervoort, Gouverneur 
van Atjeh, genoemd als handelsstation, doch niet vóór 1893 werd de eerste 
Ned. vestiging aan de Sabangbaai gesticht. Sedert 1893 heeft Sabang een mili- 
taire post, en van dien tijd dagteekent ook de feitehjke inbezitneming van het 
eiland. In 1895 begon de firma Lange & Co niet kracht aan do werkzaamheid, 
om er een kolenstation en gelegenheid tot aanleg te bouwen, en in Nov. van 
dat jaar loste het eerste stoomschip, Sumatra, er zijn lading aan een steiger. Sedert 
werden de werken uitgebreid, werd er op de plaats der vroegere kampong Sabang 
een nederzetting gevestigd, werden huizen en militaire établissementen gebouwd, 
een waterleiding aangelegd, steigers, pakhuizen en havenwerken tot stand ge- 
bracht, het eiland telegraphisch met Atjeh enz. verbonden. In 1900 werd er 
een droogdok geplaatst en hotels enz. werden er opgericht, wegen aangelegd. 
In plaats van de Firma Lange & Co is thans de „Maatschappij Zeehaven en 
Kolenstation Sabang" getreden, die volgens contract met het Gouvernement de 
haven exploiteert en beschikt over uitgestrekte terreinen, steigers, kolenloodsen, 
electrische kranen, een ijsfabriek enz., terwijl ongeveer 500 personen in dienst 
der Maatschappij zijn. Sedert Sept. 1908 wordt Sabang geregeld aangedaan door 
de mailbooten der Stoomvaartmaatschappij Nederland. 

De Sabangbaai beeft een opening van 750 M. breed en de ankerplaats is 
1500 M. lang, 900 M. breed en binnen den aiatand van ± 100 M. van de kust 
15—22 vadem diep. De bodem bestaat uit zand, koraal en steen en en vormt 
goeden ankergrond; de ruimte is voldoende dat 15 stoomschepen er thans veilig 
en zonder hinder van elkander kunnen ankeren. 

De haven van Sabang werd in 1904 bezocht door 21 vreemde oorlogsschepen 
(16 Fransche, 2 Engelsche, 2 Italiaansche, 1 Duitsche) en door 130 handels- 
schepen (79 Engelsche, 28 Nederlandsche, 10 Duitsche, 6 Noorsche, 3 Oosten- 
rijksche, 3 Fransche en 1 Deensche). Nederlandsche oorlogschepen, gouverne- 
mentsstoomers en stoomschepen zijn hierin niet begrepen. 

Beteekenls der Bü het nagaan der beteekenla van de havens van Nood- 
havens aan de Sumatra moet men wel onderscheiden, of zij opkomen en bloeien 

Straat van Ma- door het onmiddellijk er mede verbonden economisch achterland, 
lakka. ^ an we j Q j z y a j fl ( U8SCüenQaven8 aan h un bevoorrechte geo 

graphische ligging de opkomst te danken hebben. De havens van Singapore en 
van de Straits Settlements in 't algemeen behooren tot de laatste categorie; de 
haven van Oleh leh tot de eerste. De haven van Sabang moet ook tot de laatste 
categorie gerekend worden, en het is wel met het schitterend voorbeeld van ge- 
noemde Britsche havens voor oogen, dat men van Sabang verwachting heeft in de 
toekomst. Het productie-gebied van Noord-Sumatra brengt tot nog toe niet genoeg 
voort om Sabang naast Oleh-leh te doen opkomen tot een groote havenstad, maar 
mede als tusschenhaven voor den ingang in Straat van Malakka kan het ongetwijfeld 
beteekenis erlangen, vooral nu door de ontsluiting van Oost- Azië: van Achter- 
Indië, China en Japan, het verkeer in die straat van Europa uit sterk zal toe- 
nemen. Wanneer Sabang de geriefelijkheden aanbiedt voor den handel, welke 



315 



de £ngel8cbe havens bezitten, zal het ongetwijfeld een aandeel verkrijgen in 
het toenemend verkeer, dat langs dezen handelsweg plaats heeft. Sabang zal 
verder waarschyniyk in de toekomst een gedeelte van den handel op Noord- 
Sumatra overnemen, die thans nog is in handen van Penang. Doch daartoe 
moeten verschillende invloeden medewerken. Dit laatste is noodig, omdat Penang 
ontegenzeggelijk ten opzichte van de oostkust voor een groot deel van Somatra 
gunstiger ligt dan Sabang, op een uithoek van dat eiland gelegen. Zelfs zal het niet 
licht gelukken de oostkust van Midden- en Zuid-Sumatra geheel aan den invloed 
van Singapore, dat aangewezen ligt als haven van dit gebied, te onttrekken. 
Als de uiterste zuidgrens van het gebied, vanwaar Sabang den handel waar- 
scbynujk tot zich zal trekken, moet, zooals op economischgeographische gronden 
thans valt te oordeelen, de lijn beschouwd worden die van Padang, misschien 
van Benkoelen, uit het westen van Sumatra, valt te trekken naar Bengkalis 
op de Oostkust. Het gedeelte van Sumatra ten zuiden, of liever ten O. van deze 
ujn, zal aan de oostkust steeds blijven binnen de natuurlijke economisch geo- 
grapbische invloedssferen van Singapore en van Batavia. 

Hierbij moet verder in het oog worden gehouden, dat Penang en Singapore 
in werkeiyken zin des woords havens zijn met tusschenhandel. De transito- 
handel neemt hier een bescheiden plaats in, maar de handelaren koopen en 
verkoopen er voor eigen rekening; z\j importeeren en exporteeren er, wat zij 
gekocht en verkocht hebben. Alleen de tabak van Sumatra, die enkel ter over- 
scheping zijn weg over Penang neemt, moet hiervan uitgezonderd worden. Aldus 
zijn Penang en Singapore in werkeiyken zin handel shavens, en de handelaren 
dier steden geven mede den bloei en het leven aan de havens. 

Zal Sabang een belangrijke haven voor Noord-Sumatra worden, dan moet 
er op Sumatra ook handel gevestigd worden. De tabak, het eenige transito- 
artikel van Noord- Sumatra, kan langs de haven van Sabang misschien evengoed 
naar de Europeesche markt getransporteerd worden als over Penang, maar peper, 
pinangnoten, coprah, boschprodukten, huiden enz. moeten op Sumatra worden 
opgekocht en verhandeld, om voor invoerartikelen te worden geruild. Daardoor 
alleen kan de haven van Sabang een concurrent worden van Penang. Penang 
en Singapore zijn havens en tegelijk markten : als de markten van onderscheidene 
produkten verplaatst worden, zal dat met de uitvoerhavens eveneens het geval 
zijn. Daarom blijft het een praktische vraag van beteekenis, om de markt der 
produkten van Sumatra in dit geval te concentreeren op een Nederlandsche 
haven. Het versnipperen der producten over verschillende havens zal nadeelig 
zijn. De plannen, om of te Telok Semaweh, of aan de Langsarbaai, een tweede 
haven te stichten, kunnen dan alleen slagen, als een dier plaatsen tegelijk tot stapel- 
plaats gemaakt wordt. Voor de Oostkust en voor de Straat van Malakka ligt laatst- 
genoemde baai in economisch geographisch opzicht gunstiger dan Sabang in onzen 
tijd. Maar zonder den handel zal ook hier een haven weinig toekomst hebben. 1 ) Het 
wenscheiykst is daarom in den eersten tijd op Sabang het oog gevestigd te houden. 



1) Zie ook J. H. Cohen Stvabt. Sabang, Penang en onze handelsbetrekkingen met firiUch 
lndië. (Trjdicbr. t. NijT. «n Landb. 1905). 



316 

De oostkust van Atjeh maakt deel uit van de alluviale kust- 

Tja flnQtlf II Qf 

van Atjeh vlakte van Oost-Sumatra, die naar het zuiden zich langzaam ver- 
breedt, liet is een laag, moerassig terrein, veel met geboomte be- 
dekt, zoodat de kust zich van zee vertoont als zacht glooiend oploopend naar het 
binnenland, waar op een afstand van ± 50 K.M. het gebergte zich verheft, dat 
met eenige uitloopers en heuvelruggen in de vlakte doordringt De kust loopt 
over 't geheel recht, is niet geleed dan alleen in het Z., waar tusschen hoek 
Perolin en hoek Langsar een inham ± 7 K.M. in het land doordringt Echter 
wordt de vlakte doorstroomd van talrijke rivieren, die de namen dragen van de 
staatjes, aan de monden gelegen. Daar de benedenloop door de vlakte loopt, hebben 
zü meer beteekenis dan aan de westkust De belangrijkste zijn van het N. af: 
de Simpang Olim, de Arakoendor, de Edi Kajoet, de Perlak-ri vier, 
de Djingki- en de Langsarrivier. 

De benedenloop dezer rivieren loopt aan de kust veelal door moerassen, 
welke door tal van min of meer bevaarbare kreeken (soengei's en troesans) door- 
sneden zijn, die de onderscheidene stroomen verbinden, doch door overhan- 
gende boomen en andere oorzaken spoedig onbevaarbaar worden voor vaartuigen, 
grooter dan djaloers. Deze moerassige kust is veelal weinig bevolkt; men 
vindt er enkele kampongs, welker bewoners zich met de vischvangst bezig- 
houden. 

De belangrykste nederzetting aan deze kust is Edi, eigenlijk Edi-Rajoet 
(ook Idi geschreven), waar in 1873 de Nederlandsche vlag geheschen en oen 
militaire bezetting gelegd werd, ongeveer 5'/, K.M. rivieropwaarts gelegen in 
het staatje van dien naam. Door de gunstige ligging voor den handel heeft het 
zich binnen korten tyd krachtig ontwikkeld, zoodat Edi een der welvarendste 
landstreken van die kust vormt. In den omtrek der plaats zijn goede wegen 
aangelegd. De rivier Edi Ilajoet is tot de nederzetting Edi voor groote prauwen 
op te varen, waar zij vlak voor den pasar kunnen ankeren. 

De handel wordt voornamelijk gevoed door de pepercultuur, die ± 40 000 
pikols jaarlijks oplevert. Verder worden er uitgevoerd: pinangnoten, hout en 
boschprodukten. Chineezon van Penang koopen die vooral op tegen rijst, vee, 
petroleum, opium, lijnwaden enz. Eens om de veertien dagen wordt de reede 
van Edi aangedaan door een stoomschip van de Koninklijke Paketvaartmaat- 
schappij : traject Batavia, Padang, Oleh-leh, Edi, en eens in de vier weken door 
een atoomschip dier Maatschappij: traject Batavia, Muntok, Riouw, Belawan, 
terwijl er verder gemeenschap wordt onderhouden door onderscheidene bootjes 
met Penang en Oleh-leh. 

Aan de Perlak-rivier ligt de flinke kampong Per lak. Perlak is een der 
oudste en voornaamste rijkjes aan deze kust met bloeiende pepercultuur. In 
Perlak, van waar reeds in de oudheid , petroleum uitgevoerd werd, is omstreeks 
1876 door de Kon. Xed. Maatsch. petroleum geboord (Ipag. 556), die door pijp- 
leiding wordt afgevoerd naar Langkat, omdat de Perlak-rivier aan de monding 
te ondiep is voor de schoepvaart. 

Ten Z. van Perlak wordt de lage kust door tal van rivieren doorsneden, 
aan welker monden men kleine bagans of enkele visschershutten vindt, maar 



Digitized by Googl 



317 



overigens is de kust slechts op enkele plaatsen bewoond. De Bajangrivier, 
aan welker oevers men tal van troosans vindt, die alleen voor djaloers bruikbaar 
zijn, is met de zijrivier Simpang Anas vrij ver bevaarbaar voor vaartuigen 
van ongeveer 7 voet diepgang. De Langsar-baai heeft een toegang van 
± 7 K.M. en loopt even diep in het land, terwijl twee groote rivieren en eenige 
kreeken er in uitmonden, die tusschen de vele in de baai aanwezige banken, 
binnen het overigens ondiepe bekken diepere geulen openhouden. De Bi ring. 
rivier heeft een breeden, diepen mond, door moerassige oevers ingesloten, en 
kan ongeveer 7 K.M. bevaren worden door schepen van 7 voet diepgang. De 
Langsar*rivier mondt uit door twee geulen, die het eilandje Telaga Toedjoeh 
aan den mond insluiten. De rivier heeft voldoende diepte en kan ver bevaren 
worden. Men heeft er aan gedacht aan dezen riviermond een haven aan te leggen, 
als concurrent van Penang, hier tegenover gelegen in de Straat in Malakka, 
en een nieuwe stoomvaartlijn van Europa naar hier op te richten. 

V. De Residentie Oostkust van Sumatra. 

De residentie* Oostkust van Sumatra strekt zich langs de kust 
towfan^eno uit van A ^ eh 3 Onderhoorigheden, en wel van het gebied Langsar, 
komst" van °de tot ten zuiden van de Kampar rivier, waar de assistent residentie 
residentie. Al- Indragiri van de Residentie Riouw de grens vormt. In het westen 
g schr!jving e w <> rdt d © grens gevormd door de Padangsche Bovenlanden, Tapa- 
noeli en nog onafhankelijke gewesten der Bataklanden, waar de 
grens niet vast is aan te geven, en die ook door nieuwe tractaten telkens verlegd 
wordt. Het land bestaat als in geheel Oost<Sumatra grootendeels uit laagvlakte, 
met zachte hellingen oprijzend naar het westen. Wy hebben dit karakter des 
lands reeds vroeger beschreven, zoodat wij hierbij niet meer behoeven stil te 
staan. (Zie II pag. 200). Een groot aantal rivieren doorsnijden het land in O. 
en N.O. richting; zij doorloopen het berg- en heuvelland in diepe ravijnen en val- 
leien en voeren een groote hoeveelheid slib en bergpuin af, terwyi zij in den 
benedenloop dikwijls buiten hun oevers treden en de landen met lagen slib be- 
dekken. Langs de rivieren ontstaan door de geringe hellingen der terreinen 
uitgestrekte moerassen met wilde boschage begroeid, die ook de riviermonden 
dikwijls omzoomt (Zie I, pag. 225). 

Toen in 1863 de eerste Europeaan in Deli voet aan wal zette, was het 
geheole gebied, dat thans de Residentie Oostkust van Sumatra uitmaakt, onder 
het bestuur van talrijke Maleische vorsten, die volgens het Siak-tractaat van 
1858 onderhoorig waren aan den Sultan van Siak. Dit ryk vormde met die 
onderhoorigheden een afdeeling van de residentie Riouw, en was gesteld onder 
een te Siak wonenden Assistent-Resident. Toen in Deli de Europeesche cultures 
opkwamen, werd in 1864 te Laboean-Deli de eerste bestuursambtenaar geplaatst, 
een controleur, voor wien een woning aan de rivier werd gebouwd. In 1873 
werd het Rijk Siak en Onderhoorigheden tot een afzonderlijke residentie ver- 
heven met Bengkalis als hoofdplaats. Herhaaldelijk hadden er nog veranderingen 
plaats in de organisatie van het bestuur, o. a. in 1884, toen, nadat de Sultan 



318 



van Siak afstand had gedaan van zyn onderhoorigheden, de zetel van den resi- 
dent naar Medan werd verplaatst. De residentie ia gevormd en werd uitgebreid 
door het by elkander brengen van onderscheidene landschappen en rijkjes. Hiertoe 
behooren: het gebied van den Sultan van Siak, het eiland Bengkalis (in 
1878 door den Sultan in vollen eigendom aan het Ned. Gouvernement afgestaan 
tot vestiging van den Resident), de landschappen: Panei, Bila, Kota Pi- 
nang, Koealoe, Asahan, Batoe Bahra, Tandjong, Si Pareh 
Pareh, Pagoerawan, Deli, Serdang, Langkat en Tamiang, vroeger 
tot de onderhoorigheden van Siak gerekend; het gouvernementsgebied La- 
boean Batoe, de landschappen Kotta Pinang, Pelalawan, Tandjong 
Kasaoe, Loeboeq Bandhara, Tana Djawa en Siantar, die van 1864 
-1888 onze souvereiniteit erkenden, en nog verschillende landschappen en 
staatjes in het binnenland. De inlandsche vorstjes zyn door tractaten mot 
het Ned. Ind. gezag verbonden. Thans beBtaat de residentie administratief uil 
zes afdeelingen; nl.: 1. Deli, (hoofdpl. Medan), met de onderafdeeüngen 
Medan en Laboean-Deli; 2. Langkat (hoofdpl. Tandjong-Po era), met 
de onderafdeelingen Beneden-Langkat, Boven-Langkat en Tamiang; 
3. Serdang (hoofdpl. Loeboeq Pakam); 4. Padang en Bedagei 
(hoofdpl. Tebing Tinggi) en 5. Asahan (hoofdpl. Tandjong Balei"), 
met de onderafdeelingen Asahan, Batoe Bahra en Laboean Batoe. De 
6de afdeeling is de oude zetel van het bestuur, Bengkalis, met de hoofdplaats 
van dien naam, en verdeeld in drie onderafdeelingen: Bengkalis, Tanah 
Poetih en Siak. 

De eigenaardige toestand, dat hier het Ned. Gouvernement en Inlandsche 
vorsten naast elkander regeeren, en dat zoovele vreemdelingen zich hier vestigen, 
heeft byzondere regelingen noodig gemaakt voor het onderdaanschap. In 1884 
werd met wederzydsch goedvinden vastgesteld, dat als onderdanen van het Ned. 
Indisch Gouvernement worden boschouwd: alle Europeanen en daarmede gelyk 
gestelden, alle Chineezen, Japaneezen, alle personen in dienst van het Gouver. 
nement en alle, niet tot de inheemsche bevolking behoorende personen, gevestigd 
op door Gouvernementsonderdanen gedreven ondernemingen. Verder werd te 
Medan het Residentie-gerecht gevestigd, uitsluitend voor Europeanen, waaraan 
alle vorderingen kunnen onderworpen worden, niet boven /"1500 gaande. 

Toen het Nederlandsch bestuur voor een groot gedeelte in plaats van dat 
van den Sultan kwam, werden verschillende havens voor den handel openge- 
steld, het recht tot het heffen van in- en uitvoerrechten van de oorspronkelijke 
Maleische vorsten overgenomen, en een afzonderlek tarief van die rechten voor 
Deli vastgesteld. Als in- en uitvoerhavens werden aangewezen: Poeloe 
Moeda (Pelalawan), Siak Sri Indrapoera, Bagan api-api, Laboean 
Bilik, Soengei Djawi Djawi, Koeaio, Tandjong Balei, Tand- 
jong Tiram, Pagoerawan, Bandar Chalipah, Tandjong Bringin, 
Perbaoegan, Rantau Pandjang, Belawan, Tandjong Poera, 
Pangkalan Brandan en de Tamiang-rivier. Deze havens, toegankelijk 
voor alle schepen zonder onderscheid, heeten Inlandsche havens, in onder- 
scheiding van de havens op Gouvernementsgebied. 



Digitized by Google 



319 

Terwfll het Ned. Gouvernement zich alleen bepaalt tot het houden van toe* 
zicht op en het geven van leiding aan het Inlandsen bestuur, heeft de Inlandsche 
bevolking overigens zelfbestuur, bestaande uit Inlandsche vorsten en grooten. 
Van het zuiden naar het noorden gaande, vindt men aan de kust eerst het rijk 
Slak, waarvan de Sultan van Siak Sri Indrapoera en Onderhoorigheden ge- 
bieder is, vervolgens: het Rijk van den „Radja van Pelalawan'', dat van het 
„Hoofd van Rokan Ampat Kota", de afdeeling Laboean Ratoe, waarvan de 
Vorsten van Bila, Panei en Kota Pinang elk een deel besturen, en waartusschen 
het Gouvernementsgebied Laboean Batoe ligt, en verder het gebied van den 
„Vorst van Koeaio en Leidong.'' 

In deze gewesten werd meermalen beproefd tabak te planten voor de Euro- 
peesche markt, doch niet met succes. Daarmede had men meer resultaat in de 
volgende landschappen, nl. het r\jk van den „Vorst van Asahan", de landschappen 
Batoeh Bahra, Tandjoeng, Si Pareh Pareh, Pagoerawan langs de kust, en in 
het binnenland: Tanah Djawa en Siantar, bestuurd door verschillende hoofden, 
Padang en Bedagei (onder den Sultan van Deli), Serdang, waar een sultan 
regeert, eigenlijk Deli onder den „8ultan van Deli", Langkat onder een „Vorst" 
met den titel van „Sultan" en Tamiang (dat buiten de zone der tabakscultuur 
ligt), onder verschillende hoofden. Al deze vorsten, die door ons Gouver- 
nement erkend zijn, dragen lange Maleische titels met veel nuanceeringen; de 
hoogeren worden met „Toeankoe Sultan" aangesproken, de lageren met Toeng- 
koe, Datoe en Panghoeloe. Vóór de opkomst der Europeesche cultures waren die 
vorsten eenvoudige lieden, nauwelijks onderscheiden van de overige bevolking, 
doch door de rijke inkomsten, als gevolg van verleende concessies aan Euro- 
peanen, zijn het groote en rijke heeren geworden, die in deftige paleizen wonen. 
Doordat dit algemeen bekend werd, waren ook de bestuurders van minder door 
Europeanen bezochte streken gaarne bereid de vreemdelingen in hun landjes toe te 
laten. Van de Inlandsche vorsten bleef die van Tamiang nog lang onder Atjehschen 
invloed,' maar in 1893 werd dat door een expeditie tot erkenning van het Ned. 
gezag gebracht en in 1899 werd dit gebied 'voor Europeesche cultuur- en mijn- 
bouw opengesteld. In de meeste staatjes vindt men nog meer ondergeschikte 
waardigheidsbekleeders, zoogen. „rijksgrooten", die een deel van de inkomston 
van het land verkrijgen. Ook de hoofden der Bataksche kampongs in do Doesoen- 
landen (zie II pag. 245), welke aan de Maleische kustvorsten onderworpen zijn, 
vormen bijzondere waardigheidsbekleeders. De inkomsten dier onderscheidene 
Inlandsche vorsten bestaan uit directe heffingen van de Inlanders, en uit toe» 
lagen van het Ned. Indisch gouvernement, als vergoeding voor het afstaan van 
het recht der heffing van invoer- en uitvoerrechten. Verder genieten zi) zeer aan- 
zienlijke inkomsten als cijns van de landen, welke zy afstaan voor Europeesche 
cultures (voor tabak jaarlijks fl.— per bouw) of voor den mijnbouw, voor- 
namelijk petroleum. Deze laatste inkomsten z\jn de aanzienlijkste. 

De Inlandsche bevolking bestaat in de kuststreken meest uit Moham- 
medaan Bche Maleiers, daarbij uit een geringer aantal Bataks, en in het 
noorden uit Atjehers. In Siak en in de Timor-Bataklanden vindt men sporen 
van oude Javaansche immigratie en hier en daar Menangkabausche en Djo- 



Digitized by Google 



320 



horsche afstammelingen; in de Doesoenlanden vindt men heidenscho Bataks. 

Van de Inlanders verdienen velen tegenwoordig den kost by de Europeesche 
ondernemers, maar hun aantal is daarvoor op verre na niet voldoende. De overige 
Inlanders zyn, als de meesten van Sumatra, landbouwers, visschere en in- 
zamelaars van boschprodukten : getah, rotan en hout De landbouw staat laag: 
de teelt van rijst, het hoofdvoedsel, is byna overal geheel onvoldoende voor de 
locale behoefte. Alleen Asahan voert by goeden oogst ryst uit naar Deli en 
Penang. Verder beoefenen enkelen op kleine schaal eenige nijverheid. De rijst- 
bouw heeft in enkele streken op sawah's in andere op ladangs plaats. Waar 
meer tabakscultuur is, wordt na het oogsten der tabak een gedeelte der velden 
ook voor een jaar afgestaan voor rijstcultuur aan de Inlanders. 

Groenten- en vruchtenteelt dry ven de Inlanders weinig, doch Chineezen 
vinden daarin een goed bestaan. De Liberia-koffie-cultuur, die voor enkele jaren 
hier in trek kwam als volkscultuur, is door de lage prijzen weder achteruit ge- 
gaan. Peper wordt meest in het noordelijk deel aangeplant, notenmuskaat groeit 
in en om de meeste kampongs, pinangnoten en sirihbladeren voor plaatselijke 
behoefte vindt men overal, pinangnoton worden ook uitgevoerd. Ramboeng wordt 
geteeld om gomelastiek te verkrijgen; langs de moerassige kustgedeelten groeit 
nipah, uit de oerwouden haalt men rotan. De Inlanders bezitten slechts weinig 
vee ; wegens de vele rivieren, welke het land doorsnijden, en door de vestiging 
langs dezo waterwegen hadden zy weinig trekvee noodig, en ook de landbouw was 
niet tot een ontwikkeling gekomen, om veel ploeg* of trekvee noodig te hebben. 
De landbouw is meest hakbouw. De jacht op herten, de visch en het gevogelte 
voorzag vooral in dieriyk voedsel, zoodat ook daartoe geen groote veeteelt noodig 
was. De visschery aan de mondingen der rivieren doch ook in hqt binnenland 
voorziet in de locale behoefte. Hier en daar vindt men visch vy vers. In het zuiden 
der residentie wordt visschery als grootbedryf uitgeoefend, met uitvoer van ge- 
droogde en gezouten visch naar Penang en Singapore, een bedryf, waarvan de 
Chineezen zich meer en meer meester maken. 



De Residentie Oostkust van Sumatra is sedert ruim een kwart 

Europeesche 

cultures en eeuw geheel ander land geworden door de vestiging der Euro- 
veranderde peesche cultures, bovenal van de tabakscultuur. Wie thans ge- 
toestanden. d e e)ten als Deli bezoekt en overal het land met gebaande wegen 
ziet doorsneden, met een spoorweg, met goede woningen en zelfs prachtige ge- 
bouwen, kan zich moeielyk den toestand des lands voorstellen, zooals die was 
vóór 1863, toen hier de eerste planter voet aan wal zette. Geheel denatuurUjke 
gesteldheid des lands is veranderd. Hoe het toen in bet binnenland gesteld was, 
valt niet met juistheid te zeggen; alleen kan men op grond van overlevering, 
van oude reisjournalen en van hetgeen men in de nabyheid ziet, zich daarvan 
eenigszins een voorstelling maken. De vlakke strook lands, afdalend van het 
gebergte, dat de Toba-hoogvlakte omsluit, ten N.W. door het Gajo-gebergte be- 
grensd, was overdekt met byna óón woud. Naar do kust toe, waar de moe- 
rassige riviermonden en delta's vroeger grooter uitbreiding hadden, werd het 
bosch lager, tot het geleidelyk in het mangrove-woud overging op de plekken, 



Digitized by Google 



321 



waar het rivierwater zich met zeewater vermengde en de bodem ziltig 
werd. 

Langs de rivieroevers vond men zeer verspreid enkele kleine nederzettingen 
van Maleiers en in de hoogere streken van Bataks. In de nabijheid der 
kampongs was het bosch wel hier en daar gedeeltelijk geveld om open plekken 
te verkrijgen voor den ladangaanleg, maar telken jare werd een nieuw stuk 
bewerkt, en spoedig overdekten kreupelhout en jong bosch weder de plekken, 
waar voor kort rijst of maïs geteeld was. Groote, aaneengesloten aanplantingen 
hadden noch Maleier, noch Batak; hun palatuinen (notemuskaat) bestonden uit 
enkele boomen, alleen staande op verspreide, hooger liggende plaatsen. Hier en 
daar langs de rivieroevers zag men enkele pinang-boomen (betel-noot), en eenige 
vruchtboomen op hoogere zandruggen (pematangs) vormden de voornaamste aan- 
plantingen, die dikwijls door hun dicht onderhout en gebladerte met het om- 
ringend oerbosch wedijverden. Alleen de pepertuinen maakten hierop misschien 
een uitzondering, maar ook hier bleef de bodem nog door de schaduwrijke 
steunboomen bedekt, en werd zorgvuldig gewaakt, dat de peperaanplant niet 
na eenigen tijd door andero planten in woestenij veranderde. *) > 

Zoo was ook Deli voor ruim een veertigtal jaren nog zonder overdrijving 
één groot bosch te noemen. En thans is datzelfde land nagenoeg één alang alang- 
vlakte, slechts door enkele smalle strooken bosch doorsneden, die nog aan de 
byi der houtbakkers ontkwamen. De oorzaak van deze verandering in den natuur- 
bjken toestand des lands is de tabakscultuur. Door ervaring leerden de tabaks- 
planters toch al spoedig, dat de maagdelijke boscbgrond bijna zonder uitzondering 
het beste dekblad levert, hoewel ook andere invloeden daartoe medewerkten. Dit 
had tengevolge, dat voor de teelt van tabak steeds boschstreken gekapt werden 
en telkens weer nieuwe. Wanneer de tabaksoogst van het land was, werd meestal 
op de verlaten volden eerst ryst geteeld, en zij werden vervolgens aan de natuur 
overgelaten. Zoo verdween het oorspronkelijke woud uit Deli en werd vervangen, 
hetzij door alang-alang- velden, hetzl) eerst door laag kreupelhout, waaruit som- 
tijds een secondair bosch opgroeide, dat misschien later weer geschikt was om 
gekapt te worden voor de tabakscultuur. 

Toen aldus het oorspronkelijk woud in Deli verminderde, werd de vraag aan 
de orde gesteld, of men op het land, dat eens met tabak beplant was geweest, niet 
opnieuw tabak kon planten? Dit bleek werkelijk na eenige jaren mogelijk te zijn, al 
werd de soort van blad een andere. Vooral ook door de omstandigheid, dat in latere 
jaren een gewijzigde vraag ontstond op de markt naar licht gekleurd en dun dekblad, 
verkreeg de vraag actualiteit. 

Tal van proeven om de gebruikte velden weer kunstmatig te beplanten 
met bosch zijn genomen, maar de resultaten waren niet bijzonder. Door alang- 
branden werd niet alleen dikwijls de jonge boschaanplant verwoest, doch het bosch 
had ook geen tyd zich behoorlijk te ontwikkelen en een voldoenden bladhumus 
te vormen. Daarom is men meer en meer van de reboiseering teruggekomen, 



1) Dr. J. van Breda i e Haan, Regenval en reboiutie in Deli. (Meded. v. l*nd» 
Plantentuin XXIII). 

n 21 



Digitized by Google 



322 



om zich vooral toe te leggen op praktische bewerking van den bodem en 
die aldus vruchtbaar te maken. 

In de oerbo8schen is de tabakscultuur van deze gewesten eerst tot bloei 
gekomen. Zy is aangevangen in het gebied van Deli, omstreeks 1863, en succes- 
sievelijk over verschillende gewesten uitgebreid. Het volgend overzicht leert de 
verbreiding en productie kennen (Zie ook I pag. 508). 

Tabakscultuur in de Residentie Oostkust van Sumatra in 1903. 





Aantal onder- 


Aantal met 


Verkregen pro- 


GEWE8TEN. 


nemingen voor 


tabak beplante 


ductie in 1903 




denoogit 1903. 


velden. 


in pikola. 


Kigenlyk Deli 


40 


14 818 


151 726 




12 


2 744 


24 763 




30 


9 914 


101 635 




21 


5 384 


57 896 




3 


247 


1772 




8 


1666 


. 18 468 


Asahan 


14 


1968 


18 856 




128 


36 741 


372 515 



Werklieden Het was 060 moeiel N k begin om de tabakscultuur aan den 
gang te brengen. Toen door den Sultan van Deli concessie was ver- 
leend voor het planten van tabak op zijn gronden, was bet grootste bezwaar 
werkkrachten te bekomen. Aanvankelijk wilde de heer J. Nienhuis, de eerste 
planter, beginnen op de wijze, zooals op Java de tabakscultuur wordt gedreven, 
nl. door voorschotten te verleenen aan de Inlanders, om hen in staat te stellen 
tabak te planten op eenigszins ruime schaal, en die dan van hen op te koopen 
onder verrekening van het voorschot (Zie ook II. pag. 88). Deze methode mis- 
lukte; de Maleiera waren te ordeloos en te lui om tot een geregelde cultuur 
mede te werken. Ook het stelsel, om in daghuur te laten werken, mislukte, en 
hoewel door contracten met Maleische en Javaansche werklieden aan te gaan 
(de eerste koelie contracten in Deli), waarbij de worklieden zich verbonden om 
een zeker aantal planten te leveren, de eerste tabak kon afgeleverd worden, 
bleek het toch spoedig, dat op die wijze de cultuur niet voor ontwikkeling vatbaar 
was. Toen werden Chineesche koelies als werklieden gezocht, on werd weldra met 
dezen gecontracteerd, dat een zekere prijs bi) de levering van een hoeveelheid 
tabak zou betaald worden. Op die wijze ia het contractsysteem ontstaan, 
dat nog bestaat, zü het ook gewijzigd. De koelie-ordonnantiën, de eerste in 1880, 
die herhaaldelijk gewijzigd werden, het laatst in 1897 en 1903, omschrijven de 
rechten en plichten van planters en koelies ten opzichte van elkander. Tegen- 
woordig bestaat wel het grootste gedeelte der werklieden op de plantages uit 



- 



Digitized by Google 



323 

contract-koelies, maar toch vindt men er ook een aanzienlek aantal daglooners, 
zooals het onderstaand overzicht leert. 

Bü het zoeken van werklieden heeft men zich ook geenszins tot de Chi- 
neezen bepaald. In 1903 waren op de tabaksplantages werkzaam totaal 91622 
contract-koelies, waarvan 57 067 Chineezen, 3209 Klingaleezen of 
Klings (van Madras en Pondichery), 28 971 Javanen, 965 Bandjareezen, 
694 Bojans (van bet eiland Bawean) en 4844 daglooners, waarvan 2166 
Bandjareezen, 1287 Bataks, 767 Javanen, 218 Bantammere, 227 
Maleiers, 108 Gajo's. 

Deze werklieden van zoo verschillend ras verrichten in bet algemeen ook 
verschillende werkzaamheden. De Cbineezen vormen de hoofdwerkkracht, en zjj 
verrichten ook meest het eigenlijke werk: het planten en oogsten der tabak. 
Op hen volgen in aantal de Javaansche werklieden, die voornamelijk den graaf- 
en wegen-arbeid verrichten. Bojans bleken geschikte bouwers van droogschuren 
en koeliehuizen te zijn, Klings zijn bruikbaar voor graafwerk en vooral als karre- 
voerders, Bandjareezen en Siameezen, de laatsten zeldzamer, nemen in clubjes 
het bouwen van droogschuren op zich ; Maleiers willen wel koetsier wezen, doen 
ook diensten als schuitenvoerders, soms ook als boodschappers en schuurbouwers. 
De Bataks komen zich van tijd tot t\jd op de ondernemingen vestigen, maar 
zijn er zelden vaste werklieden; zij trachten door aannemen van het bosch* 
kappen en door het bouwen tijdelijk iets te verdienen om daarna weer naar 
het bergland terug te keeren. 

De belangrijkste werkkrachten zijn derhalve de Chineezen. De minst sterken 
onder hen werken op het etablissement, de hoofdvestigingsplaats eener plantage, 
en verrichten het fijnere werk in de fermenteerschuur, maken de tabak gereed 
voor den uitvoer naar Nederland enz., en de krachtiger personen verrichten het 
planten en oogsten. Zij zijn daartoe vereenigd in clubjes van 20 — 40 man, 
kongsi's geheeten, die direct staan onder toezicht van een Chineeschen voorman, 
„tandil." Twee tot vier van zulke kongsi's vormen een afdeeling, waarover een 
Europeesch assistent is gesteld. Op een tabaksonderneming vindt men gewoonlijk 
twee tot vier afdeelingen. De Chineezen, die hier komen, zijn ongehuwd, werken 
meest in contract, dat per oogstjaar wordt afgerekend. De Javanen komen hier 
veel gehuwd, door vrouw en kinderen vergezeld; ook zij werken in ploegen 
onder „mandoers". Zelfs vindt men er clubs Javaansche vrouwen werkzaam. Nog 
moeten wij noemen do Bengaleezen en Afghanen, die als oppassers, boodschap- 
loopers en nachtwakers dienst doen, en die in hun vrijen tijd ook de taak van 
inlandsch bankier vervullen door tegen woekerrente geld te leenen. Door hun 
lange, flinke gestalten maken z\j uiterlijk indruk. 



Inrichting der Gaan wl) thans de inrichting der tabaks-ondernemingen nog 
tabaksonder- kortelnk na. Om op een tabaksonderneming jaarlijks ± 400 
nemingen. velden te beplanten, moet men over ± 4000 bouws grond be- 
schikken, omdat de grond, waarop eenmaal geplant is, 7 a 10 jaar dient braak 
te blijven liggen, vóór die weer voor tabakscultuur geschikt is. De braak- 
liggende gronden zyn spoedig met struiken, alang-alang enz. begroeid. (Zie pag. 321). 



Digitized by Google 



324 



Daardoor is van een tabaksonderneming slechts een klein gedeelte gehjktydig 
in cultuur, en het overige vormt tijdelijk een wildernis. 

De ondernemingen worden regelmatig met wegen doorsneden, en op het voor- 
deeligst gelegen punt wordt het etablissement gevestigd. Dit moet van alle 
kanten gemakkelijk bereikt kunnen worden, maar tevens is het wenscheiyk het zoo 
te plaatsen, dat een gemakkeiyke verbinding met den spoorweg of met een 
rivier kan verkregen worden tot vervoer van het produkt en tot aanvoer van 
materiaal. Verder is de nabijheid van een rivier wenscheiyk voor draineering 
en reinheid in 't algemeen, omdat in den sorteortyd soms tot 1000 menschen 
om het etablissement vereenigd zyn. Op het hoofdetablissement vindt men in 
den regel de woning van den administrateur, den beheerder der onderneming, 
door alle koelies „Toewan Besaar" d. i. groote heer genoemd, in onderscheiding 
van de employés, assistenten enz. die „toewan" zoo en zoo ot „toewan ketjil", 
kleine heeren, worden genoemd. De Chineezen geven gewoonlijk eiken Europeaan 
een bijnaam, als „toewan tinggi", d. i. de lange meneer, „toewan brebok" d. i. 
de meneer met den baard enz. Behalve het groote huis van den administrateur 
vindt men op het hoofdetablissement de woning der kongsi-assistenten, waar 
de jongelui in den schuurtyd samenwonen, en, hoewel onder één dak, ge- 
wooniyk ieder eigen appartementen heeft. De eerste werkman eener onderneming, 
de meesterknecht zou men zeggen, heet de „hoofd-tandil" of „tandil besaar", 
hy is het hoofd der aanwezige Chineezen, zorgt voor het nakomen der ge- 
geven orders enz. en heeft daar veel beteekenis. zyn veelal vry aanzieniyke 
woning staat by de fermenteerschuur en is door een reusachtige lantaarn ken- 
baar. Dicht hierby vindt men gewooniyk een Chineeschen tempel. Verder heeft 
men er het kantoor, de fermenteerschuur, het groote gebouw, waar de oogst 
verzameld en bewerkt wordt, en in den regel de Javanen-kampong, d. i. de 
huizen of ook wel de loodsen van de Javaansche koelies en van den mandoer. 
Deze is op eenige ondernemingen zeer netjes ingericht, waar getrouwde Javanen 
elk met hun familie een kleine eigen woning hebben met keukentje er achter 
en groententuin met vruchtboomen er omheen. De mandoers of soms wel hoofd- 
mandoers, hebben een hooger, grooter huis in het midden van dien kampong. 
Soms vindt men in de nabyheid een hooger gelegen, geheel open loods met 
plankenvloer, waar op feestdagen de gamelang weerkUnkt, maar waar ook ge- 
dobbeld wordt en de dansmeiden of ronggengs hun voorstellingen geven. Hier 
vindt men gewooniyk den Javaanschen of Maleischen winkel, — 4 warong of 
kedei genoemd, waar snuisterijen, kleeren, dranken enz. te koop zyn. Het 
wachthuis met de oppassers, de Chineesche winkel of Kedei (die onder controle 
staat van den administrateur), de stal voor dienstpaarden, de ossenstal, de karren- 
en materialenloodsen en het hospitaal, dat zyn nog eenige der belangrykste ge- 
bouwen van het hoofdetablissement der onderneming. 

In het hoofdetablissement wordt de centrale arbeid verricht. Doch by het 
bewerken der velden verhuizen de veldarbeiders naar het land, waar kongsi- 
huizen voor de koelies gebouwd zyn. In elk kongsihuis wonen 40 a 50 man, en 
van die kongsi-huizen gaan zy naar de velden om hun arbeid te verrichten. 



Digitized by Google 



325 



Cultuurtoe- W ^ mogen by de organisatie en inrichting der tabaksplantages 
standen iii ver- niet langer stil staan. Het gezegde is voldoende om in te zien, 
gelijking met dat het geheel zelfstandige organisaties zijn, waarbij de arbeiders 
Java. Verkeer. a jj en m ^enst van den ondernemer staan. Hieruit volgt het ver- 
schil van de tabakscultuur op Sumatra met die op Java, welke wy op pag. 88 
van dit deel beschreven. Op Java bestaat het opkoopstelsel, waarby de cultuur 
grootendeels aan de Inlanders wordt overgelaten; op Sumatra is de Europeaan 
do ondernemer, die alles beheert en regelt, en voor wien de arbeiders als loon- 
dienaren werken. Op Java wordt een opkoopcontract gesloten met Javaansche 
landbouwers, om hun grond voor tabakscultuur te bestemmen, op Sumatra 
wordt voor nieuwen aanleg oen terrein uitgezocht in de bosschen, dat nog be- 
schikbaar is, en als het geschikt biykt, wordt met den Sultan van het gebied 
een contract gesloten over bet gebruik van den grond. By elk dier contracten, 
welke, alvorens aan den Resident ter goedkeuring te worden aangeboden, door 
den Sultan en de Ryksgrooten moeten onderteekend zyn, wordt een kaart van 
het verkregen land gevoegd, door deD Gouvernementslandmeter geteekend. Eerst 
daarna kan de arbeid op het terrein aanvangen. Dit stelsel van eigen beheer 
van den aanplant onder voldoend en deskundig toezicht, waarbij het leveren 
van goede kwaliteit hoofdzaak en kwantiteit als bijzaak wordt beschouwd, heeft 
de tabakscultuur hier een buitengewonen bloei gegeven. 

De tabaksplanters in deze gewesten zijn uit tal van landen afkomstig. Vele 
namen der ondernemingen in Deli, als: Polonia, Helvetia, Rotterdam, Danmark, 
St. Cyr, Frankfort, Hilversum enz. duiden aan, dat de ontginners in dit gebied 
uit vele landen afkomstig zijn. De meeste natiën van Europa leverden daartoe 
hun contingent. Daardoor heeft Deli een cosmopolitisch karakter. 

De opbrengst der tabakscultuur van de Oostkust van Sumatra loopt tot 
buitengewone bedragen. Van den aanvang in 18(54 tot en met 1904 had de 
uitgevoerde tabak in totaal een waarde van 798 940 000 gulden. In 1872 telde 
men er 32 tabaksondernemingen, in 1875: 40, in 1901: 128, in 1902: 133, 
in 1903: 128 en in 1904 : 122. 

Do tabak, in deze gewesten geproduceerd, wordt meest naar Nederland in 
consignatie gezonden en op de veilingen te Amsterdam en te Rotterdam ver- 
kocht. Van de Sumatra-tabak werd in 1902 te Breraen slechts 3241 pakken 
aangevoerd tegen 214 171 pakken te Amsterdam en Rotterdam. Do Nederlandscho 
tabaksmarkten behooren daardoor, vooral voor dekbladtabak, tot de belangrijkste 
van Europa. 

By de opening van deze tabaks-ondernemingen stonden zy in nauwe comraer- 
cieele betrekking met het tegenoverliggende Penang. Alles, wat in het land zelf niet 
te vinden was, levensmiddelen zoowol als gereedschappen, koelies en trekvee en 
zelfs de „blanke dollar", werd uit Penang getrokken. In de laatste vyftien jaren 
is daarin verandering gekomen. De geregelde vaart van de Norddeutsche Lloyd 
tusschen Belawan en Singapore, de oprichting der Kon. Paketvaartmaatschappy 
in 1891 en de verbeterde communicatie daardoor met Batavia verkregen, hebben 
het verkeer met Penang verminderd. De Paketvaart benevens de Lloyd verkregen 
sedert een aandeel in het tabaksvervoer, maar nog altyd gaat een gedeelte over 



Digitized by Google 



:*26 



Penang. Zoo bestaat er nog steeds een druk verkeer van kleine stoomschepen t vis- 
sollen Penang en de verschillende havens der Oostkust van Sumatra, als Bang- 
kallan, Brandan, Tandjong- Poera, Belawan en Tandjong Balei. De passagiers van 
Deli naar Europa nemen meest de route over Singapore, maar van Deli bezoeken 
velen voor een verzetje Penang, dat door zijn heuvels ook een verfrisschings- 
en herstellingsoord is voor hen, die aan de Oostkust van Sumatra in bet 
heete klimaat te veel zijn afgemat Wat voor Batavia de Preanger met Soeka- 
boemi en Garoet is, en wat voor een koortslijder van Oost-Java het Tenggergeb. 
en Tosari z(jn, is voor de Delianen Poeloe Penang. 

In het binnenland van de landschappen der tabakscultuur is door don aanleg 
van vele wegen het verkeer verbeterd. De Deli-maatschappij nam het initiatief 
in 1883 voor de aanvraag en concessie voor een spoorweg van Laboean naar 
Medan, welke overging aan de Deli-spoorwegmaatschappi), en in 1886 werd 
het eerste gedeelte geopend. Sedert werd het net uitgebreid, ook met stoomtram- 
wegen. In exploitatie zijn de lijnen Belawan - Medan — Delitoewa 34 K.M.; Medan — 
Serdang - Perbaongan 37 K.M.; Medan - Timbang - Langkat - Selesseh 32 K.M. 

Daarenboven kwamen er onderscheidene tramverbindingen tot stand. De totale 
spoorweglengte bedraagt 92 K.M., die der tramwegen 155 K.M. 

„ , Naast den tabaksbouw vindt men in deze residentie nog andere 

Verdere oty- 

brengst des cultures. Toen in 1889 en 90 de groote productie van tabak tot 
lands. Koffie- prijsvermindering en een „Krach" leidde, wendden enkele planters 

cultuur. Pe- zicü van <je tabak af. Van dien tijd dagteekent de koffiecultuur 
der Oostkust, speciaal in het Rijk Serdang. Do daar geteelde kofüe 
is hoofdzakelijk Liberia-koffie, waarvan de zaden voor het eerst in 1873 in Ned. 
Indiö werden ingevoerd, terwijl, daar deze niet opkwamen, in 1875 planten 
werden overgebracht. De koffiecultuur is er toegenomen; men vindt die thans 
in Deli, Padang en Bedagei, maar voornamelijk in Langkat. In 1901 vond men 
er 31 koffie-ondernemingen (waarvan een aantal ook andere cultures dreven) 
met een opbrengst van 31462 pikols, in 1903: 34 ondernemingen met 49 538 
pikols opbrengst. 

Behalve de hoofdprodukten tabak en koffie, wordt op een aantal onder* 
nemingen veel werk gemaakt van ramboeng- (caoutchouc) cultuur, (op de onder- 
neming Deli Moenda o. a. staan 66 000 caoutchouc-boomen). Ook enkele andere 
cultures worden in het klein gedreven, o. a. gambir, spaansche peper, klappers, 
rameh enz. 

Verder is de petroleum een belangrijk produkt van de Oostkust van 
Sumatra. In 1883 werd door het Inlandsen bestuur van Langkat concessie ver- 
leend voor petroleum-ontginning op een terrein van 500 bouws, de eerste con- 
cessie van dien aard op Sumatra, welke in 1890 in de „Kon. Ned. Maatschappij 
tot exploitatie van Petroleumbronnen in Ned. IndiO" werd ingebracht. Sedert werden 
onderscheidene putten geboord, in 1894 werd een afscheepplaats aan de A roe- baai 
ingericht, een tweetal raffinaderijen werden opgericht en de concessiën uitgebreid. 
Ook nog andere kleinere kleinere concessies bestaan hier. De opbrengst der petro- 
leum bedroeg in 1893 : 401 370 units (1 unit = 10 Amerik. gallons = 87,8 Üter), in 



Digitized by Google 



327 



1904: 6 448 800 units. Verder is hier met succes werkzaam de „Maatsch. tot 
Mijn-, Bosch- en Landexploitatie" in Langkat nabij Tandjong Poera, wier pro- 
ductie in 1904 bedroeg 1 904 700 units petroleum. In Siak is het Sumatra-Borneo- 
Mijnbouw Syndicaat werkzaam. 

Met de ontwikkeling der cultures en van den mijnbouw nam ook de handel 
aan de Oostkust van Sumatra sterk toe. De monding van de Deli-rivier bleef 
de voornaamste haven van dat gewest. De toegang tot de haven door de Be- 
lawan-geul laat wel aan diepte te wenschen over, doch men is bezig die ma- 
chinaal uit te baggeren, en door betonning en bebakening wordt de toegang er 
aangewezen. De scheepvaart is er zeer aanzienlek. Er werden: 

Ingeklaard in: 1901 1903 

Stoomschepen 1225 1789 

Zeilschepen op Inl. wijze getuigd 1318 1436 

2643 3224 

In 1903 behoorden in de residentie te huis 17 stoomschepen (15 259 M* 
inhoud) en 154 inlandsche en Chineesche vaartuigen (18 264 M' inhoud). De 
belangrijkste haven is verreweg die van Belawan (Deli), daarop volgt die van 
Tandjoeng Poera (Langkat) en verder die van Tandjoeng Tiram (Batoe Bahra). 
De uitvoer bedroeg in 1904 te Belawan: 17 458 0O0K.G. tabak voor Europ. 
markt, 1858 900 K.G. bereide koffie en 38 000K.G. koffie in hoornschil, 
160 900 K.G. pinangnoten, 43 700 K.G. rotting, 22 600 K.G. kapok, 16 500 K.G. 
notenmuskaat, en verder foelie, getah, peper. De invoer bestaat uit allerlei artikelen 
van dageluksche behoefte. 

Nederzet- 1)6 belangrijkste nederzetting is M e d a n , een vriendelijke stad. 

tingen. Medan Medan werd in 1869 door den administrateur der Peli Maat- 
cnz - schappij tot woonplaats gekozen, daar deze plaats goed gelegen 
was als centrum der toenmalige bezittingen dier Maatschappij, en de Deli-rivier, 
waaraan het gelegen is, het op 22 K.M. afstands in verbinding brengt met 
de afecheepplaats aan de kust. Vroeger is Medan een sterkte der Inlanders ge- 
weest, gelegen te midden van oerwouden. Doch toen deze plaats de vestiging 
werd der ondernemers, breidde zU zich spoedig uit, werd het oerwoud uitge- 
roeid en hebben kampongwoningen en groententuinen de wildernis doen wijken. 
Daardoor telt Medan, in 1900 met 12 700 inw., thans, in 1905: 18 000 inw. 
waaronder 7700 Chin., 1270 andere vreemde Oosterl., 525 Europ. en Japanners 
en 3130 Inl. »). 

Medan maakt een aangenamen indruk. Bij het verlaten van het station 
ziet men een ruime grasvlakte voor zich, de esplanade, waarop aan de zijde 
van het station het monument verrijst ter herinnering aan de gevallenen in 
Tamiang bij de expeditie van 1893. Rondom de esplanade loopen beschaduwde 
wegen, waaraan verrijzen het militair kampement, de banken, het postkantoor, het 
Prot. kerkje, de Witte Sociëteit, het Medan-hotel enz. Achter het laatste begint het 



1) Do cgfers der nationaliteiten zijn meeat van 1900. 



Digitized by Goo 



328 



Chineesche kwartier, waardoor de voornaamste weg loopt. Vervolgens komt men 
aan een Europeesche wijk met Katb. Kerk, school, gouvernementsbureaux en 
particuliere woningen. Een brug over de Delirivier voert naar het Poloniapark, 
op een Europeesch villapark gelijkend. Over den spoorweg ligt nog een Euro- 
peesche wijk, en daarachter vindt men Maleische kampongs, waar de Benga- 
leesche veehouders wonen, die de plaats van melk en vee voorzien. In het 
Chineesche kwartier heerscht de meeste drukte. De meestal uit twee verdie- 
pingen bestaande huizen ztyn beneden tot winkel ot werkplaats ingericht. Ook 
vindt men aan den hoofdweg enkele Europeesche winkeltnagazynen. Medan is 
electrisch verlicht. Het nieuwe paleis van den Sultan ligt even buiten Medan; 
op het oude sultansterrein wonen meest Inlanders. l ) 

Aan den mond der Deli-rivier ligt Be la wan, het eind- en het afscheep- 
station van den Deli-spoorweg, een plaatsje in opkomst, met drukke scheep- 
vaart op Penang en Singapore. Verder: Tandjong Poera 6072 inw. (waarv. 
1055 Chin., 42 Europ.. 218 vreemde Oosterl.) met eenige Europeesche en vele 
Chin. en inlandsche toko's. Vele ondernemingen voeren hun produkten over 
Tandjong Poera. Uitvoer van peper, rotan, was, katjang, gambir, doch voor- 
namelijk van tabak en petroleum. Binnenlandsche handel over de Langkat- 
rivier (Zie beneden). Loeboeq Pakam (2074 inw., waarv. 581 Chin., 105 
vreemde Oosterlingen en 12 Europ.) — B in dj ei (4274 inw., waarv. 1375 Chin., 
422 vreemde Oosterlingen en 52 Europ.) 

De verdere ri- W U zullen de kust van het noorden af volgen en de verdere 
vieren en kust- rivieren en nederzettingen korteiyk de revue doen pasaeeren. 
plaateen. j n fle j ^ mondt de rivier van Tamiang uit, die aan 

den mond 100 — 120 M. breedte heeft en by de eerste kampong 60 -75 M.; ze 
is op vr\j verren afstand voor stoomscheepjes van 6 voet diepte te bevaren. 
Tot ver in den mond vindt men by eb zoet water. Aan de rivier ligt de hoofd- 
plaats der afdeeling Tamiang. - Seroewai, 18 K.M. van den mond; een 
kleine stooomer onderhoudt een veertiendaagsch6 gemeenschap met Deli. 

Verder zuidehjk buigt de lage kust, waar de bakau-boomen in den modder 
wortelen, terwyi op het meer zandige strand meest tjemara-boschjes voorkomen, 
zich binnenwaarts en vormt de A roe-baai, die by een breedte van ongeveer 
5'/ 4 K.M. byna 11 K.M. in het land doordringt, met het eilandje Sembilang 
aan den zeekant gelegen. Het eilandje is meest met hoog geboomte bedekt en 
omringd met modderbanken ; aan den zuidkant, waar men zandstrand heeft, 
vindt men een kampong en is in 1894, toen de toenemende afvoer van 
petroleum behoefte deed gevoelen aan een betere afvoerplaats, een neder- 
zetting der Kon. Ned. Petroleum Maatschappy gevestigd, terwijl er pakhuizen 
voor petroleum zyn gebouwd, die met prauwen van Pangkalan Berandan aan 
de Babalan-rivier wordt aangevoerd. Om de verscheping te vergemakkeiyken 
zijn er steigers aangelegd. In 1894 vertrok het eerste stoomschip met petroleum 
van hier naar Hongkong. 

1) Zie over Deli: Willem Westermaïj, De tabak tculittur op Sumaira't Oottlutt 1901, en 
Deli in Voord <*» Beeld, door A. W. Xaidijj ten C*te, bij i. H. de Bissy 1905). 



Digitized by Google 



:i29 



De Baba lan-ri vier , met een mond van ongeveer '/jK.M. breed, ia meer 
een zeearm dan een rivier, met veelal zout water en getydenverschynselen. De 
Langkat-rivier, ook wel „Bampoe Lau byang" of Honden-rivier geheeten, 
is de hoofdstroom van het gewest Benodon-Langkat, die met een mond van 
0,9K.M. breedte in zee valt Zy ontspringt op den noordvoet van den Dondoe 
Benoewa, een berg van 1820 M. hoogte, aan de N. spits van het Toba-meer en 
stroomt met een grooten boog eerst door het bergland naar het N.W. en ver- 
volgens naar het N.0. door de vlakte. De snelstroomende rivier is tot 100 zee- 
mijlen van den mond nog bevaarbaar voor vaartuigen van 30 last. Tandjong 
Poera aan deze rivier noemden wy reeds. 

De Del iri vier en de nederzetting aan den mond bespraken wy reeds. 
Verder de Padang-ri vier, waarop eenige vaart van kleine kuststoombooten 
en „tongkanga" bestaat ten behoeve der tabaksondernemingen. De Asahan- 
rivier is een eind in den benedenloop bevaarbaar. Aan deze rivier ligt 12.6 K.M. 
van den mond de nederzetting Tan dj o eng Balei (1834 inw., waarv. 797 
Chin. en 39 Europ.), met Europeesche en Chineesche toko's. Van hier loopteen 
weg naar het Toba-meer en de Padangsche Bovenlanden. Behalve tabak wordt 
er veel rust en coprah uitgevoerd, voornamelyk naar Deli en Penang. — De 
Panei-rivier vormt een breeden mond, waaraan Laboean Bilik ligt 
(330 inw.) met Maleische en Chineesche bevolking, welke zich meest met visch- 
vangst bezig houdt. Een breeden mond van ongeveer 9 K.M. vormt de Ro kan- 
rivier, een moeiehjk vaarwater wegens de vele banken van drijfzand. Eigen- 
aardig is het verschijnsel der „bena" of „beno", dat 3 dagen vóór en na N.M. 
en V.M. voorkomt, en bestaat in een drie voet hooge golf, die zich met donderend 
geweld snel rivieropwaarte beweegt. In de laatste jaren moet de Bena in kracht 
afnemen. Op enkele andere rivieren dezer kust moet iets dergelijks voorkomen; 
ook in Europa is dit verschijnsel niet onbekend. In de Seine en Üaronne heet 
het Mascaret, aan de Gironde spreekt men ook van raz de maree (water- 
ratten). 

Vervolgens kenmerkt zich de kust van Sumatra door tal van vrij groote 
eilanden, die slechts door smalle zeestraten er van gescheiden zyn. De voornaamste 
dezer eilanden zijn, van het N. af, Hoepat of Sega ro met P. Médang en 
verder de Brouwers-eilanden, van welke de belangrijkste zyn: P. Beng- 
kalis, P. Padang, en P. Rantau of P. Tebing Tinggi met P. Rang- 
sa n g. De kust van deze eilanden bestaat uit lagen, aangeslibden grond, op onder- 
scheidene plaatsen met meren en moerassen overdekt. Zoowel op het vasteland 
als op de eilanden is de bevolking schaarsch, zoodat men er slechts enkele 
kampongs van beteekenis ziet, en op de eilandjes hier en daar verspreide wo- 
ningen, waar Chineezen van Singapore houtzageryen hebben opgericht, waarvan 
de houtwerken als Singaporesche planken in de Straat Malakka en zelfs op Java 
goeden aftrek vinden. Vischvangst en het inzamelen van boschprodukten zyn de 
belangrijkste bronnen van bestaan. Op het eiland Beng kal is ligt de neder- 
zetting van dien naam (1048 inw., waarvan 706 Chin., 305 Inl. en 85 Europ.), 
vroeger de hoofdplaats der residentie, die later naar het gebied der tabakscultuur 
verplaatst is. De Chineezen koopen vooral de troeboekvisch op, een elftsoort van 



330 

weinig waarde, doch welka kuit als toespijs bjj de rijst dient en een gezocht 
handelsartikel door den geheelen Archipel vormt. 

De belangrijkste rivier, die in de Brouwersstraat uitmondt, is de Siak, 
die wy nader beschrijven. De Siak-rivier heeft te Siak een breedte van 
± 217 M. en een diepte van 12 vadem ; haar breedte en diepte worden allengs 
minder, maar toch blijven die altijd voldoende voor zeeschepen, welke te Pakan 
Baroe nog ± 8 M. en te Kwala Tapong ± 4 M. water vinden, terwijl de breedte* 
der rivier by eerstgenoemde plaats ±: 80 en bij laatstgenoemde ± 100 M. bedraagt 

Van Pakan Baroe af naar boven vermindert de breedte langzamerhand, 
dikwijls tot niet meer dan 60 M. en dan is by het bevaren omzichtigheid noodig 
wegens de scherpe bochten en vele boomstammen. 

Van de zijrivieren der Siak-rivier is de Soengei-Mandau aan den linker- 
oever verreweg de voornaamste; andere zijrivieren aan dien kant leveren geen 
praktisch nut op voor de communicatie. De rechter zijrivieren staan alle, wat 
bevaarbaarheid betreft, verre beneden de Soengei-Mandau, doch zijn van belang, 
omdat z\j voor kleine vaartuigen tot diep in het binnenland bevaarbaar zijn en 
de natuurlijke wegen vormen, waarlangs de „orang talong" uit hun bosschen de 
Siak-rivier kunnen bereiken en omgekeerd. De voornaamste van die „Soengei's 
zUn: de Soengei-Mempoera, Soengei-Boewattan, Soengei-Gassip 
en de Soengei Tebing TinggL 

De vloed doet zich tot Kwala Tampong gevoelen, doch alleen b{j springtij 
en lagen waterstand; meestal loopt het water af tot Pakan Baroe en is ook 
daar weinig van opstuwend water waar te nemen, als door de regens de water- 
stand in de Bovenlanden hoog is. 

Over 't geheel zijn de rivieroevers laag en dicht begroeid. Tusschen Siak 
en Pakan Baroe treft men hier en daar een of meer woningen aan, waarvan 
de bewoners zich met de rijstteelt op ladangs bezighouden ot wel eenige vlot- 
huizen, maar de nederzettingen hebben weinig te beteekenen. Voorby Pakan 
Baroe loopen de rivieroevers by eenigszins hoogen waterstand geheel onder, 
zoodat geen enkele woning of ladang hier wordt aangetroffen. Ongeveer vier 
uur varens boven Pakan Baroe loopen de rivierbochten in zandplaten, „pasirs", 
uit. De eerste draagt den naam Pasir Sala; deze plaats werd als grens aange- 
wezen, waar beneden de eerste Hollanders geen handel mochten dry ven (Netscher, 
De Ned. in Djohor en Siak, byi. IV). Hoe hooger de rivier op des te uitgestrekter 
worden die pasirs; by hoogen rivierstand loopen zy onder water. 

De bosschen langs de rivier leveren goede houtsoorten op en de gewone 
boschprodukten. Het verkeer op de beneden-rivier is levendig door de vele stoom- 
bootjes, die tusschen Siak en Pakan Baroe op en neer varen; verder op roist 
men meest met prauwen. 

Siak, eigeniyk Siak Seri Indera Poera, hoeft een militaire post en 
een fort aan den rechteroever der rivier, in 1860 voltooid; het paleis van den 
Sultan en de Inlandsche en Chineesche kampongs, die er vervallen uitzien, liggen 
aan den overkant. De handel is meest in handen der Chineezen. Pakan Baroe, 
hooger op gelegen, is het hoofdstation voor den handel en het personenverkeer 
tusschen Sumatra's West- en Oostkust. De uitvoer van Siak bestaat in getah, 



Digitized by Google 



331 



rotang, was, koffie, pinang, gambir, honig, gaharoe (een soort reukhout), tabak, 
karbouwhuiden; ingevoerd worden: gedroogde visch, manufacturen, kramerijen, 
petroleum, gepelde rijst. 

Vervolgens zuidwaarts gaande komen wij in het stroomgebied van de 
Kampar-riv ier. De Kampar ontstaat uit de vereeniging van twee stroomen: 
Kampar Kanan (= rechter) en Kampar Kiri (= linker), elk met onder- 
scheidene bystroomen, die op het gebergte van westelijk Sumatra ontspringen. 
Deze rivier is voor handelsweg op verre na niet zoo goed geschikt als de Siak. 
Vóór de monding ligt een groote bank, met kronkelende geul er door, waarin 
bi) lagen waterstand maar 4 voet diepte is. Bij springt!) ryst het water er 20 
voet en dringt dan met geweldige kracht de monding binnen, zoodat men aan 
de hoofdplaats Poelau Lawan het donderend geluid van het aanstormende water 
kan hooren. Die hooge vloedgolf, de „bena" of „beno", is voor de prauwvaart 
en zelfs voor stoomschepen vrij gevaarlijk. Is men stroomopwaarts de zandbanken 
voorbij, dan heeft de rivier b\j laag water nog 2 vadem diepte. Weldra neemt 
de diepte toe, en voorbij Teratak Boeloeh is die 4 vadem bij laag water. Hooger 
op, in de V Kota's, levert de rivier voor de prauwvaart goen moeielijkheden 
op, doch verder naar boven, in de onderafdeeling „Pangkalan Kota Baroe" en 
„XII Kota Kampar" bevinden zich gevaarUJke stroomversnellingen, waar echter 
gedeeltelijk de rotsdrempels werden opgeruimd. Boven Koewo, op de grens der 
Padangsche Bovenlanden, worden de oevers der rivier gevormd door steile, met 
bosch begroeide uitloopers van he? grensgebergte ; beneden Koewo is het terrein 
vlak en stroomt de rivier tusschen de aan beide oevers gelegen dorpen door, die 
van elkander gescheiden zijn door sawah's, tuinen, grasvlakten en kreupelhout 
en door moerassige bosschen. Bi) hoogen waterstand wordt dat vlakke gedeelte 
grootendeels overstroomd. Landwegen z\)n er door deze terreingesteldheid weinige, 
en die bestaan meest enkel uit voetpaden, van beekjes doorsneden, welke de dorpen 
verbinden. De handel en het verkeer hebben bijna uitsluitend plaats over de rivier. 

De landstreken, die tot het stroomgebied dezer rivier behooren, duidt men 
aan als de Kamperlanden, uit verschillende landschappen bestaande, met 
het Nederlandsch gouvernement in betrekking. Deze gewesten zijn nog zeer 
onvoldoende bekend. 

De landbouw in het gewest der V Kota's staat op vrij hoogen trap ; sawah's 
omringen de dorpen en ook op droge velden wordt er rijst verbouwd, maar de 
productie is er niet voldoende voor de behoefte; daarom wordt er rijst uit de 
„h Kota's" ingevoerd. Up de erven der woningen worden peper en koffie ver- 
bouwd en nabij de dorpen gambir in geregelden aanplant. In den heuvelrug Si 
Balimbang wordt tinerts op inlandsche wijze gewonnen en naar Singapore uit- 
gevoerd. (Zie A. L. van Hasselt, TiJdschr. K. N. A. Gen. 1900 pag. 67 enz.) 

VI. De Residentie Riouw en Onderhoorigheden. 

De Assist.- De7e Residentie omvat de eilandengroep de RiouwLingga- 
Residentie In- Archipel en op Sumatra de Afdeeling Indragiri, (assist. resid.) 
draglrL bestaande uit het gebied der Batang K wantan of B. Indragiri 
en de Reteh-rivier. Vangen wij aan met de beschrijving van het gedeelte 



332 

op Sumatra. Wy moeten ona ook hier bepalen tot enkele grepen, om] de 
gestelde ruimte niet te zeer te overschreden. 

De Kwantan (ook Koeantan) of Rivier van Indragiri, die vooral 
door de expeditie IJzerman beter is bekend geworden, ontstaat in de Padang- 
sche Bovenlanden (II pag. 208), stroomt door de onafhankelijke Kwantan-dis- 
tricten, en wordt by Loeboek Ambatjang, waar zij in het laagland komt, by 
gemiddelden waterstand bevaarbaar voor zeilprauwen. Chineesche jonken kunnen 
niet verder dan tot Tjeranti komen, tot waar ook stoomschepen van 2 M. diep» 
gang gaan. Beneden Tjeranti, in het gebied van Indragiri, wordt de stroom 
Rivier vau Indragiri genoemd, die afwisselend van diepte is en bij droge 
jaren voor de scheepvaart enkel kan gebruikt worden tot Tjenako, waar de 
Tjenako er in uitmondt. Benedenwaarts is zij 3 a 4M. diep en verdeelt zich 
nabij den mond in het deltaland in verschillende armen van 130—300 M. breedte, 
terwijl talr\jke zandbanken de scheepvaart bemoeielüken. Van deze zijn de 
Batang Tooako en de Kwala Ladjau de aangewezen vaarwaters. De 
laatste wordt het meest gebruikt. Van tyd tot tijd is het plan ter sprake ge- 
komen deze rivier geschikt te maken voor den afvoer der produkten van de 
Padangsche Bovenlanden, o. a. van de steenkolen. 

Voorbij de Kwala Ladjau buigt de kust zich om naar het Z. Hier mondt 
eerst de Sapat Dalam uit, een andere monding der Indragiri en, vervolgens 
de Reteh-rivier, met drie monden door haar deltagebied stroomend. Tot Kota 
Baroe, een kampong op 64 K.M. van den eiond, kan men de rivier opvaren, 
misschien nog verder. Deze rivieren met hun bystroomen nemen den weg door 
dichte wouden en wildernissen, die het land moeieiyk toegankelijk maken. 

De bevolking in de Onafhankelijke Kwantandistricten, waar kleine poten- 
taatjes tameiyk vrij spel hebben, komt met die der Padangsche Bovenlanden 
in taal en gewoonten overeen. De bebouwde gronden zyn er individueel eigendom: 
ontginning, aankoop, schenking en erfenis doet de gronden verkrijgen. Onbe- 
bouwde gronden zyn er eigendom der negari's. Sawab's zijn er niet; de ryst 
wordt op ladangs verbouwd, evenals tabak, gambir, suikerriet, indigo, djagoeng, 
obi-soorten, klappers enz. In de laatste jaren werd er Liberia-kotfie aangeplant. 
De aanzienlijke veestapel bestaat uit runderen, karbouwen en geiten, welk vee 
uitgevoerd wordt naar de Pad. Bovenlanden. De uitgestrekte bosschen leveren 
boschprodukten : harsen, gommen, rotan en timmerhout. De vrouwen wasschen 
goud uit het rivierzand. Ook petroleum wordt er gevonden. 

De afdeeling Indragiri omvat het gedeelte der Residentie Riouw op Sumatra. 
Zy bestaat uit het rykje Indragiri en de landschappen Keteh, Qaoeng, Igal, 
Mandah, Kateman en Danei. De controleur zetelt te Ring at. In het moerassig 
kustgebied woont een Maleische bevolking. 

De Riouw- Het overig gedeelte der Residentie Riouw bestaat uit onder- 
Llngga Archi- scheidene eilanden, die tot twee hoofdgroepen te brengen zyn: 
de Riouw- en Lingga Archipel en de Poeloe Toedjoeh- 
ei land en-groep. De eilanden der Riouw-Lingga Archipel behoorden in de 
16do eeuw tot het gebied van den Sultan van Djohor (in Zuid-Malakka). De 



Digitized by Google 



gunstige geographisch-economische ligging van dat gebied viel den Nederlanders 
reeds spoedig in het oog, en het veroveren van Djohor werd daarom op hun 
politiek programma geplaatst. In 1606 werden reeds vriendschappelijke verdragen 
door Corn. Matelief met den Sultan van Djohor gesloten, en sedert hadden 
er eenige betrekkingen der Compagnie met deelen van dit Ryk plaats, en met 
behulp der Djohorieten werd zelfs in 1641 Malakka door de Nederlanders ver- 
overd, waardoor de Portugeezen verdreven waren en de zeestraat door Neder- 
landers werd beheerscbt. Omstreeks 1680 vestigde de Sultan van Djohor zyn 
residentie te Riouw, en in de Koninklijke residentie aldaar werd in 1685 een 
contract gesloten tusschen Djohor en de Compagnie, dat in 1689 werd ver- 
vangen door een nieuw, waarby aan de Compagnie onderscheidene handelsvoor- 
rechten werden toegestaan, vooral ten opzichte van Siak. Nadat nog kort de 
residentie des Sultans weer op het vaste land was te Djohor, bleef die «edert 
1709 te Biouw gevestigd. De strijd over de opvolging en de onzekerheid, die 
er heerschte, deed de Compagnie vervolgens krachtiger optreden, en in 1784 werd 
een contract gesloten, waarby Djohor werd beschouwd als veroverd grond- 
gebied, dat de Sultan in leen ontving van de Compagnie. 

Het tractaat met Engeland in 1824, waarby Malakka door Nederland werd 
afgestaan en de aanspraken van dit land op Singapore werden opgegeven, had 
ten gevolge, dat Djohor werd gesplitst, en de Sultan voortaan Djohor wegliet 
uit zyn titels en enkel „Sultan van Lingga, Riouw en Onderhoorigbeden'' heet. 
Op dit oogenblik bezet een Boegineesch geslacht den sultanszetel in plaats van 
het vroegere Maleische en de Sultan is leenman van bet Ned. Gouvernement. 

I. De Riouw-Lingga Archipel. Deze archipel wordt gevormd door 
honderden eilanden, meestal zeer kleine, om eenige grootere gegroepeerd. Daar- 
door zyn zy in eenige groepen te verdoelen: 1. do Karimon-groep, 2. de 
Batam-groep, 3. de Bintang-groep, 4 de Lingga-groep en6.de Sing- 
kep-groep. De meeste dezer eilanden zijn gevormd uit den plooiingsrug van 
Malakka, die hier wel wordt afgebroken en gedeeltelijk onder zee duikt, maar 
waarby nog enkele brokstukken van het vernielde gebergte zichtbaar zyn ge- 
bleven. De grondslag der meeste eilanden bestaat uit graniet, gneis en oude 
sedimentaire gesteenten: oude leigesteenten enz. De werking van golfslag, zee- 
stroomingen (die in deze zeestraten met afwisselende breedte en diepte hevig 
kui-nen zyn, zoodat de snelheid soms 7 myien per uur bedraagt), van verweering 
en de arbeid der koraaldiertjes, benevens de aanslibbing werken samen, om 
deze eilandjes voortdurend van gedaante te doen veranderen, en ook by de tal- 
ryke zeestraten steeds wyziging in de toestanden des waters te brengen. De bodem- 
oppervlakte bestaat uit gele of roode, weeke kleigesteenten, op enkele eilanden 
als pottenbakkersklei of leem, op andere gedeelten uit zandvlakten, langs de 
stranden uit gryze, alluviale modder, en in de binnenlanden niet zelden uit 
vruchtbare, humusachtige aarde. 

Grillig gevormd, met de meest afwisselende horizontale gedaante en grootte, 
liggen de eilanden hier door elkander, terwyl ook de verticale bouw de meeste 
verscheidenheid oplevert. Bergen en heuvellanden wisselen er af met lage vlakten, 
en op enkele steekt een hooge bergtop zyn spits op uit het land. Het eiland 



334 



Lingga, grootendeels uit alluviale vlakte bestaande, wordt doorsneden van 
een bergketen met booge, grillige toppen, waarvan de Piek van Lingga van 
±4000 voet de hoogste is. Van het eil. Singkep is het N.O. bergachtig, 
terwijl de kusten en bet binnenland bestaan uit moerassige vlakten. De eilanden 
der Batamgroep zijn heuvelachtig, echter meestal niet booger dan 200 a 300 
voet. Van de Bintang-eilanden is het eiland Bi n tang het grootste. In het 
binnenland heuvelachtig, de Groote Bintangberg stUgt tot 1285 voet, zijn de 
kusten laag en vlak, terwijl het door vele klippen en riffen omringd wordt. Wegens 
die verscheidenheid van vormen, de afwisseling van lijnen en het rijke spel 
der kleuren geeft een tochtje door de zeestraten van deze eilanden een groote 
verscheidenheid van onvergelijkelijke natuurtafereelen te aanschouwen. Over 
't geheel is het klimaat er heerlijk ; de hitte wordt overal getemperd door de 
zee met haar stroomingen, terwijl de regenval er aanzienlijk is. De plantengroei 
is er ryk aan soorten en vormen; de berghellingen zijn er nog grootendeels 
met dichte bosschen overdekt. De natuurlijke gesteldheid dezer eilanden is nog 
niet voldoende wetenschappelijk onderzocht. Het schijnt evenwel uitgemaakt, 
dat soorten van groote zoogdieren er niet talrijk zijn, en dat verscheurende dieren 
er niet voorkomen. 

Als de belangrijkste cultuurgewassen zijn te noemen : gambir, peper, klappers, 
sago-palmen, ananas, mangga's, tal van tuinvruchten en groenten en hier en 
daar suikerriet voor eigen gebruik. De zee levert een groote hoeveelheid agar- 
agar (Plocaria candida), een wier, dat gewasschen en gedroogd een belangrijk 
handelsartikel uitmaakt, en evenals vischlijm en gelatine gebruikt wordt tot 
het bereiden van gebak en ook om aan zijden stoffen meerderen glans te 
geven. Verder levert de zee nog »akar babar", glanzend zwarte, hoornachtige 
koraal, waarvan lijfsieraden worden vervaardigd. 

De oorspronkelijke bevolking dezer eilanden bestaat uit Orang Benoea 
(of Orang Darat), onbeschaafde heidensche volkjes, die in de moeraswouden 
van de eilanden Rem pang, Galang en Batam een kommervol bestaan leiden. . 
Verder uit Orang Laoet, een groep van zwervende visschers op de Chi- 
neesche zee, nog heidenen, en uit Maleiers, Boegineezen, Chineezen 
en weinige Europeanen. De laatsten zijn meest ambtenaren, militairen, hande- 
laren en geëmployeerden bij de Singkep-tinmaatschappij. Eenige kleine eilanden zijn 
uitsluitend door Boegineezen of M;, leien* bewoond. Over 't geheel is het binnen- 
land der groote eilanden door Chineezen bevolkt, die er landbouw uitoefenen: 
gambir- en pepercultuur, die handel drijven op de hoofdplaatsen en hier en 
daar aan de kusten, terwijl de Maleiers zich meest ophouden in de kleine paal- 
dorpen aan de kusten. De Maleiers zijn hier veel minder landbouwers dan de 
Boegineezen, die zich op de teelt van ananas toeleggen, en ook andere vruchten 
kweeken en eenigen handel drijven. Aan de Chineezen, de hoofdbevolking ont- 
leenen de eilanden hun economische beteekenis. De echte Inlandsche be- 
volking is gedemoraliseerd door armoede, een gevolg van de knevelarij en het 
inlandsch wanbeheer en van de willekeur der vorsten en grooten, die zij zeer 
moede zijn. 

De uitvoer van deze eilanden bestaat in gambir, peper, tripang, agar-agar. 



Digitized by Google 



335 



Op het eilandje Singkep wordt tin gevonden; de 8ingkep-tinmaatschappti heeft 
de tingronden in exploitatie (I pag. 555). 

Be hoofdplaats der residentie en de zetel van het Nederlandsen bestuur 
is Tandjoeng Pinang of Riouw, op de N.W. punt van het schiereiland 
Tandjoeng Pinang gelegen (vroeger was het schiereiland van het eiland ge- 
scheiden door een kreek, die later is dicht gemaakt), dat het eenige rechtstreeksche 
gouvernementsgebied is op het eiland Bintang. In 1828 is deze reede tot een 
vrijhaven gemaakt, om in navolging van Singapore hier handel en scheepvaart 
te lokken. Be verwachting dienaangaande werd niet vervuld. Er is een houten 
hoofd uitgebouwd van 215 H. lengte om aan te leggen. Het garnizoen is ge- 
vestigd in het fort Kroonprins, op een heuvel gelegen en door tjemaraboomen 
omringd. Be handel en de scheepvaart zvjn er wel vry levendig, maar toch 
onbelangrijk in vergelijking met het nabü gelegen Singapore. In 1900 werden 
er ingeklaard 433 stoomschepen. 

Be Paketvaart onderhoudt van Java een veertiendaagsche communicatie met 
de hoofdplaats, maar er bestaat meer gemeenschap van de verschillende eilanden 
met Singapore, die door onderscheidene kleinere stoomschepen onderhouden wordt, 
meest in handen van Chineezen. Verder bevaren een groot aantal tongkangs 
en prauwen, aan Chineezen toebehoorend, de eilanden en de kuststreek van de 
Residentie, om de produkten dier streken naar Tandjong Pinang of Singapore te 
vervoeren. Be inlandsche scheepvaart is door die der Chineezen geheel verdrongen. ') 

II. Be Poeloe Toedjoeh-eilanden. Onder dezen collectieven naam vat 
men een meer dan driehonderd-tal grootere en kleinere eilanden samen in het 
zuidelijk gedeelte der Cbineesche zee, tusschen het Maleische schiereiland en 
Borneo verspreid, van 1° Z.Br. tot 5' N.Br. Be Inlanders verdoelen deze eilanden 
in zeven groepen, en daaraan is zeker den naam Toedjoe eil. of Zeven eilanden 
te danken. Beze groepen zyn de Anambas-eil. (twee groepen), de Na toe na- 
eil. (drie groepen), de Zeeroovers eil. en de Tambelan-eil. 

Be eenige vry uitvoerige beschrijving (met kaartjes) dezer eilanden geven 
Prof A. L van Hasselt en H. J. E. F. Schwartz (Tydschr. v. h. Kon. 
Ned. Aardr. Gen. 1898). Uier kunnen slechts enkele mededeelingen over die 
eilanden volgen. 

A. De Natoena-eüanden. Tot de Residentie Riouw behooren de Na toe na- 
eiland en, van 2° 28' en 4° 56' N.Br., gelegen in de Chineesche Zee, tus- 
schen Malakka en Britsch-Borneo. Tezamen maken zü 55 eilanden uit, grooten- 
deels uit graniet opgebouwd (1 pag. 64). Zy worden onderscheiden in de Groote 
Natoena-eil. (38 eil.), Noord-Natoena-eil. (6 eil.) en de Zuid-N atoe na- 
eilanden (11 eil.) Van de eerste groep is Boengoeran het grootste eiland, 
70 K.M. lang en 46 K.M. breed, met ± 10 000 bewoners. Be bevolking bestaat 
voor ±300 uit „orang laoet", menschen van de zee", die wel kampongs 
hebben aan de westkust maar meest op zee leven; verder uit M al ei er s, en 



1) Do heer A. L. v. Hasselt geeft oen uitvoerig artikel over Riouw en Onderh. met 
uitvoerige litteratuuropgaven in óV Knc. v. N. I., waarnaar wij verder verwijzen Zie ook: Pk 
Hollander— Van Eck, vijfde druk. 



op verschillende eilanden, niet op Boengoeran, uit Chineezen. Men vindt er 
klapperteelt op groote schaal, en aan de kust wordt visscherij uitgeoefend. De 
Noord-Na toe na-eil. bestaan grootendeels uit klippen, met gevaarlijke vaar- 
waters. De bevolking, ± 900 zielen, voedt zich hoofdzakelijk met sago en vruchten 
van den broodboom. Vroeger was deze eilandengroep een schuilplaats van zee- 
roovers. De ZuidNatoena-eil., waarvan Soebi en Pandjang de voor- 
naamste z\jn, hebben groote bosschen van klapperboomen. De bodem bestaat 
grootendeels uit koraalrots. Op Soebi vindt men ± 500 bewoners, meest Maleiers. 

B. De Anambas eilamkn. Deze eilanden vormen een groep van ;£ 96 kleine 
eil., tusschen 2° 40' en 3° 30* N.Br., ten Z.W. van de Natoena-eil., tezamen 
±650K.M. a groot, met ruim 4000 bewoners, gedeeltelijk Mohammedaansche 
Maleiers, gedeeltelijk Heidensche „Orang laoet." De meeste eilanden zijn berg- 
achtig, met zware bosschen bedekt, en leveren goed timmerhout, dat naar 
Singapore wordt uitgevoerd. Verder vindt de bevolking haar bestaan in het 
bouwen van prauwen, in klapper- en sage-cultuur en het verzamelen van zee- 
produkten: agar-agar, tripang en visch. 

C. Dc Tambelan-eil. Deze groep bestaat uit een 40-tal kleine rotsachtige 
eilandjes, waarvan Tambelan de grootste is, met ± 800 bewoners. De geheele 
bevolking der groep wordt op 1000 geschat, meest Maleiers. Klappercultuur, 
het inzamelen van vogelnestjes en uitvoer naar Billiton van door de vrouwen 
geweven kains van katoen en zijde zijn hoofdbronnen van bestaan. Een soort van 
orchideeën („pahon lau" geheeten) wordt tegen de rotsen gevonden en uitgevoerd 
naar Singapore. 

VII. De residentie Palembang. 

Het grootste gedeelte dezer residentie wordt gevormd door 

teidheid 6118 het voormau 8 11 Ü k van Palembang, dat zich uitstrekte van 
de Masoedji langs de oostkust noordwaarts tot 1° 30' Z.Br., en dat 
het stroomgebied der Moesi en van haar ontelbare zijrivieren en takken om- 
vatte, benevens dat van de Banjoe Asin. Het werd in 1823 en 1826 tot onmiddellijk 
Gouvernement8gebied gemaakt (zie pag. 269). In het binnenland naar den kant 
van Benkoelen waren in het berg- en heuvelland onderscheidene stammen 
gevestigd, die wel de souvereiniteit van den Vorst van Palembang erkenden, 
maar toch groote zelfstandigheid bezaten, en als „vrije grensbewakers" belast 
waren met het handhaven der grenspolitie, het vatten van vluchtelingen en 
het waken tegen vreemde invallen. Ook na den val van het Rijk van Palem- 
bang bleef dezelfde verhouding bestaan in betrekking tot het Ned. Gouvernement. 
De groote onafhankelijkheid dier volken, hun strooptochten enz. waren echter 
aanleiding, dat die grenslanden achtereenvolgens bij de residentie Palembang 
werden ingelijfd. In 1858 werd Redjang Ampat Lawang en R, Amp'at Petoelai, 
en in 1861 Lebong by de residentie gevoegd. In 1864 was hetzelfde het geval, 
op verzoek der hoofden, met de landjes: Semindo, Kisam, Makakau en Blalau 
(eenige gedeelten kwamen b\j Benkoelen); in 1866 volgden de Pasoemah-landen 
(ook een gedeelte kwam by Benkoelen); in 1839 werd het vroegere rijk Djambi 



Digitized by Google 



837 



aan de residentie Palembang toegevoegd. Nog onderscheidene andere landschappen, 
vroeger aan Djambi of aan den sultan van Palembang onderhoorig, als Korintji, 
Tabo en Limoen e.a. werden allengs tot het gebied der residentie gerekend, ook al 
was de betrekking weinig meer dan uiterlijk. Meer en meer breidt het Neder- 
landsch gezag zich hier uit en het zal weldra werkelijkheid worden in de 
binnenlanden. 

Administratief wordt de residentie verdeeld in 7 afdeelingen ; de afdeelingen 
en onderafdeel in gen z\jn weder verdeeld in zelfbesturende marga's of districten, 
onder een Inlandsen, door de bevolking gekozen, hoofd „Pasirah", die den titel 
draagt van Dapati, soms als onderscheiding van „Pangeran." De marga's zyn 
verdeeld in doesoen's of dorpen, onder een „proatin", met den titel „Depati", 
„Kria", „Ria" „Loerah" of „Ginda." Ook deze dorpshoofden worden door de 
bevolking gekozen, doch aangesteld door de afdeelingshoofden. De doesoens zyn 
verdeeld in kampongs of wijken, aan welker hoofd een „Ponggawa" staat, 
op dezelfde wyze aangesteld als de doesoenhoofden. Zy alle dragen kenmerkende 
onderscheidingen. 

Het grootste gedeelte van deze residentie is laagland, behoorende tot de 
vlakte van Oost-Sumatra, die door een menigte van rivieren doorsneden wordt, 
welker monden reusachtige deltagebieden vormen, met breede zoomen van moe- 
rassige wouden en wildernissen overdekt. Hier is het land zeer laag en dikwijls 
aan uitgestrekte overstroomingen ter prooi. Naar het westen, in den bovenloop 
der rivieren, wordt het land eerst heuvelachtig om vervolgens te stijgen tot de 
keten van den Barisan. Over en door het bergland loopt in het westen de grens, 
zoodat het bergland nog gedeeltelijk tot deze residentie behoort 

Over 't geheel is de bodem vruchtbaar, en waar hij niet gecultiveerd wordt, 
met dichte woudvegetatie overdekt. 

Van de rivieren noemen wij van het noorden af, na de S oen gei Toen g- 
kal, de Batang Hari, in den benedenloop Soengei Djambi geheeteu. Do 
Batang-Hari is de grootste rivier van Sumatra, ± 800 K.M. lang. Na het op- 
nemen van de Seliti wordt de B. Hari voor kleine prauwen bevaarbaar en 
na vereeniging met de Goemanti richt zij zich oostwaarts en breekt door onder- 
scheidene kalkheuvels. Na het opnemen van de 8. Sangir verlaat de B. Hari, 
die nog altijd door stroomversnellingen moeieiyk bevaarbaar is, de Padangsche 
Bovenlanden, komt in de „Batang Hari-diBtricten", om daarna door het Rijk 
van Djambi te stroomen, waar zjj in de vlakte nog onderscheidene bystroomen 
opneemt: de Djoedjoean (80 K.M. lang, voor kleine prauwen over 45K.M., 
voor grootere over 23K.M. bevaarbaar), de B. Tabo en de belangrykste : de 
Batang Tambesi, ontspringend in het bergland ten Z.O. van het meer van 
Korintji, die 150K.M. van haar monding in de B. Hari af bevaarbaar is voor 
kleinere vaartuigen (stoom barkassen). De Batang Merangin, de uitwatering 
van het Meer van Korintji, de belangrijkste bystroom van de B. Tambesi, 
is voor scheepjes van op zyn hoogst 4 voet diepgang voor een gedeelte be- 
vaarbaar. By bandjirs kan de stroom snel en hoog rijzen, het verschil bedraagt 
niet zelden 6'/ 3 M. Het stroomgebied dezer rivier moet zeer ryk zyn aan delf- 
stoffen, inzonderheid aan goud, dat gedegen in het gesteente voornamelUk wordt 
II 22 



338 



aangetroffen in de uitloopers van den Banaan, terwijl het als stofgoud voor- 
komt in de rivieren. Men beweert ook, dat er steenkolen worden gevonden. De 
uitgestrekte wouden in het gebied van den bovenloop dezer rivieren leveren 
uitmuntende boutsoorten en boschprodukten. Over 't geheel heerscbt er betrek- 
keiyk veel welvaart; het inzamelen van boschprodukten levert een hoofdbron 
van bestaan op. De veestapel, meest karbouwen, is aanzieniyk; tabak wordt 
hier in goede hoeveelheid verbouwd. ') 

Bij de hoofdplaats Djambi, 8 K.M. van den mond, is de Djambi reeds voor 
vaartuigen van alle grootten bevaarbaar. Hier splitst zy zich in twee armen, 
waarvan de eene goed bevaarbaar is. Met onderscheidene mondingen stroomt 
de rivier in zee uit Ook op dezen verkeersweg werd de aandacht gevestigd 
voor den afvoer der kolen uit de Ombilien kolenvelden. 

Vervolgens zuidelijker valt de Banjoe Asin aan de kust in het oog, een 
rivier met korte lengte en groote breedte, ontstaan uit onderscheidene riviertjes, 
die in de Benedenlanden bun oorsprong hebben. In den benedenloop splitst zij 
zich in twee armen: Banjoe-Asin en Bantoeng, die het eiland Poeloe 
Rimau omvatten en zich weer vereenigen in een breeden mond, waardoor 
zij met de zee verbonden is. In den arm benoorden P. Rimau mondt de 
Lalang-rivier uit, die in den benedenloop een ondiepte heeft, doch verder 
vrü diep is, zoodat het Ned. oorlogschip Onrust in 1890 tot ± 10 K.M. de rivier 
kon opvaren. Aan de Lalang wonen de heidensche Koeboe's, die onder eigen 
hoofden staan. De arm ten zuiden van P. Rimau staat door de Poentan of 
Poentiang en de Salat Djaran met de Moes! in verbinding, een waterweg, die 
van Palembang naar zee by Z. O. moesson soms gekozen wordt, als het uit- 
loopen der Moesi moeiehjk is. 

De Moesi of Rivier van Palembang ontspringt dicht by den Goe- 
noeng Kaba, een vulkaan ten N.0. van Benkoelen (II pag. 206) aan den wes- 
telijken voet van de vulkaanruïne Tjoendoeng. Zy gaat met een boog eerst 
naar het Z. en Z.0. en neemt weldra een O. en O.Z.0. richting aan, om voorby 
Palembang weer naar het N. te stroomen, en in het N. van Str. Banka, na door 
vele armen een net van stroomen in het deltaland gevormd te hebben, uit te 
monden. De Moesi omvat met baar bystroomen een stroomgebied van 46000 K.M. 1 , 
d. i. byna l'/j maal Nederland. In den bovenloop stroomt de Moesi door het 
hoogplateau tusschen den Dempo en den Kaba (zie pag. 20G), 300 a 600 M. 
hoog, daalt vervolgens op ± 218 M. van het plateau, breekt door de oostehjke 
keten en stroomt langs een dwarsdal door de daaraan grenzende Diluviale vlakte, 
welke ± 100 M. hoog ligt, om vervolgens den middelloop aan te vangen, eerst 
in noordeUjke richting tot de uitmonding der Rawas. Daarna heeft de middel- 
loop een hoofdzakelijk oostehjke richting en wordt op ± 18 K.M. beneden 
den Rawas-mond reeds voor kleine stoomscheepjes bevaarbaar, hoogerop voor 
prauwen enz. Aan den rechterkant ontvangt zy verder de Lema tang-rivier, 
welke van Moeara (= rivier) Enim, waar zy zich met de Enim vereenlgt, uit- 



1) Zie O. L. Hblvrich Bijdrage tot de kenau van Boven-Djambi. (Tgdwfar. K. N. A. Oen. 
1904 en 1905). 



Digitized by Google 



339 



gezonderd by zeer lagen waterstand, voor stoomscheepjes bevaarbaar is. Nog talrijke 
bijstroomen ontvangt zy vervolgens in haar loop; by Palembang de Ogan uit 
bet Z. en iets verder stort zich van dien kant de Komering in de delta. 
De Ogan is voor het grootste gedeelte zeer breed; by gewonen waterstand 
kunnen stoomscheepjes zelfs tot Moeara Koeang opvaren en by hoogen waterstand 
zelfs tot Batoe Radja, op ± 14 K.M. rechten afstand van de uitmonding. De 
Komering is wel voor groote prauwen, niet voor stoomschepen bevaarbaar. 
Behalve genoemde ontvangt de Moesi nog talrijke bystroomen. 

Moesi, Ogan en Komering vormen tezamen een gemeenschappelijke delta 
met de Banjoe Asin. Het is een gebied van jonge vorming, 2—5 M. boven het 
niveau der zee, veelal moorassig en van talryke waterarmen en doorvaarten, 
(solats en troesans), die onderling weder verbonden zyn, doorsneden. 

By Palembang heelt de Moesi een breedte van 400 M. en voldoende diepte 
voor de grootste fregatten, doch de vaart vereischt wegens eilandjes en banken 
voorzichtigheid. Verder benedenwaarts splitst de Moesi zich in de hoofdtakken 
Oepang en Soengsang, beide en vooral de eerste in den toegang voor groote 
schepen door modderbanken aan den mond bemoeielykt Daarom maakt men 
voor de scheepvaart ook wel gebruik van een oostelyken arm, de Saleh. De 
waterstanden in dit mondinggebied wisselen af met de getyden, die schomme- 
lingen van 1'1,-SM. geven, en met den drogen en natten tyd, wanneer de 
waterstand meer dan 10 M. verschilt. 

„Eenzamer en doodscher kust dan de Moesi-delta, onherbergzamer oord 
in een tropische landstreek, laat zich niet denken. Zoover het oog reikt, niets 
dan een bosch van nipah-palmen, waartusschen rhizophoren groeien, en knoes- 
tige rangasboomen kwynen op den moerassigen bodem, die by iederen vloed 
overstroomd wordt. Hier en daar ligt op het droge slik in de brandende zonne- 
stralen een monsterachtige krokodil met open muil zyn siësta te houden; een 
enkele meeuw strijkt over het water, dat zich zonder geruisen voortspoedt naar 
zee. Eindelyk breekt een dorpje, het bekende Soengsang, dat zyn naam ook aan 
dezen riviermond gegeven beeft, do sombere eentonigheid der omgeving; een 
ry bamboehutten op hooge palen, half in 't water gebouwd, staan langs den 
oever en hebben alle een steiger, waarvan men langs een trap in de rivier 
afdaalt. Aan die trappen liggen verscheidene prauwen gemeerd, en de aan 
batnboestaken uitgespannen netten toonen duideujk aan, dat de visschery een 
hoofdbron van bestaan der doesoenbewoners is." 

Do Moesi is na de Batang Hari de grootste en best bevaarbare rivier van 
Sumatra, van welke van de ± COO K.M. lengte ± 540 K.M. voor het transport 
in booten en 340 K.M. voor de vaart met kleine stoomschepen geschikt is, 
terwyi zy door haar bystroomen en armen verbindingen met onderscheidene 
gewesten tot stand brengt. Hoewel er een goede landweg is, die van Palem- 
bang over Laliat en Tebing Tinggi naar Benkoelen loopt (zie ook pag. 283), 
is het verkeer over de rivier toch vry aanzienlijk, vooral sedert de aanplant 
van tabak in de landen der Boven» Moesi en lianau-dist rieten, van katoen in de 
Benedenlanden, van peper in de Ha was en de afd. Komering, van koffie in de 
afd. Tebing Tinggi, Lahat, Komering en Ogan Oeloe zullen toenemen. Üok de 



340 



petroleumbronnen van Moeara Enim werken mede om het verkeer op de rivier 
te bevorderen; tusschen Moeara Enim en Palembang bestaat geregeld stoom- 
bootverkeer. Behalve stoomscheepjes ziet men op de rivier overdekte bamboe- 
vlotten (rakit), prauwen en kleine vaartuigen, die door de Palembangers, goede 
scheepstimmerlieden als zü zijn, vervaardigd worden. Arabieren en Chineezen 
onderhouden vooral het verkeer in het binnenland. 

_ „ De residentie Palembang is zeer dun bevolkt: slechts ± 5 

Bevolking. , _. ,, „ .„_. r . . . 

Economische bewoners per K M. 1 (I pag. 452). Langs de rivieren vindt men 
toestand. Ne- meestal de kampongs der Inlanders; als men de strooken langs 
derzettingen. de wa teren uitzondert, is verreweg het grootste gedeelte der resi- 
dentie met bosch bedekt en loopt men meer kans olifanten en tijgers te ont- 
moeten dan menschen. De Inlanders behooren tot de Maleiers (zie II pag 220), 
echter met Javaansche elementen vermengd, terwyi ook in de kleeding Ja* 
vaansche invloed zichtbaar is. Evenals de Javanen gaan de Palembangers met 
een kris gewapend, die echter niet van achter gedragen wordt, maar vóór in 
den gordel gestoken. De vrouwen dragen de badjoe van donkerblauwe of ge- 
kleurde stof en een geruite of gebatikte sarong benevens een borstkleedje (kemben) 
en de salendang; het hoofdhaar wordt eveneens op Javaansche wijze opgemaakt. 
Gouden, zilveren en hoornen sieraden zijn algemeen in gebruik. 

De woningen z\Jn van bamboe, op palen gebouwd en met palmbladeren 
gedekt, bty gegoeden van hout, soms met fraai snijwerk versierd, gedekt met 
gespleten bamboe, idjoek of dakpannen. Z\j zijn meestal door gordijnen verdeeld 
in twee vertrekken, een woon- en een slaapkamer. Eenige woningen bij elkander 
vormen een kampong, meestal aan een rivier gebouwd. In de binnenlanden 
heeten de kampongs doesoens, de tijdelijk door de landbouwers bewoonde ge- 
huchten talangs. In belangrijke dorpen vindt men een houten bidgebouw en 
de balé, het gemeentehuis, veelal een open, houten loods, bestemd voor bijeen- 
komsten en feesten. Eigenaardig is het voorkomen van woningen op bamboe- 
vlotten, z.g. rakit's, die in het water liggen en vastgemaakt worden aan palen, 
in de rivier geheid (Zie I, pag. 373). 

Hoewel het grondbezit aan den staat behoort, heeft toch elke marga uit- 
sluitend recht op den grond van haar gebied; iedere marga-bewoner heeft het 
recht van die gronden een gedeelte te ontginnen, waar bi) wil; hij is vryinde 
keuze der beplanting, maar zoodra hij den grond verlaat, behoort die weder aan 
de marga. In enkele gewesten blijft de grond nog eenigen tijd voor den eersten 
bebouwer beschikbaar. Op aangelegde sawah's blijft de eerste ontgin ner recht 
behouden, hoe lang die ook braak mag liggen en ook op gronden, met vrucht- 
boomen beplant 

De voornaamste cultuur is die der rijst, welke meestal plaats heeft op ladangs, 
waar het bosch tijdelijk uitgeroeid wordt, om na 2 a 8 jaren den grond weer 
braak te laten liggen. In enkele streken, in de Lematang, Oeloe, Rawas, Ampat 
Lawang en Paaoemah-landen vindt men ook sawah's. De aanleg van sawah's 
wordt bevorderd, door uit Java deskundigen over te laten komen. Katoencultuur 
vindt men in de meeste gewesten. Het aantal door Europeanen gedreven cul- 



Digitized by Google 



341 



tures is gering. Voor de Inlanders biyft de inzameling van boschprodukten nog 
altyd een voorname bron van inkomsten. 

De ny verheid is voornamelijk beperkt tot de hoofdplaats; daar vindt men 
meubelmakers (de Falembangsche meubelen z\jn bekend in den gebeelen Ar- 
chipel), goede goud-, zilver- en ijzersmeden, wapensmeden, kopergieters; ook 
vindt men er een niet onbelangryken scheepsbouw. In de gewesten Ogan, Ko- 
mering, Ilir, Blidah en te Palembang is het maken van prauwen loonend. De 
vrouwen houden zich bezig met spinnen, weven en verven van katoenen en zyden 
stoffen, het maken van borduur- en kantwerk. PalembangBch kantwerk wordt meer 
gevraagd. De Falembangsche verlakte voorwerpen zyn fabrikaat der Chineezen. 

Het buitenlandsch verkeer van dit gewest gaat uit van drie zeehavens: 
die van Palembang aan de Moesi-rivier, die van Bajoeng Lentjir aan 
de Lalan-rivier en van Djambi aan de Bataug Hari. Het zyn alle getydehavens, 
zoodat de grootere schepen enkel met vloed over de banken aan de monding 
der rivieren kunnen binnenvallen en uitgaan. De havens zijn diep landwaarts 
in gelegen ; die van Bajoeng Lentjir heeft in hoofdzaak beteekenls door het aldaar 
aanwezige etablissement dor Koninklyke Petroleum Maatschappij. Op de bank 
voor de monding der Moesi-rivier staat by hoog water op zün meest 21 voet 
water, terwyi het tyverschil aan de monding 13 voet bedraagt. Vloed en eb 
zyn nog ver boven Palembang waar te nemen, en de waterstand te Palembang 
is, behalve van het buitenwater in Straat Banka, tevens afhankeiyk van den 
afvoer der rivier. (Zie 830). 

Het geheele scheepvaartverkeer op deze havens was in 1903 als volgt: 



Hiwidelsvftiirtuigen. 


Aangekomen 
ochupen. 


Inhoud ia 
1000 M\ 


11 WENS. 




523 


475,3 






•109 


25,6 


Palembang. 




!)32 


501,0 


Stoomschepen 


97 


00,6 






7 


16 


S 




10i 






179 


105,2 




Zeilsdiopen 


8 


1,1 


! Bajoong Lentjir. 




187 


100/1 





De belangrykste nederzetting is Palembang (57 261 inw., 
a em ang. waaronder 49000 ^ &Q00 Chm ^ 2 144 Arab., en 300 Europ.), 

de hoofdplaats, ontstaan 90 K.M. van zee op een gunstige plaats aan de Moesi, 
boven de delta en waar door de Ogan ook verbinding met het zuiden was. De 



Digitized by Google 



342 



nederzetting is aangelegd op een groep eilandjes, die door kreoken aan den 
linkeroever der Moeai werden gevormd en door goedo bruggen verbonden zijn 
en heeft zich van bier uitgebreid in de lengte langs de rivier over ongevoer 
2'/i uur gaans, terwijl de breedte gering is. De afwisseling van eb- en vloedatroomen 
in de rivier bevordert de gezondheid der stad. De bouw wijst er op, dat z\] in 
opkomst geheel een rlvierstad is, meest aan den linkeroever gebouwd (86 wijken 
aan den linker en 16 op den rechteroever). In dichte rijen staan de huizen 
met roode pannen daken bijeen, dit laatste als politiemaatregel tegen brand. 
Sommige huizen, vooral die, welke aan rijke Chineezen en Arabieren toebehooren, 
zijn van kostbaar temboesoe-hout gebouwd. De woningen der Inlanders zijn 
door een pagger van hout ot bamboe omringd en op hooge palen gebouwd; 
dit laatste is noodzakelijk wegens de overstroomingen der rivier, vooral in Januari 
en Februari. 

Op de rivier voor Palembang heerscht leven en beweging: kleurig beschil- 
derde prauwen van allerlei vorm varen af en aan, om personen over te voeren 
of lading te brengen aan de schepen, die op stroom ten anker blijven liggen. 
Op het water aan den oever liggen groote, lange vlotten (rakits) met drijvende 
woningen, meestal van bamboe, by uitzondering van planken gebouwd. 

Het belangrijkst gedeelte der stad is de Tanah Kraton, aan den linker- 
oever der rivier, waar de in 1780 gebouwde kraton des Sultans is gelegen, die 
thans tot fort en verblijfplaats van het garnizoen dient. In dit gedeelte der stad 
ligt ook het residentiehuis; hier wonen de Europeanen en de aanzienlijkste in- 
boorlingen. De Chineezen en Arabieren zijn in afzonderlijke kampongs veroenigd 
en staan onder eigen hoofden. 

De moskee, van 1740 dagteekenend, is een groot, steenen gebouw, waar- 
van het bovengedeelte, uit drie op elkander gebouwde daken bestaande, op deels 
marmeren, deels djati- houten kolommen rust; de vier zijvlakken hebben drie- 
hoekige faces met koranspreuken beschilderd en de vloer is met marmer ge- 
plaveid. De minaret, een 70 voet hooge toren van 3 verdiepingen, in 1763 ge- 
bouwd, staat afzonderlijk. 

Palembang heeft den handel der residentie hoofdzakelijk in handen; hy 
wordt zoowel met Banka en Sumatra's Oostkust als met Java, Lingga, West» 
Borneo, Singapore, Siam en China gedreven, terwijl de handelsprodukten uit 
het binnenland meest over Palembang worden uitgevoerd. De kleinhandel wordt 
meest door Palembangers, de groothandel door Chineezen, Arabieren enz. ge- 
dreven. Op beide oevers der rivier zijn sedert de vestiging van het Ned. bestuur 
pasars opgericht, met pannen gedekte loodsen. De scheepvaart leerden wy 
kennen. 

Uit de residentie werden in 1904 uitgevoerd; 121 mill. liter petroleum 
(4,8 mill. guld.), waarvan 41 mill. liter naar China, 54,9 mill. liter naar Malakka 
12,9 mill. liter naar Hongkong, 7,7 mill. liter naar Siam, 2,5 mill. liter naar Saigon ; 
verder: voor fl 066707 benzine - 2,2 mill. K.G. zwarte peper (/*906475), 
3 mill, KG. (/"452 2O0) pinangnoten, 1,1 mill. K.G. (ƒ1159 566) gom- 
benzoe, voor /"70KXX) gomelastiek, voor /"625518 ruwe katoen. De 
mijnbouw in de bovenlanden van Djambi en ook van het overig gedeelte belooft in 



Digitized by Google 



de toekomst grootere productie van dit gewest, en ook de cultures kunnen uit- 
gebreid worden. 

Djambi (1123 inw., waaronder 760 Chin., 50 Arab., 8 Europ.), aan beide 
oevers der Djambirivier, is de hoofdplaats van het r\jk Djambi, dat onder een 
Sultan staat, terwijl een politiek agent van den Resident te Palembang er ge- 
vestigd is voor het Ned. oppergezag. De nederzetting neemt toe in omvang door 
den bouw van vele nieuwe huizen. 

Tebing Tinggi (1300 inw., waaronder 222 Chin. en 15 Europ.), op het 
punt aan de Boven-Moesi, waar de wegen samenkomen van Moeara Belet! en 
van Kepahiang naar Lahat* Hier werd in 1839 een militaire post gevestigd en 
werden versterkingen aangelegd om de onrustige bevolking van Moesi Oeloe 
en Ampat Lawang in bedwang te houden. Tegenwoordig vindt men er een 
vaste bezetting. In dit gebied is de mijnbouw in opkomst. — Lahat (965 inw., 
waaronder 286 Chin. en 16 Europ.) te midden van zware bosschen gelegen, het 
middelpunt van verkeer tusschen Palembang en de binnenlanden, met Chineesch 
kamp, garnizoen. — Moeara Doea (460 inw., waaronder 160 Chin.) aan de 
Komering. 



Wij laten ten slotte nog volgen oen overzicht van het aantal ingeklaarde 
schepen in eenige havena van Sumatra, met Banka en Billiton over 1904, 
volgens het Kol. Verslag over 1905, juist verschenen. 



HAVENS. 


Stoomsch. 


Zeilschepen. 


Tutaal. 


Op Europ. 
wijze getuigd. 


Op Inl. 
wijxe getuigd. 






62 


1 




63 






94 






94 


Ui. . . 




126 






126 


PaletubanK 




149 






149 


De haven» 


van Sum. Oostkust . . 


I80U 


3 


993 


3296 




„ Riouw en Onderh. . 


906 


41 


987 


1854 


* ■ 


„ Banka en Billiton . 


160 


1 


4 165 



Nogmaals herinneren wij er aan (zie II pag. 12), dat de inklaring niet 
do gebeele scheepvaart aanwijst 



BANKA EN B1LLIT0N. 

• 



I. BANKA. 

Algemeene De Oude bergketen, welke Malakka doorsnijdt, en 
beschrijving. fa e \ n <j e Riouw-Lingga-eilanden onder water duikend 
tot rotsblokken versnipperd is, vervolgens slechts in enkele on- 
beduidend kleine eilandjes de sporen van zyn bestaan vertoont, 
komt in de eilandengroepen Banka en Billiton weer voor grooter 
uitgestrektheden boven de oppervlakte des waters. Beide eilanden 
bestaan hoofdzakelijk uit granietmassa's, waarschijnlijk van 
erupties uit den Devonischen tijd afkomstig, met oude schiefer of 
leigesteenten, die eveneens misschien tot den Devonischen tijd zijn 
te rekenen. Deze vaste kernmassa's van het oude ketengebergte 
zijn als horsten overgebleven, terwijl de omliggende gedeelten 
in den loop der tijden verwoest werden en in de zee wegzonken. 

Houden wij ons in de eerste plaats met Banka bezig. Dit 
eiland heeft met de daaronder ressorteerende eilandjes een opper- 
vlakte van 1 1 587 K.M. 2 (ongeveer 2 x Noord-Brabant). Het strekt 
zich tusschen 1°30' en 3° 7' Z.Br. uit in de richting Z.O.-N.W. 
en wijst daardoor reeds op -een vermoedelijke voortzetting van 
de bergketen van Malakka. De Bankastraat scheidt het eiland 
in het W. van Sumatra. In het oog vallend is hier de tegen- 
stelling tusschen de kusten van Sumatra en Banka, aan beide 
zijden der straat. 

De kust van Sumatra, zeer laag en dicht begroeid, voor- 
namelijk met rhizophoren, levert door gemis aan terreinafwis- 
seling weinig in 't oogvallende punten op. Het eiland Banka daar- 
entegen vertoont zich aan den horizon als een golvend heuvelland, 
waaruit onderscheidene heuvels of berggroepen en ketens op- 
rijzen, echter met weinig op zich zelf staande bergen. Van beide 



Digitized by Google 



315 



zijden stroomen talrijke rivieren in Straat Banka uit. Die van 
den kant van Sumatra zijn de aanzienlijkste en vullen langs 
de kust van dat eiland de ondiepe straat op met een zich steeds 
uitbreidende modderbank. Ook van het eiland Banka stroomen 
talrijke rivieren in Straat Banka uit, doch deze hebben, zooals 
overal op dit smalle eiland, slechts korten loop en zijn arm 
aan water, vooral in het droge jaargetijde. In den bovenloop 
hebben de rivieren in het berg- en heuvelland meestal een 
sterk verval en stroomen schuimend door de ravijnen en valleien, 
die, naarmate zij de monding naderen, breeder worden, en de 
dalende terreinen worden eindelijk moerassige vlakten, welke aan 
Straat Banka zich uren gaans langs de kust uitstrekken. Die breede 
valleien, welke niet ontstaan kunnen zijn door de onbeduidende 
stroompjes van tegenwoordig, zijn nog overblijfselen van grootere 
Diluviale bochten in de kust, die in dien tijd onder den zee- 
spiegel lagen, doch na daling van het niveau der zee in den 
na-Diluvialen tijd als breede valleien droog kwamen te liggen. 
Daardoor kan de zee langs deze dalen uog betrekkelijk ver in 
het land doordringen, en doen de getijden zich diep landwaarts 
op de rivieren gevoelen, bijv. op de Soengei Selan in het 
midden der westkust wel 30 K.M. ver. Dit opstuwen der rivieren 
bij vloed heeft ten gevolge, dat de bevaarbaarheid er door ver- 
hoogd wordt en dieper landwaarts gaat, dan anders het geval 
zou zijn. Voor den tin-afvoer is die toestand van veel belang. 
Aan de monding der rivieren vindt men echter ook hier modder- 
banken, zoodat Straat Banka aan beide zijden steeds inkrimpt, 
echter het meest aan de westzijde. De belangrijkste rivieren in 
het W. zijn: de Djering, een der grootste rivieren van het 
eiland, aan den mond -± 1 K.M. breed; — de S. Eo tta Warin- 
gin, tot 30 K.M. boven den mond bevaarbaar, — de Bangka 
Kotta, voor 1 kajans prauwen 30 K.M. stroomopwaarts bevaar- 
baar, e. a. 

De N. en N.W. kust van Banka heeft op vele plaatsen 
het voorkomen, dat ze door een dwarsbreuk in het gebergte is 
ontstaan; o.a. in Hoek Grasak, het noordelijkste punt, bij 
hoek Me lala en ook elders doet zij den steileu breukrand 
zien. Een diepe ingressiebocht vormt de Klabat-baai, die 
± 28 K.M. landwaarts doordringt en 10 K.M. breed is, waarin 



Digitized by Google 



346 



onderscheidene rivieren uitmonden. Geheel aan het Z.O. eind 
mondt de Lajang of Mejangan, een der grootste en belang- 
rijkste rivieren van het eiland, vooral van beteekenis als gemeen- 
schapsweg. Deze rivieren zetten in de binnenbaai hun slib af tot 
modderbanken, die den vasten wal omzoomen, en waarin ge- 
boomte groeit, dat van tijd tot tijd in het water staat. Ook de oost- 
kust van Bauka wordt aan de riviermonden door strandmoerassen 
omzoomd. Daar evenwel de waterscheiding het dichtst bij de 
oostkust loopt, zijn de rivieren in het 0. korter van loop dan 
in het westen. Dit heeft ten gevolge, dat aan de oostkust, waar 
ook de branding der Chineesche zee heviger is, geen vorming 
van rivier-alluvium plaats heeft, zooals aan de westkust, maar 
hier ontstaan lagen zeezand, die door den wind tot duinvorming 
overgaan. Dit geeft een kenmerkend verschil tusschen beide 
kusten. De moerassige aanslibbingen beslaan aan de westkust 
ook een veel grooter oppervlakte dan de zandophoopingen aan 
de oostkust. 

De Z.O. kust van het eiland eindigt in twee rotspunten: 
0. Berikat in 't N. en 0. Baginda in het Z. Ten 0. van deze 
punten is de vroegere bergketen door inzinking grootendeels 
verdwenen, terwijl slechts enkele kleine eilandjes boven water 
zichtbaar bleven en eindelijk in Billiton zich nog een grooter oude 
schol van de vroegere aardplooi aan de oppervlakte vertoont. 
Door die ingressie tusschen genoemde kapen als uiterste punten 
is de Z.0. kust van Banka tot een wjjde, open bocht uitgehold. 

Banka is slechts door betrekkelijk weinig eilandjes om- 
ringd, doch wel vindt men nabij de kust tal van boven water 
uitstekende granietrotsen, klippen en onderzeesche banken, voor- 
namelijk aan de oostkust. Vele dier rotsen en banken zijn door 
koraalriffen omzoomd. Van deze kleine eilandengroepen noemen 
wij de Moendo- en M ondong-groep en de Nangka-eil. in 
het W., de Lepar-archipel in het 0., benevens verder N. 
de Glosar of Gaspar-ei 1. en de Boompjes-eil., onder- 
scheidene kleine eilandjes naar het N.0. en ten N. ver uit den 
wal de Toedjoe- of Zeven-eilanden (Zie pag. 325). 

Het binnenland van Banka bestaat meest uit een golvend 
heuvelland, dat in het Maras-geb. zijn grootste hoogte heeft 
met toppen van 600—700 M. hoogte. Het grootste gedeelte der 



Digitized by Google 



347 



verheffingen wordt gevormd door afgeronde bergmassa's van 
graniet, die hoofdzakelijk in drie lengtelijnen en twee dware- 
lijnen door het eiland voorkomen. De westelijke reeks dezer 
graniet-erupties is het belangrijkst en heeft de meeste bergen; 
het graniet-massief van Muntok in het N.W. behoort hiertoe, 
en de reeks loopt door naar het Z. Verder bestaat de vaste bodem 
uit Silurische of Devonische schiefer. Aan de oppervlakte zijn 
deze gesteenten meest verweerd en tot graniet-lateriet of 
schiefer-lateriet overgegaan. De gronden hebben niet de vrucht- 
baarheid van de vulkanische verweeringsprodukten op Java, 
welke soms ook lateriet genoemd worden. De Banka-aarde, welke 
als pottenbakkersleem gebruikt wordt, is lateriet-leem, die tevens 
dient voor bouwmateriaal, tot bestrijking van muren enz. Vul- 
kanisme is onbekend op het eiland. 

De bodem van Banka is rijk aan tin, dat door de rivieren 
uit de tinhoudende gesteenten van het bergland naar de alluviale 
moerasgronden is afgevoerd en daar in de losse aardlagen als 
stroomtinerts werd neergelegd. Ongeveer */s van het in de laatste 
jaren geproduceerde tin is stroomtinerts. Het tinerts, dat door 
de rivieren wordt afgezet, is het fijnst in den benedenloop, het 
grofst in den bovenloop, en de deeltjes worden bij het vervoer iets 
afgerond. Hierdoor vindt men het tinerts aan de monding der 
rivieren en nabij de kust als fijn poeder, maar in het binnen- 
land worden de korrels grooter, en zelfs zijn hier tinklompen van 
tientallen K.6. aangetroffen, echter meer op Billiton dan op Banka. 

Het klimaat van beide eilanden heeft de voordeelen van 
het zeeklimaat, waarbij de hooge temperatuur der eilanden ge- 
temperd wordt door de afwisselende zee- en landwinden. Hoe- 
wel er een temperatuur van 38° C. in de schaduw kan voorkomen, 
is de gemiddelde temperatuur op Banka 30° C. en in de hoogere 
gedeelten des eilands daalt des nachts de temperatuur wel tot 
4° a 5° C. Buiig, onstuimig weer komt voornamelijk voor in den 
N.W. moesson; tijdens de kenteringen en in den Z.O. moesson 
slechts bij uitzondering. De Z.O. moesson (passaat) staat van Mei 
tot October krachtig en steeds bestendig door; November is de 
kenteringsmaand, met onzekere winden, en hoewel in Dec. reeds 
de N.N. W. winden meest voorkomen, verkrijgen die eerst ge- 
durende Januari, Februari en Maart zoo sterk de overhand, 



dat men van den N.W. moesson kan spreken. De wind wisselt 
dan af van N.W. tot N. De windrichting wordt echter locaal 
altijd veel gewijzigd door de land-] en zeewinden. 

De regenval te Muntok bedraagt gemiddeld 3007 m.M. per 
jaar, te Tandjong Pandan op Billiton 2869 m.M. Hoewel het 
geheele jaar door er regen valt, zijn de maanden Mei, Juni, 
Juli, Aug. en Sept. toch de droogste maanden (O. moesson) met 
gemiddeld over die 5 maanden per maand 133 m.M., terwijl de 
maanden Nov., Dec, Jan., Febr. en Maart gemiddeld per maand 
een regenval hebben van 319 m.M. (voor Muntok). Daar de tin- 
winning afhankelijk is van de beschikbare waterhoeveelheid, 
heeft de regenverdeeling groote beteekenis voor dit eiland. Werd 
vroeger het klimaat (bijv. van Muntok) ongezond geacht, in de 
laatste jaren wordt daarover gunstiger geoordeeld. 

Geheel Banka is dicht bedekt met een tropischen planten- 
groei, en onbegroeide plekken of grasvlakten zijn er zeldzaam. 
Oorspronkelijke wouden vindt men er niet meer; zij zijn ver- 
dwenen door den mijnbouw en den ladaugbouw, en jonge, waar- 
delooze opslag is er voor in de plaats gekomen, met slechts 
kleine plekjes oerwoud er tusschen. Hoewel er nog goede en 
kostbare houtsoorten groeien, heeft het bosch toch enkel locale 
waarde, te meer, daar de middelen van transport van het hout 
ontbreken en terreinbezwaren de exploitatie belemmeren. Onder 
de boomen hebben de Myrtaceeên de overhand; zjj worden 
gebruikt tot het branden van houtskool, het bereiden van verf- 
stof en het breeuwen van prauwen. Ook Laurineeën zijn door 
vele soorten vertegenwoordigd, waaronder verschillende, wier hout 
voor huizenbouw geschikt is. Vele Dipterocarpeeén zijn van 
belang wegens de harsen. Onderscheidene palmen, als de kokos- 
palm, de nibong, nipah en aren-palm spelen een groote rol. 
Rhizophoren en pandanen ziet men aan de moerassige kusten, 
eikeboomen vormen geheele bosschen, en ook echt ijzerhout en 
ebbenhout groeit er, terwijl wilde vruchtboomen niet ontbreken 
en evenmin de sapanheester, die verfhout levert. Uitgestrekte 
alang-alangvelden vindt men er niet, maar toch is het eiland 
niet zoo arm aan grassen, als men dikwijls heeft beweerd. 

De fauna vertoont veel overeenstemming met Sumatra en 
ook met Malakka; echter komen er geen carnivoren voor, de 



349 



Maleische beer uitgezonderd. Groote in het wild levende dieren zijn 
het hert, het wilde zwijn, dat talrijk vertegenwoordigd is, de Ma- 
leische beer, onderscheidene apensoorten, de luiaard, de vliegende 
maki enz. A!ls vogels bezit het eiland verschillende eigenaardige 
soorten. Krokodillen leven in vele rivieren, en hagedissen vindt 
men er rijk vertegenwoordigd,^ alsmede eenige vergiftige slangen. 

De Bankaneezen behooren tot de Maleiers en zijn waar- 
schijnlijk meestal van Palembang afkomstig. Echter behooren 
zij tot de physiek en intellectueel het laagst staande stammen. 
Zij worden onderscheiden in Orang Goenong (berglieden), 
Orang Darat (landbewoners) en Orang Sekah of Orang 
Laoet (zeebewoners). De laatsten bestaan uit een mengelmoes 
van verschillende Maleische stammen; zij zwerven het geheele 
jaar door met vrouw en kinderèn op zee rond. Vroeger waren 
het geduchte zeeroovers, doch thans houden zij zich met de 
vischvangst bezig. Kwamen zij vroeger slechts zelden aan den 
wal, in den laatsten tijd vestigen zich velen aan de kust. De 
Orang Goenong, met donkere lichaamskleur, zwart, dikwijls sterk 
haar en veelal melancholische uitdrukking, hoewel middelmatig 
van grootte en goed gebouwd, zijn lichamelijk zwak, weinig 
energiek en niet intelligent; zij hebben geen industrie en ge- 
voelen weinig lust tot den arbeid. De Bankaneezen worden ge- 
schetst als eenvoudig, zachtaardig, eerlijk, matig, vreesachtig 
en buigzaam van karakter, zeer bijgeloovig. Hoewel onderdanig, 
hebben zij geen bijzonder ontzag voor hun hoofden; zij be- 
schouwen die als huns gelijken, wat het ook werkelijk zijn, daar 
op Banka geen adel of standen bestaan. 

Banka was waarschijnlijk, evenals Billiton, in de middel- 
eeuwen onderworpen aan] het Hindoe- Javaansche Rijk Madja- 
pahit (zie II, 78), en na den ondergang van dat rijk in 1518 
werd Banka onafhankelijk. De vorst van beide eilanden, niet be- 
stand tegen buitenlandsche vijanden, stelde zich in 1668 onder 
de souvereiniteit der Ned. 0. 1. Compagnie, en toen na diens 
dood de weduwe in het huwelijk trad met den sultan van Palem- 
bang, verkreeg deze het gezag over Banka en Billiton. Nadat 
de tinrijkdom van deze eilanden aan het licht kwam, verkregen zij 
in eens groote waarde, en de Compagnie wist door onderscheidene 
verdragen met den Sultan van Palembang, in 1722, 1755, 



Digitized by Google 



350 

1770, 1777 en 1791 het monopolie voor het tin te verkrijgen. 

De geregelde en intensieve exploitatie der tinmijnen ving 
op Banka eerst aan na afloop van den oorlog met Palembang 
in 1821. 

De middelen van bestaan der Bankaneezen zijn weinig ont- 
Middefcn van ^fcrijj. de landbouw is rijstbouw op de ladangs, waarbij de vrouw 
den moesten arbeid verricht. Wel zijn er van regeeringswogo oenige 
sawah's aangelegd, doch de terreinen daartoe zijn beperkt. Ook werd de teelt van 
peper en gambir aangemoedigd en werden proeven genomen met den verbouw van 
Liberia-koffle, van tabak, katoen en kapok maar deze culturen bleven onbelangrijk. 
De bevolking teelt verder klapperboomen, aren- en eago-palmen en andere vrucht* 
boomen, alsmede pinang, obie-kajoe, pisang, ananas, yams, augurken, meloenen 
enz. De rundveeteelt, voor weinige jaren nog onbekend, is er in opkomst door 
de zorg der regeering. Varkens zijn de lievelingsdieren der Chineezen. In de 
Inlandsche dorpen vormen kippen, eenden, honden en geiten de huisdieren. De 
nijverheid staat op lagen trap en bepaalt zich enkel tot vlechtwerk, vooral van 
matten. Vlschvangst en jacht zijn van beteekenis als middelen van bestaan en 
daarnaast worden boachprodukten, als harsen en gommen, plantaardige vetten, 
honig en was ingezameld. De handel is van weinig beteekenis; Europeesche 
handel bestaat er niet, en de groothandel is zoo goed als geheel in handen 
van enkele Chineezen. 

De totale bevolking bedraagt op Banka en Onderhoorigheden 95 900 zielen, 
waaronder 39 850 Chineezen, 270 Europ. 250 Arabieren, zoodat bijna de meerder- 
heid der bewoners Chineezen zijn. De Chineezen zijn er meest mijnwerkers; verder 
zijn zi) als kolenbranders, leveranciers, geldschieters en aandeelhouders meest 
direct of indirect bij de tinmijnen betrokken, terwijl anderen handel drijven, am- 
bachten uitoefenen, groenten kweeken, varkens fokken enz. De Chineezen op 
Banka behooren tot de ruwste, meest teugellooze en onbeschaafde elementen 
van dat ras. 

__ . . De ontginning van het tinerts op Banka heeft plaats vanwege 

Ontginn ing 

der tinmijnen ne ^ ^ed. Gouvernement, doch do arbeid van het tinerts-delven 
en uitvoer van en versmelten geschiedt door Chineeache maatschappyen of 
tln * „kongsi's", die het verkregen tin tegen een overeengekomen betaling 

moeten inleveren. Dit stelsel van exploitatie heeft zijn ontstaan en ontwikke- 
ling gevonden door de wijze, waarop het tinerts voorkomt. Daar bet op niet 
groote diepte gevonden wordt en dus op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden 
uitgedolven, is eenvoudige bewerking der mijnen voldoende, en de Chineezen 
zijn gewoon en geschikt om in kleine maatschappijen te werken, waardoor zij 
de noodige samenwerking hebben. ') Sedert 1889 staat de leiding en het beheer 
der tin winning onder oppertoezicht van den Resident, en zij is verder geheel 



1) J. A. ScHüOKMAN. HUtorischo «chets van de tinwinning op Rank» (Jaarb. v. h. Mijo- 
in N. Indic 1898). 



Digitized by v^oogle 



351 



opgedragen aan de ingenieurs en het verdere personeel in dienst van bet mijn- 
wezen. 

De voorwaarden, waaronder de Cbineesche kongsi's thans werken, zijn 
omschreven in het Staatsblad 1891, N°. 134. De ontginningen worden ver- 
deeld in drie klassen. In die der klasse wordt in hoofdzaak gewerkt volgens 
in riaam van den Resident gegeven aan wijzigingen ; de overige eigenlijke ont- 
ginningen behooren tot de 2<l° klasse, en tot de klasse wordt gebracht het 
nawasschen en uitsmelten van door de eigenlijke ontginningen verworpen erts- 
houdenden grond en tinslakken. De ontginningen l*te klasse zijn het belang- 
rijkst; van de 14 447 mijnwerkers, in 1000 in totaal op Banka werkzaam, werkten 
er 12 262 in ontginningen lrte klasse, terwijl de opbrengst er van ruim 86% 
der totale productie bedroeg. 

De kongsi's moeten al het verkregen tin aan het Gouvernement leveren 
tegen een prijs, die voor de ontginningen l«t« kl. bij elke kongsi afzonderlijk, 
in verband met het te bewerken terrein en andere omstandigheden, jaarlijks 
wordt vastgesteld. De ontginningen l*to en 2d« klasse kunnen in den loop des 
jaars verschillende voorschotten en tegemoetkomingen van het Gouvernement 
ontvangen op het te leveren tin. 

Het werkvolk in de mijnen bestaat bijna uitsluitend uit Chineezen. Niet 
alleen staan, zooals uit proefnemingen blijkt, de Inlanders voor het verrichton 
van grof werk in de Unertsgroeven bij de Chineezen achter, maar deBankaneezen 
toonen ook geen neiging tot dat werk. De in zeer gering aantal aanwezige 
Inlandsche arbeiders worden voor nevenwerkzaamheden gebruikt, grootendeels 
als kolenbranders, soms als machinedrijvers. Als losse arbeiders doen ze nog 
wel dienst voor tin- en rijstvervoer, en als handwerkslieden bij het aannemen 
van bouwwerken. 

De deelhebbers in de kongsi's zijn grootendeels „peranakans" d. i. op Banka 
geboren Chineezen. Maar jaarlijks komen tegen Chineesch nieuwjaar ook een 
aantal »sin-khehV' (zie I, pag. 421) uit China naar Banka, die vanwege bet Gou- 
vernement geworven zijn. De aangeworvenen behooren tot verschillende stammen 
der Kheh-Chineezen; Hokian-Cbineezen worden op Banka nagenoeg niet aange- 
troffen. De Hoklo- en HakkaChineezen zijn afkomstig uit de provincie Kwan- 
toeng en komen van de havenplaatsen Hongkong en Swatow over Singapore 
naar Huntok. De overige Chineezen komen rechtstreeks uit de havenplaats 
Haikou op Hainan naar Muntok en zijn gedeeltelijk van dat eiland afkomstig, 
gedeeltelijk, nl. de Kongsi's, de Katjoe's en de Lioetjoe's, uit de provincie 
Kwangsi. De sin-kheh's verbinden zich om 360 dagen te werken, en als zij daar- 
aan voldaan hebben, worden zij jaarlooners, die zich verbinden voor een vol 
werkjaar. In de keuze der ontginning zijn zij geheel vrij. Vaak gaan zij, na 
wat overgespaard te hebben, voor eenigen tijd naar China terug en komen dan 
later op eigen gelegenheid weder om by de een of andere kongsi in dienst te 
treden; zij zijn ook dan gewone jaarlooners. 

Het voornaamste gebouw van een mijnontginning is het Kongsi-huis. Hierin 
bevindt zich in het midden een hoofdgebouw met de voornaamste offerplaats, 
die op Chineesche wijze meer of minder rijk versierd is, al naar de gegoedheid 



Digitized by Google 



352 



der kongsi. Voor het Kongsi-huis is een vierkant plein, aan de drie overige 
zijden omgeven door loodsen, welke dienen tot bergplaatsen, keuken, slaapplaatsen 
voor ongehuwde werklieden enz. De gehuwde lieden, die op zijn meest 8% 
van de sterkte uitmaken, wonen in de nabijheid van het Kongsi-huis in afzon- 
derlijke woningen. De Kongsi-buizen en andere verblijfplaatsen zijn van hout 
gebouwd. 

Een Chineesche koelie blijft in den regel drie jaren by dezelfde kongsi werk- 
zaam, eerst als sin-kheh, later als gewoon werkman. Na afloop van dien tijd kan 
hij genoeg hebben overgespaard om voor goed of voor een paar jaren terug te 
keeren naar zijn vaderland. Elk jaar repratrieeren er tusschen de 700 en 1000 
Gbineezen, maar velen keeren weder naar Ban ka terug, als hun geld verteerd is. 

De vroegste ontginning van het tinerts was zeer primitief. De Inlanders 
groeven ter plaatse, waar zij tinerts vermoedden, putten en haalden van den 
bodem het tinerts weg. Op loonende plekken werden een groot aantal van zulke 
putten dicht bij elkander gegraven, waarvan men de sporen nog zien kan, en 
die men „Palembangsche putjes" noemt. De Chineezen voerden al spoedig een 
betere methode van ontginning in, die met geringe wijzigingen nog gehandhaafd 
is. De ontginning heeft uitsluitend plaats in open groeven, die verschillend van 
diepte zijn, al naarmate het erts lager ot hooger ligt. Gemiddeld hebben die 
groeven een diepte van 5— 8M.; de diepste, thans bewerkte, gaat tot 20 M. De 
horizontale uitgestrektheid is zeer afwisselend; er komen thans groeven van 
200 a 300 M. lengte voor en van 100 M. en meer breed. 

De ertslaag bestaat hoofdzakelijk uit een mengsel van fijn zand en tinsteen, 
maar zij bevat ook groote en kleinere steenen, kwartskristallen, een weinig 
ijzererts en klei. Het erts moet dus voor het uitsmelten gezuiverd worden, wat 
geschiedt door zeven en wasschen. Het uitsmelten van tin geschiedt met be- 
hulp van houtskool en heeft des nachts plaats, om de smelters minder van de 
hitte te doen lijden. Het zuivere tin wordt in gietijzeren vormen gegoten en 
zoo verkrijgt men blokken in den bekenden schuitjesvorm, die 82 - 36 K.G. 
wegen. Zij zijn gestempeld „Banka" en geven verder door letters aan, uit welk 
district zij afkomstig zijn. 

De benoodigde houtskolen worden op Banka zelf gebrand en, om de transport* 
kosten te sparen, zoo dicht mogelijk bij de plaatsen van verbruik. Daar echter 
in vele districten het hout voor het kolenbranden schaarsch begint te worden, 
werd in 1896 in het boschryke district Koba een groote kolenbrander^ opgericht. 

Gedurende het exploitatiejaar 1904-05 steeg het aantal ontginningen der 
l*te en der 2de klasse respectievelijk van 138 tot 143 en van 137 tot 142. In 
de ontginningen l»t° klasse werkten gedurende het exploitatiejaar 1904-05 ge- 
middeld 10175 arbeiders en in die der 2de klasse 1468. De tinlevering over 
het exploitatiejaar 1904 - 05 bedroeg 148 987 pikol, bij gemiddelde sterkte van 
11 693 man. In den loop van dat jaar werden 25 921 pikol onzuiver of van 
onzuiverheid verdacht tin aan omsmelting onderworpen, waarbü 6,82 °/ 0 verloren 
ging. Voor den mynarbeid werden in genoemd jaar slechts 894 Chineesche 
nieuwelingen aangenomen, een aantal dat niet voldoende is. 

Het Banka-tin wordt vervoord naar Batavia en vati daar naar Nederland, 



Digitized by Google 



353 



waar het te Amsterdam en Rotterdam geveild wordt. De vraag is herhaaldelijk 
besproken om het Bankatin, evenals dat van Billiton, te Batavia op de markt 
te brengen. Anderen hebben het oog wel eens gevestigd op Singapore, de grootste 
tinmarkt der aarde. Voor Nederland is evenwel de tinmarkt van groot belang; 
een niet onbelangrijke termynhandel wordt daarin gedreven. Voor 1905 was 
de hoeveelheid te verkoopen tin van Banka bepaald op 166 000 pikol, benevens 
651 pikol tin-afval. 

Muntok. De belangrijkste nederzetting is Muntok, gunstig 
Nederzettin- g e i e g en B&n a en noordelijken ingang der Banka-straat, met 4400 
inw. (waarvan 968 Cbineezen, 115 Arabieren en 119 Europeanen). 
De plaats bestaat uit drie w\jken, welke tezamen 23 kampongs omvatten. De 
inlandsche wijk ligt aan beide zijden van het riviertje Muntok, de Chineesche 
wijk ligt hooger op aan den weg, die van de benedenstad naar de bovenstad 
of Europeesche wijk voert. De huizen zijn gedeeltelijk van hout, gedeeltelijk van 
leem, en ook vindt men er van steen opgestrokken. De huizen der Europeanen 
liggen rondom een grasvlakte, waar ook de woning van den resident staat. 
Door haar gunstige ligging heeft de plaats veel vertier, en vindt men er 
meestal grootere of kleinere schepen op de reede. Een houten aanlegbrug is 
gebouwd. 

Belinjoe 3000 inw. (1640 Chin. 1301 Inl.), aan de Kelabatbaai. - Soen- 
geillat 2380 inw. (1390 Chin. 950 Inl.) en Pangkal Pinang 2680 inw. 
(1200 Chin. 1450 Inl.) in het O. — Soengei-Selan 2300 inw. (waarv. 710 
Cbin., 1600 Inl.). aan de Selan in het land. — Toboali 2570 inw. (833 Chin. 
en 1700 Inl.) in het zuiden aan Straat Banka. 



II. BILLITON. 

Aigemeene Billiton of Blitoeng is ten Z.0. van Banka 
beschrijving, gelegen, tusschen 2° 31\Y en 3° 16'/i' Z.Br.; de Gaspar- 
straat scheidt het van Banka, de Str. v. Karimata van Borneo. 
Het eiland heeft bijna de gedaante van een kwadraat ; het beslaat 
een oppervlakte van 4834 K.M. 2 (bijna zoo groot als Gelder- 
land) en telt 31 714 inw. (waaronder 1 1 577 Chineezen, 84 Europ. 
7 Arab.) 

Billiton is op dezelfde wijze ontstaan als Banka (zie pag. 344). 
Het eiland vormt een golvend heuvelland, waaruit zich talrijke 
heuvels en bergen verheffen, gedeeltelijk tot gebergten gegroe- 
peerd. De hoogste verheffing ligt in het midden des eilands, waar 
in het Tadjangeb. hoogten tot 510 M. gaan. De vaste bodem 
en de bergtoppen bestaan meest uit oude leigesteenten en graniet 

II 23 



Digitized by Google 



354 



van Devonische erupties. In het graniet vindt men veldspaat-, 
porfier- en diabaasgangen en ijzer- en tinhoudende kwartsgangen. 

De rivieren van Billiton stroomen in alle richtingen uit 
het binnenland naar de kusten. Zij zijn nergens diep ingesneden 
en tusschen de wateren is het terrein zacht afgerond. De kusten 
van het eiland zijn eentonig; aan de westkust bestaat zjj uit 
een smalle strook zand, aan de oostkust uit een breede zandvlakte, 
die een moeras insluit, hetwelk wemelt van krokodillen. De andere 
gedeelten der kust bestaan of uit afzettingen van zee- en brak- 
watermodder, de zoogen. „bakoe", bedekt met een ondoordringbare 
boschvegetatie, die vooral in het W., N. en Z. sterk ontwikkeld 
is, of uit moerassen. Niet minder dan een 150-tal zeer kleine 
eilandjes omringen de kusten. 

De talrijke rivieren van Billiton zijn alle kort van loop; 
in den benedenloop zijn enkele voor laadprauwen bevaarbaar. 
In de aangespoelde kuststreken zijn de rivieren diep en hebben 
aanzienlijke breedte ; zij vormen veelal fraaie, sterk kronkelende 
mondingen. De Tjeroetjoep in het W. is een der belang- 
rijkste, waaraan dicht bij den mond de hoofdplaats, Tand- 
jong Pandan. 

De voornaamste plaatsen op het eiland zijn door tamelijk 
goede wegen of breede voetpaden met elkander verbonden ; naar 
de afgelegen mijnen voeren smallere paden. Enkele trams heeft 
men aangelegd. Over de rivieren liggen smalle bruggen, welke 
alle, althans te paard, kunnen gepasseerd worden. Het transport 
over land geschiedt verder meest per draagkoelie of per kruiwagen. 

De inlandsche bevolking van Billiton komt veel overeen 
met die van Banka en kan ook aldus worden onderscheiden 
(zie II pag. 349). Een groot gedeelte der Inlandsche Maleische 
bevolking is afkomstig van Palembang, 0. Sumatra, Banka, den 
Riouw-Archipel, Borneo en elders en is daardoor zeer gemengd. 
De Orang Darat worden beschreven als behulpzaam, gastvrij, 
eerlijk en goedaardig van karakter; zy kennen slechts geringe 
behoeften. Hoewel vlijtig, hebben zjj van koeliediensten een afkeer. 
Belasting betalen zij niet, maai* zij verrichten heerendiensten. 

De bevolking, thans ongeveer 31700, is sedert de tinexploi- 
tatie meer dan verdubbeld. Een klein gedeelte der Inlanders, 
aan de riviermonden gevestigd, de „Dj oeroe", leeft voornamelijk 



Digitized by Google 



355 

van de vi9chvangst en houdt zich eenigermate afgezonderd van de 
overige bevolking. De Orang Sekah of Orang-laoet (men- 
schen der zee), maken ongeveer een 3000 uit; zij hebben geen 
vaste woningen, doch leven en sterven in hun prauwen en 
houden zich veel op aan de mondingen der groote rivieren. 

De Inlandsche bevolking neemt ook hier weinig deel aan 
den mijnarbeid; een gedeelte echter levert daarvoor allerlei be- 
noodigdheden voor tjjdelijken huizenbouw (hout, rotan), verder 
vruchten, wilde varkens en zjj worden ook wel gebruikt voor het 
vervoeren en kruien van tin, schoonkappen van het terrein, het 
verrichten van grondwerk, voor hulp bij grondonderzoek enz. 
De Sekah's worden uitsluitend gebruikt voor het transport te 
water van tin en rijst, waartoe zij uitstekend geschikt zjjn, bjj 
het laden der stoomschepen enz. 

Bi 11 i ton behoorde vroeger tot de residentie Banka, doch bij 
Gouvernementsbesluit van 15 Maart 1852 werd het daarvan 
afgescheiden; het vormt sedert 1852 een zelfstandige assistent- 
residentie met de omliggende eilanden. De zetel van het Hoofd 
van 't gewestelijk bestuur is gevestigd, gelijk wjj zeiden, te Tand- 
jong Pandan, tevens de eenigste voor den algemeenen handel 
open haven. 

Bronnen van Wat het Wlmaat betrett » verschilt Billiton niet veel van Banka 
en (zie pag. 847). Verreweg het grootst o gedeelte van het eiland ia 



voortbreng- me t bosch bedekt; de meeste bosschen bestaan uit jong hout, 
selen. en 0 p g 0n imige bergen en plekken worden nog oorspron- 

kelijke wouden gevonden. Alleen enkele gedeelten van Billiton zijn voor land- 
bouw en veeteelt geschikt. In de laatste jaren neemt de tuinbouw toe en ook 
de aanplant van peper en cassave voor den uitvoer, terwtyl rondom de dorpen 
vruchtboomen geplant worden. Veeteelt bestaat er op het eiland niet, en de 
weinig ontwikkelde nijverheid bepaalt zich tot het vervaardigen van matten, 
zakken, reetman dj es, sigarenkokers, het ijzersmeden, tingieten en touwslaan. 
De Chi neezen bezitten enkele steen- en kalkbranderijen. De vischvangst wordt 
door velen óf als hoofd-, óf alB nevenbedrijf uitgeoefend, evenals de jacht op 
herten en wilde zwijnen. Ook vindt menige Inlander een bestaan in het ver- 
zamelen van boschprodukten, als boomschors, rotan, hars, honig en was. De 
handel is onbelangrijk; uitgevoerd worden: copra, matten, rotan, meubelhout, 
damar, was, agar-agar (gedroogde zeewieren), schildpad, haaivinnen, hertenhoorns, 
peper, schelpen. 



356 

De hoofdproductie van bet eiland is tin. De tinrykdom is 
De tinont- g^ert ^35^ na der bekend geworden en sedert 1860 heoft 

de exploitatie plaats vanwege de Billiton-Maatschappy te 's-Gra- 
venhage, die concessie heeft. (Zie I, pag. 654). 

De tinmynen worden uitsluitend bewerkt door arbeiders van Chineeschen 
oorsprong, behoorende tot de verschillende stammen der reeds genoemde emigratie- 
districten van Zuid'China en van het eiland Hainan. Echter komen er ook 
mynwerkers voor, die op Banka of Billiton zyn geboren, „peranakans", die by 
den volbloed minder in tel zün. De Billiton-onderneming heeft voor de emigratie 
in China een goeden naam. Vrouwen emigreeren er weinig: het aantal vrouwen 
in de mynen is zeer gering in vergeUJking tot de mannen, en zij zyn meest 
op Banka of Billiton geboren. Vele vrouwen van Billiton gaan voor de opvoeding 
der mannelyke kinderen naar China terug. 

Voor den tinm\jnbouw is het eiland verdeeld in vyf myndistricten, waar- 
van de grenzen bepaald zijn door het stroomgebied van een of meer gr 00 te ri 
vieren, en die in hoofdzaak samenvallen met de grenzen der gelyknamige be- 
stuursdistricten. In deze districten z\jn de terreinen, meestal in verband met 
de natuurlijke waterverdeeling, ingedeeld in myncomplexen, gewoonlijk aange- 
duid met een volgnummer en een Chineeschen en inlandschen naam. Om het 
noodige spoelwater te verkrijgen worden valleien afgedamd of waterreservoirs 
gemaakt, gewooniyk „tebats" genoemd. Stoompompen zijn in de laatste jaren 
ook ingevoerd. Tot 1898 werd het tinerts door de mijnwerkers op Billiton zelf 
mijn sge wijze gesmolten in Chineesche schachtovens, het vuur gedreven door Chi- 
neesche blaasbalgen (zuigers), door menschen bediend en met zelf vervaardigde 
houtskolen. Gaandeweg werden eenige ovens in groote mijnen, waar slagwater be- 
schikbaar kwam, door ventilatoren met waterraderen gedreven. Later is men 
in eenige myncomplexen overgegaan tot den bouw van centrale smeltinrich- 
tingen, waar het erts uit de omliggende mijnen wordt gesmolten. Tegelijkertijd is 
sedert 1808 aangevangen met het zenden van tinerts en den verkoop aan de „Poeloe 
Branie Melting Works" te Singapore. Het vervoer van erts naar Singapore gaat 
nog steeds voort, mede een gevolg van het gebrek aan brandstof op Billiton by 
enkele mijnen en wordt ook toegepast op de mijnen, die te weinig tin opleveren 
voor eigen smelting. Het tin, daaruit verkregen, komt als „Straits-tin" in den 
handel. 

Gedurende het boekjaar 1904—05 (eind. uit. April) is op Billiton ingeleverd 
71707 pikol tin (zoogen. administratieve productie), waarvan ongeveer 22 936 
pikol in den vorm van erts, hetwelk ter bewerking naar Singapore is gezonden 
en daar wordt gesmolten. Alles samengenomen was de totale productie 72 673 
pikol, verkregen door 7867 by de mynploegen ingedeelde mynwerkers en ge- 
middeld 1865 niet tot de ploegen behoorende, zoogen. „werkzoekenden." Het 
Billiton-tin wordt, met uitzondering van het als erts naar Singapore gezondene, 
te Batavia by maandelyksche inschrijvingen verkocht. Op het einde van April 
1904 waren 72 mynen en 6 zelfstandige „noompangs", benevens 13 P. O. (zoogen. 
particuliere ontginningen op oud mynterrein) werkzaam. 



Digitized by Google 



357 

Nederzettin Tandjong Pandan (3360 inw. f waarvan 2369 Inl., 960 
g en * Chin., 46 Europ.) is de hoofdplaats, de verblijfplaats van den assist.- 

resident, nabij de westkust aan den rechteroever van den mond der 
Tjeroetjoep. Er is een redoute met kleine bezetting, en men vindt er het groote 
hospitaal der tinmaatschappy. Eens om de twee weken wordt bet aangedaan 
door een stoomschip der K. Paketvaartmaatschappi) (route Batavia — Pontianak,) 
en eens in de twee weken door schepen der route Batavia — Singapore. Boe- 
ding, aan de Soengei Boeding (1470 inw. waarvan 1220 Inl., 240 Ghin. en 8 
Europ.), de verblijfplaats van een administrateur der tinmijnen, niet ver van de 
noordkust. Manggar (1660 inw., waarv. 1080 Inl., 460 Chin. en 14 Europ.), 
aan de rivier van dien naam dicht by de oostkust; een administrateur der tin- 
maatschappij en personeel. Dindang (1744 inw., waarv. 1620 Inl. 221 Chin. 
on 4 Europ.) in het zuiden. 

Litteratuur over Banka en Billüon. - H. Zondervan gaf in 1894 en 95 
een samenvattend overzicht van Banka en zijn Bewoners, met opgave van de 
litteratuur (Ind. Gids). Dr. Verbeek gaf een Geologische beschrijving van Bangka 
en Billüon, met 7 kaartenbladen, 2 bladen profielen en vier platen. (Jaarb. v. 
h. Mijnwezen 1897). Posewitz schreef: The Zinninseln im Ind. Ocean 1886; 
De Groot, Herinneringen aan Blitong, met geol. kaart en 4 platen 1887, met 
volledige opgaven der litteratuur. Verder de Verslagen der Büliton Maatschappij, 
en De Mijnbouxoondememing op Bülilon in algemeene trekken geschetst, 1900. De 
Encyclopaedie v. Ned. Indiê, geeft vrij uitvoerige beschrijvingen van beide eilanden. 



Digitized by Google 



NEDEKLANDSCH BORNEO EN OMLIGGENDE EILANDEN. 



ƒ. ONTWIKKELING EN BRONNEN ONZER KENNIS VAN BORNEO. 



. Wy hebben de op dit oogenblik in economisch opzicht be- 

iikste langryksto eilanden van den Archipel behandeld. En hoewel ook 



vuld hebben en daardoor merkwaardig zyn, mogen wy daarby toch niet zoo uitvoerig 
stilstaan, ten einde de gestelde ruimte niet te zeer te overschrijden. Deze prak- 
tische reden dwingt ons tot beperking, en wy moeten ons dientengevolge tot 
meer algomeene overzichten bepalen, ook by de vermelding der litteratuur. 

Al is het niet zeker, welke Portugees op eenig deel van het land, dat wy 
thans met den naam Borneo aanduiden, het eerst voet aan wal zette, in het 
algemeen kan men aannemen, dat omstreeks 1518 of iets later de Portugeezen 
by hun tochten door de Zuid-Chineesche zee hier het ryk Broenei leerden 
kennen, een -kustgebied in het N. W. van het tegenwoordig Borneo, en dat 
daaraan de naam Borneo, waarmede de Europeanen het gehoele eiland aan- 
duiden, te danken is. De Maleiers, die de kusten bewonen, en de Inlanders van 
het eiland zelf hadden hun geographisch overzicht nog niet tot die hoogte ge- 
bracht, om het eiland met een algemeenen naam te noemen; zy kenden 
enkel de namen der deelen. 

De eerste betrekkingen van de Portugeezen en van de Spanjaarden der Philip- 
pynen met Borneo hadden hoofdzakeiyk plaats met Broenei. De Nederlanders 
vestigden zich op enkele kustplaatsen van Borneo en wisten daar gezag te er- 
langen (I pag. 429), maar vóór de 19<ta eeuw beteekende ons optreden hier 
niet veel. Eerst nadat Nederland de koloniën van Engeland terug verkreeg, 
werd de verkenning van het binnenland van Borneo langzamerhand aange- 
vangen en had de werkeujke vestiging van het Nederlandsch gezag plaats. In 
den tyd der O. I. Compagnie bestond de kennis van Borneo enkel uit onbe- 
duidende mededeelingen over eenige kuststreken, en uit kaarten van de kust, 
gegevens, waarvan de wetenschappelyke waarde niet altyd groot was. Wel zyn 
enkele kloeke mannen ook in dien tyd dieper in het land doorgedrongen, die daarover 
rapporten hebben uitgebracht, maar hierover is weinig of niets bekend geworden. 
Eén tocht door Borneo uit den tyd der Compagnie is beter aan het licht ge- 




Digitized by Google 



359 



komen. Toen in 1787 de Sultan van Bandjermasin de souvereiniteit der Com- 
pagnie erkende, werd den sergeant der Compagnie F. J. Hartmann opgedragen 
bet nieuw verworven land door te reizen en de toestanden en hulpbronnen te 
onderzoeken. Hartmann ondernam voor dit doel een drietal reizen, waarvan 
een rapport in het archief der Compagnie werd gevonden, dat in 1864 door 
Leupe is gepubliceerd: F. S. Hartmann, Beschrymng van eenen togt naar de 
bovenlanden van Bandjermassin in het jaar 1790 (Kroniek v. h. Hist. Gen. te 
Utrecht XX, 1864). Hartmann bevoer o. a. op zijn tweede reis de Barito tot 
Moeara Teweh op ± 1° Z.Br., verkende onderscheidene btystroomen der Barito 
en eenige andere rivieren, en op zyn derde reis werd deze moedige onder- 
zoeker nabij Montelat vermoord door twee Dajaks. Hartmann gaf reeds in 
algemeene trekken een vi\j juist beeld van het Barito-gebied, deels mede- 
deelingen omtrent het voorkomen van goud en yzer, beschrijft de wyze, waarop 
de inboorlingen het ijzer smelten enz. Doch het resultaat dezer laatste reizen 
bleef lang onbekend. 

Eerst na 1820 begon men van tijd tot tyd van de kusten dieper in Borneo 
door te dringen. Mr. J. H. Tobias, die in 1821 als regeeringscommissaris in 
West-Borneo kwam, waar hy de Chineesche districten en de zuidelijke landen 
bezocht, was de eerste Europeaan, die de Kapoewas tot Sintang opvoer; L. C. 
Hartmann, burgerlijk ambtenaar, ontdekte in 1823 het Danau-gebied aan de 
grens van Serawak. Doch de belangrijkste onderzoekingsreizen in West-Borneo 
waren in dezen tijd die van Georg Muller uit Rheinland, van 1818—1824, 
in burgelyken dienst van het gouvernement, aan wien wy de vele topographische 
en historische gegevens danken. Georg Müller drong in 1828 van het westen 
langs de Kapoewas tot 113 I /«°0.L. het land binnen, voer later als gevolg van 
een nieuwe opdracht den Mahakkam-stroom van het oosten op en drong zoo 
diep binnenwaarts, dat hy slechts weinige uren van de plek was, vroeger van 
het W. uit door hem bereikt. Toch zou het hem niet gelukken Borneo dwars 

« 

door te trekken; hy werd hier door de inlanders overvallen en vermoord, en 
zijn aanteekeningen van deze reis gingen verloren. Vervolgens noemen wij 
M. H. Halewijn, die in 1824-25 in Zuid-Borneo reisde: Tana Laut, Barito 
en KL Dajakrivier. (T. Ned. Ind. I en II.) 

In den tyd van 1880-1840 zetten onderscheidene civiele ambtenaren als 
Van Lynden, Weddink (in W.-Borneo) en Van Dewall (in O.-Borneo) de 
onderzoekingen in Borneo voort, terwyl in West- en Zuid-Borneo A. H. Henrici, 
die een groote kaart in 16 bladen van West-Borneo maakte, waarby ook op de 
physische geographie nader de aandacht gevestigd werd, als reiziger optrad. Verder 
werden aan den bovenloop der Barito onderzoekingen ingesteld door leden der 
Natuurk. Commissie (I pag. 58) als: S. Muller, Keizen in den Indischen Archipel: 
1) Reis in het zuidelijk gedeelte van Borneo, 1836, 2) Reis door een gedeelte der 
Tanah Laut-landen. (üitg. K. Inst. v. T. L. en V. 1857); - Hörner, Verslag van 
een geol. onderz. v. Z. O.-Borneo, (Bat. Gen. 1837,) en Korthals. De onderzoe- 
kingen der beide eersten in Zuid-Borneo werden voortgezet door Dr. C. H. L. M. 
Schwaner, een Duitscber, die in 1841 lid der Natuurkundige Commissie werd, 
en de eerste meer wetenschappeiyke ontdekker en beschryver van Ned. Borneo 



360 



kan genoemd worden. Schwaner's boek : Borneo, beschrijving van liet stroomgebied 
van den Barito en reizen langs eenige voorname rivieren van het zuidoostelijk ge' 
declte van dat eiland, gedaan in 1843 — 1847, zag in 1853 in twee deelen het licht, 
en was het eerste van dien aard over dat eiland. Dr. Pijnappel zegt by de 
uitgave er van, dat de reiziger zich hierdoor het schoonste gedenkteeken ge- 
sticht heeft, welsprekender dan de lof, dien het nageslacht hem brengen kan. 
Von Gaffron vergezelde Schwaner by zijn reizen als teekenaar. 

In 1864 gaf Prof. P. J. Veth uit: Bomeó's Wester-Afdeeling, geographisch, 
statistisch, historisch, voorafgegaan door een algemeene schets des ganschen eilands, 
in 2 deelen. In dit werk vindt men de tot dien tyd bestaande litteratuur over 
Borneo, verstrooid als die was in onderscheidene werken en publicaties, bijeen- 
gebracht en bewerkt tot een belangrijk geheel. Want behalve genoemde rei- 
zigers en ambtenaren hadden nog vele anderen werkelijk met ijver er naar 
gestreefd om de kennis omtrent Borneo uit te breiden. Sedert 1854 werden 
de groote reizen in Borneo wel zeldzamer, maar het onderzoek des lands ging 
weldra dieper. 

Na 1850 begonnen de mijningenieurs hun onderzoekingen in Borneo. Wy 
noemen: C. de Groot, die in 1852 in Zuid-Borneo kwam om de kolenmünen 
by Pengaron en aan de Koetei te onderzoeken, en Rant; Everwijn, die 1853—1857 
in West-Borneo, de goudvelden, koper* en tinertsen onderzocht. Van 1860—1880 
werden er geen mynbouwkundige onderzoekingen in Borneo verricht, doch toen 
R. D. M. Verbeek in 1869-70 de leiding der steenkolenontginning op Borneo 
was opgedragen, deed deze uit eigen initiatief geologisch-topographische onder- 
zoekingen. Hieraan hebben wy te danken de studiën: 1. Die Nwnmuliten des 
BorneokaUcsteines ('A. Jahrb. für Min. 1871. Vermeerderd opnieuw uitgegeven in 
Jaarb. v. Mynw. 1874 II). 2. Met Dr. Böttger e. a. : Die Eocenformation von Borneo 
und ihre Versteinerungen (Palaeontographica. SuppL III, Üasse! 1875 — 78.) Ook ver- 
schenen in Jaarb. v. h. Mynw. (1877 II, 1879 I en II). 3. Geologische beschrijving der 
districten Riam, Kitca en Ranan in de Zuider- en Oosler-Afd. van Borneo volgens 
opnemingen in 1869—70. Met kaarten en profielen (Jaarb. v. h. Mynw. 18751), 
Dit is de eerste studie, welke de geologische gesteldheid van Z.O. Borneo eenigszins 
nauwkeuriger leert kennen. 

Officieele mynbouwkundige onderzoekingen werden van 1860 — 1880 op 
Borneo niet gedaan. Doch na 1880 ving men weder aan met het onderzoek 
des bodems ten opzichte van delfstoffen. De myningenieur Hooze stelde een 
onderzoek in naar de kolenlagen van Poeloo Laooten naar die aan de Mahakkam- 
rivier in Koetei, terwyi hy verder studie maakte van de goud- en diamantvelden 
van Tana Laoet, waardoor, in aansluiting by Verbeek's onderzoek, het Z. O. van 
Borneo goed bekend werd. Wy wyzen o.a. op de artikelen van Hooze : Onder- 
soek naar de kolen in de BeraxCsche landen (J. v, h. M. N. I. 1886) en Onder- 
soek naar de kolen in het rijk van Koetei (J. v. h. M. N. 1. 1887). In West-Borneo 
deed de myningenieur Van Schelle in 1880 geologische onderzoekingen in de 
Chineesche districten om het onderzoek van Everwijn uit te breiden. Wy danken 
aan diens onderzoek de volgende artikelen : Beschrijving der Chineesche goudmijn 
Sim-Pi-Foe (J. v. h. M. N. I. 1882); Gegevens omtrent de goudproductie in Westr 



Digitized by Google 



361 

Bormo (J. v. h. M. N. I. 1882). Onderzoek naar de goudaders b\j Sjoei-Tsiü (J. v. 
h. M. N.I. 1883). Onderzoek naar het voorkomen van goud op den berg Hang-Oei- 
San (J. v. b. M. N.L. 1883). Mededeeling omtrent tiet voorkomen van enkele ertsen 
en gedegen metalen nabij Montrado (J. v. h. M. N.I. 1883). Mededeeling omtrent 
het voorkomen van cinnaber ter Wester-Afd. v. Bornto (J. v. b. M. N.I. 1883). 
Het voorkomen van ijzerertsen in het bovenstroomgebied der Sambas-rivier (J. v. h. 
M. N. I. 1888). Beschrijving der kolenafzetiing by Napan aan de rivier Bogan. 
(J. v. h. M. N.I. 1883). Behalve de genoemde vindt men van de hand van Van 
Schelle in het Jaarboek van bet Mynw. Ned. Indië 1884 en 1885 nog onder- 
scheidene artikelen over goud, yzererts enz. en in den jaargang 1886 over den 
vulkaan Molaboe in Borneo'a Westerafdeeling. 

Dr. Th. Posewitz was een drietal jaren als myn-ingenieur op Borneo werk- 
zaam en schreet verschillende artikelen over zoutlagen (Ausland 1886), platina 
(Ausland 1887), p^eiroleum (Ausland 1887), over de formaties ouder dan het 
Tertiair (Ausland 1887), over het bergstelsel van Borneo (MittheU. geogr. Ge- 
sellsch. Wien 1888), over kwikzilver (Ausl. 1888) en tin (Ausl. 1888). Doch 
voornamelijk voor ons doel is van beteekenis het boek van Posewitz: Borneo, 
Entdeckungsreiscn und Untersuchungen, Gegenwartiger Stand der Qeologischen Kennir 
nisse. Verbreitung der nutzbaren Mineraltën, waarin hy de onderzoekingen tot 
dien tijd samenvattend beschreef, met een vrij volledige opgave der litteratuur 
over Borneo. Wy moeten vervolgens de aandacht vestigen op de studiën van 
Prof. Martin, die onderscheidene onderzoekingen deed omtrent gesteenten en 
fossielen op Borneo. Wy wijzen o.a. op de volgende studiën: Versteinerungen der 
sogenannten alten Schiefer formalion von Wcst-Borneo (Samml. Geol. Reichs Mus. 
in Leiden IV, en J. M. 1889) - Neues über das Tertiar von Java und die me- 
sozoischen SchiclUen von West-Bomeo (Samml. Geol. Reichs. Mus. V, en Jaarb. 
M. 1895). — Neues über den Lias von Borneo (Samml. Geol. R. M. V. en Jaarb. 
M. 1898). - Verder Icke und Martin. Die Silatgruppe, Broek- und Silsswasser 
Bildungen der Oberen Kreide von Borneo (Samml. G. R. M. VIII 1906.) 

Verder: Dr. Fr. Vogel: Mollusken aus dem Jura von Borneo (Samml. G. 
R. M. V en VI) en Beürdge zur Kenntn. der mesozoischen Form. in Borneo (Samml. 
G. R. M. VII), en Dr. P. F. Krause, die artikelen publiceerde: Ueber Lias von 
Borneo (S. Geol. R. M. V.) en Ueber die Fauna der Kreide von Temojoh in West- 
Borneo (Samml. G. R. M. VII). Verder zijn van groot belang de onderzoekingen, 
hetzy in bloot praktische of in wetenschappelijke richting, van N. Wing Easton. 
Deze schreef over Das Diamantvorkommen in Landak (J. v. h. M. N.I. 1894), 
over Das Kupfererzvorkommen bei Matidor (J. v. h. M. N.I. 1899), en tnj heeft 
meer samenvattend de tot nog toe verkregen geologische resultaten van West- 
Borneo tot een geheel bewerkt in zyn boek: Geologie eines Teiles von West- 
Borneo nebst einer kritischen Uebcrsicht des dortigtn Erzvorkommens. Met atlas. 
(Jaarb. v. h. Mynw. 1904). 

Een levendig aandeel in het onderzoek van Borneo nam de „Maatschappy 
tot Natuurk. Onderzoek der Ned. Koloniën." In 1886 was men vanwege de 
Ned. Ind. Regeering met topographische opneming van Borneo's Westerafdeeling 
begonnen en genoemde vereeniging besloot nu een wetenschappehjke expeditie 



Digitized by LiOOQlc 



362 

te organiseeren ten einde Borneo van bet W. naar het O. te doorkruisen. In 
1893 — 94 was de Borneo-expeditie onder Dr. Büttikofer, Prof. Dr. G. A. F. 
Molengraaff, Dr. Hallier en Dr. Nieuwenhuis in Borneo werkzaam, en be- 
reikte langs de Kapoewas in Juli 1894 de oostzyde der waterscheiding in Oost 
Borneo, toen de leden wegens berichten van onveiligheid genoodzaakt waren terug 
te koeren. De heer Molengraaff koos zyn weg naar het Zuiden en zakte de 
Katingan-rivier af, de overigen trokken langs de Kapoewas weer naar het westen. 

Hoewel het hoofddoel van dit onderzoek mislukt was, hebben wy daaraan toch 
een hoogst belangrijk werk te danken van Dr. G. A. F. Molengraaff, Geologische 
verkenningstochten in Cen t raai- Boni eo in 1898 - 94, met Atlas (1900), waardoor 
omtrent het reliëf en de geologische geschiedenis van Centraal-Borneo nadere 
bijzonderheden bekend werden. Dr. Nieuwenhuis vatte na zijn terugkeer het plan 
op voor een nieuwen tocht, om het eerste voornemen uit te voeren. Deze reis 
had in 1897 - 99 plaats, en door dezen werd voor het eerst Borneo van W. naar 
O. doorkruist, op welke reis een belangrijk materiaal werd verzameld omtrent 
de kennis der volksstammen en de natuur van Centraal-Borneo. Twee omvang- 
r\Jke werken van Dr. A. W. Nieuwenhuis : In Centraal Borneo. Reis van Pon- 
tianak naar Samarinda, twee deelen 1900, en hot nog uitvoeriger met niet in 
het vorige gepubliceerde gegevens: Quer durch Borneo, twee deelen, 1905, 
hebben w\j daaraan te danken. 

Aan de topographische opneming van Borneo hebben wij ook te danken 
de uitvoerige en gedetailleerde Bijdragen tol de Oeographie van Borneo's Wester- 
Afdeeling, door J. J. K. Enthoven (1903), een in bijzonderheden gaande studie, 
welke by de topographische opneming en karteering is tot stand gekomen. Werken, 
waarin noggeheel Ned. Borneo vry volledig geographisch behandeld wordt, ontbreken. 
Het naar veel litteratuur bewerkte artikel Borneo (in de Encyclopaedie v. N. Indifc) 
van Prof. C. M. Kan is tot nog toe het eenige samenvattende geographisch overzicht 
van Borneo, en hoewel ongeveer een tiental jaren oud blijft het nog zeer belangrijk. 

Nog moeten wy wyzen op meer algemeene werken, als M. Buys, Ttoee 
maanden op Borneo's Westkust, 1892. S. W. Tromp, Mcdcdeelingen uit Bornto 
(T. K. N. A. G. 1890); A. H. Spaan, Van Berouw naar Samarinda (T. K. N. 
A. G. 1902); verder: Spaan, Een reis in de binnenlanden van Borneo (T. K. N. 
A.G. 1903). Wy wyzen nog op: De Hollander— Van Eck, Handleiding by 
de beoefening der Land- en Volkenk. v. Ned. OosUIndit, vyfde druk 1898; op 
Van der Lith, Ned. Oost-Indië, 1893. 

Voor verdere litteratuur verwyzen wy naar de Repertoria van Hooykaas 
en Hartmann, naar Mullf.r's Register op het Tydschr. v. h. K. N. A. Gen., 
het Register op de Indische Gids, en naar Posewitz' Borneo. Voor de geolo- 
gische litteratuur in het byzonder verwyzen wy naar Dr. R. D. M. Verbeek: 
Opgave van geschriften over Geologie, Mineralogie, Topographie en Mijnbouw van 
Ned. Oost-IndiS; Jaarb. v. h. Mynw. 1875, II pag. 189 - 207 ; 1876 I pag. 190 - 1 97 : 
1877 II pag. 226-228, 1880 I pag. 269 - 272; 1886 Techn. Adm. ged. pag. 
136—153, 1903 pag. 148 - 169). Voor kaarten zie men de opgaven in de Regee- 
ringsalmanak voor Ned. Indiö. 



Digitized by Google 



3G3 



II. DE GESTELDHEID DES LANDS EN DE BEWONERS. 

Algemeen Door zijn geographische ligging neemt Borneo 
overzicht. een centrale plaats in onder de groote eilanden van 
den Indischen Archipel, en door zijn grootte staat het boven 
aan bij deze eilanden. Die omstandigheden zouden Borneo hebben 
aangewezen om staatkundig en economisch het eerste eiland 
in den Archipel te worden, maar het heeft integendeel altyd 
een ondergeschikte rol vervuld en is zelfs tot op onzen tjjd 
nog zeer onvoldoende bekend. Dit achterstaan van Borneo bij 
de overigens gunstige ligging wordt verklaard door de natuur- 
lijke gesteldheid van dit land. Aan schier alle zijden vormen 
breede zoomen laag en moerassig land, met dichte natuurbosschen 
overdekt, de kuststreken van Borneo. Die kustzoom lokt niet 
bijzonder uit tot het vestigen van nederzettingen. De nadeelen 
der moeraskust, welke bij Oost-Sumatra reeds uitkwamen, doen 
zich hier nog in groot ere mate gelden. Daardoor zijn op de 
kusten van Borneo slechts weinig nederzettingen gevestigd. En 
evenmin lokt het wilde, boschrjjkc achterland, dat zich hier over 
veel grootere vlakten uitstrekt dan bij Sumatra, om dit tot woon- 
plaats te kiezen. Daardoor is het land, de strooken langs de 
goed bevaarbare rivieren uitgezonderd, voor het grootste ge- 
deelte een onbezocht gebied gebleven, met maagdelijke natuur, 
en overgelaten aan de oorspronkelijke bevolking, die daar schier 
geheel in een natuurstaat is blijven voortleven. Alleen de Ma- 
leiers, de echte handelaars van den Archipel, hebben van de 
kusten uit zich onder de Inlanders verbreid en hebben eenige 
economische betrekking tusschen dezen en de buitenwereld tot 
stand gebracht. 

De naam van het eiland is' een verbastering van Broenei, 
een kuststaatje in het N.W., dat het eerst den Portugeezen be- 
kend werd, en welke naam door de Europeanen algemeen voor het 
eiland werd aangenomen. Het eiland Borneo is gelegen tusschen 
7° N.Br. en ongeveer 4° Z.Br., zoodat het door den aequator 
doorsneden wordt. De oppervlakte van het geheele eiland zal 
+ 736 500 K.M. 3 bedragen, waarvan het Nederlandsen gedeelte 
± 552 341 K.M. 2 beslaat, ongeveer 17 < de oppervlakte van 
Nederland. 



364 



De ligging onder den a equator en het uitgestrekte laag- 
land hebben tengevolge, dat Bomeo overheerschend een tropisch 
laaglandsklimaat bezit met zeer aanzienlijken regenval; te Sintang 
in het binnenland op 0° Br. 3690 m.M., die vrjjwel gelijkmatig 
over het jaar verdeeld is. De windrichtingen in den tropischen 
gordel en de daaraan grenzende zone's leerden wij reeds kennen 
voor de verschillende tijden des jaars (I, 144 enz. overzicht 150) 
en den regenval eveneens (I, 165 enz.). Herinneren wij er enkel 
aan, dat zuidelijk Borneo in klimaat en in den tijd, dat de 
verschillende moessons waaien, veel overeenkomt met deJava- 
zee, en dat hier dus de natte moessons van Dec. — tot Maart heer- 
schen, terwijl in noord-Borneo van April tot October de Z.W. 
of regenmoesson heerscht, en de droge moesson er valt van 
October tot April, zoodat droge en vochtige perioden des jaars in 
het Z. en N. in verschillende maanden vallen. Het equatoriale ge- 
bied heeft zeer afwisselende winden, zonder de regelmaat der 
m o essonge westen. Hoewel de regenval nogal belangrijke locale 
verschillen aanwijst, is die toch over het geheele land zeer aan- 
zienlijk, wat bevorderd wordt, doordien de uitgestrekte vlakten de 
zeewinden veroorloven diep in het land door te dringen, zoodat in 
dit uitgestrekte eiland nergens echt landklimaat gevonden wordt. 
Üe temperatuur is door de overvloedige regens in het binnenland 
nooit bijzonder hoog. Het klimaat heeft een echt tropischen 
plantengroei tengevolge. Zie het algemeen overzicht (I, 214 enz.) 

Borneo valt, evenmin als Sumatra, als één geheel te be- 
handelen. De natuur heeft het land in eenige groote deelen 
gescheiden (zie pag. 365), maar zelfs deze vormden staatkundig 
of economisch geen zelfstandige eenheden. Daardoor is er nooit 
een algemeene staatkunde geweest in Borneo, was Borneo nooit 
als één geheel in het handelsverkeer betrokken, en volgden ook 
buitenlanders geen algemeene Borneo-politiek. Machtige staten 
als Atjeh, Menang Kabau e. a. op Sumatra heeft Borneo niet 
gekend. Hoewel geographisch een eenheid was Borneo staatkundig 
een versnipperd gebied, terwijl het alleen van den rand uit hier 
en daar bij afzonderlijke deelen binnen het verkeer werd getrokken. 
De westkust lag het meest nabij de lijn van de handelsbeweging 
der oude cultuurvolken, en daardoor werden hier ook de oudste 
koloniën der vreemden gevestigd, zooals wij zien zullen. De 



Digitized by 



365 



zuidkust, de overkust van Java, volgde, en de oostkust kwam 
door haar geographisch afgelegen ligging eerst later in betrekking 
met vreemden. Maar het binnenland bleef daar tot nog toe zoo goed 
als geheel buiten gesloten. Zoo heeft de staatkunde van Borneo 
zich periferisch-geographisch ontwikkeld, van de kusten uit- 
gaande en in het land aansluitende bij de groote riviergebieden. 
Langs de hoofdrivieren zijn ook handel, verkeer en economische 
invloed van drie zijden in het eiland doorgedrongen, maar het 
binnenland heeft nog weinig daarvan gevoeld. 

Terwijl Java en Sumatra geologisch gebouwd 
bouw eTna- z Ü n °P den raad der ondiepe transgressie-zee (Java-zee 
tuuriijke in. en Zuid-Chineesche zee) van den westelijken Archipel, 
(I, 30), en in hun lang uitgerekten vorm het karakter 
van randeilanden geheel hebben behouden, heeft Borneo, hoe- 
wel aan den N.O. hoek dier transgressie-zee gelegen, en niet- 
tegenstaande het in het O. en N. eveneens door diepere inzin- 
kingen in de aardkorst begrensd wordt, toch niet de gedaante 
en het karakter van een lang randeiland aangenomen. De vaste 
kern van Borneo wordt niet als bjj Sumatra en Java gevormd 
door één ketenvormige bergrij of door op korten afstand van 
elkander loopende plooiingsreeksen, maar bestaat meer uit een 
massief stelsel van verheffingsvormen. De verheffingen, die de 
tektoniek van Centraal-Borneo beheerschen, hebben een algemeene 
richting van Oost naar West, met ombuigingen en vertakkingen 
van lagere armen naar noord en zuid. De hoofdlijnen van het 
reliëf vallen op Borneo derhalve niet met de randen der diepste 
inzinkingen van de aardkorst samen, zooals op Java en Sumatra. 

In oro-hydrographisch opzicht kan Nederlandsen Borneo in 
vier gedeelten gescheiden worden. Het gedeelte, dat administratief 
wordt aangeduid als Res. Borneo's Westerafdeeling, 
vormt ongeveer een natuurlijk geheel, ingesloten door het Boven 
Kapoewasgeb. in het N. en het Müllergebergte en het Schwaner- 
geb. in het Z., en tusschen deze beide gebergten ligt een in- 
zinkingsdal, een breede vallei vormend, die hoofdzakelijk op 
de Kapoewas en haar bjjstroomen afwatert, benevens op eenige 
kleinere kustri vieren in het W. De helling van dit afstroo- 
mingsgebied loopt naar het westen. 



Digitized by Google 



366 

i 

Ten Z. van het Schwaner- en Müllergeb., in het oosten 
tot den bergrug, die van Centraal-Borneo en den bovenloop 
der S. Mahakkam ten 0. der Barito naar het Z. loopt, vormt 
het bergland een naar het Z. zacht af hellend plateau, door een 
breede strook alluvium omzoomd. Dit gedeelte wordt door talrijke 
rivieren in zuidelijke richting doorstroomd, waarvan de Barito 
in het 0. de grootste is. Verder vindt men hier de Kapoewas 
Moeroeng of Kleine Dajak-ri vier , de Kahajan of Gr. 
Dajak-rivier, de Katingan-rivier en vele andere. 

Het overige oostelijke gedeelte van Nederlandsen Borneo kan 
in hoofdzaak in twee hydrographische gewesten gescheiden 
worden. De Mahakkam heeft grootendeels het gebied tusschen 
den laatstgenoemden Z.0. en Z. loopenden bergrug en de oostelijke 
voortzetting van het Boven-Kapoewas-geb. ingenomen. Alleen 
naar het Z. kan men hier nog als afzonderlijk klein gebied de 
kuststrook van Pasir beschouwen. 

Het vierde groote hydrographische gewest omvat het land 
tusschen T. Mangkalihat in het 0. op l°N.Br. en de Britsche 
grens in het N. Ook dit vormt een naar het 0. afhellend 
terrein, dat van het bergland op de grens van Serawak en 
Broenei en het Ned. gebied afdaalt naar het oosten, gedeeltelijk 
van eenige bergruggen in die richting doorsneden. De S. Be- 
rouw (uit S.Kalai en S.Sagah gevormd) en de S.Kajan 
of Boeloengan zijn de grootste rivieren in dit gebied. 

De bovengenoemde oro-hydrographische gewesten van Borneo 
ontmoeten elkander in het bergland van Centraal- 
Borneo. Vroeger stelde men zich voor, dat dit zou bestaan 
uit een bergknoop, waarvan een vijftal bergketens zich in ver- 
schillende richtingen uitstrekken. De onderzoekingen van Prof. 
Molengraaf* en van de topographische opnemers hebben de 
onjuistheid hiervan in het licht gesteld. Het bergland van Centraal- 
Borneo vormt geologisch het oudste gedeelte van Borneo, het 
rotsige skelet, dat wel sterk is afgenomen door denudatie, maar 
toch de kernmassa bleef. De produkten dier denudatie, de bouw 
van koralen, de aanslibbingen van de zee en de plantenformaties. 
hebben samengewerkt, om in den loop der eeuwen om dien ouden 
kern het land van Borneo uit te breiden naar alle zijden. 

Borneo is door dien bouw een afgerond eiland geworden, 



Digitized by Google 



367 

met geringe kustontwikkeling, en waarvan de binnenlanden ver 
van zee verwijderd zijn. Terwijl op Java voor geen gedeelte 
de afstand van de zee 100 K.M. overtreft, voor Sumatra die op 
zijn meest 170 K.M. bedraagt, ligt in Centraal-Borneo het Müller- 
geb. ongeveer 450 K.M. van de zee. Daardoor vormt het binnen- 
land een afgelegen gewest, waar de natuur het niet gemakkelijk 
maakte voor de menschen er in door te dringen. 

Wij vangen aan met het bergland van Centraal-Borneo en 
zijn wordingsgeschiedenis nader te beschrijven. 



Het bergland ^ e n0 ordelijkste strook van het westehjk deel 
van centraal- van Centraal-Borneo wordt ingenomen door het 
rijn™TOio3- B° ven -Kapoewas gebergte, een bergketen, die 
sche geschie- zich oostwaarts voortzet als Tindah Hantoeng 
ofSakoera h-g e b., en door de Straat van Makassar 
wordt afgebroken. Of het Noordelijke schiereiland van Celebes als 
een afgebroken voortzetting van die keten moet beschouwd worden, 
is nog niet te zeggen. Het Boven Kapoewas-geb. speelt orographisch 
een groote rol in Centraal-Borneo en vertoont zich als een typisch, 
hoewel reeds sterk geërodeerd ketengebergte, bestaande uit oude 
leiformatie, en is van hoogen ouderdom (zie ook I pag. 69). 
Aan den zuidkant wordt dit geb. door een groote breuklijn af- 
gesneden, welke Moleno raaff de „groote Bo ven-Ka poe w as- 
verschuiving" (verzakking) noemt. Een jongere formatie, 
de Danauformatie genoemd, (omdat zij in een merengebied 
(danau = meer) gevormd is), sluit zich hier bij die verzakking- 
op gelijk niveau aan. Men kan ten zuiden van het Boven-Ka- 
poewasgeb. in Centraal-Borneo onderscheidene dislocatie-lijnen 
ontdekken, die in de richting O. — W. loopen, terwijl de weg- 
gezonken schollen tijdens het zakken iets naar het noorden scheef 
gekanteld zijn, zoodat aan den noordkant de gedisloceerde aard- 
schollen meer langzaam glooiend oploopen, en aan den zuidkant 
meest scherp uitkomende, steile randen vertoonen. Door een der- 
gelijke verzakking is de vallei gevormd, waarlangs de Boven- 
Kapoewas stroomt. 

Het Boven-Kapoewas-geb. vormt naar het westen ioopend de 
natuurlijke grens tusschen Serawak (aan Broenei leenroerig) en 
het Nederlandsch gebied. Bij de bronnen der Kapoewas vindt men 



Digitized by Google 



toppen van het gebergte, welke tot 1681 M. (Cr. Tjemaroe) en tot 
1094 M. (Batang Lasan Tojan) gaan ; de hoogte der toppen loopt 
meest van 1000— 2000 M. Genoemde bergrug vormt de noorde- 
lijke waterscheiding der bystroomen van de Kapoewas. 

Nabij de bronnen van de Kapoewas scheidt zich van het 
Boven-Kapoewasgeb. een rug af in zuidelijke richting gaande 
met toppen als de G. Batoen Ngenget (1286 M.), welke keten 
de waterscheiding vormt tusschen der Kapoewasrivier en de 
Mahakkam, die naar 't oosten stroomt. Dit gebergte maakt een 
deel uit van het groote vulkaangebied van Centraal-Borneo, 
dat z\jn voortzetting vindt in het Müllergeb. naar het Z., een 
woest en sterk verweerd bergland, met talrijke uitgestrekte 
vulkaanruïnen en van diepe ravijnen doorsneden. Het gebergte 
is meestal met dichte oerwouden bedekt. 

Ten Z. van de Kapoewas vindt men de verdere trappen 
der verzakte aardschollen, die een terrasland vormen, dat naar 
de rivier aan den eenen kant helt, en in het Müllergeb. 
(genoemd naar Gboro Müller) en het Schwanergeb. (genoemd 
naar Schwaner) de waterscheidende bergrij vindt van de Ka- 
poewas naar het zuiden. Het Müllergeb., een vulkanisch ge- 
bergte, hoewel thans niet meer werkzaam, is gebouwd op de 
randen van weggezonken aardschollen, waar de breuken ge- 
legenheid boden voor vulkanische haarden om zich te ont- 
lasten; men vindt er o. a. den G. Til o eng van 1113 M. en 
den Bt. Terata, 1450 M. hoog, een prachtige vulkaanrulne. 
Ten Z. van het Mallergeb. ligt het Madi-plateau, 1000 — 
1300 M. hoog, een naar het Z. oploopende aardschol, welke aan 
den zuidkant wordt afgebroken door de Melawi- of Groote 
Madi-verzakking, waarlangs de steile rand van het Madi-geb. 
ligt, dat uit het Melawi-dal zich als een steile rotswand van 
1000 M. hoogte voordoet. Het Schwanergeb. heeft weder 
het genoemde scheef gezakte schollentype ; aan den noordkant is 
het een zwak hellend zandsteenplateau, en het eindigt naar het Z. 
plotseling met sterke helling. De zandsteen ligt hier grooten- 
deels op graniet, die het grootste gedeelte van den bodem van 
het Samba-heuvelland inneemt. In het Schwanergeb. rijst de 
Boekit Raja tot 2278 M.; het is de hoogste der bekende 
bergen in Ned. Borneo, die bestaat uit eruptieve gesteenten. 



Digitized by Google 



3G9 



De geologische geschiedenis van Centraal-Borneo kan als 
volgt worden samengevat, waarbij wij de opvatting van Molen- 
graaf? meest volgen. Kristallij De leien, door graniet veranderde 
sedimentaire afzettingen (in het Schwanergeb.) en oude leifor- 
matie (Maleische formatie, zie II pag. 213) komen ook hier voor, 
maar omtrent den betrekkelijken ouderdom dezer gesteenten 
valt nog weinig te zeggen. Molenoraapf acht het alleen waar- 
schijnlijk, dat de afzettingen der oude leiformatie op niet grooten 
afstand van de kust zouden zijn gevormd. 

In den prae-Cretaceïschen tijd moet Centraal-Borneo diep 
onder de zee hebben gelegen. In die zee bezonken de skeletten 
van pelagisch levende organismen, waarvan alleen die, welke 
in het bezit van een kiezelskelet waren, op die groote diepte 
bleven bestaan en afzettingen op den bodem vormden, die bijna 
uitsluitend uit skeletten van Radiolariën bestaan. Tegelijkertijd 
stortten submarine erupties stroomen van diabaas over den bodem 
van den oceaan uit, zoodat diabaas-tufmateriaal tot bezinking 
kwam, deels afkomstig van vulkanische uitbarstingen op eilanden, 
deels van submarine erupties. De in dien oceaan bezonken „ooze" 
(organisch slib) werd in kiezellei- en hoornsteen met radiolariën 
veranderd, die er in lagen gevonden worden, afwisselend met ver- 
anderde en verkiezelde variëteiten van diabaas en diabaas-tuffen. 

Het is niet bekend, wanneer de bodembewegingen zijn aan- 
gevangen, die van dat diepzeegebied van Borneo land hebben 
gemaakt. Doch dit staat vast, dat in den Krijttijd (in het Ceno- 
maan) reeds een deel van Centraal-Borneo land moet geweest 
z^jn. Het karakter der in dien tijd gevormde afzettingen (krijt- 
conglom eraten) toch toont aan, dat zij dicht by de kust ont- 
staan moeten zijn, en het land, aan welks kust die afzettingen 
plaats grepen, lag waarschijnlijk zuidelijk, zoodat langs de noord- 
kust van het toenmalige Borneo-land in den Krijttijd conglo- 
meraten werden neergelegd. Waarschijnlijk was dat land toen 
hoogland, dat zich ver zuidwaarts uitstrekte en het Schwanergeb. 
omvatte. Gelijktijdig daarmede begon in de Krijtperiode weer de 
plooiing des lands, hoewel ook reeds voor dien tijd waarschijnlijk 
plooiingen bestonden van oost-westelijke strekking. Met die 
plooiing in den Krijttijd gingen inpersingen van graniet gepaard, 
welke men nog zien kan in den Bt. Kenepai, den Menjoekoeng, aan 

II 24 



370 



de Boven Kapoewas en elders. In den Krijttijd, in elk geval tot na 
het Cenomaan, hield die plooiing aan en behield dezelfde strekking, 
althans in het gebied van de Boven-Kapoewas, waar de afzet- 
tingen van den Krijttijd trogvormig in de andere werden 
ingeplooid. Met het eind van den Krijttijd of het begin van het 
Tertiair schijnt de plooiing geëindigd te zijn en gevolgd door 
transgressie der zeeën, waardoor geheel Centraal-Borneo, het 
Boven-Kapoewas-gebied uitgezonderd, onder water daalde. In 
dien tijd werden over alle andere formaties lagen van Tertiaire 
zandsteen neergelegd. 

Daarop volgde weder verheffing van het land boven de 
zee, en wel zoodanig, dat de rjjeende aardschol in het noorden 
minder steeg dan in het zuiden, met eenige kanteling naar het N. 
Hierdoor ontstond een verschuivingslijn aan de Boven-Kapoewas, 
welke nu nog de grens uitmaakt tusschen het Boven-Kapoewas- 
gebergte en de Boven-Kapoewasvlakte, en die grens werd de 
hoofdlijn, waarlangs de Kapoewas naar het W. stroomt; een 
dal, dat de rivier bij latere verheffingen van het reliëf in zijn 
loop steeds dieper moest maken. Doch tegelijk met de verhef- 
fingen der aardschol hadden er meer verbrokkelingen bij plaats, 
waardoor een reeks van trap vorm ige breuken ontstonden, die 
een architectuur van het „Basin-Range-type" te voorschijn 
riepen in de landen der Boven Kapoewas. Bij deze verstoringen 
der lagen was de Boven -Kapoewas- vlakte nu eens droog, dan 
weder een uitgestrekt zoetwatermeer, en tegeljjk hadden er in- 
vasies van zeewater plaats, waardoor hier brakwatervormingen 
werden afgezet. In deze periode ligt de wording van Borneo 
ongeveer tot den tegenwoordigen toestand, waarby het water 
van het land week. Daar soortgelijke bewegingen der aardschol 
als in Centraal-Borneo ook elders in den Archipel plaats hadden, 
o. a. op Timor, de Kei-eil. en elders, heeft men grond te denken 
aan een algemeene beweging van het niveau der zee, een negatieve 
niveauverandering. 

By die bewegingen der aardkorst, de verzakkingen en ver- 
scheuringen, vond er vulkanische werking plaats langs de zwakke 
lijnen der korst, waar die met vulkanische haarden in verbinding 
stonden. Die vulkanische erupties vormden ook gebergten met 
oost-westelijke strekking in Centraal-Borneo; zij zijn evenwel 



Digitized by Google 



371 

van zeer verschillenden ouderdom, en enkele vulkanische ge- 
bergten zijn ontstaan door de breukbewegingen, hier genoemd. 

Toen het eiland aldus boven de wateren lag, werkte de 
verweering met de erosie krachtig samen om de hooge gedeelten 
van het land aan te tasten, de gebergten te verlagen, het materiaal 
der gebergten te verplaatsen. Maar ook de vegetatie legde beslag 
op het nieuwe land; bosch bedekte weldra de droog gelegen 
zandsteenplateau's, en de rivieren voerden het hout der bosschen 
als drijfhout mede, legden het neer in meren en lage stroom- 
dalen, terwijl de plantenprodukten door slib- en zandbezinksels 
overdekt werden. Zoo ontstonden er bruinkoollagen ; het proces 
was hetzelfde als men thans nog ziet langs de Beneden-Mandai 
bij de jaarlijksche overstroomingen. Nadat eindelijk de krachtige 
bewegingen des bodems in het laatste Tertiair hadden opgehouden, 
schijnen tot heden er geen belangrijke meer te hebben plaats 
gegrepen, zoodat sedert dien tijd alle wijzigingen in het oro- 
graphisch beeld van Centraal Borneo veroorzaakt zijn door de 
veranderende en verplaatsende invloeden van atmosfeer en hy- 
drosfeer. Deze deden de algemeene hoogte van het bergland 
door denudatie aanzienlijk afnemen, bedekten de berghellingen 
en vulden de valleien met grint- en zandafzettingen, die alle 
min of meer goudhoudend zijn, en zjj breidden over de vlakte 
dikke lagen van fijn zand uit. Zij vergrootten den omtrek van 
het eiland door den krachtigen groei van alluvia, door de rivieren 
naar zee gevoerd en rondom het bestaande land neergelegd, 
terwijl ook kusteilanden door die aanslibbing met het land werden 
verbonden, die zich dikwijls nog als groepjes van lage bergen in 
het vlakke land doen kennen; kernen, waaromheen aanslibbing 
plaats vond. Zoo ontstond het deltaland van de Kapoewas, Barito 
enz., en op die wijze breidde zich naar alle zjjden het kustland 
uit in zee. Vooral in het Z. had krachtige aanwas plaats. Het 
Schwanergeb. met het zandsteenplateau, dat er op rustte, werd 
sterk aangetast van het zuiden en verminderde in hoogte, doch 
dit verweeringsmateriaal legden de rivieren neder langs deze 
kust, die daardoor voortschoof naar het zuiden, evenwel met lang- 
zaam afnemende intensiteit. Men kan aldus resumeerende aan- 
nemen, dat sedert het begin van den Quartairen tijd Borneo, 
voor zoover bekend is, geen groote bodembewegingen meer heeft 



Digitized by Google 



372 

gehad, maar dat het van een hoog, centraal bergland met sterk 
geaccidenteerde terreinen, door verweering, denudatie en door 
erosie tot een versleten en grootendeels afgerond bergland is 
veranderd, omgeven door breede zoomen laag land, bedekt met 
fluviatiele afzettingen. Het Borneo van heden is het type van 
hetgeen er moet ontstaan uit een bergachtig eiland tengevolge 
van langdurige en krachtige erosie, en als het omgeven is door 
een ondiepe zee. 

Deze ontwikkelingsgeschiedenis van Borneo wijkt af van 
de vroegere voorstellingen dienaangaande. Men nam dikwijls 
aan, dat het bergstelsel van Borneo ongeveer den vorm zou 
bezitten als de schiereilanden van Celebes, terwijl de koraal- 
vormingen en marine sedimenten om dit gebergte in laat- 
Tertiairen en Quartairen tijd door negatieve niveau-verandering 
zouden zyn blootgelegd en het land aldus hebben uitgebreid, de 
inhammen aangevuld, welk gebied later door sedimenten langs de 
kusten zich uitbreidde. Posewitz beschouwde het Tertiaire Borneo 
als een uitgebreiden archipel van grootere en kleinere eilanden, 
om welke in het Tertiair sedimenten werden neergelegd, die de 
eilandjes bij negatieve niveau-verandering vereenigden, zoodat 
daardoor Borneo de tegenwoordige gedaante verkreeg. 

Een centraal gebergte met de gedaante als dat van Celebes 
of Halmaheira is op Borneo echter niet gevonden, en evenmin 
neemt Molbngraapf aan, dat dat gebergte als één eiland of als een 
archipel van eilanden uit Archaeische of Palaeozoische gesteenten 
bestaande, bij het begin van den Tertiairen tijd een niet door 
de zee bedekte kern van het land zou hebben gevormd. Dat 
in den Tertiairen tijd de zee het geheele gebied van Borneo bijna 
overdekt moet hebben, wordt afgeleid uit de nagenoeg horizon- 
tale ligging der zandsteenlagen op aanzienlijke hoogte in het 
Schwanergeb. Doch al neemt Molengraaff niet aan, dat Borneo een 
Celebes-stadium doorloopen heeft, al erkent hij niet het vroeger 
bestaan van soortgelijke diepe zeeboezems tusschen de armen der 
gebergten, en al stelt hij zich veeleer voor, dat het Schwanergeb. 
als een lengtekust in het zuiden steil in zee afdaalde, in de uit- 
breiding van het eiland door aanslibbing gedurende den Quar- 
tairen tijd komen alle geologen overeen. 



Digitized by Google 



373 



Natuur des Midden-Borneo overziende, doet het zich voor als 
landsinCen- een heuvelland, waar de rivieren in den bovenloop 
traai-Boraeo. een van m i n( i er dan 200 M. hoog doorloopen, 

terwijl de hoogste bergtoppen zich niet boven 2000 M. verheften. 
Die groote hoogten worden niet door menschen bewoond; hooger 
dan 250 M. vindt men in Centraal -Borneo geen bewoners. 

Het geheele land is onafgebroken bedekt met eeuwen- 
heugende wouden, die verschillen naar de hoogte, waarop zjj 
voorkomen. De wouden beneden de 250 M. hoogte bestaan uit 
een geraamte van reuzenstammen met alles overdekkend blader- 
dak, waartusschen een massa kleinere boomen, struiken en 
kruiden heeft plaats gevonden, alle zoekende naar het licht, 
dat in spaarzame bundels in de diepte des wouds doordringt. 
De bodem is met een zware laag humus bedekt. De bewoner 
oefent weinig invloed op die dichte wouden. Dun verspreid, 
velt hij hierin voor zijn geringe behoeften enkele gedeelten, die één 
a twee jaar als ladang gebruikt worden, maar bijna onmiddellijk 
daarna overdekt de welige plantengroei weer den bodem van 
het gekapte gedeelte, en binnen enkele jaren herkent men 
nauwelijks hier de sporen van vroegeren arbeid. Al werd een 
groot gedeelte der lager gelegen bosschen in den loop der 
tijden successievelijk geveld, men kan het aan niets anders zien 
dan aan een enkel steenen gereedschap, dat is achtergebleven. 

Kreupelhout en bosch bedekken onmiddellijk den bodem der 
verlaten rijstvelden, maar grassoorten en het elders in Indië 
zoo veelvuldig voorkomende alang-alang heeft zich op het heuvel- 
land van Centraal-Borneo nog niet kunnen ontwikkelen. Eerst 
sedert, twintig jaren ongeveer is het gras aan de boven-Mahak- 
kam opgetreden, tot groote ergernis der bewoners, die het uit 
huu rijstvelden moeten wieden, zegt Dr. Niküwenhüis. 

De weelderige boschvegetatie wordt bevorderd door de ver- 
deeling van den regenval. Onder den aequator gelegen, heeft 
men er regen in alle maanden des jaars, en vindt men er niet 
de afwisseling van een droog en een vochtig jaargetijde als in 
de echte moessonstreken. Daardoor ondervindt de plantengroei 
er niet de uadeelen van langdurige droogte. In de bosschen 
heerscht steeds een vochtige lucht. De overvloedige regen heeft 
in deze gewesten een afkoelenden invloed op de temperatuur, 



374 



welke in de schaduw van het woud nooit bijzonder hoog Ls. 
Alleen daar, waar het beschuttend plantenkleed voor het bouwen 
der woningen aan een rivier is gelicht, wordt gedurende den 
middag onder een kadjangdak een temperatuur van 30—31° C. 
waargenomen, maar des nachts daalt die ook zelden beneden 20°. 
In de nabijheid der bergen, aan de Mandai en de Mahakkam, meer 
dan in de vlakte van de Mendalam, is de lucht veel betrokken, 
en des nachts bedekken zeer laag hangende wolken en mist de 
oppervlakte van het bosch. In den regel treedt dit even na 
zonsondergang op en verdwijnt na zonsopgang. Daardoor behoort 
een heldere sterrenhemel des nachts tot de zeldzaamheden. Met 
geringe afwijking geldt dat ook voor de kuststreken; echter 
zijn aan de kusten de nachten koeler. 

Merkwaardig snel verandert hier de plantengroei met de 
hoogte. De langs de bergen opstijgende luchtstroomen veroor- 
zaken een zeer toenemenden stijgingsregenval, en de hoogten 
worden veel in wolken gehuld. Daardoor is de temperatuur hier 
lager, en reeds op een hoogte van 1000 M. vindt men een dikke, 
alles overdekkende mosvegetatie, met slechts dun en laag ge- 
boomte. Deze zelfde plantenformatie vindt men op Java eerst 
op 2500 a 3000 M. hoogte. 

De aanzienlijke regenval van Borneo, de groote oppervlakte 
van het eiland, waardoor het water er zich van groote stroom- 
gebieden kan verzamelen, benevens de geringe helling der ter- 
reinen, waardoor de waterafvoer vrij gelijkmatig uit het binnen- 
land plaat3 heeft, werkten met den orographischen bouw samen 
om Borneo tot een eiland te maken, dat uit het centrale ge- 
deelte in alle richtingen aanzienüjke stroomen naar de kust 
zendt. 



III. DE BEVOLKING VAN BORNEO EN DE VESTIGING VAN HET 

NEDERLANDSCH GEZAG. 

_ a . De bewoners van Borneo kunnen onderscheiden 

O vcrz i ent. 

worden als Inlanders en vreemdelingen. De 
Inlandsche stammen, die men gedeeltelijk tot de Indonesische oer- 
stammen rekent, vat men gewoonlijk samen onder den naam 



Digitized by Google 



375 



Dajaks, hoewel de volken, die daartoe gerekend worden, 
somatisch niet van dezelfde afkomst zijn (zie I, pag. 270). Van 
de kusten uit hebben zich echter talrijke vreemdelingen tot vaste 
koloniën op Borneo gevestigd. Tot deze behooren in, de eerste 
plaats Maleiers, verder Arabieren, Boegineezen, Ja- 
vanen, Kling aleezen en nog andere stammen, alsmede 
Chi neezen. Velen dezer vreemdelingen vallen er niet meer op 
zich zelf staande op te merken, maar zijn met Maleiers versmolten 
en hebben de Maleische taal en gewoonten aangenomen. Alleen 
Arabieren, Boegineezen en Chineezen hebben gedeeltelijk hun 
ethnische zelfstandigheid bewaard. Zelfs de Dajaks hebben zich 
in de gewesten der meeste aanraking wel met Maleiers en anderen 
vermengd, zoodat men steeds met overgangen heeft te rekenen. 

Toch blijft de hoofdindeeling van Inboorlingen en vreem- 
delingen bestaan ; zij valt in het oog door scherp uitkomende 
verschillen, zoowel van somatischen aard als door verschil in taal, 
godsdienst, geestelijken aanleg, cultuurtrap en economischen zin. 

Terwijl over 1 t geheel de Dajaks de oerbevolking uitmaken, 
die nog in den meest primitieven toestand leven en Heidenen 
gebleven zijn, heeft bij de vreemdelingen de Mohammedaausche 
leer wortel geschoten. Zij zijn ook de handelaars, die meer met 
de buitenwereld in betrekking komen en een eenigszins hoogere 
ont wikkeling hebben dan de Inlanders. Doch door die aanraking 
met vreemden hebben de kustbewoners ook minder gunstige 
eigenschappen overgenomen, zoodat aard en karakter der Dajaks 
van het binnenland boven die der kustbewoners geroemd worden. 

De bevolking van Borneo is in aantal niet^anders dan met 
zeer ruwe cijfers te schatten. In totaal zou deze voor 1900 bedragen 
1 076 810 zielen, d. i. een volksdichtheid, welke 2 personen per 
K.M. 1 niet te boven gaat. Deze geringe bevolking is geenszins 
gelijkmatig over het land verbreid, maar is meest samengedrongen 
langs de rivieren en in enkele nederzettingen nabij de kust. Dit 
verschijnsel komt hieruit voort, dat de rivieren schier de eenige 
verkeerswegen zijn in het land, zoodat de vreemdelingen, die 
van de kusten het land binnendrongen, deze wegen wel moesten 
volgen en zich daar ook vestigden. De echte Inlanders zijn 
niet zoozeer aan de rivieren gebonden. Zij hebben hier en daar 
door bosschen en velden wegen aangelegd, maar deze zijn van 



37G 



zoo gebrekkigen bouw, dat zij niet voor het vervoer op eenigs- 
zins groote schaal kunnen dienen. In waterrijke streken bestaan 
de Dajaksche voetpaden enkel uit boomstammen, die met het 
einde tegen elkander in den moerassigen grond gelegd zijn, of 
uit planken van een paar d.M. breedte, die op dwarshouten 
liggen, paden welke alleen met zekere handigheid kunnen begaan 
worden. Kleine wateren zijn öf in 't geheel niet, öf slechts met 
een enkelen boomstam overbrugd. Die toestand in het binnen- 
land wijst reeds op het geringe en primitieve van het verkeer, 
dat over landwegen plaats heeft, iets wat mede daaraan mag 
worden toegeschreven, dat de talrijke rivieren in het vlakke land 
vrij goed zijn te gebruiken als waterwegen. In de gewesten bij 
de kust en onder -Europeeschen invloed zijn uit den aard der zaak 
de verkeerswegen beter, maar toch niet te vergelijken met die 
op Java en in vele deelen van Sumatra. 

Die toestand des lands werkte er toe mede, dat de bevolking 
meest langs de rivieren gevestigd moest blij yen. De groote rivieren 
en hun bijstroomen zijn de zonen der best bevolkte gewesten; 
tusschen de rivieren liggen verder naar de waterscheidingen 
uitgestrekte streken met maagdelijke wouden bedekt, welke alleen 
van tjjd tot tijd worden doorgetrokken om er de boschprodukten 
te bemachtigen, die de natuur aanbiedt, maar overigens geheel 
onbewoond zijn. 

In de eerste plaats houden wij ons nader met 

De Maleiers en , . .. A , . n , , , . ... 

andere vreem- de vreemdelingen bezig. Zoover bekend is, schijnen 
delingen o P je Maleiers zich het eerst in de 13 dü eeuw of iets 

Wcst-Borneo. 

vroeger (zie I, 288), toen deze volksgroep een buiten- 
gewone expansie ontwikkelde, gevestigd te hebben in Broenei. 
Een andere belangrijke Maleische kolonie werd gevonden te 
Sambas. Te Soekadana werd in de 15 de eeuw een Javaansche 
kolonie gevonden, die gesticht was door Hindoe-Javanen uit het 
rijk Madjapahit (I, 323; II, 78), welke haar gezag uitbreidde 
over het zuidelijk gedeelte der westkust, de Karimata-eil. onder- 
wierp, eveneens door Javanen bevolkt, en noord- en noordoost- 
waarts te Angrat (thans Mandor), Landak, Tajan, Sanggau, 
Sekadau, Sapauk, Blitang en Sintang volkplantingen vestigde 
of reeds bestaande Maleische en andere onderwierp of aan zich 



Digitized by Google 



377 

wist te verbinden. De aldus gevormde staat was evenwel van 
geen langen duur, want later ziet men deze koloniën weer als zelf- 
standige staatjes. Toen in het midden der 16 do eeuw de Islam 
hier gepredikt werd door Arabieren van Palembang en aanhang 
vond, werden de vreemde kolonisten van West-Borneo vereenigd 
door één geloof, wat een stempel van gelijkheid op hun levens- 
wijze drukte (I, pag. 337), en toen het Hindoe- Javaansche Rijk 
Madjapahit in verval kwam, losten zich de Hindoe-Javaansche 
elementen op in de Maleische. 

Doch er waren intusschen nog andere volkplanters op West- 
Borneo gekomen. Pontianak werd in 1771 gesticht door den 
Arabier Abdoer Rahman. Hij was de zoon van een Arabisch 
fortuinzoeker, die zich door zijn vroomheid tot rijksbestuurder 
van Mampawa, een Boegineesche volkplanting uit de 1 7 do eeuw, 
had weten te verheffen, en met Boegineezen, Arabieren en Ma- 
leiers vestigde hij zich te Pontianak. 

De Maleiers vermengden zich met de Arabieren, iets wat 
door den gemeen9chappelijken godsdienst gemakkelijk kon ge- 
schieden; het spraakgebruik heeft daardoor dikwijls den naam 
Maleiers ruimer toegepast dan ethnograpbisch valt te verdedigen. 
Zoo verstaat men op Borneo onder den naam Maleiers in het 
algemeen alle Mohammedanen, en zelfs ook wel de Dajaks, die 
tot den Islam zijn overgegaan, waaronder er intusschen velen 
voorkomen met Maleisch bloed in de aderen. Het gebruik der 
Maleische taal, dat aan de kust algemeen is, bevordert die op- 
vatting. 

Al langen tijd vóór bovengenoemde volkplanters op Borneo's 
kusten rijken stichtten, en de Dajaks voor hen waarschijnlijk meer 
naar het binnenland terugtrokken om hier hun natuurlijke vrijheid 
te bewaren, hadden zich vertegenwoordigers van een oostelijk 
cultuurvolk op N.W.-Borneo gevestigd, nl. de Chineezen. De 
bekendheid der Chineezen met Borneo is waarschijnlijk zoo oud 
als hun aanraking met den Indischen Archipel in het algemeen, 
zegt Veth, en deze klimt, zoo niet hooger, dan toch tot op den 
tijd der Chineesche pelgrims in de 4 do ' eeuw. Hun eerste betrek- 
kingen hadden plaats met Broenei, maar waren afwisselend 
van beteekenis, en duurzame nederzettingen hebben die niet 
ten gevolge gehad. In de 16 de eeuw schijnen vooral in Broenei 



Digitized by Google 



:iT8 



en ook aan de westkust belangrijke Chineesche landbouw- en 
handelsnederzettingen te hebben bestaan, die evenwel door de 
knevelarijen der vorstjes langzamerhand vervielen en alleen in 
Broenei een kwijnend bestaan voortsleepten. 

In het midden der 18 do eeuw brak een nieuw tijdperk van 
Chineesche kolonisatie in West-Borneo aan. Was vroeger de 
hoofdbedoeling geweest handels- en landbouw-koloniên te ves- 
tigen, toen was het bearbeiden der goudvelden het doel. De 
vorst van Mampawa schjjnt de eerste te zijn geweest, die om- 
streeks 1750 Chineezen uit Broenei aanvroeg, om voor hem goud 
te graven, en nadat dit goede resultaten opleverde, werd het 
voorbeeld spoedig gevolgd door den Sultan van Sambas. Door 
deze immigratie kwamen er Chineesche nederzettingen in West- 
Borneo, verspreid over verschillende staatjes. 

Van de vreemdelingen op West-Borneo vormden zij, die 
men als Maleiers aanduidt, het hoofdelement, en zij brachten ook 
meest de vorming van staatjes tot stand. De leiders der Maleische 
volkplantingen waren in den regel leden van vorstelijke familiên, 
die of vrijwillig, of op bevel der regeering van den moederstaat 
zich aan het hoofd stelden van lieden, welke aangelokt waren 
door de berichten van zeevarenden, om zich hier te vestigen. 
De aanvoerders dier volkplantingen werden uit den aard der 
zaak de vorsten der nieuwe stichtingen, hetzjj daartoe aange- 
wezen door den vorst van het rijk, dat hen uitzond, of gekozen 
door hun tochtgenooten. Eerst erkenden zij veelal nog de su- 
prematie van den moederstaat, doch als zij sterk genoeg waren 
• om op eigen beenen te staan, of als de banden van verwant schap 
der vorsten geslaakt waren, beschouwden zij zich zelfstandig. 
Zoo ontstonden er op West-Borneo onderscheidene zelfstandige 
Maleische staatjes, welker vorsten Sultan of in andere Panem- 
bahan (van „sembah", dus - voorwerp van hooge vereeering) 
heetten. Het waren veelal geenszins absolute monarchieën, maar 
wegens het medezeggenschap der aanzienlijken kan men ze als 
aristocratische regeeringsvormen aanduiden. 

Op die wijze ontstonden er georganiseerde staatjes van meer 
ontwikkelde vreemdelingen in de landen der minder ontwikkelde 
Dajaks. De Maleiers (den naam in ruimen zin genomen), waren 
ondernemende handelaars, sluw in hun optreden, berekenend 



Digitized by Google 



379 



in hun bandelen, met economischen aanleg en van econo- 
mische bedoelingen vervuld, met eerzucht om te beerschen. 
En daar tegenover stonden de natuurvolken der Dajaks, zonder 
economischen aanleg, met eigenschappen behept, welke gemak- 
kelijk door anderen in hun voordeel vielen te exploiteeren. Het 
gevolg hiervan was, dat de Dajaks, waar zy met de Maleiscbe 
organisatie in aanraking kwamen, gekneveld werden of terug- 
weken naar het binnenland. Zelfs werden zij ook daar door 
de Maleiscbe handelaars, die van tijd in hun nederzettingen 
doordrongen, uitgezogen. Op de betrekkingen tusschen beide 
komen wij terug. 

De verschillende nationaliteiten van West-Borneo leefden onder- 
u^b'^'d^" 1 vee ^ me * alkander in strijd, en alleen krachtige persoon- 

van het Neder- UJkheden, veelal mannen met een sterk gestempelde individualiteit 
landach gezag als de Arabieren, wiaten de eenheid voor een bepaald gebied te 

aM1 kust^* 8 *" verzekeren en net % Q£a % der kleine volkplantingen over een 
grooter gebied uit te breidden. 

De Nederlanders bezochten bü hun zeevaart door den Indischen Archipel 
al spoedig Borneo; en deden de Westkust het eerst aan. Olivier van Noord 
bezocht in 1600 Broenei, en in 1604 kwam Van Waerwijk aan de Westkust 
Uier werd in 1608 een faktory te Soekadana opgericht, en in 1609 sloot Bloem akrt 
een contract met den Sultan van Sambas, waarin bepaald werd, dat de Com- 
pagnie den Sultan tegen alle buitenlandsche vijanden, bepaaldelyk de Spanjaarden 
en Portugeezen, zou bestaan, terwyi daar tegenover de Sultan beloofde, den 
toegang tot zyn r\Jk aan andere Europeesche natiCn te zullen ontzeggen, en hy alleen 
aan de Nederlanders zou vergunnen een sterkte tot bescherming van personen 
en goederen op te richten, en hun by uitsluiting de handel in diamanten zou 
gegund worden, waarvan zelfs inlandsche kooplieden werden uitgesloten. Wy 
zullen niet de vele contracten der Compagnie met de vorstjes van West-Borneo 
nagaan ; alleen herinneren wy nog aan het contract met Audoe'r Rahman, den 
Sultan van Pontlanak, in 1779 gesloten, die erkende zyn gebied in leen te hebben 
van de Compagnie. De Compagnie verkreeg aldus meer invloed op de westkust, 
zy wist ook te verydelen, dat de Engelschen te Soekadana vasten voet kregen, 
doch het verkeer met Broenei werd door haar geheel verwaarloosd. By het 
verval der Compagnie in de 18de eeuw werden echter de établissementen op de 
Westkust in 1791 geheel door haar verlaten. 

In de eerste jaren der 19d« eeuw en gedurende het Britsche tusschenbestuur 
was West-Borneo ten prooi aan zeeroovery en onlusten, en de vorsten vernamen 
met vreugde, dat het Nederlandsch gezag hersteld was. Reeds in 1816 zonden 
de sultans van Sambas en Pontianak een gezantschap naar Batavia, om de oude 
betrekkingen weder aan te knoopen. In 1819 ging Nederland daartoe over; het 
verdrag met Sambas werd vernieuwd, waarby de Sultan zyn geheele gebied 



380 



aan Nederland afstond. Ook met de sultans van Pontianak en Marapawa werden 
vernieuwde contracten gesloten in 1818, waarbij zy het oppergezag aan Neder- 
land afstonden ; later werden ook met Landak, Simpang on Matan de verdragen 
bevestigd, waarbij de vorsten bet Ned. Gouvernement als leenheer erkenden, 
zich verbonden om de opbrengsten der pachten en andere inkomsten met het 
Gouvernement te deelen, het koppensnellen tegen te gaan en handel en nijver- 
heid te bevorderen. In 1823 stond het opperhoofd van Koeboe, ten Z. van Pon- 
tianak, het oppergezag over zyn land aan ons Gouvernement af, en in 1824 werd 
de Nederlandsche vlag op de Karimata-eilanden geplant. Daarmede was de ge- 
heele westkust van Borneo onder Nederlandsen gezag gebracht. De contracten 
met de onderscheidene vorstjes zyn van tyd tot tyd vernieuwd en gewijzigd, 
als er nieuwe vorsten optraden. 

Het de vorsten der staatjes langs de Kapoewas werden in verschillende 
tijden contracten aangegaan. Ook de Dajaks van Batang Loepar, Taman en Kajan 
werden op hun verzoek in 1855 als gouvernements onderdanen erkend, na be- 
loofd te hebben, zich te zullen onthouden van koppensnellen, met alle veeten 
te hebben afgedaan en geen beleedigingen eigenmachtig te wreken. Met de staatjes 
Djongkong en Piaasa werden voor het eerst contracten gesloten in 1858, die 
later vernieuwd werden. ! ) 

Aldus is de Residentie Borneo's Westerafdeeling ontstaan, die 
behalvo uit het Gouvernementsgebied aan de Boven-Kapoewas uit 18 landschappen 
bestaat met Inlandsen zelfbestuur benevens de daarby behoorende eilanden. Zy zyn : 
Sambas (met 11 eil.), Mampawa (met 4 eil.), Pontianak (met eil. Datoe), 
Koeboe, Simpang (met 6 eil.), Soekadana (met ± 70 eil.), Matan (met 
17 eil.), Landak, Tajan, Meliau, Sanggau, Sekadau, Sintang, 
Silat, Soehaid, Salimbau, Piassa, Djongkong en Boenoet 

De vestiging van het Nederlandsen gezag bracht voor ons de verplichting mede, 
de Inboorlingen te beschermen tegen de onderdrukking der Maleische hoofden en 
de plunderingen der zeeroovers, alsmede het zelfstandig optreden der Chineezen 
(waarover straks) tegen te gaan. De zeeroof werd soms door de vorsten uit 
eigenbelang niet alleen geduld maar zelfs begunstigd of gedreven. Dit was o. a. 
in 1827 het geval met de sultan van Matan, die daarvoor getuchtigd moest 
worden en vervallen verklaard werd. Dit alles heeft veel zorg vereischt, doch 
daar de beschryving ervan niet tot onze taak behoort, staan wy hierby niet stil. 

Dc Chinee- ^ e Chineezen maken tbans ongeveer 10°/ 0 uit der bevolking 
zen in West- van Borneo's Westerafdeeling. Deze immigranten hebben een eigen- 
Borneo. aardige plaatB ingenomen onder de bevolking van Borneo. Zy 

waren, gelyk wy zeiden, binnengehaald in Borneo om goud te delven en mochten 
zich aanvankeiyk niet met den landbouw bezighouden. Doch de Chineezen wisten 
zich spoedig aan die beperkende bepalingen te onttrekken en een zekere zelf- 
standigheid in te nemen tegenover de Maleische vorsten. 

Daartoe had medegewerkt de wyzo, waarop de Chineesche emigratie plaats 

1) Zie: J. Boudewynse en G. H. van Sokst. Üe lodo-Nederlandsche wetgeting. 



Digitized by Google 



381 



vond. Deze had niet individueel plaats, maar meest in groepen, die veelal 
uit familieleden of dorpsgenooten zullen bestaan hebben, zooals Prof. de Groot 
aantoont by de Kongsi Lanfong. In Minwong woonden in het laatst der 18de 
eeuw wel 500 familieleden bij elkander. Deze omstandigheid, gevoegd by het 
sterk ontwikkeld familieleven in China, bij den ingewortolden clangeest van het 
Cbineesche volk en de neiging der Chineezen om zich te scharen om een burgor, 
r\jk aan invloed en ondervinding, en dien als hun hoofd te erkennen, heeft op 
Borneo er toe geleid, dat zij zich vereenigden tot zelfstandige organisaties, 
oligarchische republieken in den vollen zin des woords, die bier als kongsi's 
worden aangeduid. Het woord kongsi beteekent letterlijk: „beheer van het 
algemeene" of „bestuur van geraoonschappehjke belangen" doch duidt ook firma of 
vennootschap aan. De groepsgewijze vestiging der Chineezen tusschen vreemde 
autochthonen, waardoor z\j eeuwen lang genoodzaakt waren zich gewapender- 
hand te handhaven tegen de hun belagende, vijandelijke groepen, en die derhalve 
slechts door instandhouding van den strengsten clan- en familiegeest overwinnaars 
konden biyven in den heeten strijd om het bestaan, bevorderde zeer de ont- 
wikkeling dier kongsi's tot krachtige lichamen. In den stam der Hakka's, 
die bier voornamelijk emigreerde, was die aaneensluiting zeer sterk. De kongsi's 
ontstonden uit de behoefte aan ouderlingen steun en samenwerking tegen Ma- 
leische vorsten en de Dajaks. De kleine aaneensluitingen leidden tot grootere, 
tot confederaties, eveneens kongsi's geheeten, waarvan het machtigste lid de 
leiding had en een suprematie over de overige uitoefende. Waren de kongsi's 
door samenwerking ontstaan, ook beoorloogden zij later elkander wel, waardoor 
zwakkere zich in sterkere oplosten of kongsi's zich splitsten. Men vond districten, 
waar de kongsi's geheel het beheer hadden weten te verkrijgen, en waar zy zich 
als uitsluitende eigenaars van al het goud, dat de grond bevatte, beschouwden, 
zooals in Montrado en Mandor, terwyi elk Chinees, Maleier of Dajak, die ergens 
goud ontdekte, op zware straffen verplicht was daarvan onmiddeliyk bet Kongsi- 
bestuur kennis te geven. Alleen in die gewesten, waar zy slechts kleine, op 
zichzelf staande mynvereenigingen waren, betaalden zy aan den vorst een re- 
tributie in goud voor het recht om den grond te bewerken. 

Die zelfstandige kongsi's ') met formeele uitoefening der rechtsbedoeling, 
eigen wetten en belastingstelsels in de gewesten, waar het Nederlandsch gezag 
gevestigd werd, konden als zoodanig niet biyven bestaan. Herhaaldeiyk verzetten 
zy zich met kracht tegen het Nederlandsch Gouvernement. Eerst werd herhaal- 
delijk door ambtenaren getracht de kongsi's op vredelievende wyze tot onder- 
werping te brengen, doch zonder veel resultaat; zelts militair machtvertoon en 
wapengeweld brachten hen dikwyis niet meer dan in schyn tot onderwerping. 
Doch na 1850 trad het Gouvernement krachtiger op. De machtige kongsi-con- 
federatie Fo-8joen, samengesteld uit drie kongsi's, gevestigd in de landschappen 
Montrado, Loemar en Roedoek, werd in 1853 na veel moeite door de wapenen 



1) la deel I pag. 423 was de uitdrukking niet geheel duidelijk; wij spraken van de ver- 
eniging der Chineezen ia een machtige kongsi en hadden hier het oog op de laatst overge- 
blevene van de vroegere kongsi's. 



Digitized by Google 



382 



tot onderwerping gebracht, en de veroverde gewesten werden veranderd in de 
assistent-residentie Montrado. 

De Kongsi Lanfong in het landschap Mandor, die ons hierbij zekere diensten 
had bewezen, bleef uit politiek beginsel onzer regeering nog gehandhaafd ; by besluit 
van 4 Jan. 1857 werd haar voortbestaan onder Nederlandsch oppergezag erkend, 
en een „Kapthai" bleef hier aan het hoofd staan. Toen de in functie zijnde 
Kapthai in 1884 was overleden, werd besloten ook deze kongsi op te heften, 
wat evenwel niet plaats had, zonder dat door wapenvertoon de ontstane onrust 
onderdrukt moest worden. ') Sedert dien tyd heeft de byzondere staatsrechtelijke 
toestand der Chineezen op Borneo opgehouden te bestaan en plaats gemaakt 
voor het Nederlandsch gezag. 

B woners der ^ e zu ^ e li)ke en oostelijke gedeelten van Borneo worden thans 
kuststreken vereenigd aangeduid als Zuid er* en Oosterafdeeling van 
van Zuid- en Borneo. De samenstelling der bevolking aan de zuidkust en aan 
Oost-Borneo. ^ Q 008 tkust komt in hoofdzaak overeen met die der westkust, 
echter met dit onderscheid, dat het aantal Chineezen hier naar verhouding der 
totale bevolking tot de vreemdelingen veel geringer is. In het zuiden vindt men 
in de kuststreken voornamelyk de Mal ei er s, eveneens een gemengd ras, 
waarin zich ongetwijfeld Hindoe-Javanen, de oudste volkplanters van de Ja- 
vaansche overkust en andere elementen hebben opgelost. Daarnaast hebben 
van de handeldrijvende schippers aan de kust van Zuid-Celebes, de Boegi- 
neezen, er zich velen gevestigd, doch gedeeltelijk verschijnen z\f er tijdelijk, 
evenals de Javanen en de Arabieren. 

In Martapoera, Bandjermasin en Amoentai vindt men de z.g. Bandja- 
reezen, een gemengd ras van Dajaks, Maleiers, Javanen en Arabieren, die 
den Mohammedaanschen godsdienst belijden. De Maleiers zyn ook langs de Barito 
ver in het land doorgedrongen. Vooral de Bandjermasinsche kryg heeft hen 
hooger de rivier op gedreven, zoodat zij zich daar reeds tot in het brongebied 
van den hoofdstroom gevestigd hebben. In het gebied der zijrivieren verbreidden 
z\j zich weinig; daar handhaafden de Dajaks hun onafhankelijkheid en zeden 
nog gedeeltelijk. Aan de Kahajan en de Katingan bleven de Maleiers ook tot 
de monding en een deel van den benedenloop beperkt. 

Ook langs de zuidkust maken dus de vreemdelingen de hoofdelementen 
der bevolking uit. De bewoning is hier evenwel minder dicht dan in het westen, 
en alleen in het oostelijk gedeelte van het stroomgebied van de Barito, die hier 
onderscheidene bystroomen ontvangt van het gebergte, dat de waterscheiding 
uitmaakt met de oostkust, vindt men de belangrykste nederzettingen. Overigens 
vindt men in het moerassige kustland geen aanzienlyke plaatsen. 

De autochthone Dajakstammen zyn ook in het zuiden dieper landwaarts 
teruggedrongen. Het gebied der z.g. Dajaklanden, waar zich geen vreemde Ooster- 



1) Zie over de Kongsi's: Dr. J. J. M. DB Groot. liet Kongsi-wezen van Borneo 1885. — 
Veth, Borneo's Wcster-afdecling. — K. B. Kiklïtk\, Bijdr. tot de Geseh. v. Borneo's Westcr- 
afd. (lod. (iida 1889). S. H. Sciiaank (Tijdschr. ». h. Bat. Gen. 18Ö3). 



Digitized by Google 



383 

lingen mochten vestigen, is bewoond door Dajaks, bestaande uit verschillende 
kleine stammen, veelal genoemd naar de rivieren, waaraan zi) verblijf houden. 

Langs de oostkust van Borneo is het aantal vreemdelingen minder, en naast 
de Maleiers treden hier de Boegineezen meer op den voorgrond, een gevolg 
van de ligging der oostkust tegenover Celebes. 

In Pasir zijn de eigenUjke Pasireezen nog Maleische volkplanters, doch 
sterk vermengd van ras; zij bewonen slechts een smalle strook niet ver van 
de kust. Ook noordelijker ztyn de Maleiers over 't geheel niet zoover van de kust 
in het land doorgedrongen als in het Z. en W. Alleen de vorst van het Ma- 
leische rijk Koetei slaagde er hier nog in, zijn gebied tot zoover langs de Ma- 
hakkam-rivier in het land te vergrooten als de Benoewa- en Toendjoeng Dajaks 
hun woonplaatsen hebben. Waar echter aan den middenloop de krachtiger Bahau- 
Dajaks gevestigd waren, bleef de invloed van het Maleische Koetei-riJk tot een 
minimum beperkt. De noordelijker Maleische sultanaten Berouw en Boeloengan 
bezitten buiten hun gebied geen macht. 

De Maleische en Boegineesche bevolking houdt zich ook hier hoofdzakelijk 
onledig met landbouw, handel, scheepvaart en scheepsbouw. Voor de Boegi- 
neesche en sommige Maleische vrouwen is het weven van sarongs een gelief- 
koosde bezigheid. De Chineezen, Arabieren en Klingaleezen, die men hier in 
kleiner getale vindt, wijden zich hoofdzakelijk aan den handel, terwijl de Dajaks 
zich bezighouden met jacht, inzameling van boschprodukten en de teelt van 
enkele niet te ontberen voedingsgewassen. 



Refreiek' Detre kkingen der Nederlanders met de Zuid- en Oostkust 

met Nederland va *> Borneo zijn uitgegaan van het Maleische Kijk van Bandjer- 

en de grenzen masin, dat aan de zuidkust bestond, en welks sultan zich als 

van het Ned. 80Uvere j n beschouwde ook over kustlanden in het oosten. Met 
gezag in net 

Zuiden, Oos- Bandjermasin hadden de Nederlanders in 1606 handelsbetrekkingen 
ten en Noor- aangeknoopt De uitvoer van Zuid-Borneo bestond destijds voor- 
< * en ' namelijk in peper, stofgoud, rotan en andere boschprodukten. In 1669 

werden de betrekkingen met Bandjermasin echter wegens de trouweloosheid en 
vijandelijke stemming afgebroken, en de Engelschen wisten zich hier een tijd lang 
van den handel meester te maken. Toen dezen in 1707 vermoord werden, hield 
de betrekking met Europeanen een tijd lang geheel op, en eerst in 1726 werden 
door de Nederlanders opnieuw betrekkingen aangeknoopt. De Sultan van het 
Rijk had de hulp der Compagnie noodig om de onlusten in zijn gebied te be- 
dwingen en sloot in 1733 met haar een verdrag, waarbij zij den Sultan hulp 
beloofde en daarvoor het recht op alleenhandel in peper ontving. In 1787 stond 
de Sultan van Bandjermasin, die den wettigen vorst verdreven had, zijn rijk 
af aan de Compagnie, als belooning voor verleende hulp, doch ontving het 
gebied weder als leen terug, terwijl een aanzienlijk gedeelte van zijn land eigen- 
dom der Compagnie werd. Onder Daf.ndf.ls werd Bandjermasin verlaten, om- 
dat het de kosten van bestuur niet dekte, doch na herstelling van het Neder- 
landsen gezag in Indiö werd ook Bandjermasin weder aanvaard, en in 1826 werden 
door den Sultan bi) een nieuw contract uitgestrekte landen van zijn souvereiniteit, 



3S4 



o. a. de bezittingen op Oost- Borneo, aan Nederland afgestaan, terwijl de keuze 
van een Rijksbestuurder en troonopvolger aan het Ned. Gouvernement werd 
overgelaten. 

Er heer8chte langen ttyd betrekkelijk rust in dit gewest van Borneo als 
men nl. den zeeroof uitzondert, die aan de oostelijke kust alleen door oorlogs- 
bodems kon bedwongen worden. De omstandigheid, dat de bevolking zeer gering 
is in aantal, en dat er weinig Chineezen gevonden worden, tegen wier immi- 
gratie reeds vroeg maatregelen genomen waren door den Sultan van Ban dj er- 
na aain, was ongetwijfeld aan dien toestand bevorderlik. Döoh in 1859 brak in 
Bandjermasin een opstand uit, die niet dan met moeite bedwongen werd, en 
er toe leidde, dat in 1860 het besluit werd uitgevaardigd, dat in Bandjermasin 
voortaan niet meer een Inlandsche vorst zou worden aangesteld, en dat de 
landen van het vervallen verklaarde Rijk van Bandjermasin onmiddellijk onder 
het Nederl. Gouvernement zouden gebracht worden bij de Zuidelijke en Ooste- 
lijke Afdeeling van Borneo. •) Daardoor staat thans de geheele zuidkust onder 
onmiddellijk Nederlandsch bestuur. 

Aan de Oostkust van Borneo werd het Nederlandsch gezag uitgebreid in 
de rijken Koetei en Berouw. Reeds in 1635 had een Nederlandsche vloot 
onder G. T. Pool Koetei bezocht en voornamelijk door tusschenkomst van Band- 
jermasin werden door ons Gouvernement betrekkingen met dat Rijk onderhouden. 
Na 1825 werden ernstiger pogingen aangewend om den band met die gewesten 
duurzamer te maken. G. Muller werd in genoemd jaar naar Koetei gezonden, 
sloot een overeenkomst met den Sultan, waarbij een Nederlandsche vestiging 
aldaar werd toegestaan. Muller werd echter zelf op zijn reis naar de westkust 
vermoord, zoodat het contract zonder gevolg bleef. Eerst in 1843 werd een 
expeditie naar Koetei gezonden, die leidde tot een verdrag, waarby de Sultan 
in 1844 de Ned. souvereiniteil erkende. De eerste assistent-resident werd in 
1846 hier aangesteld. In 1868 werd de laatste overeenkomst met den Sultan 
gesloten, die thans nog geldt. ') 

Het rijkje Pasir was in 1826 door den Sultan van Bandjermasin aan Ned. 
afgostaan; de vorst heeft een akte van verband gesloten met ons Gouver- 
nement. Hetzelfde is het geval met de vorsten van Berouw, Boeloengan (1846), 
van Goenoeng Taboer en Sambalioeng (1850) in het N. en O. 

Wij mogen by al deze verschillende verdragen met ryken en vorstjes niet 
verder stilstaan. Uit het gezegde biykt, dat de geheele zuidkust en het grootste 
gedeelte der oostkust van Borneo met de daarby behoorende binnenlanden onder 
het gezag van het Nederlandsch Gouvernement staan. 

Alleen het N.W. en N. van Borneo staat zoowel buiten de Nederlandsche 
invloedssfeer als buiten het Nederlandsch gezag. Hier vindt men nog Serawak, 
een aan den Sultan van Broenei leenroerig gebied onder den Radja Brooke, 



1) Zie: H. O. J. L. Mkynkrs, Bijdragen tot de kennis der geschiedenis van bet Bandjcr- 
masinsche Kijk 1863—66. — I>r. K. B. Kiki.stka. De ondergang van het Bandjerma*in»che 
Rijk (lnd. Gids 1890 — 01). 

2) Zie: C. Bock. Reis in O. cn Z. Borneo 1887 



385 



het onafhankelijke rijk Broenei of Borneo proper en het noordelijke ge- 
deelte van het eiland, aan de westkust tot 6° 08' en aan de oostkust tot 4° 10' 
N. Br., dat onder Britschprotectoraat staat. Dit laatste gebied, oorspronkelijk 
grootendeels onderhoorig aan den Sultan van Broenei en gedeeltelijk aan den 
Vorst der Solok- of Soeloe-eilanden, is sedert 1878 afgestaan aan de British- 
North-Borneo Company, een Engelsche maatschappij, welke onder protectie 
der Britsche Kroon in 1881 een koninklijk charter verkreeg. Aan dit gedeelte 
is de naam „The State of North Borneo" gegeven. 

Geschillen over grenzen op Borneo tusschen Nederland en Engeland 
werden geregeld door het verdrag, in 1801 tusschen beide landen gesloten, 
waarin de grenzen behoorlijk zijn omschreven. ») De Nederlandsche bezittingen 
loopon volgens deze overeenkomst op de oostkust tot 4° 10' N.Br. en strekken 
zich westwaarts uit tusschen de rivieren Simengaris en Soedang en oostwaarts 
dwars over het onbewoonde eiland Sebatik, dat voor een gedeelte aan Neder- 
land en voor het overige aan de „British North-Borneo Company" behoort. 

De inboor- ^ e g em ^ngde kustbevolking van Borneo van 
ungen van vreemden oorsprong gaat naar het binnenland, meestal 
Borneo. na een zone met vermengingen, over in de autoch- 
thonen van het eiland, die men in Europa gewoonlijk samen- 
vat onder den naam D a j a k s. Hoe deze naam ontstaan is, valt 
nog niet te zeggen, en de Inlanders zelf gebruiken dien naam 
ook niet tot aanduiding van hun stamgenoot en. 

Onder den naam Dajaks vat men de verschillende stammen 
en groepen der Inlanders samen, die zich zelf weer noemen 
met onderscheidene stamnamen, naar de rivieren, waaraan zij 
wonen enz. Dat er somatische verschillen bij hen zijn op te 
merken, hebben wij reeds aangewezen. Toch vallen eenige al- 
gemeene lichamelijke kenmerken der Dajaks in het oog. Zij 
onderscheiden zich door tengere en goed geövenredigd gebouwde 
gestalte, door gespierdheid, zonder aanleg tot overmatige vet- 
vorming, door kleine, fraai gevormde handen en voeten, zoo- 
lang die namelijk nog niet door veelvuldig gebruik misvormd 
zjjn. De lichamelijke ontwikkeling van alle stammen vanCentraal- 
Borneo is bij de mannen grooter dan bij de vrouwen, maar 
opmerkelijk groot is dat verschil bij de Bongan-Dajaks. Bij de 
onderscheidene stammen bestaat nog al verschil in uiterlijk; de 
Kajans aan de Bloeöe steken ongunstig af bij die aan de Mendalam, 



1) Zie Verhandelingen vao de Tweede Kamer der St. Gen. Gedrukte slokken, 187 zitting 
1890—91. — StaaUbl. 1892 N°. 211. 

II 26 



386 



en vooral de vrouwen zijn hier leelijk. Dat de levensomstandig- 
heden hierop veel invloed hebben, is waarschijnlijk. De Kajans 
zijn oorspronkelijk lichtgeel van huidkleur, doch door den in- 
vloed van de zon verbruinen zjj spoedig. Aan de Mendalam 
hebben de vrouwen in haar jeugd dikwijls regelmatige gelaats- 
trekken, goed geproportioneerde vormen, doch meestal zijn het 
gedrongen gestalten met breede, platte gezichten. 

Oorspronkelijk schijnen de Dajaks allen een onvaste be- 
volking uitgemaakt te hebben, heen en weer trekkend, zich 
telkens verplaatsend. Met uitzondering van enkele stammen 
hebben zij zich thans meest aan vaste woonplaatsen gebonden, 
vooral daar, waar vreemde overheersching eenigermate toe- 
standen van veiligheid verzekerde. In de kuststreken, onder de 
vorsten der Maleische rijken, vindt men de eigenlijk zwervende 
bevolking dan ook in 't geheel niet meer. Alleen diep in de 
• binnenlanden, waar vreemde invloeden nog weinig dóórdrongen, 
vindt men nog enkele onvaste of rondzwervende stammen. 

Een indeeling en opsomming der stammen van Borneo 
kan nog niet anders dan zeer onvolledig zijn, en ook de be- 
trekkingen tusschen de stammen kennen wjj nog zeer onvol- 
doende. Wij zullen hier slechts kortelgk op enkele stammen 
de aandacht vestigen, omdat het noemen dier namen weinig zegt. 

Zwervende stammen zijn er nog enkele, zeiden wij. Hiertoe 
behooren o.a. de Poenans en de Boekats, welke eerste aan 
den bovenloop der zuidelijke, de laatste aan die van de noor- 
delijke zijrivieren der Kapoewas wonen. Onder den naam Poenans 
en Boekats vat men ook wel onderscheidene zwervende stammen 
in het gebied der Boven-Kapoewas samen. Ook de Oio Ot zijn 
tot de onvaste stammen te rekenen; de Bëkétans lieten hun 
vroeger zwervend leven varen. Het zwerven der Poenans bestaat 
daarin, dat zij, meestal in groepen van 4 a 10 gezinnen ver- 
eenigd, in de diepste wildernissen verblijf houden in kleine 
„ pondok V' van takken, boomschors en bladeren, of beschutting 
zoeken in kleine bergholen of grotten. In die primitieve ver- 
blijfplaatsen vertoeven zij meestal niet langer dan een drietal 
maanden, gedurende welken tijd zij de omstreken afjagen. De 
vrouwen moeten bij hen al het zware werk verrichten, zooals 
het bouwen der „pondok's", het kappen van hout, waterhalen 



Digitized by Google 



887 



enz., en zelfs bij het verhuizen belasten zij zich niet het vervoer 
van al het huisraad. De overige bezittingen, als gongs, wat 
eenvoudig koperwerk enz. nemen zij op hun zwerftochten niet 
mede, maar verbergen die in holen of in gaten der streek, die 
zij doorzwerven. De mannen houden zich hoofdzakelijk bezig met 
de jacht op varkens enz., waarmede zij zich voeden, met visch- 
vangst en met het bereiden van hun hoofdvoedingsmiddel, de 
sago, uit den ransaupalm. Om zich van de onmisbare artikelen 
als tabak, wat eenvoudige lijnwaden, kleine stukken staafijzer 
tot het smeden van kapmessen, lanspunten enz. en van koperen 
armbanden te voorzien, drijven zij ruilhandel met bevriende 
Maleiers en met Kajan- en Mandai-Dajaks. Zij begeven zich dan 
met hun ruilwaar van boschprodukten, meestal getah, naar meer 
bewoonde streken, en niet zelden leggen zij dan hun waren op 
een aan beide partijen bekende plek in het bosch, geven door 
gongsignalen daarvan kennis, en als de handelaren komen, leggen 
deze daar hun artikelen in de plaats der boschprodukten en 
verwijderen zich, zonder zelfs met de Poenans of Boekats in 
direkte aanraking geweest te zijn. Een dergelijke „stomme ruil- 
handel" was ook in Afrika en elders bij primitieve volken bekend. 

Bepalen wij ons tot de meer sedentaire stammen, waarvan wij 
slechts enkele bespreken, voorgelicht vooral door Dr. Nieuwrnhuis. 
In het gebied van de Mendalam en de Boven-Kapoewas vindt men 
den Dajakstam der Bahau's, zooals zij zich zelf noemen, die 
vooral Noord- en Oost-Borneo bewonen. Zij zijn volgens hun 
overleveringen allen afkomstig van het brongebied der Kajan- 
rivier (die aan de oostkust uitmondt en daar Boeloengan-rivier 
heet). Behalve door een gemeenschappelijke afstamming zijn 
zy vereenigd door een gemeenschappelijke omgangstaal, het 
Boesang, dat alle volken in Noord- en Oost-Borneo verstaan, 
en waarvan de eigen talen der stammen grootendeels afkomstig 
zijn. De Kajans aan de Mendalam spreken een dialect, dat 
weinig verschilt van het Boesang. Alle stammen, die men onder 
de Bahau's onderscheidt, dragen de namen nog uit hun stam- 
land, waar iedere stam een afeonderljjk huis of „ocma" be- 
woonde, dat in den regel genoemd werd naar de rivier, waar- 
aan het stond. Vandaar dat verreweg de meeste hunner namen 
beginnen met »Oetna" of »Ma", o.a. bij de Kajans aan de Men- 



3S8 



dalara: de Oema Aging, de Ma Soeling en Oema 
Pagong. 

De Bahau's nemen op 't gebied der kunst bij de Dajaksche 
stammen de eerste plaats in. De algemeene karaktertrek der 
stammen van Borneo, om de voorwerpen in hun omgeving te 
versieren, en waarbij zij aan hun omgeving die motieven ont- 
leenen, welke den meesten indruk op hen maken, zoodat dier- 
en plantenvormen daarbij een eerste plaats innemen, maar door 
de phantasie van den kunstenaar van gedaante veranderd, vindt 
men ook bij hen. Zij bewegen zich uitsluitend op het gebied 
der decoratieve kunst. Voor de meesten hunner valt de tijd 
van het vervaardigen van fraaie voorwerpen samen met de 
intrede der puberteit en houdt niet langer aan dan tot de eerste 
jaren van hun volwassen zijn. Als de tgd van het hormaken 
is aangebroken, trachten vrouwen zoowel als mannen hun kunst- 
vaardigheid ten toon te spreiden door de geschenken te ver- 
sieren. Ook wil de Bahau gaarne zijn persoon voordeelig doen 
uitkomen en stelt er daarom prijs op zijn wapens mooi te 
versieren met snijwerk, of gevlochten armbanden te maken, ter- 
wijl meisjes zich met kralenstrooken voor hoofdbanden, gebor- 
duurde kleeren en hoeden tooien. Doch daar het vervaardigen 
van luxe-artikelen, misschien met uitzondering van het snijden 
van zwaardscheeden, die ook buiten hun stam gewild zijn, geen 
beduidend voordeel oplevert, houdt dat produceeren van kunst- 
werken bij de meesten op met het huwelijk. De Bahau's, vooral 
die aan de Mahakkam, munten ook uit door het kunstsmeden, 
meest bij het maken van zwaarden toegepast, en de vaardig- 
heid van het graveeren en het inleggen der zwaarden met koper 
of zilver. In deze richting brachten de Bahau's het verder dan 
in het eigenlijk smeden, want zjj zijn niet in staat een goed 
lemmet te maken. 

Onder de zaken, die de Bahau's beschermen tegen booze 
geesten, spelen voorstellingen van mannelijke en vrouwelijke geni- 
talia een voorname rol. Als er van de zijde der booze geesten een 
gevaar dreigt, zooals bij een epidemie, of als zij vertoeven in onher- 
bergzame oorden, dan brengen zij in hun omgeving op vele punten 
afbeeldingen der genitalia aan. In ruwe, tijdelijke hutten zyn 
dit primitieve nabootsingen; in hun huizen op de trap en aan 



Digitized by Google 



389 



de deurposten hunner woningen en op de daken zijn ze zorg- 
vuldiger bewerkt. 

De Bahau's zijn als alle natuurvolken animisten; zij leven 
iu de overtuiging, dat zij afhankelijk zijn van de omgeving, en 
de op zijn verbeelding inwerkende invloeden schildert hij zich 
af als uitingen van wezens, geesten of w to'\ zooals hij zich die 
het best kan voorstellen, herhalingen van zich zelf, maar mach- 
tiger door het bezit van eigenschappen, die hij niet of in mindere 
mate bezit. Deze „toV' beheerschen zijn lot, en de dienaren 
van den godsdienst onder de Kajans hebben zich daarvan ook 
bediend, om daarmede hun stamgenooten te binden aan hetgeen 
hun maatschappij van hen vordert. Hun eigenlijke godsdienstige 
overtuiging is niet te scheiden van de zedeleer. Het hoofd van 
het heir hunner geesten draagt het karakter van een straffend 
god, en zijn ingrijpen in het lot der menschen laat hij geheel 
beheerschen door hun al of niet opvolgen van de voorschriften 
van de adat. De positie van het hoofd krijgt daardoor steun 
in den eeredienst. 

De Bahau's behooren niet tot de krachtige menschenrassen. 
„Noch zij, noch de overige Dajaksche stammen, die ik ontmoette, 
geven den indruk van menschen met groote levensenergie", zegt 
Nieuwenhüis. De Kajans behooren eer tot de kleine en tengere, 
dan tot de groote en forsche stammen. In lichaamsbouw staan 
zij achter bij de Maleiers en evenzeer in ondernemingsgeest. 
Vandaar dat een enkele Maleier onder een stam zich al spoedig 
een grooten invloed verzekert en met wat handigheid in staat 
is, zonder veel te werken, ten koste van zijn gastheeren te leven. 

Wij zijn nog al te veel gewoon de Dajaks enkel te be- 
schouwen als de woeste koppensnellers, en met dien naam wordt 
reeds schrik aangejaagd, als er van de Dajaks wordt gesproken. 
Vroeger hebben wij reeds aangetoond, (I, pag. 319) dat het koppen- 
snellen een gevolg is van de schedel vereer ing en met animis- 
tische opvattingen in verband staat. Al bestaat het euvel nog 
in Borneo, en al is het koppensnellen nog de aanleiding tot 
talrijke oorlogen tusschen de kleine stammen, toch wijst Nibuwjsn- 
hois er op, dat dit snellen en die oorlogen verhoudingsgewijze 
minder mensehenlevens kost in Borneo dan de oorlogen in de 
zoogen. beschaafde lauden der aarde. 



390 

Het koppensnellen bestaat er nog, zeideu wij. Maar snel- 
tochten om een kop te verkrijgen bij het afleggen van rouw, 
bjj de geboorte van een kind e. d., daarvan zegt Nieuwbnhüis 
niets gehoord te hebben bij de Bahau's en de Kajans. Slechts 
de zwervende Boekats en Poenans schijnen zich nog aan het 
> koppensnellen over te geven om te voldoen aan de eischen van 
hun geloof; de Pnihings hechten ook tegenwoordig nog sterk 
aan de aanwezigheid van een menschelijk overblijfsel (niet be- 
paald van een hoofd) bij het afleggen van den rouw. Maar bij 
Kajans, Ma Soelings en Longlats eischt de adat niet meer, dat 
men bij rouwen moet gaan snellen om voor het afleggen van 
den rouw een hoofd ter beschikking te hebben. Men behelpt 
zich bij de Kajans met een symbool van het snellen, bestaande 
in het dansen rondom een van elders geleenden schedel. 
Bij den dood van een hoofd wordt er waarschijnlijk nog een 
slaaf afgemaakt, en het feit, dat deze de woning niet mag 
gezien hebben, of hij wordt gespaard, wijst er op, dat indertijd bjj 
andere stammen een slachtoffer vermeesterd, evenals nu gekocht, 
werd. Misschien was de gewoonte van het jacht maken op hoofden 
bij de Bahau's vroeger wel grooter. Nog vindt men bij hen 
wel gesnelde koppen, maar deze zijn meest af komstig van vijanden, 
die vele tientallen van jaren her verslagen werden. Ook neemt 
het gezegde niet weg, dat in de onderlinge oorlogen en uit 
wraakzucht er wel koppen gesneld worden. 

Ten zuiden van de Bahau's wonen aan den bovenloop der 
rivieren van Zuid-Borneo onderscheidene stammen der Dajaks. 
In het stroomgebied van Barito en Kapoewas Moerong of Kleine 
Dajak-rivier leerde Sciiwaner reeds kennen deOrangNgadjoe 
langs beneden Barito en Midden Kapoewas, de Ot Danom 
aan de Boven-Kapoewas, de O rang Doesoen langs de midden 
Barito, de Tabayan, Anga, Njamet en Boroi langs de 
Teweh; de Orang Moeroeng en Orang Siang en geheel 
in het noorden de reeds genoemde rondzwervende Oio Ot. In 
de landschappen Kleine Dajak, Groote Dajak en de Doesoen- 
landen, aan den bovenloop der rivieren van het zuiden, worden 
vreemdelingen geweerd en dus de Inlandsche bevolking het 
meest gespaard. 

Terwijl men de Öajaks thans enkel leert kennen in de binnen- 



Digitized by Google 



391 



landen, rijst onwillekeurig de vraag op, of zij eens ook meer 
aan de kusten hebben gewoond of van elders op Borneo zich 
gevestigd hebben*? Er schijnt alle grond voor te bestaan hen 
naar de taal tot den Maleisch-Polynesischen volkengroep te 
moeten rekenen, en dat zij met dezen het oorspronkelijk vader- 
land gemeen hebben gehad. In het algemeen kan men ook wel 
aannemen, dat de autochthone bevolking eens aan de kusten 
heeft gewoond en door de Maleiers en andere vreemdelingen 
werd verdrongen, het gewone verschijnsel, waar krachtiger ko- 
lonisten zich vestigen in een land van minder energieke be- 
woners. Een herinnering aan die afkomst uit de kustlanden 
is misschien de teekening van een schip van wonderlijken vorm 
op de deuren der woningen bij stammen, die zelf nooit de zee 
zagen, gelijk Schwaner mededeelde. 

Wjj mogen bij de ethnographische bijzonderheden van 
Centraal-Borneo niet langer stilstaan en verwijzen voor enkele 
zaken naar het algemeen gedeelte (I pag. 364 enz.). Alleen nog 
iets over de nederzettingen. Wij wezen er reeds op (I, 374), 
dat de Dajaks zich sterker dan op eenig eiland concentreeren 
tot nederzettingen, welke in één huis vereenigd zjjn, dat tot 
600 bewoners telt. Die lange huizen, op palen ± 3 M. hoog 
boven den grond, met een galerij er langs, en die moeielijk 
zijn binnen te dringen, wijzen er op, dat zij aldus gebouwd 
werden met het oog op de veiligheid. Zij werden meestal ge- 
plaatst op een of ander moeielijk te genaken terrein en aan 
een riviertje. Het lange huis, met een omwanding van vlecht- 
werk of planken, kan door een trap bereikt worden, die op 
een veranda uitkomt. Voor meerdere zekerheid worden de huizen 
veeltijds nog door een zware, ijzerhouten palisadeering omringd, 
in welke een kleine opening gelaten is, die gemakkelijk kan 
worden afgesloten. Onder het huis bevinden zich bergplaatsen 
en verblijven van varkens en pluimvee. Soms staan bij de wo- 
ningen nog voorraadschuren. 

In de benedenlanden echter, waar de veeten minder werden 
en blokhuizen niet zoo noodig zijn, hebben de meeste stammen 
zich reeds in dorpen vereenigd. De zwervende stammen, als de 
Poenans en Oio Ot, verblijven in hutten, zoowel op den beganen 
grond geplaatst als in boomen. 



392 



Economische In vruchtbaarheid behoeft Borneo b\j geen land ter wereld 
en maatschap- achter te staan ; het klimaat is schier overal door vochtigheid 
den^roducüe en warmte 8 un8t te voor den plantengroei, en de uitgestrekte, 
en handelsver- l° ss0 aanslibbingsbodem, alsmede de verweerde lagen der vulka- 
keer; in en uit- nische of andere gesteenten van de vaste rotsen, een en ander 
Toer * vermengd met humusdeelen, bieden overal gelegenheid voor de 

planten om zich te vestigen. Hoewel de natuur alle factoren voor de ont- 
wikkeling van cultures van allerlei aard aaubiedt, staat toch Borneo in 
economisch opzicht nog op den laagsten trap. De uiterst geringe bevolking kent 
weinig zorg voor den landbouw, en de zucht om te produceeren voor den handel 
vindt men er nog slechts in zeer beperkte mate. 

De stammen in bet binnenland leven in de broeikasatmosfeer van het weel- 
derige, tropische boschland, die w\J boven beschreven. Te midden van een in 
overvloed en vry willig schenkende natuur, en met weinig hooge eischen aan het 
leven gesteld, kan de strijd om het bestaan, die btyna uitsluitend tot het zorgen 
voor voedsel en het zich aanschaffen van enkele verdedigingsmiddelen tegen 
het klimaat beperkt is, hier geen hooge eischen tot inspanning en oefening van 
het vernuft stellen. De vruchtbare gronden der pas gevelde bosschen eischen 
slechts geringe zorg om er van te oogsten, en de bosschen leveren voldoende 
stoffen op, om met de eenvoudigste bewerking voor kloeding te dienen. Daar- 
door schynt Centraal-Borneo een land, door de natuur aangewezen om een tal- 
rijke bevolking zonder veel inspanning te kunnen voorzien van het noodige. 
En toch is dit niet bet geval. 

Het is niet mogelyk in cyfers de volksdichtheid van Borneo eenigszins 
met nauwkeurigheid op te geven. Maar daarin stemmen alle reizigers overeen, 
dat er slechts een uiterst dunne bevolking gevonden wordt. Zoowel aan de 
Kapoewas als aan de Mahakkam wonen slechts een gering aantal menschen, 
die zich in enkele vestigingen aan de rivieroevers samentrekken. De bevolking 
biyit er zelfs by al den overvloed vry wel stationnair in aantal. Men heeft die 
geringe toename, of liever dat gemis aan toename der bevolking, willen toe- 
schrijven aan het koppensnellen, dat er jaarlijks slachtoffers eischt. Dr. Nieuwen- 
huis meent evenwel, dat dit niet juist is; de veel verschrikkelijker oorlogen 
in Europa houden toch evenmin de toeneming der bevolking in dat werelddeel 
tegen. Doch een sterker invloed op de beperking der toeneming van de bevolking 
hebben de endemische ziekten, in de eerste plaats malaria, en in de tweede 
plaats de zeer algemeen voorkomende venerische aandoeningen, welke de geslachten 
verzwakken, en waar de Inlanders machteloos tegenover staan. De bezweringen 
en de diëtische middelen, door de tooverdokters voorgeschreven, batun hier niet. 

De geestelijke en economische ontwikkeling der Dajaks van Centraal-Borneo 
staat laag. De Bahau is in voortdurende vrees voor den toorn der geesten, die 
naar zijn overtuiging de oorzaak zijn van alle natuurverschijnselen, die storm 
en onweer, donder en bliksem, ellende en rampen doen ontstaan; by mist alle 
vertrouwen op eigen kracht en inzicht. Hy slaat steeds angstvallig alle voor- 
teekens gade by ernstige ondernemingen, by het aanvangen van groote reizen, 
maar ook by het aanleggen der velden, by het uitoefenen van den landbouw, 



Digitized by Google 



39:5 



by jacht en vischvangst. Daardoor hangt het al of niet slagen by zyn handelen 
dikwyis niet af van zyn doelbewust optreden, maar van het toeval der teekenen. 

By dezen aard der autochthone bevolking van Borneo valt het niet te ver- 
wonderen, dat de Maleiers der kusten, ondernemender en moediger als zy zyn, 
met meer economischen zin bezield, meestal in rykjes zich vereenigend en daar- 
door beter georganiseerd en gemeenschappeiyk optredend, een overwicht wisten 
te verkrygen op de versnipperde, verstrooide en onderling verdeelde Dajaks. De 
Maleiers hebben van de kusten van den Archipel de Inlanders naar de binnen- 
landen verdrongen en dezen zyn door hun talent van koloniseeren en hun energiek 
optreden, waartegen de oorspronkeiyke bewoners niet zyn opgewassen, door 
hen Verdrongen. Dit wil niet zeggen dat de Maleiers, hoewel zy meer met 
cultuurvolken in aarfraking komen, hoewel zy den Islam beiyden, iets wat veelal 
slechts uiteriyk is, werkeiyk hooger staan in beschaving en degelykheid van 
karakter dan de heidensche Dajaks. In sommige opzichten is zelfs het omge- 
keerde het geval. By de Maleiers o.a. ziet men de slaverny in zyn meest ver- 
achteiyken vorm, nl. als schuldslaverny, terwyi by de Bahau's de slaven zonder 
uitzondering krygsgevangenen of hun kinderen zyn en leden van den stam 
worden, zy het ook met minder rechten dan de vrye lieden. De Maleiers echter 
beschouwen de Dajaks als een minderwaardig ras, dat zy in de kuststaten in een 
toestand van onderworpenheid brengen, als lyfeigenen behandelen, die voor hen 
moeten werken. De vreemdelingen hebben, waar zy als heerschers optraden, de 
Inlanders in een toestand van ondergeschiktheid gebracht, en de verschillende 
klassen, rangen en standen in het land gevormd, die by de natuurvolken nau- 
weiyks bestonden. De vorsten van Bandjermasin byv. zonden langs de Barito 
gezanten naar de binnenlanden om de in kleine horden daar verstrooid levende 
inboorlingen tot grootere troepen te vereenigon, en tot het aanleggen van ge- 
meenschappelyke woonplaatsen aan te sporen; zy maakten hen met de ryst- 
cultuur, het zout enz. bekend. Uit die gezanten ontstonden vervolgens de hoofden. 
De vreemdelingen vormden een adel onder de aldus ontstane vaste nederzet- 
tingen, van welke de inheemsche bevolking in rang afdaalde tot lyfeigenen. In 
de Maleische staten van het westen volgt het regeerend vorstenhuis nog de ge- 
woonte, de onderworpen Dajaksche landen in eenige stukken te verdeelen, en 
aan de vorstentelgen, die daarvoor in aanmerking komen, ieder een stuk toe 
te wyzen. Dezen trekken dan hun inkomsten van de Dajaks uit vaste en buiten- 
gewone heffingen. Zoo worden hier nog feudale heerujkheden gevestigd, waar 
de ondergeschikten verplicht zyn zout, tabak enz. van den heer te koopen, by 
hongersnood ook de ryst, terwyi zy tevens genoodzaakt zyn benoodigdheden 
voor huizenbouw, voor booten en levensmiddelen aan den heer te leveren en 
persooniyke diensten voor hen te verrichten. Kr is overeenkomst met Europa 
in de vroegste middeleeuwen. 

In het gebied der Melawi worden de Dajaksche stammen naar hun ver- 
houding tot het Maleisen bestuur van Sintang onderscheiden als: 1. 8erah- 
stammen, d.i. stammen, die sedert vroeger tyden in een soort van hjfeigen- 
schap en schatplichtigheid verkeeren (naar de eigenaardige belasting, serah, 
die zy onder het Maleisen bestuur hebben op te brengen; doch hier alleen be- 



'394 



duidt die een soort ïyfeigenschap) en 2. Mardahek a-stammen of vrüe 
Dajaks, die tegenwoordig alleen schatplichtig zyn. 

Hebben aldus de Maleische vorsten en aanzieniyken invloed gehad op de 
rangverhoudingen by de Inlanders, de gewone Maleiers weten door den handel, 
de Dajaks eveneens op alle w\Jzen te exploiteeren. De hoofdvorm van productie 
bestaat by de Maleiers zoowel als by de Dajaks nog in een ruwe verzamel- 
nyverheid, gericht op het inzamelen van de produkten der bosschen. De land- 
bouw staat nog op zeer lagen trap, en meer dan ieder voor z\)n gezin noodig 
heeft, wordt nauweiyks aangeplant. De rystcultuur is er ladangbouw, (zie 1,489 enz.) 
die primitief in de boschgronden wordt gedreven, waar het hout wordt gekapt 
of verbrand, en de ryst wordt gepoot, terwyi 3 a 4 maanden later wordt geoogst. 
Als tweede vrucht teelt men nog wel knolvruchten, maïs, boontjes enz., terwyi 
by do woningen veelal nog een tuintje wordt aangelegd, waarin een weinig 
suikerriet, spaansche peper, betel enz. wordt geteeld. Door wet of rechten be- 
schermde grondeigendom is er niet; de bosschen en landen zyn gemeonschap- 
peiyk eigendom van den stam, en ieder kan daar boschprodukten verzamelen, 
gronden bebouwen enz. naar believen. Om te doen zien, dat een boom, een stuk 
land enz. in bezit genomen is, wordt er een teeken op aangebracht, en zoolang 
een akker in gebruik is, biyft hy bezit van de ontginners. Dit recht wordt erkend ; 
wordt een akker verlaten, dan valt hij weder het algemeen ten dienste. 

De tyd van den nieuwen rystbouw wordt bepaald naar de hemel verschynselen. 
De Dajaks weten door het punt van den horizon te beschouwen, waar de zon 
opkomt, welken tyd van het jaar het is, en of de regentyd of meer droge tyd aan- 
staande is. Vooral de zon doet hierby dienst ; de nacbteiyke hemel is in Centraal- 
Borneo slechts zelden voldoende helder, om die goed te beschouwen. Alleen van 
Nov. tot Maart, in den N.O. moesson voor het binnenland, zyn de nachten nog wel 
eens helder, doch overigens vormen zich 's avonds meest laagliggende wolken, 
die den hemel omsluieren. De tyd wordt veelal gerekend naar de verschillende 
perioden van rystbouw ot andere werkzaamheden: de tyd van boschkappen, 
van branden, rooien, wieden, oogsten enz. Dat is trouwens een algemeen ver- 
schynsel by de landeiyke bevolking; ook in ons land worden in de oosteiyke 
gewesten gebeurtenissen dikwyis aangeduid als te hebben plaats gehad in „de 
zaaiing", „de hooiing", „den bouw", „aardappelrooiing" enz. 

De jacht wordt door de Inlanders wel uitgeoefend, doch geheel als byzaak; 
gaan de mannen naar de ryst velden of op andere tochten door het bosch, dan 
vergezellen de honden hen altyd, en de medegenomen wapenen dienen vooral 
om eenig wild af te maken. Van het wild sluiten zy alleen dieren uit, die zy 
niet mogen eten; by de Kajans: alle herten, den gewonen aap en slangen. 
Wilde zwynen, soorten van wilde katten en kleinere zoogdieren komen meest voor 
de jacht in aanmerking. Vooral de varkens, die er ook tam voorkomen, hoe- 
wel schaar8ch, zyn een geliefd voedsel. De honden doen by de jacht goeden 
dienst; als wapens worden meest zwaard en speer gebruikt, een enkele heeft 
een geweer, en voor vogels en zoogdieren het blaasroer met vergiftigde pyien. 

De veeteelt neemt in Borneo een zeer onbeduidende plaats in by de bo- 
volking. De ladangbouw heeft geen karbouwen noodig om den ploeg te trekken, 



395 



en ook runderen en paarden komen er weinig voor. Het gemis aan goede land- 
wegen en het overheerschend wonen langs de rivieren met prauwenverkeer 
heeft het gebruik van trek- en lastdieren meestal onnoodig gemaakt in de binnen- 
landen. Alleen by de Maleische kustbevolking komen deze voor. Volgens de 
telling van 1900, die weinig meer dan schatting kan zyn, werden er gevonden : 

Buffel». Runderen, Paarden. 

Westerafd. v. Borneo .... 292 12071 58 

Zuider- en Oosterafd. v. Borneo 11785 2861 14366 

De belangrijkste handelsprodukten worden op Borneo nog steeds geleverd 
door de bosschen ; het verzamelen van boschprodukten is een arbeid, welke door 
den handel wordt in 't leven geroepen. Voornamelijk worden getah, rotan en 
caoutchouc verzameld, doch ook was, gom-daniar enz. De aangeboren zucht der 
Maleiers tot zwerven en de illusie der vrijheid, waarvan zy in het oerbosch ge- 
nieten, doet vele Maleische mannen hun dorpen aan de Beneden- en Midden- 
Kapoewas verlaten om boschprodukten te zoeken en daarmede terug te keeren, 
ten einde een korten tyd in ledigheid te genieten van de opbrengst. Echter is 
ook niet zelden reeds vooraf zooveel op de te verkrijgen boschprodukten opge* 
nomen, dat er weinig van overblijft. Het voorschotstelsel toch speelt by dezen 
handel een groote rol: een Chinees of Maleier schiet aan Maleiers en Dajaks, 
die de bosschen intrekken, hun uitrusting van kleeren, werktuigen en vooral 
van ryst voor, op voorwaarde, dat die later ruimschoots zal betaald worden. 
Zyn zy evenwel in het bosch, dan is er geen controle meer op, en blyven zy lang 
weg. Daardoor is aan dat geven van voorschotten veel risico verbonden. Voor die 
handelaren, die zelf medegaan het bosch in, zyn er de meeste voordeelen uit te 
halen. Dit geschiedt met vele kleine handelaren van Poetoes Sibau, maar wordt 
dieper in het land minder. 

By die transacties wordt slechts weinig geld gebruikt: katoen, Javaansche 
tabak, zout en voedingsmiddelen voorzien hoofdzakeiyk in de ruilbehoeften van 
het Maleische volk en in den handel met de Dajaks. Ook de Dajaks houden er 
veel van om op schuld te koopen, om met den eersten rijstoogst die te vol- 
doen door ryst te leveren. • 

De behoeften der Dajaks zyn gering en hun koopvermogen is niet groot. 
Daardoor kan de handel met hen niet bloeiend zyn. Vele Maleiers moeten dan 
ook meest leven van de opbrengst der boschprodukten. Doch dewyi deze hoe 
langer hoe meer gezocht worden, moesten zy telkens dieper het land in. De 
betrokken Dajak-hoofden, in wier gebied de inzameling van boschprodukten plaats 
heeft, komt een gedeelte toe van hetgeen in hun gebied gevonden wordt, ± 10°/ 0 . 
Doch door het heen- en weertrekken van de stammen zyn de rechten en aan- 
spraken niet zelden zeer onzeker geworden. Daarom bemoeit het Binnenlandsch 
Bestuur zich thans wel met de inning en verdeelt de opbrengst aan de recht- 
hebbende hoofden. 

Uiteriyke drang om te produceeren bestaat er by de Dajaks dus al zeer 
weinig. Daar de bevolking vrywel stationnair blyft, bestaat er geen prikkel om 
zich nieuwe bestaansmiddelen te verzekeren, en de altyd overvloedig schenkende 



Digitized by Google 



39C 



natuur noodzaakt niet tot sparen. Zoo is de stryd tot zelfbehoud in de binnen- 
landen er niet groot, en dringt die ook schier nergens het vernuft tot nieuwe 
vindingen. Het klimaat noodzaakt niet om veel aan kleeding te denken. Toch 
weten de ondernemende Maleiers nog Dajaks door loon aan zich te verbinden, 
om met hen het bosch in te trekken tot het verzamelen van boschprodukten. 
Het verzamelen der goede getah soorten is thans lang geen gemakkelijke zaak. 
Dagen ver moeten de verzamelaars langs ongebaande wegen de bosschen in 
gaan om dikwijls nog onverrich terzake terug te keeren. Bloemen, vruchten 
en de jonge loten der boomen zy"n by dat zoeken hun wegwijzers; zy duiden 
de boomen aan, die getahhoudend zijn. Heeft de Dajak de hoeveelheid verzameld, 
waarvoor hh* bereids voorschot van de opkoopers verkregen heeft, of slaagt hij 
niet in den omtrek nieuwen voorraad te vinden, dan gaat hy zijn voorraad voor 
de markt gereed maken. De getah wordt wederom gekookt en van de ergste 
onreinheden ontdaan. Toen in 1870 de hooge prijzen velen tot bet verzamelen 
van getah aanzetten, werden ook mindere kwaliteiten in den handel gebracht. 

Behalve aan rotan en getah zijn de bosschen van Borneo rijk aan olie- 
houdende boomen, als Soendoer en Kroewin, of aan den Tengkawang-boom, wiens 
vruchten na weeking en koking het in den handel voor machinerieën zoozeer 
gewilde vet opleveren, terwijl Kajoe garoeh tengkaros, Garoe boeajah ale offer- 
hout en Djernang of drakenbloed en Kajoe labo als verfstof in de Sintangsche 
wildernissen ruimen oogst aan de inzamelaars leveren. 

Die ruwe verzamelnljverheid is de hoofdbron van bestaan voor de Inlanders ; 
de nijverheid heeft zich er weinig ontwikkeld. Onderscheidene gewoonten en 
zelfs primitieve vindingen om het leven te vergemakkelijken, die elders veel 
belang hebben, zijn by de Dajaks niet tot ontwikkeling gekomen door de natuur- 
lijke omstandigheden, waarin zij leven. Al kennen zl) den slinger als speelgoed, 
in de bosschen van Borneo, waar een slinger geen nut zou hebben, heett zich 
die niet tot lasso gevormd, zooals by de Indianen der Pampa's van Argentina. 
De uitleggers der booten, die aan de kust zooveel beteekenis hebben, omdat 
zij het vaartuigje stabiliteit geven op de golven, hebben zich in het binnenland niet 
ontwikkeld, al gebruiken enkelen bij het overvaren der watervallen op de rivieren 
ook boomen, die zij tot dat doel naast hun schuitje binden, zeker de oervormen 
der uitleggers. Ook dijken, om het water te stuwen voor vischvljvers, vindt 
men in het binnenland slechts bij enkelen (onder de Bahau's alleen de Ma 
Soelings). Echter in een andere richting, die geenszins uit economischen aan- 
drang voortvloeit, munten de Dajaks uit, nl. om voorwerpen van kunst en 
smaak te leveren. Zoowel mannen en vrouwen hebben daarin vaardigheid. By 
de vrijheid, die het individu heeft, om verschillende zjjner hoedanigheden te 
ontwikkelen, terwijl geen broodzorg hem drijft in een richting, welke hy niet 
denkt te gaan, heeft zich een byzondere kunstvaardigheid algemeen verbreid, 
die elders slechts het eigendom is van enkelen. Dat biykt uit de patronen van 
weofsels en van vlechtwerk, uit het snywerk aan booten en wapens. 

Enkele stammen hebben op het gebied der industrie een bijzondere be- 
teekenis. Zoo hebben o. a. de Kajans een gedeelte der om hen wonende stammen 
van zich afhankelijk gemaakt door hot leveren van booten en snywerk, terwijl 



897 



dit vroeger ook het geval was met de voortbrengselen van hun wapensmeden: 
zwaarden en speren. Evenwel neemt in het binnenland de zelfstandige nijver- 
heid af door de voortdurende aanraking van de verder in het land doordringende 
Maleiera, die produkten van elders brachten, welke gemakkelijker te koopen dan 
te maken zijn, en die de aandacht trekken door het uiterlijk. Zoo zijn de ka- 
toenen stoffen naar het binnenland doorgedrongen, en verdrongen zij de inlandsche 
weefnijverheid. Doch de booten en zwaardgrepen der Kajans zijn nog niet door 
Europeesche fabrikaten vervangen. De Mendalam-Kajans leggen zich bijzonder 
toe op de vervaardiging van zwaardgevesten uit hertshoorn, die onder de Ka- 
poewas-Maleiers zeer gezocht zijn en vrtf hoog betaald worden. Er zijn meer 
8 tam men, die deze vervaardigen, maar de Kajans munten daarin uit, en hun 
mooio govesten kan men overal herkennen. Bijna alle mannen zijn in staat, 
voor zich zelf een eenvoudig houten gevest aan hun zwaard te snijden van 
hard, donkerkleurig hout, doch slechts enkelen zijn daarin meesters. Aanvan- 
kelijk begint men met dit snijwerk in vrije uren, doch later leggen enkelen 
er zich speciaal op toe om ze als handelsartikel te leveren, en dan wordt het 
een bedrijf. 

Verschillende Bahau-stammen leveren nog zelfgesmede zwaarden, die ge- 
zocht zijn; de Kajans, die dit vroeger ook deden, doen het thans niet meer. 

De vrouwen maken niets, dat voor veel geld naar buiten is te verkoopen. 
In de vrije uren leggen zij zich toe, behalve op het vervaardigen van huishou- 
delijke voorwerpen, op het vlechten van fijne matten, het maken van kraal- 
patronen voor zwaardkoorden en belegsels van de binnenzijde der scheede. Vroeger, 
vóór het Europeesche katoen werd ingevoerd, was het weven en kleuren van 
doek een der hoofdbezigheden der vrouw. Aan de Boven-Mahakkam worden die 
eigen stoffen nog vervaardigd, de Mendalam-Kajans kennen het echter niet goed 
meer. In het verkeer der Dajaks onderling zijn de verschillende produkten van 
de nijverheid der vrouwen, dikwijls nog een bron van inkomsten voor het 
gezin, doordien ze geruild worden tegen andere gewenschte artikelen. 

Aan den bovenloop van de Kapoewas was tot voor kort het zilvergeld nog 
een grooto zeldzaamheid. Door de werkzaamheid van den topographischen dienst, 
die veel koelie's gebruikte, kwam hier een groote hoeveelheid zilvergeld in het 
land en het destijds uitbetaalde zilver was nog in den tijd, toen Nieuwen huis 
daar was, het eenige, dat hen bekend was. Kopergeld, dat lager aan de Kapoewas 
het ruilmiddel uitmaakt by arme menschen, heeft bi) do Kajans geen waarde. 
Door den handel met do kooplieden van Poetoes Sibau spaart de Kajan wel 
dollars op, maar in hun onderling verkeer bezigen zij liever hun oud ruilmiddel, 
de kralen, die uit vroeger tijden tot hen overgekomen, in de schatting een 
groote waarde vertegenwoordigen. Al deze kralen bestaan uit een min of meer 
doorzichtige massa, waarop bloempjes en streepjes geëmailleerd zijn, terwijl voor 
het vervaardigen van andere, verschillende soorten glas en staafjes door elkaar 
gesmolten de hoofdmassa doordringen. Die kralen zijn meest van Venetiaanschen 
oorsprong ; tegenwoordig schijnt de industrie die niet meer te leveren. Zeer vele 
dezer kralen dragen sporen van hun langdurigen omloop onder de bevolking. 
Eigenaardig is het, dat deze kralen niet gezocht z\jn by de Barito-stammen, die 



Digitized by Google 



398 

■ 

aan roode agaten voor armbanden en halskettingen de voorkeur geven. By han- 
delaren als Chineezen en Maleiers zyn deze kralen voor ruilmiddel slechts in 
beperkte mate gangbaar. Behalve voor een klein gedeelte in geld betalen de Kajans 
hun schulden vooral met ryst, hun voornaamste bezitting. 

Voor de vrouwen, die by de Kajans, in tegenstelling met de mannen, zelden 
hun gebied verlaten, brengen de reizende handelaars in hun booten de meest 
gewilde artikelen, als katoen, zout, Javaansche tabak en chineesche kralen (die 
tegenwoordig ingevoerd worden) aan. De vrouwen snellen, zoodra de aankomst 
van den handelaar bekend is, al spoedig op de boot toe, en men ziet hem maten 
ryst aandragen, waarmede het gekochte wordt betaald. De kooplieden moeten 
er steeds op rekenen om snuisterijen en snoepgoed by zich te hebben, die zy 
als geschenken geven, doch welke zy in der daad dubbel laten betalen. Op crediet 
koopen komt by de Kajans ook voor, en zelden wordt de aangegane schuld niet 
betaald. Doch dit is zeer schadelik voor hen. 

By de Kajans bestaat de hoofdrykdom, waarin zy hun bezittingen omzetten, 
in Javaansche tawaks of koperen gongs en in bovengenoemde oude kralen. Oude 
Chineesche tempajans trett men er ook wel aan, maar toch minder. 

Daar de huisgezinnen grootendeels zelf in hun behoeften voorzien, biyft de 
onderlinge handel tot kleinigheden beperkt. Alleen het betalen der dajoengs, 
priesteressen, waarvoor bepaalde zaken volgens de adat zyn voorgeschreven, en 
van hen, die tatoueeren of snijwerk maken, geeft aanleiding tot ruilhandel. De 
hulp by belangrijke werkzaamheden vergoedt men verder met werkdagen. 

Toch bestaan er met elders wonende verwante stammen der Dajaks ook 
voortdurende betrekkingen, waarby de handel een zekere rol speelt In ge 
zeischap van 6 tot 8 man worden die tochten ondernomen, gewooniyk na afloop 
van den oogsttyd, den droogsten tyd des jaars (onzen zomer) en eerst na maanden 
komen zy terug. Onderweg wordt veel tyd verspild, omdat voortdurend byge- 
loovig acht geslagen wordt op de waarschuwende stemmen der natuur, op de 
vogels en slangen vooral, en zy dan telkens een dag stilhouden, als de teekenen 
ongunstig zyn. Verder gaan zy geen huis voorby zonder er binnen te gaan om 
nieuws te vertellen en te hooren, en om handel te dry ven, wat in den regel dagen 
lang duurt. Op reis worden zy overal gastvry ontvangen, en daardoor kan een 
tocht zoo lang duren. Door deze betrekkingen zyn de stammen volkomen op 
de hoogte van wederzydsche zeden en gewoonten, van de wegon, die men best 
kan volgen. Doch dat geldt alleen voor de stammen, die aldus met elkander 
in betrekking staan, maar buiten dien kring gevoelt een Inlander zich niet te 
huis. Vooral wordt daar de aanraking^ moeieiyker, omdat de omgangstaal, die 
tusschen verwante stammen dezelfde is, niet begrepen wordt in vreemde streken. 
De verschillende kleine stammen van Noord- en Oost-Borneo bezitten alle hun 
eigen dialect, dat den buurman dikwyis onverstaanbaar is, doch zy bezigen in 
den omgang het Boesang, waarmede men meest overal terecht kan. Ook Maleiers» 
Poenans en Boekats, die in het land zwerven, bedienen zich van die taal. 

In de binnenlanden bUjft dus de primitieve toestand van zelfgenoegzame 
natuurhuishouding nog voortbestaan. Waar de Maleiers doordringen en aan de 
verkeerswegen der rivieren wordt de toestand langzamerhand anders; daar wordt 



Digitized by Google 



399 



het geld mede een ruilmiddel. Rn in de benedenlanden onder den invloed der 
Maleiers, is het economisch handelen reeds tot een hoofddoel geworden. 

Toch is de beteekenis van Borneo in economisch opzicht tot nog toe nog 
gering in vergelijking met hetgeen dit land met z\jn ryk gezegende natuur zou 
kunnen produceeren. Het grootste eiland van den Archipel levert betrekkelijk weinig 
voor den wereldhandel. 

De Westerafdeeling van Borneo had in 1904 een uitvoer ter waarde van 
f8 553 000 tegen een invoer van fS 902 000; de Zuider- en OosterAfdeeling 
een uitvoer van ƒ8 827 000 en een invoer van fZ 821 000. 

Als men die invoerstatistiek nagaat, valt in het oog, dat dit land, met zulk 
een gezegende natuur, nog zoo vele noodzakelijke levensmiddelen van elders 
noodig heeft. In 1904 werden in de Westerafdeeling ingevoerd: 49 700K.O. 
gecondenseerde melk, 287 300K.O. gedroogde visch, 27 800K.G. gepelde koffie, 
368 970 K.G. meel, 17222459 K.G. rijst, 9628 KG. suiker, 54563 K.G. Chineesche 
sigarotten. De Zuider- en Oosterafdeeling voerden in: 24 800 K.G. gecondenseerde 
melk, 20 600 K.G. gezouten of gedroogde visch, 46 924 K.G. gambir, 13 000 K.G. 
koffie, 474000K.G. meel, 495 800 liter klapperolie, 11 000 000 K.G. rüst, 91 800 
K.G. suiker, 12 000 K.G. thee. Deze reeks van produkten uit het plantenrijk of 
andere voedingsmiddelen toonen duidelijk aan het lage standpunt der eco- 
nomische ontwikkeling van dit eiland, hetwelk in staat zon zijn een groot 
surplus te leveren. Borneo's achterlijke toestand is enkel een gevolg van zijn 
bevolking. 

Gaan wü thans na, welke produkten Borneo levert voor den wereldhandel. 



Bornoo'8 Westerafd. — Uitvoor in 1904. 




AllTIkK.MN. 



Landen van bestem roipg. 



Getah portjah 
Andere gotah 

Gom elastiek 
Coprah . . 
Rotting . . 
Noten (Pinang) 
Klnppi-r-olio 
Sago, Ruwe 

„ Gezuiverde. 
Tengkawang pitten 

» n »»t. 

Gom kopal . . 



12 88G K G. 
4 400 078 „ 

118 342 „ 
14 793 774 „ 
2 090 988 „ 

1 580 395 „ 

2 367 486 liter 
1 855 023 K.G. 

954 402 „ 



726 580 K.G. 



ƒ 25772 
„4 400 078 

„ 236 684 
„ 2219066 

„ 313648 

„ 237059 

„ 473 197 

„ 111801 

„ 95 440 

„ 89040 

„ 18179 

K 181645 



Singapore (23), Nederl. (2,07 X ƒ 1000) 
Singapore (4 397), Frankrijk (1,2), Neder- 
land (1,0 X ƒ 1000.) 
Singapore. 

Singap. (14191), Frankr. (002 X / 1000) 
Singaporo. 



Frankrijk. 

Nederland (14), Frankrijk (2), Singapore 

(1 X fH'OO.) 
Singap. (153). Nederl. (28 X ƒ 1000.) 



Digitized by Google 



400 



Borneo's Zuidor- en Oosterafd eeling. 



ARTIKELEN. 


Gewicht, 


Waarde. 


Landen vnn hf**tflmmiriï» 

ÜUUMUU «au VWIVUi lij lij . 

-■ 


Getah pertjah. . . 


54 075 K.G. 


/ 109 350 


Singapore (105), Duitschl. (2,4 X ƒ 1000) 


Andere getah. . . 


1 102 804 „ 


„1103 807 


„ „ (1097), Ncderl. (4,7 X/ 1000) 


Oom olaatiek . . . 


814 609 „ 


629218 


- .. (318 X/ 1000) 




1 181 684 , 


„ 177253 


M 1* 




7 949 285 „ 


„ 1 192 886 


m „ (1109), Britsch N. Borneo(52) 








Nederl. (21,5), (DniUchl. 8,3 X ƒ1000.) 


Peper (Witte). . . 


196 686 „ 


„ 98818 


Singapore (97), Noderl. (1,1 X/10OO). 


Eetbare Vogelnestjes 




„ 82380 


» •> 


Gom dammr . . • 


98 478 „ 


„ 39390 


Britaeh Borneo (82), Singap. (7 X / 1 000 ) 


Steenkolen. . . . 


6 840 ton 


„ 126800 


Singapore. 


Petroleum. . . . 


108 613 000 liter. 


„4344520 


BriUch Indië (3667). Singapore (52,4), 








Hongkong (153 X ƒ1000). 


Petroleum-reaido. . 




„ 555 806 


Singapore (425), Hongkong (78), Br. Indië 








(88 X ƒ1000.) 




29 438 K.G. 


„ 29 488 


Singapore. 


Visch. Gftzonten . . 


554 855 „ 


„ 27 784 


» » 



Het overzicht doet ons den hoofduitvoer kennen. De cijfers zijn evenwel 
te laag, doordien de uitvoer naar havens binnen het gebied van den Archipel er niet 
by vermeld staat, een leemte in onze statistieken. In kleine hoeveelheid worden 
nog uitgevoerd getah-bladeren (naar Singapore, welke daar verwerkt werden, 
doch wat later ophield, daar de fabriek gesloten werd), veekoeken, peper, 
goud- en zilverwerk, raatten en matwerk (naar Britsch N. Borneo Voor 
/•55 480), tabak 60960 K.G. (ƒ48768) naar Nederland. 

De scheepvaart op Borneo heeft meest plaats op Pontianak, waar in 1901 
werden uitgeklaard 177 schepen (126 067 M'), Bandjermasin, waar werden uit-' 
geklaard 49 schepen (68 639 M»), Sambas 44 schepen (43174 M»), Balik Papan 
39 schepen (263 071 M'). Naast deze groote vaart staat nog een belangrijke kust- 
vaart met zeil- en stoomschepen, eveneens het belangrijkst in genoemde havens. 

Uit het overzicht blijkt, dat cultures in Borneo nog weinig leveren voor 
den uitvoer. Bijna geheel zijn het boschprodukten. Wel vindt men in de kust- 
gewesten eenige klapperteelt, waardoor, de coprah-uitvoer toeneemt, ook vindt 
men er gambir cultuur, in de Z. en O. afdeeling eenige tabakscultuur, maar deze 
cultures zijn zeer afwisselend in opbrengst en nog onzeker van bestaan. Daar- 
door worden ook nog bijna geen gronden volgens de agrarische wet op Borneo 
uitgegeven aan cultuurondernemingen. Gebrek aan de benoodigde werkkrachten 
is een bezwaar voor de economische ontwikkeling van Borneo. De inboorlingen 
zijn gering in aantal en niet geschikt om als werkkrachten der ondernemingen 
op te treden. Daarom heeft men wel gedacht aan emigratie van Javanen naar 
Borneo, tevens om Java te ontlasten van bevolking. 



Digitized by Google 



401 



Dat Borneo r\jk ia aan nuttige delfstoffen, hebben w\j reeds opgemerkt. Over 
steenkolen hebben wy gesproken I pag. 658—59 en ook over edele metalen 
en andere in I pag. 560 en 561. Sinds onheugelyke tijden delfde men goud in 
de rijken Sambas, Mampawa, Landak, Tajan, Sanggau, Sekadou en Sintang. 
Maar de opbrengsten zyn niet groot meer. In 1894 leverdo Borneo 112 K.G. 
goud, in 1901: 1051 K.G., in 1904: 244 K.G. In 1894 leverde Borneo 2704 
karaat diamant, in 1904 : 723 karaat. 



IV. NADERE BESCHRIJVING DER DEELEN. 
I. Borneo'8 Wester-Afdeeling. 

Het gebied, dat een grooten driehoek vormt met de west- 

waa^gebfed 130 * kust van Borneo a,s Dasis en die de 8 P its neeft in nel midden van 
Borneo, waar Boven-Kapoewas- en Müllergeb. elkander ontmoeten, 

is vereenigd tot Borneo's West er-afdeel ing, die, zooals wy reeds aan- 
duidden, tevens ongeveer met dezelfde grenzen een natuurlijk afgesloten gewest 
vormt Het administratieve gebied omvat als hoofdgedeelte het stroomgebied 
van de Kapoewas en breidt zich in het benedengedeelte aan beide zijden van 
den mond langs de kust nog uit naar het Z. en N., om daar de stroom- 
gebieden van eenige kleinere rivieren er aan te verbinden. De Kapoewas is de 
hartader van het eiland ; zij vormt, gelijk w\j reeds opmerkten, den reusachtigen 
verkeersweg, waarlangs de vreemdelingen het diepst in het land doordrongen, 
en langs deze rivier en haar bystroomen werden ook de Bajak-stammen het 
meest vermaleischt. Langs de Kapoewas ontstonden dientengevolge ook de meeste 
nederzettingen in Borneo. Wy zullen daarom dat stroomgebied nader beschouwen, 
van boven af naar den mond afdalend. 

De bovenloop van de Kapoewas wordt gevormd door de inzinkingsvallei 
(zie II pag. 367 enz.) tusschen het Boven-Kapoewasgeb. in het noorden en het 
Mfüler- en Schwanergeb. in het Zuiden. Er komen in W. Borneo slechts twee 
rivieren van beteekenis voor, die niet op de Kapoewas uitwateren: de Pawan 
in het Z. en de Sambas in het N. De Kapoewas heeft een stroomgebied van 
ifc 95 000 K.M. 1 , ongeveer de oppervlakte van het Rhóne-gebied en een stroom- 
lengte van ± 1300 K.M., nagenoeg 200 K.M. langer dan de Ryn. By gunstigen 
waterstand is zy tot 910K.M. afstand van haar mond, d.i. een weinig boven 
Poetoes-Sibau, voor kleine stoomschepen van op zyn hoogst 6 voet diepgang 
bevaarbaar; met sampans (roeivaartuigen) kan men nog 200K.M. daar boven 
komen, nL tot Pangkalan Djemoeki, terwyi hooger op de rivier als bergstroom 
moet beschouwd worden. 

De Kapoewas ontvangt het water van 22 groote bystroomen, waarvan enkele 
by gunstigen waterstand over een gedeelte van den benedenloop voor kleine 
stoom vaartuigen geschikt zyn, en die alle tot in haar brongebied met sampans 
kunnen bevaren worden. Onder deze bystroomen heeft de M e 1 a w i een groote be- 
teekenis. Zy komt van het Schwanergeb., heeft een stroomgebied van ± 22600 K.M. 3 
II 26 



402 



en mondt by Sintang in de Kapoewas. Zy kan tot boven Nangoeh Pinoeh door 
stoomschepen bevaren worden, hooger op door groote platbodemde vaartuigen 
(daoeb-daoeb en bandoengs. *) De kleine bystroomen der Kapoewas zyn by hon- 
derden te tellen en kunnen ook meest alle bevaren worden met sampans. 
De breedte van den hoofdstroom bedraagt by Poetoes Sibau 208 M. en neemt 
benedenwaarts toe tot 1600 M. by Tajan, op ongeveer 190K.M. van den 
mond. Beneden deze plaats splitst de rivier zich in verscheidene takken; de 
voornaamste zjjn de Djenoe, de Plengoer (die zich weder verdeelt in 
Koeboe en Ambawang) en de Kleine Kapoewas, welke voorby Pon- 
tianak stroomt, waar zij een breedte beeft van 460 M. Deze armen doorstroomen 
het gebied der Kapoewas-delta, die een oppervlakte van 8000 K.M. 1 beslaat. 

Eerst na 1891 is de topographische opneming van dit stroomgebied tot 
stand gekomen, zoodat wy sedert dien tyd dit gebied beter kermen. In het 
brongebied is de Kapoewas-vallei smal en bestaat uit diep ingesneden sleuven 
in het bergland, waardoor het water na korten loop zich in de hoofdrivier ont- 
last. Deze gesteldheid van het terrein is de oorzaak, dat de Boven-Kapoewas 
aan geweldige bandjirs onderhevig is, door de enorme waterhoeveelheid, die 
zelfs na één regenbui aldaar samenvloeit; niet zelden ziet men den waterstand 
der rivier in één uur een vyftal meters ryzen. Benedenwaarts wordt de Ka- 
poewas-vallei breeder, doch het rivierbed blyft nog langen tyd zeer eng, al worden 
de dalwanden minder steil dan in het brongebied. By Loensa trekken de laatste 
uitloopers van het gebergte, die reeds in heuvelland waren overgegaan, zich 
terug, en de rivier begint den middelloop in de moerassige bo v en-Kap oe- 
w as-v lakte, die een breedte van 50K.M. heeft en zich gemiddeld niet meer 
dan 50 M. boven het niveau der zee verheft. Aan den noordkant wordt die vlakte 
begrensd door het westeiyk gedeelte van het Boven-Kapoewasgebergte, een reeks 
als coulissen achter elkander geschaarde smalle ruggen, van diepe ravijnen door- 
sneden, met maagdeiyke wouden bedekt Uit dit gebergte komen onderscheidene 
rivieren, die door de vlakte op de Kapoewas toestroomen. De Embaloeh is 
hier een belangrijke rivier. In het Z. strekt de groote vlakte zich uit tot de 
Madi-keten, de waterscheiding tusschen Kapoewas en MelawL Naar het W. gaat 
de Boven-Kapoewasvlakte over in een typisch landschap, dat onder den naam 
Dan au- of merengebied bekend staat. 

Dit gebied der Boven-Kapoewas wordt bewoond door tairyke stammen der 
Dajaks. De erkenning van het Gouvernement door de Boven-Kapoewas-staminen 
dagteekent van 1855, toen voor het eerst een regeerings-ambtenaar de rivier 
opvoer tot Poetoes Sibau; de Kajan- en Taman-stammen moeten by die gelegen- 
heid verzocht hebben onderdanen van het Ned. Gouvernement te worden. Toch 
moest het land nog geheel aan zich zelf worden overgelaten, mede door de 
onrust verder benedenwaarts aan de Kapoewas, en eerst nadat op het initiatief 
van den resident S. W. Tromp het land nader onderzocht was, werd Poetoes- 
Sibau in 1895 de standplaats van een controleur, en sedert werd een hoofde- 



1) Zio over de Melawi P. C. tan der Willigen, die in 1894 een groot deel bevaren 
heeft, ia het Tijdschr. K. Ned. A. Gen. XV. 



Digitized by Google 



403 



UJke belasting ingevoord, waardoor de Dajaks het besef verkregen, onderdanen 
te zyn van bet Gouvernement. 

De uiterste nederzetting der Maleiers aan de Eapoewas is te Poetoes 
Sibau gevestigd op de plaats, waar de Sibau van het N. in de Kapoewas uit- 
mondt. Poetoes Sibau, sedert 1895 de standplaats van een Controleur, wordt 
bewoond door een vijftigtal Maleische gezinnen, die hun bestaan vinden in de in- 
zameling van boschprodukten. Hoewel by hoogen waterstand het mogeiyk is tot den 
Mendalam-mond de rivier met kleine stoombooten op te varen, gaan deze gewoonlijk 
toch niet verder dan tot Poetoes Sibau. Hooger op vindt men enkel Dajaksche 
nederzettingen, en de Dajaks weten met hun platbodemde vaartuigen, „boengs" 
en „aroks", die zy door pagaaien met handigheid voortstuwen, de stroomver- 
snellingen van de bovenrivier nog te passeeren. Doch deze „boengs" HJden by 
een tocht niet zelden zoo zeer, dat zy daarna onbruikbaar zyn. De Kajans aan 
de Mendalam maken hier de best bruikbare boengs. 

Beneden Poetoes Sibau, waar dè middelloop aanvangt, vervolgt de Kapoewas 
als een echte rivier met grillige bochten, die na langen omweg elkander soms tot op 
weinige meters naderen, haar tocht, door vlak, drassig terrein, dat in den regentijd 
dikwyis geheel overstroomd wordt De waterstand is zeer afwisselend; zelfs by 
Sintang kan het verschil tusschen hoog en laag water tot 16 M. bedragen. Tal 
van doode rivierloopen wyzen op een gedurige verplaatsing der bedding; velo 
van deze hebben het karakter van kleine meren aangenomen. De oevers zyn 
nog geheel met oerwoud bezet, alleen hier en daar afgebroken door kleine be- 
bouwde streken van 200 M. breedte, waarvan de oogsten dikwyis mislukken 
door den afwisselenden waterstand. Enkele kleine Dajak-vestigingen vindt men 
langs de rivier. Langs de Mand ai, een by stroom uit het zuiden, woont nog 
een betrekkeiyk dichte bevolking. In de dichte oerwouden der Embaloeh- 
rivier, uit het N., vindt men de beste getah- en rotan-soorten. 

Vervolgens ziet men aan de Kapoewas de onoogeiyke nederzetting Boe- 
noet, de hoofdplaats van een leenstaatje van dien naam, waar tevens de eenige 
Chineesche kolonie aan de boven-Kapoewas gevestigd is. Deze plaats werd in 
1815 gesticht door vermaleischte Dajaks. Ook langs de Boenoet-rivier, die hier 
uitmondt van het Z., vindt men onderscheidene armoedige nederzettingen der 
Boonoet-Maleiers, die hier en daar nog op Dajaksche wjjze met vele gezinnen 
in één huis wonen. 

De rivier volgend komen wy aan het genoemde merengebied, dat een opper- 
vlakte heeft van 1250 K.M.*, ongeveer als de provincie Utrecht, ten N. van de 
rivier gelegen. Door Wing Easton is de veronderstelling uitgesproken, dat 
deze meren hun ontstaan zouden hebben te danken aan de slechte afwatering der 
Kapoewas, misschien in verband daarmede, dat de Kapoewas in den Kryttyd 
haar monding hier langs had naar Noord-Borneo, zooals vermoed wordt. Ten 
Z. der rivier is het terrein meer heuvelachtig. Langs de vervallen, armoedige 
nederzetting Djongkong, een Maleische negerie, komt men te Selimbau, 
met ± 1200 inw., waar oud-Tertiaire kolen, vooral in het vlakke land ten Z. 
der S. Teroes, op primitieve wyze worden ontgonnen in putten tot ±5M. diep, 
en die vooral aan het gouvernements-inkooppakhuis te Sintang geleverd worden. 



404 



Waar de S. Melawi (zie pag. 401), die in den bovenloop uit oerwouden 
komt, door zwervende Poenans bewoond, zich met de Kapoewas vereenigt, ligt 
de nederzetting Sin tang, de hoofdplaats van het Sintangsche ryk, in 1855 
gebouwd op een betrekkelijk smalle strook heuvelland, welke in vroeger tijden 
grootendeels door Chineezen voor goudgraven werd geëxploiteerd. De plaats 
wordt door de beide breede rivieren in drie deelen gescheiden: het zoogenaamd 
etablissement of Europeesch gedeelte aan de rechterzijde der Melawimonding, 
de Chineesche wyk aan haar linkerzijde en eindebjk de residentie van den Vorst 
aan den rechteroever der Kapoewas. Juist op den hoek van de landtong tus* 
schen beide rivieren is een redoute gebouwd tegen een binnenlandschen vijand, 
tevens huisvesting van het garnizoen. In het Europeesche gedeelte liggen nette 
officierswoningen, het huis van den assistent-resident met een sierlijk aangelegd 
park er voor, een bureau, de woning van den militairen commandant en eenige 
kleine Europeesche woningen, Inlandsche woningen, gouvernementspakhuis enz. 
De bevolking wordt geschat op 3660 personen, waarvan 13 Europ., 3076 Inl., 
553 Chin. en 20 Arabieren. Hoewel de bevolking gering is, geeft de ligging 
aan de samenkomst van tweo belangrijke rivieren Sintang groot belang uit handels- 
en politiek oogpunt. Van hier uit is het mogelijk uitgestrekte landstreken ge- 
heel te beheerschen, en kleine politieke verwikkelingen met betrekkelijk geringe 
middelen spoedig tot een goede oplossing te brengen. Dat de handelsbeweging 
van Sintang veel belang heeft, zoowel door den aanvoer van levensmiddelen, 
lijnwaden en krameryen, als den afvoer der boschprodukten, blijkt uit het druk 
stoombooten- en prauwenverkeer, dat van hier met Pontianak plaats heeft 

De Dajaksche bevolking van het Melawi-gebied bestaat uit een groote ver- 
scheidenheid van stammen, die in voorkomen, taal en zeden veel verschillen. 
Hun aantal schatte Enthoven in 1894 op 25 000. Over 't geheel bestaat bU 
hen endogamie (huwelijk binnen den stem; zie I pag. 355), doch alleen in het 
bovenstroomgebied wordt die streng toegepast. Tot voor weinige jaren snelden 
nog alle stammen; vooral werd gesneld bij de grensstammen, zelden by de 
Maleiers. Doch onder het Nederlandsen gouvernement werden de sneltochten 
meest onderdrukt. Aan de Melawi ligt Nangah Pinoh by de samenvloeiing 
van Melawi en Pinoh, een Maleische kampong met een Chineesche wyk, op 
welke plaats de handel van dit gebied geconcentreerd is. Alleen tydens den af- 
voer van produkten is er eenige levendigheid in de Chineesche wyk. 

Beneden Sintang wordt de Kapoewas breeder, afwisselend van 300—700 M. 
en nog meer, soms byna 1000 M. De hoogste waterstanden der rivier vallen 
van hier tot Tajan in de maanden November, December en Januari, de laagste 
in Juli, Aug. en Sept., terwyi van Febr. tot en met Juni de gemiddelde stand 
gevonden wordt. 

De rivier, meest tusschen moerassige oevers door jong hout en lianen be- 
groeid, welker vegetatie door den ladangbouw het oerwoud heeft vervangen, 
met betrekkelijk weinig nederzettingen langs de rivier, heeft daardoor iets een- 
tonigs in haar omgeving, welke alleen hier en daar wordt afgebroken, waar 
berg- en heuvelruggen tot naby de rivier doordringen. By gemiddelden water- 
stand is de Kapoewas hier bevaarbaar voor schepen van 10 voet diepgang, 



Digitized by Google 



405 



met goede loodsen zelfs tot 12 voet. Zware regenbuien met hevige windvlagen 
kunnen soms een krachtige golfvorming in het water tengevolge hebben, zoodat 
de rivier voor roeivaartuigen er gevaariyk wordt. Stoomschepen hebben er, vooral 
by nachteUjke vaart, veel te kampen met drijfhout, waarvan de groote stammen 
hun wortels niet zelden vastzetten in den bodem der rivier. In den midden- 
loop der rivier maakt men het meest gebruik van twee typen van inlandsche 
vaartuigen: de lichte sampan, die zoowel geschikt is tot het vervoeren van 
personen en kleine vrachten langs rivieren met weinig gevaren in de bedding 
als voor reizen langs waterwegen met kleine watervallen, en het groote en 
zware laadvaartuig. Langs het rykje Sekadau, met oude goudmijnen door 
Chineezen bewerkt, en het ryk Sanggau, welks Sanggau -Maloiers bekend 
staan als sober, eerlijk en zedeiyk, maar ook buitenmate dom en lui, loopt de 
stroom voorby de nederzetting Sanggau met 2270 inw., waarvan 140 Chin. 
en de overigen Inlanders. Vervolgens langs Tajan, 1640 inw., waarvan 300 
Chin., de hoofdplaats van het r\jk van dien naam, aan den rechteroever, en 
de verblijfplaats van den Controleur. 

De Kapoewas loopt van Tajan naar Soeka Lanting, waar de rivier zich 
splitst by de delta, en verder loopt de Kapoewas Ketjil of Kleine Ka- 
poewas langs Pontianak naar zee. Dit is de voornaamste waterweg voor de 
binnenvaart van West-Borneo en voor de gemeenschap met Singapore. 

De rivier stroomt tusschen lage, vlakke, meestal drassige oevers veelal roet 
laag hout en struikgewas bedekt, dat dichter by Pontianak plaats maakt voor 
vrü uitgestrekte padivelden, hior en daar met suikerrietaanplantingen en sirih» 
tuinen, terwyi er ook sagotuinen aan de oevers worden gevonden. De oevers 
worden hier meer bewoond door nederzettingen van Maleische en Chineesche 
bevolking, die vooral in sagobereiding een middel van bestaan heeft. 

By Pontianak neemt de breedte der rivier toe van 400 tot 600 M., ver- 
wydt zich vervolgens tot 1200 M., totdat het lange eilandje P. Pandjong in den 
mond het water weer splitst. De vaargeul loopt ten N. hier langs in zee, ongeveer 
800 M. breed, waar de reede van Pontianak éen breede inham vormt. 

De hoofdtak der Kapoewas gaat van Soeka Lanting westwaarts onder den 
naam Poengoer Bes ar en ontlast een groot deel van het Kapoewas-afvoer- 
water door vier delta-armen in zee. Door de modderbanken, die vóór deze mon- 
dingen liggen met slechts een paar voet water, zyn zy voor de scheepvaart zoo 
goed als onbruikbaar. Alleen visscbersschepen kunnen by goed weder er in- 
en uitloopen. Van dezen tak scheidt echter zich by Tandjong ülak-Olak eenzy- 
arm af, de Koeboe-rivier, die naar het zuiden loopt en in de Padang- 
Tikar-baai uitmondt. Hoewel die mond van de Kleine Kapoewas langs 
Pontianak de kortste verbinding van die stad met de zee is, wordt toch voor 
diepgaande schepen de omweg langs de Koeboe-rivier gekozen. 

Als men de Kapoewas naar haar natuuriyk rivierkarakter in de onder- 
scheidene doelen nader beschouwt, biykt, dat zy aan het normale type, waarby 
bovenloop, middelloop en benedenloop geregeld op elkander volgen, niet beant- 
woordt Na een korten benedenloop volgt in de Boven-Kapoewasvlakte roods 
een pseudo-benedenloop, waar geen verval is en de stroomverdeelingen als in 



406 



de laagvlakte plaats vinden; daarop volgt een middenloop door het Semitau- 
heuvelland met steilen oever, grooter verval (hoewel nog altijd gering) en geen 
stroomverleggingen, en beneden Tajan gaat de rivier geleidelik in den echten 
benedenloop over. Naar dien toestand noemt Molengraaff de Kapoewas een 
echte „Durchbruchsfluss", welke van de boven-Kapoewasvlakte naar het westen 
vloeide, toen die nog hooger lag dan het Semitau-heuvelland, maar nadat de 
Kapoewasvlakte daalde, kon de rivier door dieper gaande erosie toch haar weg 
door het heuvelland behouden. De typische, vooruitgeschoven delta aan den mond 
is merkwaardig, omdat de andere rivieren aan de westkust geen delta vormen. 

Wij willen thans in gedachten oen bezoek brengen aan Pon- 
Ponti • tianak. Van de kust volgen wij met een stoomer der Paketvaart- 
maatschappv) den wel langeren doch zekerder weg over de Kleine Koeboe, de 
Terentang, en varen dan de noordelijken arm der Kapoewas af om Pontianak te 
bereiken. Deze weg levert een interessante vaart op te midden van maagdelijke 
wouden, waar de diepe stilte enkel wordt afgebroken door 't eentonig gerucht 
der machine, waar het oog alleen gebonden wordt door de breede, kalme rivier 
en de ondoordringbare wildernis, die de alluviale gronden aan de oevers be- 
dekt. Eindelijk nadert men Pontianak. Statig gaat de vaart verder tusschen de 
dichtbevolkte oevers met de Maleische en Chineesche wijken, en vriendehjk 
is de aanblik der Europeesche nederzetting. De vaart hierheen kan echter niet 
zelden nog zeer veel oponthoud geven door de modderbanken der rivier. 
Zoo bereiken wü de eigenlijke hoofdnederzetting. 

Pontianak maakt door de vele slootjes, welke de plaats doorsnijden, en do 
daardoor onontbeerlijke bruggetjes, in enkele opzichten meer een Hollandschen 
dan een Indischen indruk. Die slooten waren noodig bij de vestiging om den 
slappen, sponsachtigen bodem droog te leggen. Vooral de aanwezigheid van mooi 
kiezelgrint op de wegen geeft deze een frisch en zindelijk aanzien, wat de over- 
eenkomst verhoogt De wegen in bet Europeesch gedeelte zijn echter zeer smal 
en niet op het gebruik van voertuigen ingericht. De slooten en de lage ligging, 
zoodat de erven der woningen veelal lager liggen dan het vloedpeil der rivier, 
en dus van tijd tot tijd onderloopen, maken Pontianak tot een echt waterland, 
waar kikkers gezellig verkeeren, wat nog te meer aan Hollandsche plaateen 
herinnert. Doch hiermede houdt de vergeüjking ook op. 

De huizen te Pontianak zijn alle op palen boven den grond gebouwd, de 
gouvernementsgebouwen op steenen neuten. De woningen der Inlandsche be- 
volking in de buitenwijken staan meerendeels op wildhouten palen en ztyn 
verder van bamboe of lichte materialen, met een dakbedekking van atap, sirap, 
ook wel van ijzer of zink. Het Chineesche kamp in het oostelijk eind der 
plaats, waarvan een deel in de rivier is uitgebouwd, zoodat woonhuizen en 
pakhuizen er op hooge palen boven het water staan en de straten door 
plankieren van ijzerhout gevormd worden, bestaat overigens uit een goed onder- 
houden, breeden weg met aan weerszijden aaneengesloten rijen kleine toko's 
en woonhuizen. De doorloopende voorgalerij dient hierbij tevens tot uitstalling 
der handelswaren. Van de hoofdstraat voeren tal van dwarsstegen, meerendeels 



Digitized by Googl 



407 



plankieren op hooge palen, naar een onnoemeÜJk aantal gangetjes met slooten 
en bruggetjes, welke toegang geven tot Chineesche woningen en pakhuizen. Dit 
Chineesche labyrinth met altijd bedry vige drukte vormt een scherp contrast met 
de kalme leegte der Europeesche buurten. 

De Inlandsche hoofdplaats, op de landtong van do Kapoewas en Landak- 
rivier, bestaat uit een uiterUjk goed onderhouden, ruime missigit op een klein 
eilandje aan die landtong en daarachter, door een lange houten brug er mede 
verbonden, verrast het sultansverbiyf, omringd door een gedeeltelik vervallen 
yzerhouten palissadeering, waarachter nog een steenen muur gevonden wordt, 
die het eigenUJk palels omsluit De indruk van dat vorstenverblijf is geenszins 
grootsch; het bestaat uit een houten woning met verdieping, waarvoor een 
ruime, overdekte pendoppo, die tot een soort van ontvangzaal toegang verleent 
Daarachter bevindt zich het eigenlijke woonhuis met de vrouwenvertrekken. 
Het geheel is zeer eenvoudig. 

De grootwaardigheidsbekleeders en familieleden van den vorst wonen in 
houten huizen, voor een deel binnen, voor een deel buiten de palissadeering. 
De eigeniyke inlandsche bevolking, bestaande uit Maleiers, Arabieren en Boe- 
gineezen, heeft meerendeels armoedige woningen op de landtong. Daar het ge- 
heele terrein van den sultan laag is en by vloed ook gedeeltelijk onder water 
loopt zyn alle woningen op palen gebouwd, en zyn de kreeken naby het sultans- 
verbiyf van yzerhouten plankieren voorzien. 

De bevolking van Pontianak bestond in 1900 uit 21 817 zielen, waarvan 
15 600 Inlanders (Javanen, Haleiers, Boegineezen enz.), 5985 Chineezen, 314 
Arabieren. De gezondheidstoestand wordt er goed geacht; de overvloedige regens, 
zonder een bepaald droog jaargetyde, de getydenstroomen in de kanalen, welke de 
onreinheden wegvoeren en de frissche zeewinden over dag, waardoor er, hoewel 
naby den evenaar, geen buitengewoon hooge temperatuur heerscht (gemiddeld 
± 26,5° C.) dit alles werkt samen om den gezondheidstoestand bevredigend te 
doen bUjven. Daar muskieten er weinig vertegenwoordigd zyn, komt malaria 
er niet veel voor. Een nadeel der stad is het gebrek aan goed drinkwater; de 
Inlanders behelpen zich met het water der rivier, en de Europeanen gebruiken 
meest regenwater. 

De bevolking van Pontianak en omstreken vindt een der hoofdmiddelen 
van bestaan in de klapperteelt, die in deze streek bloeit. De Chineezen koopen 
veelal de natte klappers op en verwerken die tot coprah voor de markt. Sommige 
eigenaren van klappertuinen hebben contracten voor levering der coprah aan de 
twee oliefabrieken te Pontianak. Verder vindt men er houtzagery, sago-cultuur, 
vischvangst. De Inlandsche ny verheid heeft weinig te beteekenen ; alleen worden 
door Maleische vrouwen katoenen en zyden kaïns geweven. De grondstoffen 
hiervoor : garen, zyde, goud- en zilverdraad, worden van Java en Singapore aan- 
gevoerd. Het batikken wordt aan de westkust in 't geheel niet uitgeoefend; 
batiks worden ingevoerd van Java. Vroeger was het diamantsUjpen niet onbe- 
langryk ; thans kwynt die industrie, en ook de goud- en zilversmeedkunst heeft 
weinig te beteekenen. De Chineezen oefenen nog de scheepsbouw uit alsbedryf 
te Kampoeng Baroe, waar de meeste schepen voor de binnenlandsche vaart 



408 



maar ook kleine zeeschepen voor de vaart op Singapore worden gemaakt. 
De in- en uitvoerhandel is bijna geheel in handen van de Chineezen, die hun 
waren grootendeels uit Singapore ontbieden en daarheen exporteeren. Zij staan 
moestal in betrekking met groothandelaren uit die stad, welke hen ook met 
kapitaal steunen. De handel op Batavia beteekent nog niet veel. Door de ligging 
is Pontianak de hoofdhandelsstad van het Kapoewasgebied, en hangt haar be- 
teekenis af van de ontwikkeling van dit achterland. Als dit eenmaal voor goed 
in den kring van het economisch leven getrokken wordt, gaat Pontianak een 
grootsche toekomst tegemoet. 

II. Het kust- Ten N. van de beneden- Kapoe was vindt men een der dichtst* 
gebied ten N. bevolkte gedeelten van Borneo; het land is met een groot aantal 
derKapoewas. kleine Maleische en Chineesche nederzettingen overdekt, die ver- 
eenigd zijn tot landschappen met Inlandsen zelfbestuur en door het Ned. Gou- 
vernement als afdeelingen administratief zijn ingedeeld. Langs de westkust vindt 
men hier de landschappen Sambas in het N. en Mampawa en het Z., welk 
laatste aan Pontianak grenst. Verder naar het binnenland liggen Landak 
en Sanggau. 

De kust ten N. van den Kapoewas-mond tot Kaap Datoe in het N., 
het grenspunt van de Nederl. bezitting, waar het gebergte in zee uitsteekt, is 
over 't geheel laag, veelal met rhizophoren begroeid. Onderscheidene rivieren 
monden hier in zee uit, waarvan de Sam bas-rivier de belangrijkste is; 
verder zuidelijk noemen wij nog de Mampawa. De geheele kust is zeer 
schaars bewoond, vooral het gedeelte ten N. der Sambas-rivier, waar enkel 
hier en daar eenige visschershutten gevonden worden, maar men verder geen 
sporen van menschehjk leven aantreft. Naar het N. gaande bereiken wij eerst 
de Mampaw a-rivier, welke bij hoogwater kan worden opgevaren tot de Chi- 
neesche kampong Mentidoeng door vaartuigen van op zijn hoogst 5 voet 
diep. Ongeveer 7 K.M stroomopwaarts ligt de Maleische kampong Mampawa, 
thans met ruim 300 zielen, vroeger een levendig handelsplaatsje, door Engelschen 
en Portugeezen veel bezocht, dat tegenwoordig onbeduidend ia. 

Verder N. ziet men op een afstand van ruim 21 K.M. uit de kust de groep 
der kleine Boering-eil., welke veelal als steile rotsen uit zee oprijzen, zwaar 
met bosch begroeid. Vervolgens op Borneo's kust Singkawang, een neder- 
zetting dicht bü zee, over een riviertje van dien naam, standplaats van een 
controleur, een gecommitteerde van den Sultan van Sambas en een kapitein 
der Chineezen; een benting met ±125 man. In 1904 werden hier 39 zeil- 
schepen uitgeklaard. Een vrij goede weg loopt van hier landwaarts naar Mon- 
trado, dat vroeger belangrijk was door den mijnbouw, met vooral Chineesche 
bevolking, doch sterk achteruitgegaan is. 

Vervolgens op ±l'/ 4 °N.Br. valt de breede mond van de Sambas-rivier 
in het oog, die over 90 K.M. van 2—5 vadem diep is en in den benedenloop 
omringd wordt door een moerassige wildernis met boomen van groote hoogte 
er tusschen. Nabij de rivier ligt Sambas, een nederzetting met 11089 zielen, 
waarvan 10000 Maleiers en 750 Chineezen, 244 Arab. en 16 Europ, de stand- 



409 



plaats van den Assistent-resident. Sambas is op dezelfde wijze gebouwd als 
Pontianak. De vrij groote niissigit en de dalem van den sultan zijn eenvoudige 
houten gebouwen. Het Nederlandsche etablissement met residentiehuis, bureau 
enz. ligt een half uur gaans lager aan de rivier en wordt beschermd door een 
fort, met een bezetting van ±75 man. De Maleische en Chineesche kampongs 
zien er armoedig uit 

Ten N. van Sambas wonen meest Dajaks, doch dat gedeelte des lands is 
uiterst dun bevolkt. Sedert de mijnbouw verminderd is, heeft de bevolking van 
het binnenland de belangrijkste bron van bestaan verloren. 

Tusschen Billiton en Z.W. Borneo ligt de Straat van 

] ? j jj» west- 

kust' van Bor- Karimata, de aangewezen weg voor schepen van Str. Bali of 



> ten Zuiden Oost-Java naar Singapore en naar de Chineesche Zee. Daardoor is de 
van de Kapoe- straat voor het internationaal verkeer van niet minder beteekenis 
dan de Banka- en Gasparstraten. Hoewel blinde klippen meteen 
bodem van steen en koraal hier en daar steil uit de diepte rijzen en de invloed 
der onzekere stroomen, zooals men die meestal tusschen twee groote zeeOn 
vindt, vele gevaren met zich brengt, is toch Straat Karimata een zeer goed 
bruikbare passage, die door een groot aantal stoomschepen bevaren wordt. Kust- 
vaart is er echter weinig; zelfs de bekende Makassaarsche handelsprauwen, die 
zoo vele afgelegen oorden in den Archipel bezoeken, vindt men hier niet veel. 
De eenige vaartuigen, welke de kusten aandoen, zijn de stoomers der Billiton- 
Maatschappij, de stoomschepen der Kon. Paketv. Maatschappij, enkele stoom- 
scheepje8 onder Engelsche vlag, uitgerust door Chineesche handelaars en van 
tijd tot tijd een zeilschip, dat een gouvernementslading zout naar de voornaamste 
kustplaatsen overbrengt. 

De zeebodem bestaat aan de oostzijde van het vaarwater langs den Borneo- 
wal meest uit modder of een ondiepe sujkvlakte, die zich ver in zee, tot voorbij 
de Karimata-eil., uitstrekt. De Kapoewasrivier levert het meeste materiaal voor 
die aanslibbing, doch ook de overige rivieren dragen er het hunne toe bij. Ten 
Z. van de Kendawanganrivier wordt de modder minder en heeft do bodem een 
meer zandig karakter, evenals ten O. van Billiton. 

In de Karimata-straat ligt de groep der Kar imata-ei landen, een 60- 
tal, deels door armoedige visschers bewoonde, deels onbewoonde eilandjes. Zy 
zijn meestal rotsachtig, met een dikke humuslaag overdekt en met weelderigen 
plantengroei. Het eilandje Karimata heeft hooge, kratervormige toppen, waar 
de plantengroei in de hoogere gedeelten verdwijnt; de bouw wijst op een vul- 
kanische vorming, met warme bronnen in het westen. In deze straat staat de 
Z.O. moessonpassaat met meer kracht en bestendigheid door dan de N.W. moesson, 
en de kentering van N.W. tot Z. O. heeft het snelst plaats. 

Die verschijnselen wijzen er op, dat de Z.O. wind (Z.O. passaat) door 
de ligging de meest heerschende wind is ; alleen door den beperkten Australischen 
moesson wordt die tijdelijk afgebroken. De Z.O. moesson is hier gekenmerkt 
door langdurig droog, vast weer en met eigenaardige grijze nevelwolken aan 
den horizon, die dichter worden, als de wind in kracht toeneemt, terwijl het 



410 



zeevlak door reflectie een lichtblauwe melkkleur aanneemt, de „Tongara poetüV' 
of witte zuidooster, zooals de bewoners van Borneo's westkust dit weer noemen. 

De westkust van Borneo ten Z. der Kapoewaa is over 't geheel laag en 
moerassig. De rivieren, welke in dit gedeelte in zee monden, zijn aan de monden 
met zand- en modderbanken bezet, zoodat zelfs weinig diepgaande schepen ze 
alleen by hoogwater kunnen binnenvaren. De rivieren hebben een korten loop. Be 
halve de vele monden der Kapoewaa vindt zijn hier de belangrijkste: de Sim- 
pang, de Pa wan, de Pesagoean en de Kendawangan. De kust is 
schaars bevolkt; alleen Soekadana met i 1200 zielen, heeft als nederzetting 
eenige beteekenis. Soekadana is de hoofdplaats van het rijk van dien naam, 
waar een Controleur is gevestigd en een klein fort. 

II. Borneo's Zuider- en Ooster-afdeeling. 

Borneo's Zuid- zuidelyk gedeelte van Borneo hebben wy als een groot 

kust De rivie- natuuriyk gebied loeren beschouwen (II pag. 366), dat de zuide- 
na ' UJke helling van Centraal-Borneo omvat met den broeden aan go- 

slibden kustzoom. 

Doch terwijl West-Borneo hoofdzakelijk gegroepeord is tot of om het Ka- 
poewas-gebied, en deze rivier het geheele gebied beheerscht, wordt Zuid-Borneo 
door tal van evenwijdig loopende, lange rivieren doorsneden, die van het W. 
naar het O. in beteekenis toenemen. De grootste van deze is de Barito, welke 
ook hier de belangrijkste is voor de nederzettingen. 

Van Hoek-Sambar in het Z.W. tot de Barito-rivier heeft de zuidkust van 
Borneo overal hetzelfde eentonig uiterlijk. De lage, moerassige kust, nog om- 
zoomd door een bank van modder en klei, op enkele plaatsen met zand en 
koraal, is overal dicht begroeid met mangrove-formatie, meestal lage boschage, 
te midden waarvan hooger geboomte de monden der rivieren aanwijst. Ook dieper 
in het binnenland zet zich het moerassige laagland der kust tot op uren af- 
stands voort. Ten O. der Barito is de kust wel eveneens laag en dicht begroeid, 
doch op korten afstand van de kust verheffen zich hier in het gebied van Marta- 
poera reeds de toppen van het lage gebergte. 

De meeste der talrijke rivieren van Zuid-Borneo komen in een richting 
van N.W.- Z.O. uit het Schwanergeb., om in den benedenloop geheel een zuide- 
lijke richting aan te nemen. De belangrijkste zijn van het W. af: Kota Wa- 
ringin, de Pemboeang, de Sampit, de Mendawei, in den bovenloop 
Katingan, de Kahajan of Groote Daj ak-ri vier, de Eapoewas Moe- 
roeng of Kleine Dajak-rivier en de Barito of Bandjar. 

Het aantal rivieren is veel grooter, dan wij genoemd hebben. In het oog- 
vallend is dat deze rivieren op korten afstand evenwijdig van elkander loopen ; 
daardoor kondon hun stroomgebieden terzijde weinig uitbreiding verkrijgen. 
Dit wijst op een gelijkmatige helling des terreins. De meeste uitbreiding van 
het stroomgebied naar één kant heeft de Barito, de oostelijkste naar het Z. 
loopende rivier, die van de berg- en heuvelrü ten O. vele zijrivieren ontvangt. 
Schwaner heeft een karakteristiek gegeven van de onderscheidene doelen van 
den loop dezer rivieren in Zuid-Borneo. Hy noemt „bovenloop" het gedeelte van 



Digitized by Gc 



411 



de bron tot aan de intrede der rivier in do alluviale, lage landen, en zegt, 
dat dit gedeelte wordt gekenmerkt door menigvuldige kronkelingen en onregel- 
matigheden van het verloop, door watervallen en rolsteenen in de bedding, in 
't byzonder door uit rolsteenen bestaande banken en eilanden. Gedurende den 
middelloop kronkelt de rivier door lage landen en het ontbreken van eilanden 
is een kenmerkende eigenschap van den middelloop. Tot den benedenloop wordt 
verder gerekend het gedeelte, waar de invloed van vloed en eb bemerkbaar 
is, en ook hier komen weer de eilanden voor. Hoewel deze indeeling eenlgs- 
zins afwijkt van de gewone onderscheiding in boven-, middel* en benedenloop, 
is zü op Zuid-Borneo, waarvoor zy werd opgesteld, goed toe te passen, zooals 
ook Molengraaff vond. Een scherpe grens tusschen boven- en middelloop 
bestaat er echter niet; de hoogte by den aanvang van den middelloop is ook 
gering, by de Katingan niet meer dan 38 M., en daardoor heeft de middelloop 
reeds eenigszins het karakter van den benedonloop, zoodat ook hier de grens 
niet scherp is en men enkel de vloed verschynselen daarvoor aanneemt 

Aan de monden dezer wateren heeft sterke aanslibbing plaats, waardoor 
de rivieren met onderscheidene mondingen in zee stroomen. Toch is hetopmer- 
keiyk, dat de karakteristieke, uitgebouwde delta's aan de zuidkust niet gevonden 
worden. De Barito, de Kapoewas Moeroeng en de Kahajan sluiten wel een 
soort deltaland in, doch dit steekt niet in zee uit, en is alleen gevormd door 
herhaaldelijke etroomverlegging dezer rivieren, vooral van de Barito, in den 
benedenloop. Molengraaff zegt, dat de voorwaarden voor delta-vorming aan 
de zuidkust van Bomeo ongunstig schynen te zyn, wat vermoedelijk moot 
worden toegeschreven aan de sterke zeestroomingen, die hier gedurende het go- 
heele jaar, hetzy in oostelyke, hetzy in westeujke richting, evenwydig met de 
kust loopen, terwyi hy vermoedt, dat de zwakke positieve strandverschui- 
vingen er ook het hunne toe bydroegen. De ombuiging der riviermonden naar 
het W., by Java bosproken (II pag. 113), vindt men hier niet. Doch wel is het 
een feit, dat vele riviermonden ondiep zyn door modderbanken. 

Gaan wy thans de nederzettingen aan de zuidkust na. 

In het W. ligt het leenroerig rijk Kotaringin of Kota 
Nederzettin- Waringin, (het Ned. Gouvernement heeft het recht opdemyn- 
gen * concession) met een bevolking, die op 30000 zielen geschat wordt, 

meest bestaande uit D a j a k s , verder uit M a 1 e i e r s en voor een kleiner aantal 
uit Javanen, Boegineezen en Arabieren, die zich meestal tydeiyk hier 
ophouden, alsmede een klein aantal Chineezen. De Cbineezen, in 1845 hier 
ontboden voor de goudontginning, houden zich ook met landbouw, handel en hand- 
werken bezig. De Maleiers zyn hier gevestigd sedert het begin der 17de eeuw ; 
zy zyn sterk vermengd met Javanen en bewonen de benedenlanden (Zie pag. 376). 
De handel is gering. Aan de Sampit- rivier, ongeveer 45 K.M. stroomopwaarts, 
ligt de kampoeng Sampit, standplaats van een controleur. 

De Mendawet- of Katingan-rivier werd door Molengraaff by zyn terug- 
keer uit Centraal-Borneo tot den mond bevaren. Men vindt slechts kleine, on- 
beduidende kampongs aan deze rivier. De grootste en welvaroudste is Ka- 



412 

s o en ga n, welks districtshoofd een christen is. Een kleine school staat naast 
zyn woning, waar de goeroe (inl. onderwijzer) onderwijs geeft. Deze school is 
gesticht door de Rynsche missie. 

De Kahajan of Groote Dajak-rivier is goed bevaarbaar voorschepen 
van 9 a 10 voet diepgang altyd tot Pahandoet, een kampong aan den rechter- 
oever, 144 K.M. van den mond, op ± 2° 28' Z.Br. Schepen der gouvernements- 
marine kunnen de Kahajan in den regel tot kampong Toejoen op 1° 2C Z.Br. 
opstoomen en alleen bij hoogen waterstand den tocht tot Eoeala Koeroon 
op l°4'Z.Br. voortzetten. 



DeBarlto haar ^ e " v i er ' 8 <- e Barito ook Baritoe, Bandjar 

stroomgebied of Rivier van Bandjermasin genoemd, een stroom, die in 
cnnederzettin- lengte den Ityn overtreft, en met een stroomgebied, zegt Prof. 
gen * Kan, van ongeveer 3 x Nederland. Zy ontstaat in het Schwanergeb. 

uit de samenvloeiing van twee stroomen: de Belatoeng en de Moeroeng, 
waarvan de eerste ontspringt op den G. Batoe Lesoeng en de laatste . op den 
G. Batoe Ajau. Zy stroomt eerst zuidwaarts, gaat als een echt wilde rivier met 
veel scherp geteekende, kronkelende bochten oostwaarts, maar door een berg- 
keten, die zuidwaarts loopt, wordt zy vervolgens naar het Z. gedrongen, om 
ten westen van deze keten die richting te volgen tot den mond, en de vele 
atwatering8stroomen van de W. belling van genoemde bergketen op te nemen, 
die dwars in de Barito vallen. Eerst stroomt zy nog met veel kronkelingen 
door de heuvelachtige Doesoenlanden, doch op 2° Z.Br. verminderen die scherpe 
bochten, en met een breeden, trechtervormigen mond stort zy zich in zee, zonder 
een delta te vormen. De baai van den mond heeft in de geul, die toegang geeft 
tot de rivier, by laag water 6'/, voet diepte, by hoog water ongeveer 6 voet 
meer. Boven de hoofdstad kunnen schepen met 7 1 /, voet diepgang by den West- 
moesson in den regel de rivier opstoomen tot Moeara Teweh op ongoveor 1° Z.Br. 
en zelfs hooger, in den Oostmoesson veelal niet verder dan tot de Batoeh Dedeh, 
een zandbank by de uitwatering der Soengei Montalat, een linker zytak, welke 
de drempel van de Boven-Barito zou genoemd kunnen worden. Op deze droogte 
bhjft by den Oostmoesson dikwijls niet meer dan 1 voet water staan, zoodat 
alleen zeer kleine prauwen er kunnen passeeren en Moeara Teweh dan geruimen 
tyd van toevoer uit de benedenlanden is afgesloten. In den West-moesson staat 
er ongeveer 7 vadem water op deze bank. 

De Barito stroomt in den bovenloop en een gedeelte van den middenloop 
door de Doesoenlanden, welke schaars bewoond zyn door Dajaks, die tot ver* 
schillende stammen behooren, en met wier economischen en socialen toestand het 
over 't geheel slecht gesteld is. Gedeeltelik vinden zy in landbouw, gedeeltelik 
in het graven en smelten van yzer, het verzamelen van stofgoud op de zand- 
banken der rivier een middel van bestaan. Moeara Teweh, waar de Barito 
± 400 M. breed is, vormt de belangrykste nederzetting, de plaats waar de assistent- 
resident gevestigd is. Uier vindt men loodsen, waar kolen gedeponeerd worden 
uit het depot der Marine te Bandjermasin. Ook te Roentoek, veel zuidelyker 
gelegen, vindt men kolen gedeponeerd. „Bekoenipaiers", lieden van Bekoempai 



Digitized by Google 



413 

of Marabahan, (ten N. van Bandjermasin), een gemengd ras uit Dajaks, Ma- 
leiers, Arabieren, Bengaloezen, Boegineezen en Cbineezen voortgekomen, drijven 
meost den handel. 

De belangrijkste gedeelten van het stroomgebied der Barito liggen aan den 
oostkant der rivier, in het gebied der linker b\j stroomen, waar spoedig de bodem 
oprijst tot heuvelland. Be grootste nederzettingen liggen eveneens aan den linker- 
oever der Barito, en aan dien kant bobben ook vreemdelingen den meesten invloed 
gebad. 

Ten zuiden der Doesoenlanden ligt de afdeeüng Amoentai, het noorde- 
lijkste gedeelte van bet vroeger hoofdgebied des Sultans van Bandjermasin, het 
stroomgebied der Bo ven-Negara of Tabaloeng, de belangrijkste bi) stroom 
van de Barito, die tot (14 K.M.) boven de kampong Negara goed bevaarbaar is. 
Terwijl bet N. en O. hier berg- en heuvelachtig is, daalt de bodem in het Z.W. 
vlak af naar de Barito. In de vlakke velden wordt rijstbouw in het groot ge- 
dreven; de bergstreken zijn met dichte bosschen bedekt en leveren goud, was 
en vogelnestjes op. 

In dit gebied zijn de vreemdelingen meer doorgedrongen, zoodat de be- 
volking, ± 315 000 zielen, voor een klein gedeelte bestaat uit Dajaks en de 
overigen van gemengd ras zijn, uit Dajaks, Maleiers, Javanen, Arabieren en 
Boegineezen voortgekomen. De Mohammedaansche godsdienst is er aangenomen, 
de taal is Maleiscb, met veel andere woorden vermengd. Hier hebben zich aan 
de Negara reeds vroeg Hindoe-Javanen gevestigd, die daar een eenigszins hooger 
beschaving brachten, welke nooit geheel is verdwenen. De verstandelijke ont- 
wikkeling staat er daardoor hooger dan elders in Borneo. In de voornaamste 
plaatsen vindt men door Inlanders gestichte scholen, waar lezen en schrijven 
van het Maleisch en de leer van den Koran wordt onderwezen. De bevolking 
is goed ervaren in de rijstteelt, drijft veel handel in rijst, alsmede in katoen, 
visch en gevogelte op Bandjermasin, Poeloe Petak en andere plaatsen van Zuid- 
Borneo. Belangrijk is ook het vervaardigen van vuur- en andere wapens; be- 
roemd zijn de geweerloopen. Het ijzer komt grootendeels uit Doesoen. Verder 
beeft men er geelgieter\j, bouwt men er sierlijke prauwen van ijzerhout, weeft 
mand- en matwerk, bakt er aardewerk enz. In dit gebied zijn sedert 1893 nog 
al uitgestrekte gronden in erfpacht uitgegeven voor de teelt van tabak en koffie. 

Van de nederzettingen noemen wij: Amoentai, 2020 inw., standplaats 
van den Assistent-Resident, met vrij belangrijken handel in katoen, was, vogel- 
nestjes: in den omtrek vele aanplantingen van katoen, klappers, pisangs, sago- 
en pinangboomen. Gouvernementsschool voor Inlanders. Verder Margasari, 
vrij belangrijke handelsplaats, met Hindoe-oudheden en Negara, met wapen- 
smederijen, uitvoer van wapens en kapmessen. Kendangan, districtshoofdplaats. 

Aan beide zijden van den benedenloop der Barito ligt het landschap 
Bandjermasin met Ommelanden met de nederzetting Bandjermasin, 
de hoofdplaats der Zuider- en Oosteratd. van Borneo. De plaats telt 52 685 
inw., waarvan 48 777 Inlanders (Maleiers enz.) 2400 Chin., 960 Arabieren, 
270 Europeanen. Zij is gelegen aan de linkeroever van de Barito, waar de zij- 
rivier de Martapoera-rivier op ± 10 K.M. van den mond er zich mede vereenigt 



Digitized by Google 



414 



en een klein moerassig, onvruchtbaar eilandje vormt, Tatas genaamd, ongeveer 6 
vierk. mijlen groot, van onderscheidene „antasans" of rivierarmen doorsneden. 
Het is alleen bewoond langs de oevers der Kajoe Tangi en Kweéen, waar de 
woningen der bevolking óf op palen, of op rakits (vlotten) in de rivier zijn gebouwd. 
Bij de dageüjksche overstrooming wordt de gemeenschap tusschen de bewoners 
onderhouden door bruggen, die het eene huis met het andere verbinden of door 
prauwtjes. In den oostelijken binnenhoek van Tatas ligt het Nederl. etablisse- 
ment, bestaande uit de woningen van den resident, verdere ambtenaren, bureau's, 
pakhuizen, kampement enz. De inlandsche bevolking woont in een menigte 
kampongs langs beide oevers der Martapoera-rivier, de Chineesche kampong ligt 
op den linker-oever. In den W. moesson is het water bij de stad zoet, in den 
O. moesson echter niet. 

Bandjermasin is door zijn gunstige ligging de stapelplaats der voortbreng- 
selen van het stroomgebied der Barito geworden, en daardoor bestaat er een 
levendige groot- en kleinhandel, welke voornamelijk in handen is van de Chi- 
neezen en andere vreemde Oosterlingen. De Inlanders houden zich hoofdzakelijk 
bezig met de vischvangst, het verbouwen van rijst en groenten, het snijden 
van rotan, het inzamelen van hars, was en andere boschprodukten. Uitgevoerd 
worden er stofgoud, steenkool, vogelnestjes, was, harssoorten, rotan, mat- en 
mandwerk, peper, houtsoorten, gedroogde visch en gedroogd hertenvleesch. Men 
vindt er een steenkolendepot der Marine, waar zoowel Engelsche als Borneo- 
kolen zijn te bekomen. Eenmaal 'smaands wordt Bandjermasin aangedaan door 
een der stoomschepen van de K. Paket vaart maatsch. op het traject Soerabaja — 
Samarinda, heen en terug, en verder is er een wekelljksche dienst van stoom» 
schepen dier Maatschappij tusschen Soerabaja en Bandjermasin via Soemenap. 
Een landweg verbindt Bandjermasin met Martapoera, Pengaron enz. 

Ten O. van Bandjermasin ligt de afdeeling Martapoera, doorstroomd 
door de Martapoera-rivier, gevormd door twee armen: Hiam Kanan en 
Kiam Kiwa. De rivier is het grootste gedeelte des jaars tot de Kampong 
Martapoera bevaarbaar. Het westelijk gedeelte van dit gewest is vlak, verder 
oostelijk wordt het heuvelachtig en vervolgens berg- en rotsachtig met hoogten, 
die tot 1300 M. gaan. Het land is slechts voor een klein gedoelte bebouwd; voor 
het grootste gedeelte is het met bosschen bedekt. 

De grootste rijkdom van deze landstreek bestaat in de voortbrengselen van 
het delfstoffenrijk : steenkolen, ijzererts, goud, platina en diamanten. Het steen- 
kolenterrein tusschen de Riam Kiwa en de Java-zee is door ontginningen het 
best bekend geworden. Een tot drie heuvelreeksen van gemiddeld 70 M. hoog 
bevatten over een lengte van 45 K.M. kolen. Het aantal lagen wisselt tusschen 
6-11 (Zie I pag. 558). 

De kolen-exploitatie in de Oranje Nassaumijn (in 1849 door het Gouver- 
nement geopend) en die van Pengaron, in 1871 geopend, is in 1881 gestaakt, 
omdat de voordeelen niet aan de verwachting beantwoordden, en ook andere 
ondernemingen van kolenmijnen in dit gebied zijn in den aanvang blijven steken. 
De bergstreken bevatten nog diamanten en goud, dat door Chineezen gegraven 
wordt, ook ijzererts. 



415 



De bevolking van dit gewest, de Bandjaroezen, die uit hetzelfde ge- 
mengde ras bestaat ais die in de afdeeling Amoentai, staat op een lager trap 
van beschaving en het karakter is minder gunstig. Hun levenswijze is zeer 
eenvoudig. In kleeding volgen sommigen de Javanen, anderen de Maleiers en 
Boegineezen. Tot 1860 was het bestuur in dat gewest overgelaten aan een sultan, 
die het gebied van het gouvernement in leen had, doch de onderdrukking en 
knevelarij van dien vorst heeft geleid tot het besluit, het sultansbestuur af te 
schaffen en de onderworpen landen onder rechtstreeksch gouvernementsbestuur 
te brengen. Ook het apanagebezit der Bandjermasinsche prinsen alhier is in 
18G3 goheel ingetrokken. 

Martapoera, met 5930 inw., waarvan 150 Chin. en 180 Arabieren, de 
overigen Inlanders, is standplaats van den assistent-resident, aan de rivier van dien 
naam; het was vroeger veelal de verblijfplaats van den Sultan van Bandjermasin. 
De vroegere kraton heeft een vervallen en armoedig uiterlijk evenals de plaats. 

In het Z.O. van Borneo wordt Pasir en Tanaboemboe, een 
D^kust-* 8m& U e landstreek langs de kust, door een bergreeks afgescheiden 
streek van van de Doesoenlanden, Amoentai en Martapoera. De kust is over 
Pasir en Ta- 't geheel laag en moerassig en overal begroeid, op enkele plaatsen 
naboemboe. met ^ gma j zandstrand, met modder er binnen, (o.a. bezuiden 
hoek Aroe), op zeer enkele punten steil, terwijl langs de kust in de Str. van Ma* 
kassar een groot aantal koraalriffen en banken gevonden worden. Dieper binnen- 
waarts rijst het land en gaat spoedig tot de voorheuvels en verder in het berg- 
land over, waaruit onderscheidene rivieren te voorschijn komen, die na korten 
loop in inhammen van de kust uitmonden. De belangrijkste rivier is de Pasir- 
rivier, voor welker mond drie droogvallende banken van harden modder liggen, 
doch die in het land goed te bevaren is. Aan een der stroomen, waaruit de rivier 
wordt gevormd, ligt in het binnenland het paleis van den Sultan. (Zie pag. 384). 

De kust is weinig bewoond; men vindt slechts eenige kampongs aan de 
voornaamste baaien. Het gebied bestaat uit onderscheidene landschappen, onder 
Inlandsche vorsten, die of door het Ned. gouvernement aangesteld, of aan ons 
zijn onderworpen. Pagatan in het Z. is de hoofdplaats van een rijkje van 
dien naam, dat vrij goed bebouwd is en vanwaar worden uitgevoerd vogelnestjes, 
tripang, schildpad, was, diamanten en goud, gambir, rotting enz., uit hot binnen- 
land afkomstig. De gronden zijn er vruchtbaar en voor rijst, suikerriet en tabaks- 
cultuur aan te bevelen; de landbouw is er meer ontwikkeld dan in de andere 
leenrijken. Pagatan is ook het eenige landschap aan Borneo's Oostkust, waar 
nog iets aan veeteelt gedaan wordt; behalve uit eenig klein vee bestaat de 
veestapel uit eenige runderen en een aantal karbouwen; van de laatsten trekt 
men party bij de bewerking der rijstvelden. 

De bestaansmiddelen van dit geheele kustgedeelte zijn vrijwel dezelfde. Bij 
de onderscheidene kleine nederzettingen zullen wij niet stilstaan. Alleen nog 
een enkel woord over Pasir, de hoofdplaats van het rijkje van dien naam, 
welks sultan door een contract met het Ned. Gouv. is verbonden, hetwelk ook 
zijn opvolger benoemt. De inkomsten van den Sultan bestaan in den goudhandel, 



416 



waarvan hy het monopolie bezit, den handel in vogelnestjes, die gedeelteiyk 
aan z\jn bloedverwanten is afgestaan, in- en uitgaande rechten. De bevolking is 
gevormd uit onderscheidene elementen. Aan de kust wonen de Mohammedaansehe 
Badjo's (Orang Badjo, zie 1 pag. 804), die zich uitsluitend met visschery bezig 
houden (schildpad en tripang) en ook veel neiging hebben tot zeeroof. Boegineezen 
maken het aanzienlijkste gedeelte uit in de hoofdplaats Pasir en in de kampongs 
langs de rivier; zy houden zich bovenal bezig met den handel. De eigeniyke 
Pasireezen ztfn Maleiesche volksplanters, doch zeer met andere stammen ver- 
mengd; zy hebben een eigen taal, verschillend van het Maleisen en Boegineesch. 
Hun laatste kampong is Terobok. Dieper in het binnenland woont een au- 
tochthone stam der Loeangan, die nog heidenen zijn en verder vindt men 
er nog andere volksgroepen. 

Naby deze kust, enkel door de smalle Straat van Laoet er van ge- 
scheiden, ligt in het Z.O. van Borneo het lang uitgestrekte eilandje Poeloe 
Laoet, ±250K.M.* groot met ±800 inw. Het geheele eilandje is van Z. 
naar N. door een bergketen doorsneden, die in het Z.W. aan de kust komt, 
met eenige toppen. Hoewel er steenkolenlagen in het N. worden gevonden, 
waarvan de ontginning beproefd is, kwam de mynbouw er toch niet tot bloei 
en werd de exploitatie weder gestaakt Het hoofd van het eiland heeft den titel 
Pangéran, die het gebied als leengoed van het gouvernement bestuurt en zetelt 
te Kota Ba roe, een welvarend dorp in het noorden van het eiland, hoofdplaats 
der afdeeling Pasir en de Tanahboemboe-landen. Het noordeüjk gedeelte der 
nederzetting wordt ingenomen door de atapwoningen der Inlanders, hetzuidelyk 
gedeelte door de beter ingerichte woningen der Chineesche en Arabische handelaren, 
en daar tusschen ligt de woning van den Controleur v. B. B. 

Men vindt er tal van Chineesche en Inlandsche toko's, een vry goede pasar. 
Een houten hoofd van 250 M. lengte dient voor den aanleg van schepen. Drukke 
.scheepvaart; in 1904 kwamen er aan 102 zeilschepen voor de kustvaart. De 
uitvoer bestaat hoofdzakeiyk in rotan en yzerhout, sedert eenige jaren ook peper 
der pepertuinen. 

Ten N. van de Doesoenlanden in het gebied van Pasir stroomt 
II. Het gebied een groote rivier naar het oosten, de Mahakkam of Koetei- 
klmo^Koetei- rivier ' die een tegenhanger van de Kapoewaa vormt, tegenover 
rivier. Het rijk döze op het bergland van Centraal- Borneo ontspringt, en, hoewel 
van Koetei. kleiner, een soortgeiyk stroomgebied naar het oosten omvat. Langs 
deze rivier trachtte G. Müllkk in 1825 (zie pag. 359) van het 
O. in Centraal- Borneo door te dringen, doch werd op dien tocht vermoord; 
daarna werd de rivier in 1847 door Dr. Schwaner en Van Dewall opgevaren 
tot aan de zyrivier Merak, en later drong Carl Bock 1879—80 tot den boven- 
loop door, terwyi hy over land de Teweh en de Barito bereikte en vervolgens 
afvoer. In 1885 reisde de resident S. W. Tromp de Koétei-rivier verder op en 
gaf het eerst betere kennis omtrent de rivier, het landschap en de bewoners. 
Later kwam Dr. Nieuwenhüis langs de Koetei uit Centraal-Borneo in 1899 
aan de oostkust. 



Digitized by Google 



417 



De Mahakkam is per stoomer op te varen tot aan de monding van de 
Pahoe-rivier, den bystroom der Mabakkam, die ontspringt tegenover de Teweh- 
rivier in de Doesoenlanden ; by de samenkomst van beide ligt Moeara- 
Pahoe, ongeveer 150 zeemylen boven Samarinda. Boven Moeara-Pahoe zijn 
alleen roeivaartuigen te gebruiken. Een reeks watervallen, gezamenlijk Kapala 
Kiham genaamd, sluiten den toegang tot den bovenloop der rivier af. Zy ont- 
springt aan de oosthelling van het centrale bergland, waarvan naar het W. de 
Kapoewas afwatert, en dat als de grens der Afd. Koetei beschouwd wordt; 
men vindt hier op de waterscheiding van beide rivieren hoogten, die tot 1800 M. 
gaan. Eerst stroomt de Mahakkam naar het Z., buigt zich op ongeveer 0° 50' N.B. 
naar het O. en neemt eindeUjk voor het grootste gedeelte een Z.0. richting. In 
den bovenloop vormt het stroomgebied een berg- en heuvelland, bestaande uit 
sterk geplooide zandsteenlagen, die doorsneden zyn van kalkruggen, terwijl ook 
op enkele plaatsen, aan de Bloeöe-monding, vulkanisch gesteente voorkomt. 
Het geheele gebied van de Boven-Mahakkam is bedekt met bosch; waar de be- 
volking haar ladangs aanlegt, ligt de grond bloot gedurende den rijstbouw, maar 
daarna neemt het struikgewas en later laag bosch het terrein weder in. Eerst 
in de laatste twintig jaren, zegt Nieuwenhuis, is volgens de bewoners eigenUjk 
gras aan de Boven-Mahakkam verschenen ; alang-alang kent men er echter niet. 
De bevolking in den bovenloop is zeer weinig talryk, ongeveer 6500 zielen, 
verdeeld in verschillende stammen, van welke de Sepoetan's aan de Kaso 
het westelijkst wonen, en verder oostelijk de Pnihing's, de Kajan's aan de 
Bloeüe, en ten O. van deze de Longglat's, ten Z. der rivier. Ten N. wonen 
Boekat's, Poenan's en de Ma Soeling's. De middelloop is eveneens door 
stammen dezer volken bewoond. Volgens hun overlevering zyn deze stammen 
dieper uit het binnenland afkomstig, en verdreven zy uit het Mahakkam-gebied 
de vroegere bevolking of maakten hen tot slaven, die men er nog vele vindt 
en van vroegere oorlogen afkomstig zyn, waardoor zy zich nog vreemd voelen onder 
de tegenwoordige stammen, hoewel zy de gewoonten en zeden er van aannamen. 

De meeste stammen zyn landbouwers; Boekat's en Poenan's houden zich 
uitsluitend met de jacht bezig. De Pnihing's munten uit in het maken van fraaie 
booten uit een stuk, terwyi hun ronde vischnetten zeer gewild zyn in het boven- 
land. Hun vrouwen weven kleeren voor eigen gebruik, wat de Kajan's even- 
eens doen, maar by de Longglat's verboden is. Eigenaardig is het, dat het den 
mannen der wevende stammen verboden is een weeftoestel aan te raken uit 
vrees voor ongeluk op de jacht of by de vischvangst. De Kajan's aan de Bloeöe 
kloedon zich veel eenvoudiger dan die aan de Mendalam, en de boomschors 
speelt er een veel grooter rol; op halskettingen en kralen is men er zuiniger. 

De bevolking in deze gewesten staat nog dicht by de cultuur periode, waarin 
de bosschen van het land alles leverden, wat zy voor hun onderhoud noodig hadden. 
Toch dringen ook hier de kustvolken, de Boegineezen en Maleiers, thans door 
met hun handelsartikelen, waardoor reeds enkele fabrikaten des lands voor 
die van elders moeten wyken. Zoo is de pottebakkerskunst by de Kajan's 
alhier verdwenen door den invoer van yzeren kookpannen. Het bosch levert 
hier nog veel voor het onderhoud; naast de kleeding van boomschors gemaakt 
II 27 



418 



geeft het voedsel, nl. sago, vruchten, enz. terwyi het bosch ook produkten geeft 
voor den handel roet de Boegineezen en Haleiers. 

Hebben deze laatsten onderscheidene artikelen van gebruik ingevoerd, zy 
hebben er ook een kwaad verspreid, zegt Tromp, door het invoeren van kaartspel 
en hanengevechten onder de Dajaks, welke rampen werden voor netland. „By na 
geen handelstransactie wordt door de Dajaks meer aangegaan, of eerst moeten 
de hanen vechten: gaat een troepje Dajaks het bosch in om rotan of getah te 
zoeken, de vechthaan wordt medegenomen; vaart de Boeginees, zich noemende 
handelaar, de groote rivier op, by elke kampong aanleggend en daar korter of 
langer vertoevend, alleen zyn kapitaal aan vechthanen en kaarten is volgefourneerd, 
zjjn handelsgoederen zijn dikwerf van luttele waarde; ja, het is zoo erg, dat 
zelfs zwervende Poenan's, met hun minimum van vervoerbare have, geen vecht- 
haan meer kunnen missen." Van de Boegineezen hebben de Dajaks ook het 
vervalschen van en knoeien met de gotah-pertja geleerd. Maar deze invloed van 
vreemden is langs de Mahakkam niet zoo diep in het land gegaan als aan de 
Kapoewas. Aan beide rivieren bemerkt men dan ook duideiyk den verschillenden 
anthropo-geographischen invloed dezer stroomen. De Mahakkam is slechts be- 
trekkelijk kort, de Kapoewas diep landwaarts geregeld bevaarbaar en zonder stroom- 
snelten. De Dajaksche bewoners der binnenlanden houden niet van goed be- 
vaarbare wateren en verkiezen de minder toegankelijke gewesten, waar zy meer 
zich zelf kunnen biyven. Daardoor vindt men lange de Kapoewas, een enkele 
uitgezonderd, geen echt Dajaksche vestigingen beneden den mond der Mendalam ; 
b\j do Mahakkam beginnen zij reeds boven Melak. Als men by de Taman-Dajaks 
aan de Kapoewas, een kampong nadert, treden zy u tegemoet, gekleed met Chi- 
neesche broek, Maleisch buis en hoofddoek van Europeesch fabrikaat; aan de 
Mahakkam heeft men nog de inlandsche kleeding van boomschors, geiyk wy zagen. 
Langs de Kapoewas hebben zich onderscheidene kleine Maleiscbe vorstjes weten 
te vestigen, met versnipperd gezag; aan de Mahakkam, waar de stroom van 
vreemden niet zoo aanzienlijk was, ontstond één grooter Maleisch gebied, dat 
van Koetei, welks sultan minder bemoeilijkt werd dan de vorstjes uit het 
westen, hoewel ook hy door contract met het Ned. gouvernement werd verbonden. 

Aan den benedenloop der Mahakkam is het Ryk van Koetei gesticht, 
bewoond door de Koeteineezen. Oorspronkeiyk vestigden zich hier volkplanters 
uit het HindoeJavaansche ryk Madjapahit. die later met Boegineezen, Maleiers 
en andere stammen vermengd werden, de Maleische taal aannamen en den Mo- 
hammedaanschen godsdienst. De Koeteineezen zyn de beheerschers des lands 
in het gebied der Mahakkam. De vorst, oorspronkeiyk met den titel Ratoe, later 
dien van Adji, heet thans Sultan. Zyn onmiddellijk gezag strekt zich eigeniyk 
alleen uit over de Koeteineezen. Van de binnenlands wonende Dajaksche stammen 
betalen sommige alleen een jaariyksche schatting, terwyi andere inderdaad on- 
afhankeiyk zyn. De inkomsten van den vorst bestaan, behalve in genoemde 
schatting, in hoofdgelden der Koeteineezen, inkomsten van de vogelnestklippen, 
boeten, inkomende en uitgaande rechten, cyns door de ontginners van münen 
en door landbouwondernemingen opgebracht. 

Koetei trekt in den laatsten tyd meer en meer de aandacht van Europeesche 



Digitized by Google 



419 

ondernemers. Het land wordt geacht rijk te zijn aan goud, petroleum en steen- 
kolen (I pag. 569). In 1898 werd do eerste petroleum uitgevoerd. De uit- 
voer van petroleum uit Borneo heeft hoofdzakelijk van hier plaats. De Balik- 
papanbaai (ten Z. van den mond der Mahakkam) is het geheele jaar dooreen 
goed beschutte haven; door buizenleiding is deze met de petroleumbronnen ver- 
bonden. In 1904 werden hier uitgeklaard 39 stoomschepen (263 701 M*.) Het is een 
druk bezochte haven, met Bandjermasin en Koelei wekelijks in verbinding, en 
wordt eens in da 4 weken aangedaan door de Kon. Paketv. Maatschappij. Om- 
trent de beteekenis van het land voor cultures wordt nog verschillend geoor- 
deeld. De boven Samarinda gelegen landen, die bij hoog water overstroomd 
worden, ztyn voor rijstteelt in trek. Liberia-koffie groeit goed in Koetei, en ook 
leent de bodem zich voor tabaksteelt; dit is een meening, die wij hoorden. 

De belangrijkste plaats is Samarinda, de hoofdplaats, in de lengte over 
S'/t K M. aan beide zijden van de Mahakkam gebouwd, 18 K.M. boven den mond, 
met 2526 inw., (waarvan 1037 Chineezen, 35 Europ. en 1365 Inlanders: Boe- 
gineezen, Maleiers). De ongeveer 1000 M. breede rivier scheidt de nederzetting 
der Boegineezen, die onder den sultan van Koetei staan, op den rechteroever, 
van die op den linkeroever, waar, op den door den Sultan afgestanen grond, 
naast den Assistent-Resident en zijn beambten enkele Europeanen en een aantal 
Chineesche en Bandjareesche handelaren wonen. Dezen hebben den in- en uit- 
voerhandel met Singapore, Celebes en Java geheel in handen. De „Koetei ex- 
ploratie-Maatschappü" en de „Koetei Maatsch. tot het ontginnen van delfstoffen" 
zijn hier gevestigd. Uitgevoerd wordt vooral getah-pertjah en rotan. Stoomscheepjes 
varen geregeld de rivier op om handel te drijven. De plaats heeft een on- 
oogeiyk aanzien; de huizen van bamboe, met atap gedekt, zyn voor een deel 
drijvende op vlotten in de rivier. Er bevindt zich een huis van den Sultan, die 
echter hooger op, te Tengaroeng, resideert Moeara Pahoe is het hoogst 
aan de rivier gelegen Maleische dorp. 

De Mahakkamrivier vormt aan den mond een uitgestrekte, typisch uitge- 
bouwde delta, bostaande uit onderscheidene eilanden, waartusschen de rivier in 
drie groote en vele kleine monden naar zee stroomt. De belangrijkste mond is do 
middelste, de Moeara Bajor, en daarop volgt de zuidelijkste Moeara Dj awa. 



Berou, Boe- Langs een meestal dicht met rhizophoren begroeide kust, die 
loengan,Ti- slechts schaars bewoond is, voorbij de naar het O. uitspringende 
doeng enz. noek Mangkalihat van Borneo, waarop de berg van dien naam 
zich tot 300 M. hoogte verheft, terwijl andere bergen tot 500 M. gaan, de laatste 
uitingen van het bergland, dat van Centraal-Borneo hier de kust nadert, bereikt 
men het gebied van N.0. Borneo. Hier vindt men de landschappen Samba- 
lioeng, Goenoeng Taboer, die voorheen bekend waren onder den naam 
Berou of Berousche landen, verder Boeloengan en Tidoeng, landen 
die, volgens de het eerst in 1850 gesloten contracten met de vorsten, leenryken 
zijn van het Ned. Gouvernement. Langen tijd sloeg het Ned. Gouvernement 
weinig acht op deze gedeelten onzer kolonie, doch toen in 1879 bleek, dat door 
den Sultan van Solok bij den afstand van gronden aan den Oostenrijkschen 



420 



Baron Overbeck inbreuk was gemaakt op de rechten van Nederland op dit 
gebied, werd er meer aandacht aan gewijd, en aan den linkeroever der Tawao- 
rivier, die in de St. Lucia-baai uitmondt, werd in dat jaar de Nederlandsche vlag 
geheschen. De gronsquaesties alhier werden, nadat de door Baron Overbeck 
verkregen rechten waren overgedaan aan de „North-Borneo Compagnie", die onder 
Britach protectoraat staat, geregeld door een tractaat met Engeland (zie II pag. 885). 

De landschappen Sambalioeng en Goenoeng Taboer liggen in het stroom- 
gebied der Berou-ri vier, die gevormd wordt door twee hoofdstroomen: de 
S. Kei ei- en de S. Makam. Het gebied der Kelei-rivier is het dichtst bewoond ; 
zij is tot de kampong Tanah Merah te bevaren. Langs deze rivier worden steenkolen 
aangetroffen, die in het klein ontgonnen worden. De Makam- of Segah-rivier kan be- 
varen worden tot bijna 40 K.M. van den mond. De rivier vormt een uitgestrekte 
delta, die van onderscheidene rivierarmen doorsneden wordt De bevolking aan de 
Berou-rivier, bestaat voornamelijk uit Haleiers, die zich „Orang Benoewa" noemen, 
en Boegineezen ; verder vindt men er enkele Chineezen, Bandjareezen en Soloks, 
terwijl langs de kust vaste vestigingen van de Badjo's bestaan, afkomstig uit 
Solok. Aan de kust wordt meest Maleisen gesproken. Het binnenland is dun 
bevolkt door Dajak- stammen, als de Bassap's, Segai's en zwervende Poe- 
nan's. De vorsten hebben in werkelijkheid slechts gezag over de Mohamme- 
daansche bevolking; de Dajaks bekommoren zich weinig om hun gezag. De 
handel is zoo goed als geheel op de Berou geconcentreerd; uitgevoerd worden 
rotan, getah pertjah, dammar, was, gedroogde en gezouten visch, tripang, schild- 
pad. Landbouw, rijstteelt op ladangs, gescbiedt bijna alloon om in eigen behoefte 
te voorzien. Een veestapel ontbreekt. De nijverheid bestaat enkel in het ver- 
vaardigen van wapens en versieringen van de kleedy voor eigen gebruik. Badjo's 
en Bandjareezen drijven vischvangst op uitgebreide schaal. 

Boeloengan en Tidoeng kunnen tot de schoonste gedeelten van onze be- 
zittingen gerekend worden; men vindt er uiterst vruchtbare gronden, rijke 
bosschen en verschillende delfstoffen, terwijl talrijke, vrij groote en goed be- 
vaarbare rivieren deze landen doorsnijden en de communicatie gemakkelijk maken, 
en onderscheidene kusteilanden voor de rivieren liggen. 

De Boeloengan- of Kajan-rivier doorstroomt het geheele landschap 
van dien naam in een oostelijke richting en vormt aan den mond een uitge- 
strekte delta. De Sesajap ri vier of Sebau wan-rivier vormt eveneens een 
groote delta en is ook ver bevaarbaar. De Sembakoeng-rivieris door de 
Moeara Salindaun te bereiken voor diepgaande schepen, en tot kampong Sem- 
bakoeng goed bevaarbaar. De Siboekoe-rivieris de voornaamste rivier, welke 
in de St Luciabaai uitmondt. De binnenlanden aan den bovenloop dezer rivieren 
zijn bewoond door Dajaks, van welke nog weinig bekend is, en langs de kust 
wonen Malelers, Boegineezen enz., zooals wi) die boven ook reeds noemden. ') 



1) Zie foor deze geweaten nog I. r. Nieuwkumk, Exploitatie door Nederlanden van de 
N.O. knat van Borneo (Tijdachr. Ned. Ind. 1882, 1883). 



Digitized by Google 



CELEBES EN OMLIGGENDE EILANDEN. 



I. ONTWIKKELING EN BRONNEN ONZER KENNIS VAN CELEBES 

EN VAN ZIJN BEWONERS. 

Uitbreiding De afleiding en de beteekenis van den naam Celebes ia nog 
onzer kennis onzeker. Sommigen hebben beweerd, dat de naam is afgeleid 
en litteratuur. van ffSoela besi » _ y zer eiland (Tijdschr. v. I. ï. L. en V. XIII, 

268); volgens anderen zou het een verbastering zijn van „Si Labeh" in het 
Portugeesch, en beteekenen: „eiland daar boven". Frits Sarasin (Petermann's 
Mitt. 1904), de nasporingen van Wichmann en Foy vermeldend, verklaart zich 
vóór een afleiding van den naam van den vulkaan „Klabat". De Kalabat, door 
de Portugeezen „Calabat" geschreven, zou aanleiding gegeven hebben tot den 
tegen woordigen naam, welke in oude Portugeesche geschriften nog als: Calabes, 
en Salabos voorkomt. 

Celebes, minder in de route van het scheepvaartverkeer gelegen dan do 
westelijke eilanden van den Archipel, werd daardoor ook minder bezocht, en 
vandaar dat de oude litteratuur weinig over dit eiland spreekt. De eerste kennis 
van het eiland in Europa is te danken aan de Portugeesche reizigers. De Oost- 
Indische Compagnie kwam het eerst en meest in aanraking met het Z. W. en het 
N.0. schiereiland van Celebes en verkreeg daarvan een oppervlakkige kennis, maar 
groote gedeelten bleven tot in het midden der 19de eeuw zelfs geheel onbezocnt. 

Een meer nauwkeurige kennis werd in de 19 d ° eeuw verkregen voor de drie 
gedeelten afzonderlek: van het Z.W. uit, van het N.0. uit en later van Centraal 
Celebes. Maar nog altijd zijn er aanzienlijke gedeelten, die niet of onvoldoende 
bezocht of beschreven zijn en niet behoorlijk in kaart werden gebracht. Een 
volledige opneming van Celebes heett nog niet plaats gehad. 

De litteratuur over Celebes is daardoor meest samengesteld uit afzonderlijke 
beschrijvingen van gedeelten des lands en van de bewoners, welke door regee- 
ringsambtenaren, militairen bi) expedities en enkele reizigers van tijd tot tijd 
bezocht werden. Een planmatig, geregeld onderzoek van Celebes was daarbij 
zelden het doel, alleen de reizen der Sarasins uitgezonderd, waarop wij terug- 
komen en die van Prof. Weber, Wichmann e. a., die gedeelten bezochten. Samen- 
vattende, het geheele eiland betreffende beschrijvingen, vindt men dan ook niet 
vele. De meest uitvoerige, alles omvattende geographische behandeling is die 
van C. M. Kan in de Encycl. v. N. Indiö, art. Celebes, met veel litteratuur- 



ized by Google 



422 



opgaven. Ook de Hollander, 5i« druk door Van Eck, beschryft het eiland 
tameiyk uitgebreid. In een samenvattend overzicht behandelt Oswald Richter : 
Unsere gegenwartige Kenntniss der Ethnographie von Cdebes (Globus 1905). En 
in den nieuwsten tyd hebben twee Zwitsers, de neven Paul en Frits Sarasin, 
die eerst van 1893-1896 en later in 1902—1903 in Celebes reisden, aanvan- 
kelijk in het N., daarna in Makassar, vervolgens in Centraal Celebes, hetwelk 
zy van de Qolf van Bone tot de Golf van Tomini doortrokken, verschillende 
werken geschreven, welke byna op geheel Celebes betrekking hebben. Zy zyn: 
Materialiën zur Naturgeschichle der Insel Celebes: 1. Die Süssxoasser-Moüusken von 
Cekbes, 2. Die Land-Mollusken von Celebes, S. Ueber die geologische Oeschichte der 
Insel Cdebes auf Grund der Tierverbreitung en 4. Entwurf einer Geographisch- 
Geologiscfien Beschreibung der Insel Celebes, waarmede in 1901 de publicaties 
van de wetenschappelijke resultaten hunner reizen werden afgesloten. Verder 
deden zy in 1905 verschijnen: Reisen in Celcbes, twee deelen, waarin de verhalen 
van hun reizen volledig worden beschreven; gedeelteiyk waren deze reeds in 
tydschriften gepubliceerd. 

Uit de overige litteratuur van de gedeelten mogen wy slechts grepen doen 
om onze ruimte niet meer te overschryden. Voor het zuideiyk gedeelte en over 
Boegineezen en Makassaren noemen wy de volgende bronnen. J. A. Bakkers, 
Het leenvorsUmdom Boni (Verslag eener zending naar Boni. T. v. Ind. T. L. en 
V. XV, 1866). — Ibid. De afdedingen Sandjar, Tanette en Baeroe (T. Bat. Gen. 
XI, XII). — P. B. van Staden ten Brink, Zuid-Celebes 1884. - M. T. H. 
Perelaer, De Bonische expedittën in 1859 en 1S60. Twee deelen 1872. — P. J. 
Kooreman. De feitelijke toestand van het Gouvernenientsgebied Celebes en Onder- 
hoorigheden (Ind. Gids 1888). - Dr. B. F. Matthes heeft bovenal studie gemaakt 
op het gebied der taal-, land- en volkenkunde van Zuid-Celebes; hy leverde 
bybelvertalingen in het Boegineesch en Makassaarsch en gaf woordenboeken en 
spraakkunsten uit over die talen. Van zyn vele geschriften noemen wy hier: 
Bijdragen lot de elhnologic van Zuid-Celebes 1875; — ibid. Over de adats of ge- 
woonten der Makassaren en Boegineezen (K. Akad. v. Wetensch. Letterk. 1885). 
— ibid. Over de Wadjoreezen met hun handels- en scheepsicetboek 1869. - G. K. 
Niemann, De Boegineezen en Makassaren (Bydr. T. L. en V. N.-I. 1889). 

Verder beschreef J. C. Van Hasselt, De onderaf deeling Bangkali, geogr. 
en ethnologisch (T. Ned. A. Gen. 1880); — Ligtvoet, Beschrijving en gesck 
v. Boeton (Bydr. v. h. Inst. IV). — Engelhard, Mededeelingen over het eiland 
Saleyer (Bydr. v. h. Inst. IV); — Gersen, Topogr. schets der bergregentschappen 
der Noorderdistricten (T. Bat. Gen. XVI). - In Zuid-Celebes werd nog gereisd 
door Prof. Weber, (I pag. 230): Ethnogr. Nolizen über Flores und Celebes (Intern. 
Archiv fur Ethn. 1890) en door Prof. Wichmann: Bericht über eine im Jahre 
1888-89 ausgeführtc Reise nach dem Indisclicn Archipd (Tydschr. K. N. A. Gen. 
1890 en 1891. — ibid. Zur Geologie der Insel Saleyer (Nat. Tydschr. N. 1. 1 895). 

Over Centraal-Celebes en de Toradja's danken w\j vooral veel aan de zen* 
delingen: N. Adriani: Het Lindoemeer. (Meded. Ned. Zend. Gen. 1898), ibid. 
Meded. over de Toradja's (Tydschr. Bat. Gen. 1901); ibid. met Kruvt: Van Posso 
naar Parigi, Siyi en Lindoc (Mededed. N. Z. Gon. 1898); ibid. Van Posso naar 



Digitized by Googl 



423 



Todjo (M. N. Z. G. 1899). ibid. Van Posso naar Mori (Med. N. Z. 1900) enz.; 
en Alb. C. Kruyt, Mijn reis van Gorontalo naar Posso (Mod. N. Z. 1902); — 
ibid. Naar het meer Posso (M. N. Z. G. 1894). — Een en ander over het geeste- 
lijk en maatschappelijk leven van den Posso-Alfoer (Med. Z. Gen. 1895, 95 en 97). 

- ibid. Over koppensnellen des Toradjas (Versl. en Med. K. A. v. W. Lett 1899); 

— ibid. Gegevens voor het bevolkingsvraagstuk van een gedeelte van Midden-Celebes 
(T. K. N. A. Gen. 1903). - R. Fennema, De geologie van het Possomeer (T. K. 
N. A. G. 1898). - Wichmann, Die Binnenseen von Celebes (Peterna. Mitt. 1893). 
G. W. W. C. Baron van Horvell, Todjo, Posso en Saoesoe (T. Ind. T. L. en V. 
1891). — Korte beschrijving van htt rijkje Moeton (bocht v. Tomini) (T. K.. N. 
A. G. 1892). - D. F. van Braam Morris, Het landschap Loehoe. (T. Ind. T. 
L. en Y. 1889). 

Voor de kennis van het N.O. schiereiland is van groot belang: N. Graaf- 
land, De Minahassa, haar verleden en tegenwoordige toestand, twee deelen, tweede 
druk 1898. - Reeds in 1679 gat R. Padtbrugge een Beschrijving der zeden 
en gewoonten van de bewoners der Minahassa (Bydr. T. L. en V. N. I. 1886). De 
natuuronderzoekers Reinwardt, Bt.eeker: Reis door de Minahassa en den Mo- 
lukschen Archipel in 1856, 1856; van Spreeuwenberg en Bickmork reisden 
in de eerste helft der 19do eeuw in het N. van Celebes en later Von Rosenberg. 
F. S. A. De Clerco. beschreef: De overzijde der Ranojapo (Tydschr. I. T. L. 
en V. 1870) en gaf een schets van het landschap Bolaüng-Mongondaw (T. K. 
N.A.G. 1883). - A. B. Meyer schreef : Die M inahassa auf Celebes 1876 (SammL 
Gemeinverstandl. Vortrage) (Zie verder I, pag. 230). 

Het m\jnbouwkundig en geologisch onderzoek werd in 1896 in Menado aan- 
gevangen, doch werd in 1897 tengevolge van den noodlottigen dood van den 
hoofdingenieur R. Fennema, die gedurende een onderzoekingsreis op het Posso- 
meer verdronk (27 Nov. 1897), t\Jdeiyk gestaakt. Eerst in 1899 werd het weder 
aangevangen door den mijningenieur M. Koperberg, die beschreef: Het Meer 
„Danau", en Bulaüng Mongondo (T. K. N. A. G. 1899) en verschillende onder- 
zoekingen in Noord-Celebes en Centraal-Celebes heeft tot stand gebracht, gepu- 
bliceerd in de Jaarb. v. h. Mijnwezen. Verder verschenen: H. Bücking, Bei- 
trdge zur Geologie von Celebes (Petera. Mitt. 1889); ibid. Zur Geologie der Mina- 
hasa (Pet. M. 1900); ibid. Beitrage zur Geol. von Celebes (Samml. geol. Reichsm. 
Leiden 1902). - Rinne, Skizzen zur Geologie der Minnahassa (Zeitschr. d. geol. 
Gesellsch. 1900). - G. A. F. Molengraaff, Ucber die Geologie der Umgegend 
von Sumalata auf Nord Celebes und über die dort vorkommenden goldführ enden 
Erzgünge. (Zeitschr. f. prakt. geol. 1902). 

Voor de verdere litteratuur over Celebes verwezen w{j naar de genoemde 
artikelen van Prof. Kan en de werken van de Sarasins, waarin vr\) volledige 
bronnenopgaven voorkomen, alsmede naar de reeds vroeger genoemde reper- 
toria, het register van Muller op het T. Kon. N. A. G. enz. Verder de verschillende 
artikelon in de Encyclop. v. Ned. Indiü. 



Digitized by Google 



424 



II. ALGEMEEN OVERZICHT DER NATUURLIJKE GESTELDHEID 
EN DER BEVOLKING VAN CELEBES. 

Algemeen Als men de kaart van den Indischen Archipel 

nltuuriykeg" overz i et » valt D Ü vergelijking der eilanden de grillige 
steidheid. Ho- gedaante van Celebes onmiddellijk in het oog, welke 
▼wSSSevorai een verkleinde homologie vindt in het eiland Hal- 
en klimaat, niaheira. In tegenstelling met de overige groote 
eilanden, die een massieve gedaante bezitten, doordien zij om 
een rotsskelet van regelmatigen vorm zich met alluvia hebben 
uitgebreid en daardoor betrekkelijk weinig knstlengte verkregen, 
geen groote en niet vele schiereilanden hebben, is Celebes, alleen 
naar zijn horizontale gedaante te oordeelen, schier geheel uit 
smalle schiereilanden gevormd, waartusschen een drietal groote 
golven straalvormig naar elkander toe loopen: van het Z. de 
Golf van Boni, van het 0. de Golf van Tomaiki of 
Tolo en de Golf van Tomini of Gorontalo, zonder even- 
wel samen te komen. 

Naar het uiterlijk schijnen die schiereilanden van Celebes 
van een massief, centraal gedeelte uit te gaan, dat men wel 
het „centrale bergland" noemt. Deze voorstelling, soms ge- 
geven van de betrekking tusschen den horizontalen en den 
verticalen vorm van Celebes, is volgens de nadere kennis, die 
men van het reliëf heeft verkregen, niet juist. Al ontbreken 
nog de kaarten op grond van een volledige opneming van Celebes, 
toch verstrekken de resultaten der onderzoekingstochten reeds 
gegevens om de hoofdlijnen van het reliëf van Celebes te con- 
strueeren, zooals door de Sarasins voor kort is verricht. Volgens 
dezen is Celebes in hoofdvorm te beschouwen als een van het 
Zuiden (de Piek van Bonthain) tot het noorden (de Klabat) 
loopende lange, smalle plooiingsgordel, die voor het grootste 
gedeelte bestaat uit twee ketens, met een reeks van lengtedalen 
er tusschen, en op 0°N.Br. een bijna rechthoekige ombuiging 
met scherpen bocht naar het oosten heeft, om vervolgens op 
ongeveer '/j°N.Br. zich met een zachter gekromden boog naar 
het N.0. te richten en vervolgens naar het N. over de Sangir- 
eil. in de richting der Philippijnen voort te gaan als onderzeesche 
rug. Opmerkelijk is het wel, dat bij de scherpe ombuiging dezer 



425 



plooiingszone tusschen ± 0° en 1° N.Br. alleen de binnenste 
der beide ketens is blijven bestaan, terwijl de buitenste, die bij een 
waarschijnlijke ombuiging den grootsten boog moest vormen, 
met steile dwarsbreuk in het zuiden en noordoosten is verdwenen. 
Wij wijzen hierbij er tevens op, dat tegenover deze bocht in 
de Straat van Makassar een diepe, kanaalvormige inzinking 
gevonden wordt, die van 2400 M. tot meer dan 3000 M. diepte 











/ 

/ I 
tf 
ir 




\ 








■0' Q 

c 


• 


u 


\\f) 










fop 






«rij 







Plooiingalrjnen van Celebes, volgons de Sarasins. De pijltje» duiden de richting; aan, 

oit welke do druk kwam. 

gaat. Het samengaan van deze verschijnselen wijst misschien 
op de oorzaak, waardoor het verdwijnen dier keten in den buiten- 
boog moet verklaard worden. ZooaLs bij elke scherpe ombuiging 



426 



van een harde massa aan den buitenkant een breuk zal ont- 
staan met een gaping, omdat de buitenlijn te kort wordt, kan 
dat ook hier worden aangenomen bij de buitenketen. Die breuk- 
vorming ging waarschijnlijk gepaard met een inzinking in de 
Str. v. Makassar, en het verbrokkelde gedeelte van de buiten- 
keten nam daaraan deel, om vervolgens in de diepte te verdwijnen. 

Bestaat Celebes aldus in hoofdzaak uit een lange, dubbele 
keten, die met tweevoudigen boog zich slingert van het Z.W. 
naar het N.O., binnen den hoofdboog zijn ten oosten daarvan 
tusschen 1° en 3° Z.B. op zijn minst een viertal kortere plooiingen 
met scherpe bochten, bij de grootste ombuiging tegen de hoofd- 
ketens aangeschoven. Ook deze laatste vertoonen dezelfde om- 
buiging, de oostelijkste en langste zelfs in sterkere mate, en 
vormen daardoor de beide middelste schiereilanden, die den 
horizontalen vorm van Celebes zoo eigenaardig maken. Aldus 
wordt het ontstaan van Celebes in hoofdtrekken duidelijk. Het 
zoogenaamde centrale bergland van Celebes is dan ook geens- 
zins in orogenetischen zin het massieve gedeelte, waarvan de 
schiereilanden uitgaan, maar 't is het gebied, waar door een 
bergplooienden druk uit het oosten, die in het midden het sterkst 
was, de ketens samenschoven, terwijl blijkbaar een horizontale 
druk uit het noorden, welke de ombuiging der hoofdketen ten 
gevolge had, en die ook tot hier zich nog voortzette, het schier- 
eiland Banggai belette verder in de Golf van Tomini voort te 
schuiven. Op die wijze moet er eenigermate een draaiende 
plooiingsbeweging hebben bestaan, zooals die ook elders bij de 
bergformaties kan geconstateerd worden, welke Celebes de zonder- 
linge gedaante heeft gegeven. 

Dat in het oostelijk gedeelte bij het proces der bergvorming 
een dergelijke beweging plaats had, valt waarschijnlijk te ver- 
klaren uit de ligging van dit labiele, verbrokkelde gebied tus- 
schen twee groote oceanen, (Zie verder I, 83 enz.), waardoor de 
bergvormende plooiingsenergie, die van twee zijden met hevig- 
heid er op werkte, verschillende richting had. Terwijl daaren- 
boven in dit verbrokkeld gebied met diepe inzinkingen en vele, 
vaak aanzienlijke niveauveranderingen de weerstand locaal zoo 
verschillend was, en ook deze inzinkingen zelve hun horizontale 
drukking nog uitoefenden, moest de configuratie van het berg- 



Digitized by Google 



427 



stelsel, dat bij dit proces boven de oppervlakte des waters bleef, 
wel een onregelmatige gedaante aannemen en in zijn strekking 
de richting van die werkende krachten aan het licht doen komen. 

Op de wijze als boven is uiteengezet, waarbij wij gedeel- 
telijk de voorstelling van de Sarasins volgden, doch ook in enkele 
opzichten daarvan afweken, kan men zich in ruwe trekken het 
proces voorstellen, dat Celebes zijn tegenwoordige gedaante gaf. 

Werpen wij ten slotte een blik op de gesteenten, waaruit 
Celebes is opgebouwd. Hoewel nog betrekkelijk een klein ge- 
deelte daarvan is onderzocht, kan men toch aannemen, dat de 
opvolging der gesteenten in den bouw van Celebes tamelijk 
eenvoudig is. De ketengebergten bestaan uit kristallij ne kernen 
of uit oude leigesteenten (de Maleische formatie, zie II pag. 213) 
en daarmede verwante gesteenten. Daarop volgen een complex 
van korrelig kristallijne kalkgesteenten, vervolgens een zware 
laag van roode kleigesteenten, hierop Nummulietenkalksteen, 
en verder neogeene kleilagen, zanden en tuf, Celebes-molasse, en 
eindelijk Pleistoceene vormingen. Dikwijls worden de anticli- 
nalen der in het Neogeen gevormde vouwen van erup- 

tieve gesteenten doorbroken, en langs deze zijn ook de meeste 
vulkanen ontstaan. 

Reeds in deel I (79, 240) hebben wij op de geologische 
geschiedenis van Celebes gewezen. Het is opmerkelijk, dat de 
Juraformatie op Celebes nog niet gevonden is, terwijl die veel 
voorkomt op de Soela-eil. ; de Sarasins nemen echter aan, dat de 
korrelige kristallijne kalk waarschijnlijk langs dynamischen weg 
is gemetamorphiseerd uit Jurakalk. De roode klei is waarschijnlijk 
in den Krijttijd bezonken, en de talrijke radiolariên daarin doen 
vermoeden, dat zjj gevormd is in een diepe zee. In het begin 
van het Tertiair heeft er misschien nog een periode bestaan, 
waarop Zuid-Celebes droog land was, zooals de steenkolen, die 
daar zijn gevonden, schijnen aan te wijzen, doch verder moet 
in den Eoceenen tijd over de geheele oppervlakte van Celebes 
een zee zich hebben uitgestrekt van niet aanzienlijke diepte, daar 
de kalksedimenten, die toen zijn ontstaan, met koralen zijn aan- 
gevuld. Doch na dien tijd, in het Mioceen, verhief Celebes zich 
boven water, zoodat men in dien tijd zeker het vouwingsproces kan 
plaatsen, waardoor het eiland het laatst gevormd werd. Die vouwen 



Digitized by Google 



428 



strekten destijds zich verder uit dan dan thans; Celebes stond 
in het Plioceen in het N. met de Philippijnen, in het O. met 
de Molukken en in het Z. met Java en de Kleine Soenda-eilanden 
door breede landruggen in verbinding (zie I, pag. 79), doch 
deze laatste werden later weer verbroken door verzakkingen, 
hoewel de ondiepten der zee nog sporen van hun bestaan hebben 
bewaard. Van dien tijd dagteekent het bestaan van Celebes als 
eiland. Met Borneo schijnt het niet in contact te zijn geweest 
in den Mioceenen tijd. 

Wij hebben vroeger reeds aangetoond, hoe met deze geolo- 
gische geschiedenis van het eiland in verband staan de eigen- 
aardigheden der flora en fauna van Celebes, en herinneren er enkel 
aan, dat Celebes een verarmde Indische iauna heeft, maar geens- 
zins een karakteristiek Australische, hoewel er enkele Austra- 
lische emigranten gevonden worden (Zie verder I, pag. 238). 

De kusten van Celebes rijzen aan alle zijden vrij steil op 
uit een diepe zee, welke tot 1000 M. diepte gaat en die 
verder overgaat in grooter diepten, terwijl slechts een uiterst 
smalle zoom van op zijn hoogst 200 M. diepte het eiland om- 
ringt. Hierdoor heeft de kust van Celebes een groot verschil « 
met de noordkusten van Java en Sumatra en met de kusten 
van Borneo. Terwijl deze van breede alluviale zoomen omringd 
konden worden, doordien de aanslibbingen in de ondiepe zee 
spoedig een moerassig en zich breed uitbreidend kustland schie- 
pen, was dit bij Celebes schier nergens het geval. De kusten 
van dit eilaud komen meer overeen met die van West-Sumatra 
en Zuid-Java. Daarenboven hebben de rivieren op Celebes een 
korter stroomgebied en kunnen dientengevolge niet zooveel 
aanslibbingsmateriaal afvoeren. De alluviale kustvlakten van 
Celebes beslaan dan ook een geringe uitgestrektheid, op onder- 
scheidene gedeelten slechts bestaande uit een smal, zandig strand. 

Door den eigenaardigen bouw van Celebes, waarbij het bijna 
geheel uit bergland bestaat, en geen punt verder dan 1 1 1 K.M. 
van de kust verwijderd is, kunnen er op Celebes geen groote 
rivieren ontstaan. De meeste rivieren stroomen met uiterst korten 
loop dwars uit het gebergte naar zee, hebben aldus een groot 
verval en sterke stroomsnelheid, waardoor zij niet bevaarbaar 
zijn. De langste rivieren zijn die, welke door het lengtedal tus- 



Digitized by Google 



429 



schen de bergketens stroomen, om daarna de kustketen te door- 
breken, zooals de Sadang-ri vier, die op ongeveer 4° Z.Br. 
in het W. uitmondt, de P a 1 o s-r i v i e r , die naar het N. stroomt, 
en in de baai van dien naam uitmondt, welke baai gevormd wordt 
door het afbreken van de westelijke bergketen (zie pag. 425), 
zoodat de zee tusschenbeide hier een inham kan vormen. Een 
tegenhanger van deze laatste is de Agodako-ri vier, die van 
den oostkant uit het lengtedal van N. Celebes te voorschijn komt, 
om eveneens bij de afbreking van de kustketen er uit te monden. 

Terwijl de rivieren op de overige groote eilanden van den 
Archipel zulk een grooten anthropo-geographischen invloed uit- 
oefenden en de wegen waren, welke de handel en de staat- 
kunde volgde, hebben zij op Celebes weinig beteekenis gehad. 
Trots de groote kustlengte is Celebes door het gemis aan groote, 
bevaarbare rivieren een gesloten land gebleven. Heeft elders de 
binnenlandsche of de vreemde staatkunde zich aangesloten bij 
de groote riviergebieden, ontstonden er rijken, die daarmede in 
verband stonden, op Celebes waren de korte rivierdalen wel de 
aangewezen plaatsen voor de vestiging, maar de beperkte om- 
vang van elk gebied in verband met het bestaan van vele door 
de natuur afgesloten landschapsgewesten werkte het isolement 
der kleine stammen in de hand. Hierdoor was Celebes een 
geographisch milieu, dat de vorming van een zeer groot aantal 
volkjes met eigen talen en zelfstandigheid bevorderde. Voor de 
talen zie men I pag. 278 — 289 en 299, waardoor men tevens 
de talrijke volkjes eenigszins leert kennen. Tevens heeft de be- 
schreven gesteldheid van het reliëf tengevolge gehad, dat het 
moeielijk viel voor vreemden in Celebes door te dringen. Het 
Portugeesche en later het Nederlandsche gezag heeft zich dan 
ook bijna uitsluitend bepaald tot enkele punten aan de kust, 
later uitgebreid in eenige gedeelten naar het binnenland, maar 
groote gedeelten van het binnenland moeten nog als onbekend 
bergland worden aangeduid. Daar konden de zeden des volks, het 
koppensnellen, de slavernij enz. nog min of meer stand houden, 
en konden de vorstjes hun bewind zoo goed als onafhankelijk 
voeren. Zelfs voor de Maleiers, die op de meeste eilanden diep in 
het land doordrongen, bleef Celebes vry wel een gesloten land. 



430 



Het reliëf en de bouw des bodems van Celebes 
* l hebben ook grooten invloed op het klimaat. Geheel 

in de tropische luchtstreek gelegen, zou de temperatuur er overal 
zeer hoog zijn, doch deze wordt getemperd door de hoogte boven 
de zee, waarop de meeste gewesten liggen en door de zeewinden, 
die overal kunnen bemerkt worden, waar de afsluiting van geberg- 
ten dit niet verhindert. Verder is van invloed de aanzienlijke 
regenval, die door verdamping voortdurend veel vrije warmte 
in latente warmte omzet. De strekking der bergketens en de 
loop der dalen heeft overal zeer veel invloed op de richting en op 
het karakter van den wind als droge en als vochtige wind. In 
de Straat van Makassar, naar het oosten en westen door berg- 
ketens afgesloten, hebben de moessons een veel minder scherp 
geteekend karakter dan op de Javazee of zelfs voor de Spermonde 
Archipel nabjj de kust van Celebes. In het Z. gedeelte der Str. 
van Makassar, tot ongeveer 2° Z.Br. heerscht nog afwisselend de 
Z.O. en N. W. moesson. De eerste komt in April door met N.O., 
O.Z.O. en Z.O. winden, afgewisseld met N.W. en Z.W. winden. 
Ook in Mei is de wind nog zeer veranderlijk en zelfs nog in 
Juni; in deze maand heeft men over dag de meeste kans op Z. 
maar evenzeer op Z.W. als op Z.O. winden; des nachts is de 
wind in die maand veelal O. en Z.O. maar ook nog dikwijls Z.W. 
In Juli wordt de wind meer standvastig, overdag Z. en Z.O., des 
nachts van Z.O. tot O., en dit duurt tot en met Sept. In October 
beginnen de N.W. winden weer door te komen, in Nov. en Dec. 
zijn de N.W. en W. heerschend (hoewel soms ook afgewisseld 
door Z.W. en N. wind), in Januari staat de N.W. moesson het 
krachtigst door, om in Februari reed3 te verzwakken, zoodat 
men dan ook enkele N.O. winden kan verwachten. Nog blijven 
de N. tot N.W. winden in Maart hier overheerschend, maar N.O. 
en O. komen reeds veel voor. 

De regentijd van zuidelijk Celebes wordt beheerscht door 
deze windrichting in verband met de richting der bergketens. Aan 
de oostkusten zijn de winden uit den oosthoek meest de regen- 
winden (de wind moet tegen het gebergte stijgen, en er ontstaat 
stijgingsregen), aan de westelijke hellingen van de bergketens de 
westenwinden. Dit verband tusschen de helling van het gebergte, 
de windrichting, den regentijd en regenval is op Celebes door den 



Digitized by Google 



431 

bouw van het land vrij algemeen, hoewel overat gewijzigd door 
locale omstandigheden. Er is geen klimatologisch element, dat 
zoo afwisselend is met de geographische gesteldheid als de regen- 
val. In Boni bjjv. valt de meeste regen in den Oost-moesson, 
van Juni tot Augustus, om daarna in Sept. en October tot een 
drogen tijd over te gaan. In Dec, als de Westmoesson begint 
door te staan, die ten Z. van den aequator over 't geheel de 
regentijd is, begint in Boni een tweede regentijd, echter is die 
op verre na zoo sterk niet als de eerste en bestaat slechts uit 
enkele buien, die ook in Januari en Februari voortduren, om 
dan in Maart en April weer tot droogte over te gaan, en ver- 
volgens na Mei te worden opgevolgd door de zware regens van 
den Z.0. moesson. De kenteringstijden der moessons zijn bovenal 
rijk aan regen. 

In Makassar, in het W. van het schiereiland, vallen de regen- 
tijden juist in tegengestelde tijden als in Boni. Te Makassar 
hebben de maanden April tot en met Nov. een regenval be- 
neden het normaal getal (zie I, pag. 172), en zeer gering is er 
de regenval in Juli, Aug. en Sept., doch rijk aan regen zijn 
er December, Jan., Feb. en Maart, de maanden, dat de N.W. 
of W. moesson waait. De gemiddelde jaarregen bedraagt hier 
300 c.M. Bonthain heeft daarentegen slechts 132 c.M. regen; door 
de ligging aan de zuidkust van het gebergte staat het meest 
bloot voor den Z.O. moesson en deze wordt er de regentijd (Maart, 
April, vooral Mei, Juni en Juli); in Aug. begint hier de tijd 
met weinig regen, die duurt tot en met December. Ook Saleier 
heeft de droge maanden voornamelijk in Aug., Sept. en Oct. 

In het noordelijk gedeelte van Str. v. Makassar wisselt 
de Z.Z.W. moesson met een N. moesson af. De Z.Z.W. moesson 
komt door in Mei met Z. en Z.W. winden, doch in die maand 
komen ook O. en Z.W. winden veel voor. Van Juni tot en met 
Sept., staat de Z.W. moesson door, zoowel over dag als des 
nachts met Z.W. winden, en in Oct. neemt de moesson in kracht 
af; dan worden, hoewel niet dikwijls, reeds N.O. winden waar- 
genomen. In Nov. is de kracht van den wind het geringst, de 
N. en N.O. winden beginnen meer te waaien, December is nog 
ongestadig, zoodat zoowel Z.W. als N.O. winden waaien, doch 
in Jan. zijn N. winden overheerschend, evenals in Februari (over 



432 



dag N.O., 's nachts N.) In deze maand staat de N.0. moesson 
krachtig door, sterker dan met den Z.W. ooit het geval is. In 
Maart neemt de kracht van den wind af, is dikwijls nog N.O., 
doch ook N. en O., soms Z.W. en W. In April is de kracht 
van den wind het geringst, ook komt er dan veel windstilte 
voor om daarna weer over te gaan in den Z.Z.W. moesson. 

Deze windrichting in het N. van Str. van Makassar is het 
type van die, welke men op de vrije zee ten N. van den aequator 
op geringe breedte aantreft, en die dus ook voor Noord-Celebes 
bijna geldt. Evenwel ligt de Minahassa oostelijker en de Z.W. 
moesson, die door de nabijheid der kust van Azië ontstaat, wordt 
hier meer Z. en Z.0. moesson. Van Mei tot Oct. is deze domi- 
neerend. Van Nov. tot April heerschen er meer N.W. winden. 
In het bergland en langs de kusten bestaat hiervan veel af- 
wijking. 

Wij laten hiernevens (pag. 433) een overzicht volgen van 
de regenverdeeling in den oostelijken Archipel. 

Men vindt in het bergland veel locale afwijkingen van het 
windstelsel. De regenval heeft daarmede ook zeer veel locale 
verschillen. Menado, aan den W. kant van het gebergte gelegen, 
(266 c.M. regen per jaar) heeft den meesten regen in Dec., Jan., 
Febr., Maart en April, in den tijd dat hier de N. en N.W. winden 
meest waaien en de kenteringen beginnen; ook heeft men hier 
aequatorialen regen; droge maanden zijn vooral Aug. en Sept 
Gorontalo, ten Z. van het gebergte, heeft twee regentijden : Maart, 
April en Mei, en Nov. Dec. en Jan. Kema, ten O. van het ge- 
bergte, heeft ook in Aug. en Sept. nog aanzienleken regen, 
zoodat de zomerdroogte er nauwelijks in 't oog valt. De tem- 
peratuur staat hier in nauw verband met windrichting en regen- 
val. Opmerkelijk constant is de temperatuur het geheele jaar 
. door in de Minahassa, zoodat er bezwaarlijk van een koelen 
en een warmen tijd kan gesproken worden. Te Tomohon be- 
draagt de gemiddelde temperatuur 70°Farenh., de hoogste 87° 
en de laagste 58° in drie jaren. 

De Bevolking. Een overzicht van de talrijke talen op Celebes 
overzicht, hebben wij reeds gegeven (zie I, 278— 2S0), en daaruit 
bojkt de volkenversnippering op dit eiland. Toch kunnen de 



Digitized by Google 



•;un f 



'PW 



■ 1 1 j tl y 



es 



•uwnunf 



r» O C C 
Ti — i Cl co »o X 
Ti ^ co Ti — 



Cl ÏD CO Ti Cl 
^ O C! O * 
^ i—i — CO Ti Ti 



co i— i ci x i— < ï> O 

00 30 Oi O — O 



n o o c 
c n ^ o «o 

CC CO Cl o — ' 
Ti Ti CO CO Ti 



00 ~ OO O Tl CO 

— > CO — Ti Cl CO 

Cl X CO "C iO Cl 

— 1 — ' Ti CO CO Tl 



— 1 Ti Tl X O r -T — ' 
O Cl »>• f ^ Ti O — < 
Ti X Ti CO Tl ~f 
O^ Ti Ti Ti ■ i ^.j 



I 4 <f t S N 

it M N < N N 

ci n t» -ïf ■< 

01 M — ' 30 'JD 

^ M « « ^ M 



9* © O O 

* Ö 2 2 



>e * T i « » * 
^ ^ » ^ « I )< 

9» 9» 9* - 1 m m « 



CO ^ C ft ^ i.O 
2j » ïi -h w C n l£5 * ^5 n CO 



OS CC Kï O I" 
- O 1^ T O O 

— i -h ^ :j h 



CO iO Ti 
O o. ^ Xj O O 
— 1 => — ■ Ti 



-t CO — 

Cl Ti Ti r» 2> — 



4.0 'X' — O 

- r- Ti O Cl — I 

» ,■> _ w 



Ti 

Ti o 



1— ' O !>■ 

i o -jt 



— ^ Ti Ti 



© 



X CO — ' 

« n O i> o — 



3 ^ i s ■* z: 



* X 
#» — 1 



co 

Ti X 




N *- © * 

n n 4 t 

£ | «f «j| «ql 

^© ff9 55 
© 9» «5 © 
99 © © 40 

"95' * r» jft' 
I» h * 

w © 9 m 

~©~©~©~© 
*» 9! 9* 9* 
9* « *5 9! 



co co 



i 1 1 o 2 



.0 0^-^ -H 
— CO Ti X t- 



^ © Cl « © t» Cl 

- 9» «!< 91 9» "° 
«* ~ 9* M * rt 



O H5 9* 91 © 
« 9* * © - 
~ « - ■< fti 




6 



73 ^-w' • 

•/J ^ — 

« « 

e ° U 

~^d 

* 5 - 

— ^ *■? 

2 rt a 

C ro -j 

i> rt hj 



fco S 

s ^ 



■jCI 



p 
O 

cq 



^1 



5 S f 

O 3 c 

" ï-, '~ 

es u 

tri J r- 



53 fad 



'5 

P - -7 - 



O! O 



5 si 

a - 

" r: 

o 

O — 

. - 5 
3 < 



*j a 
^ * > 



L 



9 - *" 
5 ca Ja * 2 



- S » « i; 



O 



U 



a 



■ - 



& 

l 



O 

rs 



.s 

! 

s 



-- 



1 



c 

- 



7' 



:=> 
C 

I 

- 



03 



i 



28 



Digitized bv Google 



stammen van het eiland alle als leden Maleisch-Polyneesche 
taalfamilie beschouwd worden. 

Als eenige grootere volksgroepen kan men op Celebes aan- 
nemen: de Makassaren, in. het zuiden van het westelijkste 
schiereiland, die op ongeveer 330 000 in aantal geschat worden 
en de Boegineezen, ongeveer tweemaal zoo groot in aantal, 
die het zuiden en de kusten van Celebes bewonen en als echte 
zwervers op zee zich op de overkust van Borneo en op vele 
kleine eilanden in het oosten en elders gevestigd hebben. 

De overige bevolking van Celebes wordt veel als de Al- 
foeren aangeduid. Men gebruikt dien naam verschillend, nl. 
voor de bewoners der Minahassa, in Bolaang Mongondow en hier 
en daar elders op de noordelijke landtong, maar ook wel be- 
paald voor de Heidensche bewoners van Centraal-Celebes. Deze 
laatsten worden echter meestal aangeduid met den algemeenen 
naam Toradja's, samengetrokken uit: To ri adja, d. i. be- 
woners van het bovenland. De naam Alfoeren vertegenwoordigt 
evenmin als die van Toradja een begrensd ethnographisch begrip. 
„Alfoeren" was steeds meer een veel gebruikte uitdrukking, 
waarmede de reizigers in den oostelijken Archipel naar het voor- 
beeld der Portugeezen of Spanjaarden de onbeschaafde volken 
in deze gewesten algemeen aanduidden, en die aldus op de be- 
woners van Noord-Celebes, Boeroe, Ceram, Halmaheira, Bang- 
gaai- en Soeloe-eilanden wel werd toegepast. Daar de belijders 
van den Islam zich hooger achtten te staan dan de Heidenen, 
is de naam Alfoer vooral door vreemdelingen voor de Heidensche 
volksstammen gebruikt. De naam Alfoeren is derhalve evenals die 
van Torad ja's geen aanduiding van een volksstam of volkenfamilie, 
doch enkel een gelegenheidsnaam voor minder beschaafde volken 
in het oosten van den Archipel ; de laatste bepaald voor de be- 
woners van het bergland vau Centraal-Celebes. Bij de Moham- 
medaansche volken van Celebes is Toradja ook identiek ge- 
worden met „heiden", „iemand die varkensvleesch eet", zegt Alb. 
C. Krdyt. Noch de Alfoeren, noch de Toradja's behooren an- 
thropologisch tot een scherp afgesloten stam; beide zijn in de 
verschillende gewesten, waar men ze vindt, vermengd met andere 
elementen. Zoo hebben vele Toradja's Boegineesch bloed in hun 
aderen, en zij zijn ook geenszins meer uitsluitend tot de boven- 



Digitized by Googlé 



435 



landen beperkt gebleven, maar men vindt ze in Centraal-Celebes 
eveneens aan de kusten. 

De bewoners van het N. van Celebes, de Minahassers, 
onderscheiden zich nog in vele opzichten van Boegineezen 
en Makassaren, evenzeer als van de Toradja's, zoodat wij die 
eveneens afzonderlijk zullen behandelen. 

Wij zullen deze volksgroepen nader beschouwen bij het 
land, dat zij bewonen. Daar Noord-Celebes, Z.W. Celebes en 
Centraal-Celebes alle afzonderlijk met het Nederlandsen gezag 
in betrekking kwamen, en er van geen algemeene Celebes-politiek 
sprake is geweest, kunnen daarbij de betrekkingen met het Neder- 
landsen gouvernement alsmede de bronnen van bestaan en de 
nederzettingen behandeld worden. 



UI. BESCHRIJVING DER AFZONDERLIJKE DEELEN EN DER 

NEDERZETTINGEN. 

a. Zuidelijk Celebes. 

- 

Door de westelijke helft van den zuidelijken arm van Celebes 
westelijkten ^ 00 ^ een bergketen, die slechts op enkele plaatsen van rivieren 
zuidoostelijke doorsneden wordt, welke rivieren uit het midden naar bet W. 

schiereiland, stroomen. In het zuidelijk gedeelte ligt tuaschen dit gebergte en 
bodem 

de kust een breede vlakte, die in enkele gedeelten op ± 30 M. 
en meer of minder hoogte oude strandterrassen vertoont, welke een daling van 
dat bedrag van den zeespiegel in Pleistoceenen tijd aanwijzen. Ook in het 0. 
loopt een bergketen door don zuidelijken arm, eveneens op enkele plaatsen van 
rivierdalen doorbroken, en in het Rijk van Boni met een vlakte er voor langs 
de oostkust, welko in het midden het breedst is by de Tjenrana-rivier , 
die uit het Tempe-raeer, in het midden, afvloeit. De oostelijke keten zet zich 
in het zuiden voort op het eiland Saleier, zooals uit de mededeelingen van 
Wichmann e. a. moet worden afgeleid. In het Z. van dit schiereiland vormt 
de Piek van Bantaeng (aldus genoemd naar de aan de zuidkust gelegen plaats 
Bantaeng, meestal ten onrechte geschreven Bonthain) ofLompo Battang, 
(lompo = groot) een zwaren vulkaankegel, die met de Etna valt te vergelijken, 
(Wichmann) ± 8075 M. hoog, waarmede ten N. daarvan een een weinig lager 
vulkanische borgmassa, de Bowonglangi, verbonden is. Ten N. van deze 
vulkanische afsluiting ligt tusschen de oost- en westketen een lengtedal, mis- 
schien een overblijfsel van een inham der Floreszee, welke door genoemden 
vulkaan is afgesloten, langs welk vruchtbaar dal de Wal lannae-ri vier naar 
het N. stroomt. De rivier is voor kleine booten gedeeltelijk bevaarbaar, en 



Digitized by Google 



436 

mondt uit in genoemde Tjenran a-rivier, op korten afstaud nadat deze uit 
het Tempe-meer is gekomen en naar het oosten stroomt Het Tempé- 
meer ligt in een komvormige inzinking, aan alle zijden door bergruggen om- 
ringd, welke laagte in den regentijd door tweo ineron wordt ingenomen, het 
genoemde en het Sidenreng-meer, welk laatstgenoemde echter in den drogen 
tyd tot een reeks onbeduidende plassen inkrimpt Deze meertjes z\jn tot de 
klasse der hooge riviermeren, zooals Von Richthofen ze noemt, te rekenen. 
De oppervlakte des bodems in het lengtedal bestaat uit lössachtig leem. Het 
Tempe-meer is al lang bekend; Wichmann heeft aangetoond, dat Jezuieten 
reeds in de 164« eeuw van de westkust tot hier waren doorgedrongen. 

Het eiland Saleier, door een smalle straat van het hoofdeiland gescheiden, 
heeft een eenzydigen bouw, zegt Wichmann; het oostelijk gedeelte van het 
eiland bestaat uit jonge eruptieve gesteenten, andesieten en tuffen, die langs een 
meridionale spleet zyn opgeperst, terwijl koraalkalk en mergel, welke niet ouder 
is dan bet Neogeen, daarnaast een lageren heuvelrug in 't oosten vormt. De 
kust van het eiland wijst op oen. sedert het Neogeen voortdurende, negatieve 
niveauverandering (dalen van den zeespiegel), doch doordien de golf van Boni 
door een inzakking ontstaan is, welke de O. helft van Saleier medevoerde in 
de diepte, vindt men geen jongere sedimenten aan de kust, en breekt die bij 
Saleier evenals bij Boni steil af in de diepte. 

De Zuidoostelijke arm van Celebes eindigt naar het Z.O. in de eilanden 
Boetoen, Moena, Kambaena, Wowoni. Boeton is een rotsachtig eiland, 
van geplooide (waarschijnlijk kalksteen) bergketens doorsneden, die in de as 
van het eiland loopen en tot 600 a 700 M. gaan. Moena, veel minder bergachtig, 
bestaat eveneens uit koraalrijken kalksteen, meer horizontaal gelaagd. Kambaena 
schijnt gedeeltelijk uit kalksteen te bestaan, gedeeltelijk in het Z. uit vulkanische 
bergen. Wowoni is eveneens een bergachtig eiland. Omtrent de gesteldheid des 
lands van het Z.O. schiereiland zelf is verder nog weinig bekend; alleen uit 
hetgeen de Inlanders er over hebben medegedeeld en uit het bezoek aan de 
kustplaatsen, die van tijd tot tijd door handelsschepen worden bezocht, is ge- 
bleken, dat het over 't geheel een bergachtig schiereiland is. In het N. er van 
schijnen eenige parallelle ketens uit Centraal-Celebes zich naar het Z.O. voort 
te zetten, tusschen welke het groote Towoeti-meer ligt, waarin van het N.W. 
door een lengtedal een rivier, de Koedidi-rivier, welke door het kleine 
Ma tan na-meer stroomt, uitmondt Dit lengtedal is een voortzetting van dat, 
waarin op 2° Z.Br. in Centraal-Celebes het Posso-meer ligt, hetwelk wij later 
bespreken. 



Boegineezen De hoofdbevolking in het boven beschreven gedeelte bestaat 
en Makassa- uit Boegineezen en Makassaren. Boegineezen en Makassaren 
™a n ^ e c ° n,toe " zijn verwante volken van gemeenschappelijke afstamming, en 
hoewel door de taal in den loop der tyden gescheiden, (zie 1,299) 
hebben zij overigens in levenswijze en karakter nog veel gemeen. In hun uiterUjk 
verschillen z\j weinig van de Javanen. Over 't geheel zijn zij lichamelijk welgevormd, 
slank, goed gespierd, eu boven de gemiddelde lengte; de vrouwen worden als 



Digitized by Google 



437 



schoener dan de Javaansche beschreven, terwijl de huidkleur, evenals die der 
mannen, lichter ia dan by de overige Maleische volksstammen. Het karakter 
der Boegineezen wordt door den heer Kooreman beschreven, als zouden zij 
gemakkelijk te leiden zijn, maar ongeschikt om zich naar vaste regels te schikken, 
zoodat zij, hoewel trouw en werkzaam, als bedienden by Europenanen moestal 
onbruikbaar biyken. Dat wraakzucht en zucht naar moord en roof hen bezielt, 
zooala dikwyis beweerd wordt, wilde Kooreman, die hen by ondervinding 
kent, niet geheel tegenspreken, al acht hy die karaktertrekken niet zoo over- 
heerschend als soms wordt voorgesteld. Doch door het slechte vorstenbestuur 
kunnen zich dergelijke eigenschappen wel by hen gevormd hebben. Dobbelspel 
en hanengevechten zyn by ben zeer geliefd; zucht naar avonturen voert hen 
soms tot diefstal, die men niet als schande beschouwt. In Baba en Boeloe 
moeten de meisjes de voorkeur geven aan een man, die goed kan stelen. De 
Boegineezen zyn een sterk ras, geschikt om vermoeienissen te doorstaan. Zij 
zijn kloeke zeevaarders, die langs de kusten zwerven en er zich op vele plaatsen 
als kolonisten gevestigd hebben, maar by hun aanraking met vreemde volken 
weinig van de zeden en gewoonten overnemen. Hetzelfde valt van de Makas- 
saren te zeggen. 

Boegineezen en Makassaren zyn sedert het begin der 17de eeuw Moham- 
medanen geworden, ofschoon de Islam er niet diep in de overtuiging is doorge- 
drongen. Hoewel er dus geen godsdienstig fanatisme by hen bestaat, verrichten 
zy vry nauwgezet hun godsdienstige plichten. Maar ook by hen zyn nog vele 
overblijfselen van den ouden natuurgodsdienst bewaard gebleven, zooals by 
alle volken van den Archipel. De beschermgeesten, in wier dienst de Bissoe's 
(priesters en priesteressen onder de Boegineezen) staan, herinneren nog aan de 
animistische richting van den natuurgodsdienst. De vereering der voorouders 
speelt een groote rol in den godsdienst der Boegineezen ; daarmede hangt ook 
samen de vereering der „ornamenten" en het heilig beschouwen van kroko- 
dillen, in welke lichamen de zielen na den dood zouden verhuizen, en van de 
palingen, die, evenals de krokodillen op het geluid van metalen bekkens aan 
land komen en kippenboutjes verslinden, hun door de vrouwen aangeboden. 

De Boegineezen in Zuid-Celebes. waar zy aaneengesloten wonen, zyn naar 
hun socialen toestand te" onderscheiden in vorsten met hun afstammelingen 
en andere adeliyken, de gewone volksklassen en de slaven of pandelingen. 
In de staten, waar het recht tot zelfbestuur bestaat, behooren slaverny en pande- 
lingschap tot erkende instellingen ; in de Gouvernementslanden wordt de slaverny 
nog erkend maar zooveel mogeiyk beperkt door verordeningen. 

In staatkundig opzicht zyn Boegineezen en Makassaren in een groot aan* 
tal kleine rijkjes verdeeld, aan welker hoofd een vorst of vorstin staat, met 
den titel „aroeng" (aroe), „datoe" of „paetta mangkaoe". De vorst wordt by- 
gestaan door een ryksbestuurder en een ryksraad, „hadat", meestal met groote 
macht. Dat vrouwen hier dikwyis het bewind voeren, is wel opmerkeiyk, en 
eveneens is het byzonder, dat de vorst van een rykje soms een aanzienlyke 
betrekking vervult in een ander r\jk. Het leenstelsel bestaat er algemeen en 
wordt dikwyis uitgebreid, doordien een vorst aan bloedverwanten gedeelten van 



Digitized by Goo 



438 



zyn gebied in leen geeft, om die aan zich te verbinden en hulp van hen te 
verkregen in den oorlog. 

Een belangryke rol vervullen de rykssieraden of ornamenten in het 
staatsleven der Boegineezen. Die ornamenten bestaan uit voorwerpen van allerlei 
aard, geenszins sieraden, maar aan welker bezit de Boeginoos een hoogeren in- 
vloed toeschrijft, en waaraan de vorst een zeker gezag ontleent. In den geheelen 
Archipel komen dergelijke ornamenten met die beteekenis voor; zy maken het 
voornaamste deel uit van de z.g. poesaka's, d. i. heil aanbrengend erfgoed, het- 
welk met grooten eerbied wordt beschouwd en waaraan offers worden gebracht. 
In zekeren zin is dit een feticisme; de ornamenten zyn een soort van fetisclien 
voor vorsten, en wie die bezitten ontleenen daaraan hun gezag. Daarom wordt 
er aan bet bezit dier ornamenten of rykssieraden zulk een groote waarde ge- 
hecht, en hebben zy hier in 'tbyzonder staatkundige beteekenis. 

De kampongs of dorpen in het Z. van Celebes liggen meestal op een niet 
broeden zoom, welke het schiereiland langs de kust omringt, en die van kust- 
rivieren wordt doorsneden. Dieper landwaarts wordt de volksdichtheid meestal 
geringer. De kampongs zyn doorgaans klein en bestaan by de Boegineezen uit 
5, 10 a 20, zelden uit meer dan 40 woningen, die ieder door 10, 20 of meer 
personen bewoond worden en ordeloos door elkander geplaatst zyn. Al de huizen 
zyn op palen gebouwd ; ongeveer 2 M. boven den grond zyn de vloerbalken aan- 
gebracht. De ruimte onder de woning dient voor bergplaats van allerlei, 's nachts 
ook als paardenstal, en ziet er niet zindeiyk uit. Tusschen de woningen ziet 
men hier en daar karbouwenkralen, echte modderpoelen, van een ruwe omhei- 
ning voorzien. Het huisraad is uiterst eenvoudig en bestaat uit een weefstoel, 
aardewerk, enkele metalen spysborden en de noodige slaapmatjes. De kleeding 
der Boegineezen is zeer sober en bestaat uit een korten broek, ongeveer 
als een zwembroek, een hoofddoek en een sarong, die by hitte of regen over 
het hoofd wordt getrokken en 's nachts tot deken dient. In den buikgordel steekt 
kris ot klewang en is de „poeroekaeng"' (Makass : „pawo-pawo") bevestigd, een 
meestal roeden zak, waarin sirih, duiten enz. bewaard worden. Op de hoofd- 
plaatsen dragen de meesten, althans by feestelyke gelegenheden, een badjoe; 
in de binnenlanden alleen regenten, aanzienleken en hoofden. De aanzienleken 
dragen kort haar, terwyi de minderen het lang dragen. 

By geboorte en huwelyk hebben talryke ceremoniën plaats, welke gedeel- 
teiyk in verband staan met de bygeloovige vrees voor geesten, gedeeltelik aan 
vroeger bestaande matriarchale toestanden herinneren. Huwelijken worden ge- 
wooniyk door de ouders voorbereid, en daarby wordt er veel op gelet, of de man 
van geiyken stand is als de vrouw,; zy, die een mesalliance aangaan, worden 
onmiddeliyk verstooten. De huweiyksgift (sompa) is by het sluiten der huwe- 
lyken van groot belang en wordt in geld of geschenken betaald; het bedrag, 
dat vroeger veel hooger was, wisselt meest af tusschen f25 en f80, waarvan 
de bruid slechts ± f2 (een róaal) krygt, en het overige aan de bloedverwanten 
komt. Enkele ceremoniën by de huwelyksfeesten, waarby de bruid den man 
nog zoekt te ontvluchten enz., herinneren door den vorm nog aan oude, thans 
niet meer bestaande huweiykstoestanden (zie I, pag. 353). Ook de veelvuldig 




Digitized by Goool 



439 



voorkomende schaking wijst daar op. De kinderverdeeling uit een huwelijk by 
de Boegineezen (mapoewe-awo, d. i. letterlijk : een bamboe juist in tweeën splitsen) 
bestaat daarin, dat zy gedeeltelik aan de moeders behooren, die het oudste 
kind krijgt, terwyl den vader het volgende ten deel valt en by een oneven getal 
het jongste aan beiden behoort, hoewel de moeder het recht heeft dit tegen 
eene betaling te naasten. De toestand der vrouw is onder Boegineezen en Ma- 
kassaren een zeer gunstige; zvj voert het beheer over het huishouden, eet ge- 
zamenlijk met den man, aan wiens linkerzijde zij echter zit, maar de man zal 
zelden iets verrichten, zonder haar te raadplegen. In het openbare leven speelt 
de vrouw zelfs vaak een groote rol; by regentskeuze neemt zy ijverig aan de 
verkiezing deel, by publieke feesten nemen de vrouwen plaats onder de mannen, 
en zy hebben zelfs deel aan de openbare beraadslagingen. Vrouwen beklimmen in 
Zuid-Celebes zelfs niet zelden den troon, zeiden wy, en trekken ook als stryders wel 
mede ten oorlog. De echtelieden blyven in hun familie; in den regel neemt de 
man of vrouw intrek by dengene, die grond bezit. Alleen wanneer de man 
door zyne middelen of bedryf beter in zyn woonplaats dan in die zyner vrouw 
terecht kan komen, trekt de vrouw, die grond bezit, toch by hem in. Gemeen- 
schap van goederen bestaat niet ; ieder is aansprakeiyk voor zyn schulden, tenzy 
zy met voorkennis der vrouw zyn aangegaan, die dan als borg wordt beschouwd. 
Gewooniyk echter beheert de man het vermogen van de vrouw, doch ten haren 
bate. De goederen ten huweiyk aangebracht of door een van beiden tydens het 
huwelyk verkregen, vallen dus niet in de gemeenschap, wel die door gemeen- 
schappeiyken arbeid verkregen. 

De leefwyze der Boegineezen is eenvoudig en matig, het hoofdvoedsel is ryst 
met toespyzen en versche of gedroogde visch. Alleen by feestelyke gelegenheden 
wordt een buffel geslacht. De arme bergbewoners leven hoofdzakelyk van mals. 

De hoofdbron van bestaan voor de Boegineezen en Makassaren is land- 
bouw en scheepvaart. Op de vlakten, voornamelyk langs de kusten, wordt de 
rystcultuur gedreven, doch de opbrengst is meestal niet voldoende; alleen in 
de noorderdistricten Soppeng en Sidenreng heeft men wel eens iets over. Maïs wordt 
vooral in de bergstreken geteeld. De ny verheid is weinig ontwikkeld en is huis- 
werk, vooral in de Mandarsche staten, nl. Balangnipa. De Mandarsche sarongs 
zyn beroemd en worden veel uitgevoerd; sarongs van Saleier, Bira en de Noorder- 
districten hebben goeden naam door hun fijne weefsel. Vlechtwerk wordt ver- 
vaardigd voor eigen gebruik; goud- en zilversmeden vindt men in onderscheidene 
kampongs, vooral in Makassar, Goa, Boni en Mandar, yzersmeden vooral in 
Loewoe, Laiwoei, Mandar. Verder scheepsbouw. De inzameling van boschpro- 
dukten is een betrekkelyk belangryke bron van inkomsten voor de bevolking. 

Doch bovenal onderscheiden de Boegineezen zich door hun geschiktheid en 
voorliefde voor de scheepvaart. Reeds eeuwen geleden waren zy als zoodanig 
bekend, en Boegineesche kolonisten hebben zich op de kusten van onderscheidene 
eilanden gevestigd, vooral op de O. kust van Borneo, doch ook op andere eilanden, 
zooals wy opmerkten by verschillende eilanden. De onderkoning van Lingga stamt 
af van een Boegineesch geslacht (zie II pag. 833), en ook op de kust van Su- 
matra hebben zy in de 18d« eeuw een belangryke rol gespeeld. 



Digitized by Google 



440 



Die zucht om te trekken is als het ware nog de uitdrukking van het vroeger 
zwervend stamleven der Makassaren en Boegineezen. Zy zyn weinig gehecht 
aan hun geboortegrond; zv) stellen er geen prijs op daar te wonen, en zyn 
tevreden, als zy dien grond zoo nu en dan terugzien en kan dat niet, dan 
schikken zy zich daarin gemakkelijk en sterven niet van heimwee. Geen plaats 
in den Indischen Archipel, waar handel te drijven en geld te verdienen is, of 
er wonen Makassaren en Boegineezen. Zij zwerven rond van oord tot oord, en 
als men ze ergens vindt, meene men niet, dat dit hun eerste plaats van ves- 
tiging in den vreemde is. Velen hebben den geheelen Archipel doorgezworven 
en op tal van plaatsen tydeiyk verblijf gehouden; men treft lieden in den vreemde 
aan, die van vaders zijde van Makassaren afstammen, maar nooit hun land zagen. 
Toch vermengen zij zich niet als de Maleiers met de inheemsche bevolking, houden 
zich er van gescheiden, en wanneer zij de dochters er van trouwen, worden de 
kinderen als Makassaren opgevoed en spreken de Makasaaarsche of Boegi- 
neesche taal. 

De onbebouwde gronden in hun gebied behooren tot het district en zyn 
niet over de kampongs verdeeld; waar geen woeste grond meer gevonden wordt, 
is het grondgebied nauwkeurig voor elke kampong bepaald. De rechten der leden 
van het district op die gronden bestaan in het ontginningsrecht, jachtrecht, 
weiderecht en recht tot het kappen van hout, inzamelen van boschprodukten 
enz. Ieder lid van een district heeft het recht zooveel gronden te ontginnen, als 
hy alleen of met behulp van anderen kan bebouwen. Waar de gronden schaarsch 
zyn, moet van het voornemen tot ontginning kennis worden gegeven en kan 
het zelfs verboden worden. De ontginner krygt recht van erfehjk vruchtgebruik, 
doch het district biyft eigenaar van den grond. De bebouwde gronden zyn par- 
ticuliere of familiegronden ; het laatste komt minder voor en alleen nog by 
adeliyke geslachten. Het familiebezit van den grond is in Zuid-Celebes evenals 
in de Minahassa aan het particulier bezit voorafgegaan. Het recht van vrucht- 
gebruik kan worden verhuurd, weggeschonken en verpand doch niet verkocht 
Grondverhuur heett plaats tegen afgifte van een bepaalde hoeveelheid produkten 
(byv. een pikol koffie), wat zelden het geval is, of tegen een bepaald gedeelte 
van den oogst. Als de verhuurder byv. de karbouwen en de zaaipadi geeft, krijgt 
hy '/}> anders '/ 3 enz. Sommige gronden verkeeren in een byzonderen rechts- 
toestand, nl. de ornamentsvelden (zie by ornamenten), de vischvyvers, die ook 
verkocht mogen worden, gronden, waarvan de bezitter heerendiensten moet prae- 
steeren, heilige bosschen, waarin niet mag worden gekapt e. a. Groote uitge- 
strektheid hebben die in Bantaeng. 

Betrekkingen Celebes lag minder dan de reeds behandelde groote eilanden 
tot Nederland aan een algemeen bezochten verkeersweg door den Archipel, en 
^untuntoe-'" bleef daardoor ook langer buiten den invloed van vreemdelingen, 
stand. Neder- In de oudheid en in de middeleeuwen werd Celebes minder dan 
zettingen. j aV a en Sumatra door de Aziaten bezocht. 

De Molukken vormden door hun produkten meer een aantrekkingspunt 
dan het eiland Celebes. Hierdoor wordt het verklaarbaar, dat de Portugeesche 



441 



geschiedschrijvers omstreeks het midden der 16de eeuw van geen Moharame- 
daansche gebruiken op Celebes melding maken, waardoor men mag aannemen, 
dat het Heidendom er nog uitsluitend heerschte. Wy zeiden reeds (I, 335), dat 
de verbreiding van den Islam op Celebes is begonnen in het eerste gedeelte der 
17de eeuw, en dat die van het zuiden uitging. 

Van de Europeanen kwamen de Portugeezen in 1512 bet eerst op de kust 
van dit eiland, waar zij te Makassar omstreeks 1540 een factorij oprichtten. 
Makassar lag in de route van het westen naar de Molukken en had door die 
bemiddelende ligging reeds vroeg een aanzienleken handel op het oosten van den 
Archipel. Het valt dus niet te verwonderen, dat de westersche handelaren 
deze plaats aandeden. De Nederlanders kwamen bier reeds in 1607 om handel 
te dr\jven, doch wisten er eerst door expedities in 1660 en 1667 hun gezag 
te vestigen. W\j hebben reeds vroeger aangeduid, hoe de vestiging van het Ned. 
gezag in Zuid-Celebes heett plaats gevonden. (Zie I, pag. 420). De tegenwoordige 
opstand van Boni, Gowa enz. maakt, dat de staatkundige verhoudingen in 
Zuid-Celebes wel gewijzigd zullen worden. 

Het Z.W. schiereiland, het grootste gedeelte van het Z.O. schiereiland, en 
het westelijkste deel van Centraal-Celebes, waar de beide schiereilanden samen- 
komen, is met de omliggeude eilanden, benevens van de Kleine Soenda eilanden 
Soembawa en westelijk Flores, vereenigd tot de administratieve afdeeling het 
Gouvernement van Celebes. Hiertoe behooren 1°. onderscheidene staatjes, 
welke in verschillende tijden tot het Bongaaisch tractaat (zie I pag. 420) zjjn 
toegetreden, en die daardoor bondgenooten werden van het Ned. gouver- 
nement, de z.g. bondgenootschappelijke staten als: Gowa, Bar roe, Lal kan g, 
Soppeng, Adja Tapparang, Mandar, Kaili, Tontoli of Toli-Toli, 
Loewoe, Laiwoei of Kandari en Boetoen, Bima, Soembawa, Dom- 
poe, Sanggar, Wadjo en Masinrimpoeloe, rijkjes over het geheele ge- 
bied van het Gouvernement Celebes en Onderhoorigheden verspreid en vele nog 
weer uit onderscheidene landschappen bestaande. Daarnaast vindt men 2°. de 
leenroerige landen: Boni, met Lamoeroe als achterleen, en Tanette met 
het achterleen Lipoekasi. Verder zijn onder onmiddellijk Nederlandsch gezag 
3°. de Gouvernementslanden, welke onder het direkt bestuur van den Gouver- 
neur van Celebes en Onderh. staan, die te Makassar is gevestigd. Deze bestaan 
uit de afdeeling 1. Makassar met de eilandengroepen: Sper monde- Ar- 
chipel, de De wakang-eil., de Postiljoneil., de Groote Paternoster- 
ei 1.; en verder nog uit de volgende afdeelingen: 2. Noorderdistricten, met 
de hoofdplaats Maros, 3. de Zuiderdistricten met de hoofdplaats Ban- 
taeng; 4. de Oosterdistricten met de standplaats Sindjai; 5. Takalar 
met de hoofdplaats Takalar; 6. Saleier, 7. afdeeling Palosbaai, stand- 
plaats Donggala, 8. afdeeling Bima standplaats Bima; 0. Tontoli, stand- 
plaats Laboean-Dedeh. 



Makassar Van de nederzettln 8 en in difc gedeelte beschrijven wij enkel 

Makassar nader. Makassar is de hoofdplaats van het Gouvernement 
en vormt een aanzienlijke handelsplaats met 21400 inw. waarvan 16 050 InL, 



442 



4200 Chiii., 040 Europ., en 120 Arabieren. De Inlandscbe bevolking bestaat 
voornamelijk uit Makassaren en Boegineezen, die in de plaats, wat levens wijze 
betreft, veel overeenkomen met de Maleiera. Op de hoofdplaats wordt voornamelijk 
Makassaarsch gesproken. 

Het oudste gedoelte der stad Makassar heet nog Vlaardingen. Hier is de 
handelswijk met de Passerstraat als centrale weg, door kantoren en pakhuizen 
der Europeesche kooplieden aan de eene en een Chineesche toko aan de andere 
zijde omringd. Daar die gebouwen in afwijking van den Indischen bouwtrant 
dicht naast elkander staan, en sommige zelfs meer dan een verdieping hebben, doet 
dit gedeelte van Makassar in vele opzichten door het uiterlijk aan een Hollandsche 
stad denken. Van Soerabaja de reede van Makassar naderende, valt eerst het 
fort Rotterdam in het oog, dat tot verdediging tegen een buitenlandschen vijand 
niet veel beteekent, maar de bevolking toch ontzag inboezemt. Over het plein gezien 
biedt het met zijn hooge klipsteenen wallen, waarboven de kazernes en de oud- 
Hollandsche officierswoningen uitateken, een schilderachtjgen en antieken aanblik. 
Van de pier naar de stad wandelende komt men op het Hooge pad, een broeden 
rijweg met prachtige tamarindeboomen, wel 20 min. lang. Alleen links van dien 
weg vindt men de woningen der Europeesche ingezetenen, de sociëteit „Har- 
monie", het Gouvernementskantoor en het paleis van den Gouverneur, in strengen 
eenvoud gebouwd, uit twee verdiepingen bestaande, en met vleugels van een 
verdieping. Het fort ligt aan de zuidzijde van het Prins Hendrikplein met Gou- 
vernementskantoren, dat zich westelijk tot zee uitstrekt en zich oostwaarts 
verbreedt tot het groote Kerkplein, zoo genoemd naar het Protest, kerkje. Het 
Koningsplein is een reusachtig grasveld, door fraaie wegen omgeven, en waar 
o. a. de gebouwen van den Raad van Justitie staan. 

Om de kern van Makassar liggen de Inlandsche kampongs in een lage, 
moerassige omgeving. In een dier kampongs ligt het graf van Diepo Negoro, 
den leider van den Java oorlog 1825 - 30, die bier in 1855 in ballingschap stierf. 

De opkomst tot een zoo levendige handelsstad heeft Makassar vooral te 
danken aan de in vele opzichten economisch gunstige geographische ligging in 
het midden van den Archipel, die de nederzetting als het ware heeft voorbestemd 
om de stapelplaats te worden voor den handel op den oostelijken Archipel, 
de Molukken, Celebes en de oostkust van Borneo. Een groot deel van den handel 
in dit gebied is dan ook reeds lang in handen van Makassar. en nu de lang 
ontbeerde geregelde stoombootverbinding met Europa tot stand is gekomen, is 
de handel nog sterk toegenomen. De Java*, China- en Japan-lijn, die geregeld 
met haar booten Makassar aandoet, opent de mogelijkheid voor het aanknoopen 
van directe handelsverbingen met China en Japan. Makassar is, evenals Singapore 
en zooals Sabang worden zal, vóór alles doorvoerhaven ; het achterland in Celebes 
is voor de plaats niet van groote beteekenis. Nijverheid is er nagenoeg niet. 
Het veld van afzet voor den handel ligt te Makassar grootendeels elders. De 
roden voor het bestaan van den handel hier is, naast de veilige haven, een gemak- 
kelijke en min kostbare gelegenheid tot laden en lossen, de gelegenheid om de 
uit Europa aangevoerde goederen te ontpakken en te sorteeren en zoo geschikt 
te maken voor den uiteeuloopenden smaak van de bewoners der uitgestrekte en 



Digitized by Google 



443 



uit elkander liggende streken en eilandjes, dio van Makassar hun industrieartikelen 
ontvangen. Hand in hand daarmede worden de van de onderscheidene eilanden ont- 
vangen produkten hier gereinigd, uitgezocht, gesorteerd, verpakt en aldus geschikt 
gemaakt voor de consumptiemarkten. Dat is MakasBar zelf slechts in geringe mate. 

De vischmarkt van Makassar is hekend als een der rijkste van den ge- 
heelen Archipel ; van al de Spermonde-eilanden enz. brengen de visschers hun 
waar naar de hoofdplaats. 

Het handelsgebied, waarvan Makassar de uitvoerhaven is, levert tripang, haaie- 
vinnen, rotting, sandelhout enz. op, handelsartikelen, die in China gewild zijn, 
en die vroeger door bemiddeling van handelaren uit Singapore daar aan de markt 
werden gebracht; verder vogelhuiden, coprah, gom copal, huiden, notenmuskaat enz. 

De reede van Makassar is in den Oost-moesson volkomen veilig, hetgeen 
ook vrijwel geldt voor den West-moesson, door de Groot- en KleinLaeLae- 
banken, die zich ten W. evenwijdig met de kust uitstrekken, en b\j laag water 
soms droog vallen, kade en reedo beschermen. De aanblik der haven is vrooiyk 
en levendig; eerder zou men aan een Europeesche dan aan een Indische zee- 
haven denken. Tot nog toe was Makassar sedert 1846 een vrijhaven, daar Celebes 
eon van de weinige eilanden was, waar geen in- en uitvoerrechten geheven 
worden. Dit is veranderd met 1 Jan. 1906, toen het eiland bij het tolgebied werd 
ingelijfd en tot heffing van uitvoerrechten op boschprodukten is overgegaan. Voor 
dit doel was het noodig, dat eenige werken werden uitgevoerd. 

De houten steigers, van welke er een achttal aanwezig waren, en die grooten- 
deels aan de handelshuizen toebehoorden, werden langzamerhand gesloopt en 
tegelijkertijd werd een nieuwe ijzeren aanlegsteiger gebouwd, ongeveer 500 M. 
lang. Oorspronkelijk bestond het plan den steiger onmiddellijk met den vasten 
wal te verbinden, maar dit moest men al spoedig laten varen, daar de grond- 
formatie en de diepte het niet toelieten, en de kaaimuur 5 M. naar achter moest 
verplaatst worden. De steiger biedt nu ligplaats aan voor een vijftal stoomschepen, 
als van de Kon. Paketvaart Mij. Door middel van 8 overloopen is hij met den 
vasten wal verbonden, waar een terrein is afgezonderd voor het bouwen van 
6 loodsen en 2 entrepots. De pier biedt tevens geschikte gelegenheid om na 
een warmen dag een luchtje te scheppen boven het water. 

Links van de pier vindt men de haven voor de prauwen, waar allerlei pro- 
dukten als sirih, hout, vruchten enz. van de 38 naburige eilandjes gebracht worden. 

De uitvoer van Makassar en het scheepvaartverkeer hebben in de laatste 
jaren groote uitbreiding verkregen door de stoomvaartverbinding met Europa, 
de" „Deutsch- Australische Dampfachiffahrt Gesellschaft", later ook door de vracht- 
booten van de „Nederland" en de „Rotterdamsche Lloyd", die het aandoen. De 
cijfers der in- en uitklaringen namen daardoor sterk toe. Ztf bedroegen: 



Dozo vermeerdering van den uitvoerhandel van Makassar geschiedde voor een 



1898 
1900 
1902 
1904 



871 schepen 
511 „ 
609 „ 
700 



264 713 ton 
527 844 „ 
C66 590 „ 
1 292 700 „ 



Digitized by Google 



444 



i 



gedeelte ten koste van Singapore, doordien vele produkten, die vroeger eerst 
naar Singapore hun -weg namen, thans onmiddellijk van Makassar verscheept 
worden naar de landen van bestemming. 

De uitvoer van Makassar in 1906 omvatte, volgens de Indische Mercuur, 
o. a. de volgende artikelen, waarbij de landen van bestemming is opgegeven. (Voor 
1905 van Jan.— Nov. De vorige jaren volgens de „Macaaaar Market Reporta"). 



Uitvoer van Makassar. 





Koffie ! 

in 1 
in 

pikol». 


Rotting 

in 
pikol». 


Gom- 
copal 
in pik. 


Purle- 
moer 
in pik. 


Huiden 

in 
pikols. 


Noten- 
muskaat 

in pik. 


Coprmh 

in 
pikol*. 


Europa 


20159 


44 363 


25 876 


3 863 


4 655 


1828 


407 782 


New-York .... 


408 


120 


2 963 


787 


111 


3 442 




China 


608 


29 274 




142 


1915 




301 


Java 


4 667 


101 


6 




290 


1289 




Singapore. .... 




655 


15 624 


68 


3602 


797 


1498 


Totaal 1905 .... 


25 742 


74 518 


48 969 


4 860 


10 573 


7 356 


409 581 


Totaal 1895 .... 


37 687 


18 226 


54 311 


975 


4 666 


4 670 


95 959 


Totaal 1890 .... 


72 277 


5 990 


18 286 


11886 


1876 


1 3 566 


5 568 



Hieruit blijkt, dat de handelsbeweging te Makassar in de laatste 15 jaren 
enorm is toegenomen in alle artikelen, de koffie uitgezonderd, die achteruitging. 
Vroeger het belangrijkste uitvoerartikel van deze plaats, wordt de opbrengst 
der koffie hoe langer zoo geringer. De oogsten worden telkens kleiner; het 
schijnt aan woeste gronden voor de koffiecultuur te ontbreken, terwijl ook de 
lage prijzen de koffleteelt tegenhielden in de laatste jaren. 

Is de handel de hoofdbron van bestaan der bevolking in Makassar, daar- 
enboven houdt zij zich bezig met de vischvangst, den scheepsbouw, die zich 
uitstrekt tot alle soorten van inlandsche vaartuigen, het breien van netten, het 
maken van brei- en vlechtwerk, het vervaardigen van welriekende olie, zooals 
de Makassarolie, het uitoefenen van verschillende ambachten, als goud- en wapen- 
smederij, schrijnwerkerij enz. De vrouwen hebben groote bedrevenheid in het 
spinnen en weven van katoenen en andere stoffen, niet alleen voor eigen ge- 
bruik, maar ook voor den uitvoer. 



In het Zuiden ligt Bantaëng, gewoonlijk Bonthain ge- 

zettingen. 



verdere neder. noemd> met 5960 inw ( waarv . 230 Chin. en 160 Europ.), aan een 



veilige reede, met levendigen handel met Saleier en Makassar. In 
het Zuiden der oostkust ligt Sin dj ai of Balangnipa, met 1200 inw., waar- 



Digitized by Google 



445 

van 116 Chin. en 25 Europ.). Op bet eiland Saleier ligt de kampong Saleier, 
een complex van verscheidene kleine kampongs, die geheel verscholen onder 
hooge klapperboomen aan zee liggen. Er moeten wel 600 000 klapperboomen op 
het eiland staan, waardoor de uitvoer van coprah aanzienlek is. 

Van MakasBar langs de westkust naar het N. bereikt men de Maros rivier, 
die met onderscheidene monden in zee loost, doch die door schepen van eenigen 
diepgang niet kan genaderd worden, omdat de bank voor den mond by laag 
water niet meer dan 1 voet diep is. Ook de rivier zelf is slecht bevaarbaar; 
de oevers ztyn zeer vruchtbaar. Maros, de hoofdplaats der Noorderdistricten, telt 
1500 inw. Ten W. ligt hier in zee de Sper monde- Ar chip el, een groep van 
zeer kleine, lage eilandjes, met koraalriffen omringd en waarvan er vele be- 
woond ztfn. Op sommige vindt men klapperboomen, doch de zandige bodem is 
verder voor den landbouw ongeschikt. 

Voorby de Pa re-Pa re-baai, alwaar de kampong Pare Pare, met eenigen 
handel, ligt, loopt de kustiyn N. en vervolgens N.W., waarde Sadang-rivier 
uitmondt, en voorby eenige kleine rykjes komt men in het ryk Man dar, een 
bondgenootschappeiyk land. De bevolking bestaat uit Mandareezen, naar afkomst 
Toradja's en Boegineezen, en Toradja's in het binnenland. De bevolking houdt zich 
bezig met landbouw, vischvangst en handel. De landbouw bepaalt zich in de 
strandkampongs tot de teelt van pisang, kapok, sago, maïs, een weinig ryst en 
klappers. Boschprodukten worden wegens bezwaren aan het vervoer verbonden 
niet verzameld; de rotan is van slechte kwaliteit. 

Ten N. van Mandar treft men langs de kust meest Boegineezen aan, weinig 
Chineezen. Pambaoewang is hier een belangrijke handelsplaats; de bewoners 
al bier zyn tevens vrachtvaarders in een groot gedeelte van den Archipel. Uit 
de Molukken halen zy met eigen vaartuigen paarlemoerschelpen, tripang, schild- 
pad, paradysvogels, hout enz. en brengen die met produkten van hun land naar 
Sumatra en Singapore, vanwaar zy terugkomen met Europeesche krameryen, 
garens, Ujnwaad, petroleum en opium, die zy weder naar de Molukken en zelfs 
naar Nieuw-Guinea vervoeren. Ook is er een drukke handel met Makassar en 
voorziet deze plaats de geheele kust van aardewerk voor huishoudel\jk gebruik. 
Te Pambaoewang is ook een drukke scheepsbouw, waartoe het hout wordt aan- 
gevoerd van Mamoedjoe en elders. Mamoedjoe, noordelyker gelegen, heeft ook 
belangryken handel; sago, tripang en rotan worden uitgevoerd; ryst en manu- 
facturen ingevoerd. 

b. Menado en NoordCelebes. 

^ De noordelyke arm van Celebes tot Kaap Baros in het W. 

Menado. 0 bÏ en met het p <»so-meer en omstreken in het Z. in Centraal Celebes, 
trekkingen aan den zuidkant der Golf van Toraini tot Kaap Api gaande, heet 
met la jjj der " in administratief opzicht de residentie Menado. Deze residentie is 
gevormd uit de vroegere onder-residentiën Menado en Gorontalo, 

die in 1824 van de Kesidentie Ternate en Onderhoorigheden werden gescheiden, 

en onder het hooger gezag van den toenmaligen Gouverneur der Moluksche 



Digitized by Google 



446 

eilanden tot een afzonderlijk gewest werden verheven. In 1864 werden 3üj tot een 
afzonderlijke residentie verklaard. Deze omvat: 

1. Minahassa of het zoogen. bondgenootschap van Menado,- met de wes- 
telijk daarvan langs de noordkust gelegen landschappen of rijkjes Bolaang 
Mongondou, Bolaang Oeki, Bintaoena, Bolaang Itam, Kaidipan 
en Bwool, alsmede de Sangi- en Talauer-eil. 

De Minahassa is verdeeld in drie afdeelingen: Menado, Tondano 
en Amoerang. 

2. De afdeeling Goronlalo, bestaande uit het rechtstreeksch gebied, de aan 
de bocht van Tomini gelegen landschappen: Moe ton, Sigenti, Kasimbar, 
Toriboeloe, Ampibabo, Parigi, Saoesal, Tambarana, Posao, 
Todjo en de eilanden in die bocht: Oena.Oena en bijna alle Togean* of 
Schildpad-eilanden. 

In Minahassa werd door de bewoners in het midden der 17de eeuw de hulp 
der Compagnie ingeroepen om hen te beschermen tegen de Spanjaarden, waar- 
aan werd voldaan. De bescherming, die hiermede aan de Minahassers gegeven 
werd, verkreeg een vasten vOrm en het karakter van suprematie, toen de Com- 
pagnie te Menado, oerst onder den titel van „ Onderkoopman", later van „Resi- 
dent" haar vertegenwoordigers zond, en een steenen „vastigheid", het fort Am- 
sterdam, te Menado werd opgericht. Al werd eensdeels gerekend, dat door Ternate, 
hetwelk eenig gezag in Minahassa had, dit gewest aan ons werd afgestaan, eerst door 
contracten met de bevolking zelf werd het Nederlandsch gezag daar voor goed 
gevestigd. Het eerste verbond dagteekent van 1679 en werd door vele met 
de onderscheidene volkjes uitgebreid en bevestigd, terwijl het Nederlandsch bestuur 
dieper doordrong. 

Vooral in den tijd, toen de verplichte koffiecultuur hier werd ingevoerd, 
waa boter toezicht noodig, en werden de oude tradities en verhoudingen door 
nieuwore, meer op Westersche leest geschoeid, vervangen. Hierdoor is in den 
loop des tyds over de Minahassa het rechtstreeksch bestuur in de volle beteekenis 
des woords, gevestigd geworden. Werden in 1859 door den resident Jansen 
bij het Pajongfoo8t te Tondano, de uitreiking van het Oostersch symbool van 
gezag, de vergaderde Minahassahoofden nog bij afwisseling aangesproken als 
„vrienden", „bondgenooten" en „onderdanen" van Nederland, toch was door 
de aanstelling en afzetting van hoofden, het heffen van belastingen en het oefenen 
van de rechtspraak, het rechtstreeksch bestuur van het Ned. Ind. Gouvernement 
toen reeds een voldongen feit geworden. Terwijl in de afdeelingen nog, zooveel dat 
mogelijk was, het stamverschil bewaard werd, is in de districten bij uitsterving 
van regeerende geslachten of bij moeieiykheid der keuze van een opvolger dik- 
wijls samensmelting gevolgd, en terwijl er in 1840 nog 27 verschillende dis- 
tricten bestonden, is dit getal thans tot 18 verminderd. 

In den loop der 19de eeuw zijn met een groot aantal stammen of landjes 
in de binnenlanden contracten gealoten. Wy zullen die niet opsommen; men 
vindt ze vermeld in het artikel Contracten der Encycl. v. N. I. en verder bij 
Boudewijn.se en Van Soest, De Indo-Nederl. Wetgeving. 



447 



DeMinahassa. 



Het N.0. deel van Celebea tusschen 0° 49' en 1° 51' N.Br. 



Gesteldheid heet M i n a h a s s a (= bondgenootschap), een gebied dat een opper- 
des bodems. v i a kte heeft van ± 4675 K.M.* (weinig kleiner dan Gelderland). 
Orographisch kan dit gedeelte ingedeeld worden in het KI abat-schiereil., 
het Tondano-bergland en het Grensgebergte naar het Rijk van Bolaang- 
Mongondou. De zee behoeft betrekkelijk niet zeer hoog te rijzen, of het N.0. ge- 
deelte van Minahassa, hot Klabat- schiereil., zal een eiland worden. Tusschen de 
golf van Kema en de golf van Menado toch ligt een inzinking van het bergland, 
welke niet hooger dan 233 H. gaat, en in den Pleistoceenen tijd was hier een 
kanaal, dat echter door het materiaal der vulkanen aan beide zijden werd 
aangevuld, waardoor het KlabaUeiland met Celebes werd verbonden. 

Op het Klabat-schiereiland verheffen zich onderscheidene vulkanen, waar- 
van de Klabat de aanzienlijkste is, zoodat men met recht dit gedeelte daarnaar 
kan noemen, gelyk de Sarasins deden. De Klabat heeft een hoogte van ± 2019 M. 
en bestaat uit een grooten vulkaankegel, op welke talrijke parasietische kegels 
ontstaan zijn. De basis van den vulkaan schijnt te rusten in een bekkenvormige 
inzinking, zoodat de Sarasins vermoeden, dat hij is opgebouwd binnen een in- 
zinkingsdal. Verder N.0. ligt de Soe dar a-vul kaan, ±1373 31. hoog, met 
twee kegelvormige toppen van gelijke hoogte (de Inlanders noemen die gezusters) 
en vervolgens N.0. de vulkanen Tonkoko, een samengestelde vulkaan, van 
welken de rand van den oorspronkelijken krater nog bestaat, en de binnen dezen 
ring ontstane krater zelfs lager is. In 1801 ontstond uit een eruptie ten O. van 
den vulkaan een parasietkegel met een lavastroom; dat is de Batoeangoes, 
700 M. hoog, en in 1821 ontstond bierbij nog een nevenkrater, de Batoe- 
angoes Baroe. De Menadotoowa ten W. van Menado is een rondom uit 
de zee opstijgende vulkaan van 855 Af. Meende men voor korten tijd nog, dat 
de vulkanen van de Minahassa meest in de periode van den solfatarentoestand 
verkeoren, waarbij geen lava meer aan den dag komt, dit is gebleken onjuist 
te zijn, daar Gutllemard in 1883 bij den laatstgenoemden lavastroomen ont- 
dekte. Het laagland van het Klabatschiereiland is een vlakte met zacht golvenden 
heuvelrug, waarschijnlijk ook meest van vulkanisch materiaal gevormd. 

Het Tondano-bergland wordt gevormd door een uitgestrekt bergvoet- 
stuk, in het N.0. en Z.W. door dwarsdalen in het land begrensd, en verder vrij 
steil uit de zee oprijzend. De noordelijkste inzinking des lands noemden wi) 
boven, de zuidelijkste ligt tusschen Amoerang en Belang, die in het midden 
± 392 M. hoog is, waar, zooals Wichmann aantoonde, een meer ligt. (Tonsa- 
wang-moer). Het Tondano-bergland is een echt en nog werkzaam vulkanisch 
gebied, waar do kegelborgen een lange reeks met een grooten halven cirkel, 
het Tondano-plateau en het Meer van Tondano omsluiten, dat tegen den oostrand 
van dien boog ligt, terwijl ook in bet midden nog eenige vulkanen gevonden 
worden. Het Tondano-meer ligt hier op ± 680 M. hoogte. De meening, dat het 
meer als een kratenneer zou moeten beschouwd worden, werd door Prof. Wich- 
mann bestreden ; volgens dezen zal het bekken ontstaan zijn door vulkanische af- 
damming aan alle zijden, terwijl de Sarasins do meening uitspreken, dat het bekken 
een aardschol vormt tusschen twee anticlinale vormen ^ — — , 




448 

welke is opgeheven, terwyi de vulkanen op de anticllnalen zyn opgebouwd. 
Het Tondano-meer heeft zyn afwatering naar het N. door de Tondano-rivier, 
die iti de noordeiykste landinzinking gekomen zich naar het W. wendt en in 
de Golf van Menado uitmondt. Met een waterval van ± 60 M. hoogte bruist 
de stroom door een 80 M. breede kloof van het hoogland naar beneden, steeds 
een snel stroomende rivier vormend. 

Ka de tweede inzinking verheft zich nog oen afgezonderd vulkanisch berg- 
land met een hoogvlakte in het midden, dat naar de hoofdrivier, welke van het 
hoogland naar het W. stroomt, het Poigarbergland kan genoemd worden. 

Wij mogen ons niet bezighouden met de details der orographische beschrij- 
ving, welke alleen door goede kaarten tot haar recht kan komen, en enkel 
de namen willen wij niet opsommen. Doch als algemeenen indruk moeten 
wy zeggen, dat het uiteriyk aanzien des lands in Minahassa betooverend schoon 
is door de ryke afwisseling van bergland en dalen. Als. men met een der stoom- 
schepen langs de kusten vaart, is er geen gedeelte, waar men kan aankomen, 
of het oog wordt bekoord door de onophoudelijke afwisseling van bet bergland, 
dat met zyn veelheid van vormen als uit zee opryst, naar het midden van het 
land steeds hooger wordend, en overal met dichte wouden bedekt is, welker donker 
groen, afgewisseld door lichtere partyen, allerlei vorm» en kleurschakeeringen 
voor het oog toovert. 

Vlakten heeft Minahassa niet veel en dat zyn alleen hoogvlakten, als die van 
Tondano, Kakas, Langowan en Tompasso, en in het Z.O. in het Tonsawangsche. 
Ook beeft Minahassa weinig strand, strandvlakten byna in 't geheel niet, tenzij 
men daartoe de latere aanslibbingen tusschen de inhammen van uitspringende 
kapen wilde brengen. Overal verheffen de bergen zich zacht glooiend uit zee, 
en wel het steilst aan de zuidkust. Minahassa bestaat dus eigeniyk geheel uit 
bergland. 



De bevolking der Minahassa bestond in 1000 uit 318 530 zielen, 
Economische waarvan 314 161 Inlanders (in Minahassa 178 335 en op Sangi 
en andere toe- en Talauer 113467), 3145 Chineezen, 897 Europ. en 319 Arabieren, 
standen in D e volksdichtheid is gemiddeld 42 per K.M.' in dit gewest, een 
Minahassa. zeer aanz i an |y| ce voor <j e Buitenbezittingen. Het aantal Inlandsche 
Christenen bedroeg in de residentie Menado 207 797, waaronder 6810 Roomsch- 
Kathoüeken. TerwlU iu Minahassa en de SangUellanden het Christendom heeft 
wortel geschoten, i* Gorontalo nog byna geheel Mohammedaansch. 

De bewoners van Minahassa onderscheiden zich in het oog vallend van die 
in zuideiyk Celebes, de Makassaren en Boegineezen. De huidkleur is merkelijk 
lichter en gaat tot het gele over, de statuur is meer gedrongen, de physionoraie 
minder uitgesproken Maleisch. De haren hebben het eigenaardige van het zwarte, 
styve haar der Maleiers. De Minahassers, zooals zy in hun oorspronkelyken toe- 
stand leefden, zyn ons beschreven door PadtBrugge in de 17de eeuw. In 
dien tyd leefden de Minahassers nog op een cultuurtrap als tegenwoordig de 
Toradja's. Zy woonden in ontoegankeiyke dorpen, omringd door hagen van 
stekelige bamboe en scheef in den grond geplaatste baraboespitsen, om ze aldus 



Digitized by Google 



449 



veilig te maken. Zij deden veel aan koppensneller^ en moord, en eindeloos 
waren de veeten tusachen dorp en dorp. De buitgemaakte koppen werden in 
triomf naar huis gevoerd, aan een rotangkoord om den hals gehangon en dan 
volgden er feestmaaltijden en dansen. Ook werden gedeelten van het vleeach 
der verslagenen gegeten; skalp en hersenkas werden aan het huis bevestigd. 

Nog in den aanvang der 19de eeuw was het er aldus, en de toestanden 
verschilden er weinig van die der Papoea's op Nieuw-Guinea. Zeer groot was toon 
het verschil tusschen de Minahasaers en de Boegineezen. Deze laatsten, alsook de 
Makassaren, die meer in aanraking kwamen met eenigszins beschaafde volken, waar 
zelfs Hindoe's invloed op uitgeoefend hadden, bezaten grootere staatsverbanden, 
waren bezield met economischen zin, doch de Minahasaers woonden op den uithoek 
van het eiland, waren geïsoleerd, kwamen weinig met vreemden in aanraking en 
leefden in de bergstreken van hun land staatkundig versnipperd, zonder door groote, 
algemeone gedachten vervuld te worden. Dit is alles geheel veranderd sedert 
de invoering van het Christendom. Daardoor is het beeld des lande geheel ge- 
wijzigd. Geen enkele der oude versterkte dorpen is blijven bestaan. Langs de 
wegen zijn nieuwe nederzettingen gesticht, lange rechte streekdorpen, alle op 
elkander gelijkende, ongeveer ais onze veenkoloniën (maar zonder de kanalen). 

Europeesche kleederen en kleedingstoffen zijn er in gebruik ; ongeveer 2000 
naaimachines klapperen in het land. Beken uit het bergland zijn gekanaliseerd 
geworden om de rijstvelden te besproeien, scholen en kerken ontbreken schier 
in geen enkel dorp, en Nederlandsche liederen hoort men uit den mond der 
zindelijk gekleede kinderscharen. Veiligheid en rust heerschen er overal, een koppen- 
sneller met zwaard en pantser op de goed aangelegde kunstwegen zou thans 
den indruk maken van een vastenavondsfiguur. 

De Minahassers zijn krachtig gebouwde gestalten, met lichte, bruingele 
huidkleur in verschillende nuanceeringen, doch meestal met eenig rood er in. 
By de meisjes komen zelfs frisch roode wangen voor en roode lippen, terwijl 
bij de mannen de lippen over 't geheel een eenigszins violette, minder frissche 
kleur bezitten. De oogen z\)n bruin, het haar is zwart, glad en sterk als paardebaar, 
als bet kort geknipt is, eenigszins borstelachtig opstaande, de baardgroei gering, 
de gelaatstrekken hebben iets sympathieks, doch zijn strak, de neus is breed, 
de lippen zijn dik. Aan den binnen ooghoek is meestal de zoogonaamde Mon- 
goolsche plooi (Epicanthus) duidelijk zichtbaar. 

Uit alles blijkt, dat de Minahassers met de overige bevolking van Celebes 
slechts in zoover in betrekking staan, dat zij tot de Maleisch-Polyneslsche taal- 
familie behooren. Doch z\J schijnen van een noordelijken tak dier familie af te 
stammen, en eenige overeenkomst met Japaneezen wordt wel aangenomen. Ook 
de sagen des volks spreken van een immigratie uit het noorden, uit een land, 
hetwelk de eilanden ten N. van Celebes met Sangi en de Philippijnen zou verbonden 
hebben, maar dat door een overstrooming moet verwoest zijn. Schijnt het vrij 
wel zeker geacht te kunnen worden, dat die bewoners oorspronkelijk van elders 
afkomstig zijn, omtrent den tijd, wanneer zij zich hier vestigden, kan men niets 
zeggen, en ook is het niet bekend, of die vreemden hier reeds bewoners vonden. 
Doch dit is wel waarschijnlijk, en de somatische verschillen bij de stammen 
II 29 



450 



van Noord-Celebea wijzen er ontegenzeggelijk op, dat meer of min een ver- 
menging van vreemden met inheemsen bloed heeft plaats gegrepen. 

De eigenlijke Minahassers zyn verdeeld in vier stammen, die verschillende 
dialekten spreken: de Tom boel oe's (Menado en Tomohon), de Tonsea's, 
op het Klabat-schiereiland met Ajermadidi en Kema, de Tondano's aan het 
Tondanomeer, en de Tompakewah's (Sonder, Lango wan en Amoerang). Hierbij 
komen nog de afwykende elementen der Bantiks aan de kust ten N. van 
Menado en de bewoners van de Z.W. Minahassa. Zoo worden er in het geheel 
8 dialecten gesproken. 

Het Nederlandsen bestuur van Noord-Celebes is het beat gevestigd en geregeld 
in de Minahassa ; minder volledig is het nog in Gorontalo. Aan het hoofd staat 
de Resident, gevestigd te Menado, en deze hoofdplaats staat onder zyn recht- 
streeksch bestuur. De Resident wordt bijgestaan door een Secretaris, en in de 
vyf afdeelingen der Minahassa staan Europeesche ambtenaren aan bet hoofd, die 
vóór 1856 opzieners heetten, na dientyd controleurs. Deze hebben vele werk- 
zaamheden: z(j zijn belast met het dagelijksch bestuur, zi) waken voor de orde 
en de uitvoering der gouvernementsbevelen, zorgen voor de inning der belastingen, 
zijn hoofden van politie, hebben toezicht over gouvernementsscholen, over wegen 
en bruggen, en zy regelen de werkzaamheden der districts- en negoryhoofden. 
Kik district heeft twee Inlandsche hoofden, door het Ned. gouvernement 
aangesteld en ook bezoldigd. Vroeger bestonden de inkomsten van het hoofd 
in procenten der geleverde koffie (tijdens de gedwongen cultuur), aandeel in 
rijst enz., wat aanleiding gaf tot allerlei knoeierij. Hun onderscheidingsteeken 
is, evenals by alle Regenten in de Molukken, een rotting met zwaren knop, by 
de eerste districtshoofden van goud, de anderen van zilver. Elke negoryofdorp 
in een district heett zyn eigen hoofd, met den titel „Hoekoem toea", die door 
de bevolking gekozen en na goedkeuring der keuze door het Districtshoofd, door den 
Resident benoemd en zoo noodig, ook ontslagen wordt. Deze dorpshoofden hebben, 
al naar de grootte der negory, weder een of meer mindere hoofden onder zich. 

In de residentie Menado telde men in 1902 100 scholen voor Inlanders, 
waarvan 93 zendingsscholen met ruim 12000 leerlingen. De beschaving, welke 
het Christendom hier gebracht heeft, had tengevolge, dat de toestanden er beter 
zyn dan elders. Het koppensnellen heeft er opgehouden, er wordt meer econo- 
misch gearbeid. De Gouvernements gedwongen koffiecultuur, hoezeer ook op zich 
zelf te veroordeelen, die hier in 1882 werd ingevoerd en tot 1897 bestond, 
heeft ontegenzeggelijk ook medegewerkt om de toestanden gunstig te veranderen. 
Zy was aanleiding tot de bemoeiing met dit gewest, en maakte by de Inlanders 
meer den economischen zin wakker. 

De landbouw is de hoofdbron van bestaan voor de bewoners. De gronden 
in de Minahassa worden onderscheiden als woeste gronden, die nog nooit ont- 
gonnen werden en met oorspronkeiyke wouden bedekt zyn, en de ontgonnen 
gronden, die of duurzaam bebouwd worden, of sedert kort braak liggen en dan 
half en half tot een toestand van wildernis terugkeeren. Omtrent de woeste 
gronden is in 1877 bepaald, dat zy, voor zooverre daarop door de leden der 
inlandsche bevolking geen eigendomsrecht wordt uitgeoefend, behooren tot 



Digitized by Google 



451 



het staatsdomein. De beschikking daarover en het ontginningsrecht behoort 
uitsluitend aan het Gouvernement, dat deze gronden in erfpacht kan uitgeven. 
Hoewel de hoofden in de Minahassa zich hier aanvankelijk tegen verzetten, is 
het beginsel toch doorgevoerd. Voor zooverre het Gouvernement nog niet be- 
schikt over de woeste gronden, mag ieder ingezetene van een district de natuur- 
lijke produkten van deze woeste gronden, door de Inlanders Kalakeran- of ge- 
meengronden genoemd, inzamelen en ook hout kappen, niet alleen voor eigen 
gebruik maar zelfs om daarmede handel te draven. Met vergunning van het 
districtshoofd mag ook elk ingezetene een gedeelte van den woesten grond ont- 
ginnen, en h\J verkrijgt daardoor bezitrecht of het uitsluitend recht van vrucht* 
gebruik, dat ook op zijn erfgenamen overgaat en b\j hen blijft, zelts al laat men 
dien grond onbebouwd liggen, zoodat lüj geheel of gedeeltelik tot woestheid 
overgaat. Ook aan buiten het district wonenden kunnen woeste gronden ten 
gebruike worden afgestaan. 

Alle bebouwde gronden en dezulke, welke dit eens geweest zijn, maken 
derhalve het bezit van enkele personen (tana pahasini of pasini) of van familiön 
(tana toelau, d. i. tana poesaka) uit. De eerste, die één persoon door ontginning 
ot overerving verkregen heeft, kan hij naar goedvinden bebouwen, ook verhuren 
of verkoopen, mits aan iemand uit hetzelfde district en met kennisgeving aan 
de hoofden. De „tana toelau" worden niet door erfgenamen van den erflater 
verdeeld, maar blijven gemeenschappelijk familiegoed. Zulke gronden worden 
jaarUjks tusschen de familieleden ter bebouwing verdeeld, of, als zij daartoe te 
klein zijn, beurtelings door hen bebouwd. De regeling van dit een en ander 
geschiedt door het oudste familielid, of by geschil door het negorij-bestuur. Deze 
gronden mogen niet worden verkocht zonder toestemming van al de rechthebbenden, 
en alleen aan ingezetenen van het district, elk deelgenoot mag evenwel zijn aan- 
deel, voor den tijd, dien het hem is toegewezen, aan een ander verhuren. Deze 
vorm van grondbezit is een zeer oude, die ook elders op aarde meer of min 
gewijzigd voorkomt. Tegenwoordig worden ook die erfgoederen veel verdeeld. 

De rechten der bezitters bepalen zich hierbij enkel tot gebruiksrecht; bet 
eigendomsrecht blijft altijd bij het district (zie I pag. 474 enz.). Op grond daarvan 
wijst het districts- of negorij-bestuur jaarlijks aan ieder de plaats aan, waar hij 
turnen kan aanleggen. Wie zelf geen gebruiksrecht heeft op den grond, moet 
dien huren, en als er vele personen zijn, die geen gronden op een plaats be- 
zitten, kan het bestuur zelfs een nieuwe verdeeling maken en aan elk hoofd 
van een gezin een perceel voor een jaar ter bebouwing aanwijzen. 

De Minahassa wordt in alle richtingen door goede wegen doorsneden, welke 
onderhouden worden door de heerendienstplichtige bevolking; evenals op Java 
zijn ter aanduiding der afstanden palen geplaatst. 

De productie en uit- en invoer van Noord-Celebes leert de statistiek kennen 
van de geheele residentie Menado. De uitvoer van Menado was in 1904 voor- 
namelijk als volgt 

Coprah 16104 000K.G. C/2 415 460), naar Singapore (5 712 000 K.G.), 
Marseille (voor order) (4 898 000 K.G.), Frankrijk (8 889 000 K.G.), Nederland 
(1078000 K.G.) en verder kleinere hoeveelheden naar Italië en Duitschland. 



Digitized by Google 



452 



Ü om-da mar 403 338K.G. (ƒ161333), naar Singapore (806 000 K.G.), 
Nederland (87O0OK.G.). 

G o m-k o p a 1 1 931 110 K.G. (ƒ482 780), naar Singapore (1 383 000 K.G.), 
Nederland (543 000 K.G.), Duitschland (4000 K.G.) 

Koffie 297 380K.G. (ƒ 178 428), naar Nederland (285 000 K.G.), Singapore 
(11000K.G.). 

Rotting 4 192 550 K.G. (ƒ 628 883), naar Singapore (2 046 000 K.G.), 
Duitschland (1 140 000 K.G.), Nederland (740 000 K.G.). 

Ebbenhout voor ƒ98 730, naar China (ƒ46378), Frankrijk (ƒ25 978), 
Nederland (ƒ12 046). 

Notenmuskaat 867 929 K.G. (ƒ867 929), naar Singapore (800 000 K.G.), 
Nederland (66000K.G.) 

Foelie 106 222K.G. (ƒ159 333), naar Nederland (57 000K.G.), naar Sin- 
gapore (43 000K.G.). 

De koffieopbrengst van Menado is sterk achteruitgegaan. Terwijl de in 
Nederland geveilde Menado-koffle in 1894 in totaal opbracht ƒ497 000, was die 
in 1903: ƒ49 000. De opheffing der gouvernementscultuur stond mede in ver- 
band met de steeds geringer wordende voordeelen. Na de opheffing der koffie- 
cultuur werd het gebied by het tolgebied ingelijfd. 

Menado levert in de laatste jaren ook goud. Terwyi de opbrengst in 19<)0 
bedroeg 15K.G., was die in 1901: 446K.G., in 1903 : 684K.G. en in 1904: 
554K.G. De concessien Soemalata (Afd. Gorontalo), Paleleh (landschap Bwool) 
en Totok (Afd. Tondana) leverden dit goud. 

Nederzettin- De baal van Menado vormt een breede open inham in het 
genindeMina- noordwestelijk gedeelte van Celebes, die by den mond ruim 
hassa.Menado. 12 K.M. breed is en ongeveer 7 K.M. in het land doordringt, met 
aanzienhjke diepte tot dicht by den wal. Van hoek Fisok, het noordeUjke hoek- 
punt bjj den ingang, steekt tot op een afstand van 600 a 700 M. een rif voor- 
uit, dat by laagwater voor oen groot gedeelte droog valt en hoofdzakeUjk uit 
koraal bestaat, doch 400 M. buiten den kant van het rif wordt reeds 100 vadem 
gelood. Dit walrif loopt langs het strand der baai, doch overigens is deze vrü 
van ondiepten. De baai ligt open naar het W., en daardoor is de reede van 
Menado gedurende den W.-moesson, die van Nov. tot eind April waait, dikwijls 
onveilig door de zware buien („barat" geheeten) en de hooge zee met hevige 
deining, welke dagen aaneen kan aanhouden, en waartegen geen kabels be- 
stand zyn. Ook gedurende den O.-moesson wordt de reede niet gunstig geacht, 
wegens de harde winden uit het zuiden (selatan), die niet door den zeewind 
worden overwonnen. In deze baai mondt de Tondano-ri vier of rivier van 
Menado uit, in welker mond kleine vaartuigen een veilige ligplaats vinden, en 
schepen van niet meer dan 5 voet diepte by gewoon water naar binnen kunnen gaan. 

Uier ligt Menado of Wónang, de hoofdplaats der residentie en de be- 
langrykste handelsplaats van dit gewest, een nederzetting met 10810 inw., 
waarvan 7950 InL, 2180 Chin., 450 Europ. en 230 vreemde Oosterlingen. De 
stad strekt zich uit langs het strand der baai met het gebergte op den achter- 



Digitized by Google 



45H 



grond, waarboven de Klabat en de drie-toppige Lokon hun toppen hoog ver- 
heffen, zoodat van de reede uit gezien de plaats en haar omstreken een schoon 
gezicht opleveren. In de stad vindt men een Europeesch gedeelte met breede 
lanen („weg" zegt men hier, straten kent men niet), die nagonoog evenwijdig 
met het strand loopen, en waarlangs de Europeeache huizen gebouwd zijn, 
waaronder ook de Residentswoning, alle op afzonderlijke erven geplaatst, door een 
levende haag van den weg gescheiden. Onderscheidene huizen der notabelen 
gelijken op tuinhuizen; zty zijn bijna alle van hout gebouwd en rusten op paleD, 
zoodat bü enkele een benedenhuis of kelder is voor bergplaats of ook wel voor 
toko. Het uiterlijk is minder grootsch en fraai dan de steenen huizen op de 
hoofdplaatsen van Java, te Makassar en elders; de overhangende atapdaken geven 
ze zelfs een somber uiterlijk, maar voor de gezondheid zijn de houten huizen 
van Menado zeer goed. Het klimaat is er zeer gezond, de nachten zijn koel, 
waarbtJ men voorzichtig moet zijn. Besmettelijke ziekten komen hier zelden voor. 

De Inlandsche kampongs van Menado hebben het in het oog vallende 
nette uiterlijk van alle kampongs in Minahassa. In het gedeelte der stad, waar 
de zaken worden gedaan, ziet men naast de bureaus der Europeanen de winkels 
en werkplaatsen der Chineezen en der Inlanders van verschillende afkomst. 
Menado's pasar, met groote houten loodsen, aan alle zijden open en met een 
op stevig paalwerk rustend dak, een voor droge waren, meer bepaald voor lijn- 
waden, en een voor natte waren, geeft het schouwspel van den Inlandschen 
kleinhandel te aanschouwen. Voor de verkoopers zijn hier behoorlijk bamboezen 
toonbanken geplaatst, waarop de waren liggen uitgestald, en zitbanken, waarop 
de kooplieden liggen of zitten. Daar ziet men aangevoerd sinaasappelen, pisangs, 
komkommers, tabak, kruidnagelen, muskaatnoten, peper, spiegels, kammen, betel, 
pinang, kalk, groenten, visuh, vorken, scharen, naalden, band enz., alles in wanorde 
door elkander liggend, terwijl vettigheid, gebak, gekookte rijst, aan moten ge- 
sneden visch, tabak- en sirihkauwende vrouwen enz. enz., de reuk- en andere 
zinnen door de veelheid van indrukken op zware proef stellen en een verward 
geraas en geschreeuw onophoudelijk weerklinkt. Aldus is de pasar. Doch dit 
moet onmiddellijk worden opgemerkt, de pasar is geenszins een beeld van het 
echt-inlandsche volksleven der Minahassa. 

Vele zaken en gewoonten, als dobbelspel enz. zijn hier door vreemdelingen, 
vooral door Chineezen, gebracht, maar waren er oorspronkelijk niet. 

De Chineezen vormen ook hier, evenals elders in den Archipel, een zeer 
actief deel der stedelijke bevolking en weten op allerlei wijzen in hun bestaan 
te voorzien. Handel staat bi) hen bovenaan, maar zij weten alles aan te grijpen, 
hoewel de concurrentie met enkele Arabieren en Europeesche toko's hun taak 
niet licht maakt. Men vindt onder de Chineezen goede timmerlieden, metselaars, 
blikslagers, smeden, rijtuigmakers, kuipers enz. In handigheid, ijver en onver- 
moeide inspanning staan zij verre boven de Minahassers. Zij vermengen zich 
veel met meisjes uit Minahassa, van wie velen het een eer rekenen met een 
Chinees verbonden te zijn. 

In de kampongs Pondol en Kenangoe en Kodol vindt men nog de eigen- 
aardige bevolking der „burgers" of vroegere „Mardijkers" (Mal. Orang Borgor). 



454 



Zj) behooren tot de oudste ingezetenen, en reeds by de komst der O. I. Comp. 
wordt van hen gewag gemaakt. Zij waren altyd trouwe onderdanen, maar zeer 
gesteld op bun privilegiën. liet bl^kt, dat zij van ouds geen Minahassers z\jn, 
en daarom beet bet in een gouvernementsbesluit van 1877: „Burgera zyn 
vreemdelingen". Aan die vreemdelingen zijn voorrechten verleend, die hen in 
gunstiger omstandigheden plaatsten dan de eigenlijke bevolking; zij deelden 
niet in de heerendiensten en betaalden ook geen belasting. Doch uit hen werd 
een schutterij gevormd, en zy werden gebezigd om de kusten te bewaken. Toen 
de Begeering hun hulp als zoodanig niet meer noodig achtte, werden de schut- 
terijen opgeheven en hun privilegies werden ingetrokken. Toch houden zij zich 
nog afgezonderd en bewaren hun zelfgenoegzaam, onafhankelijk karakter, hoe- 
wel soms aan het brutale grenzend. Men vindt deze burgers verder te Likoe- 
pang, Kema, Beloeng, Amoerang en Tanawangko; ook op Ternate, Amboina en 
Timor komen zij voor. 

Als handelsstad heeft Menado een geheel andere beteekenis dan Makassar. 
Makassar is meer een tusscbenhaven voor het oosten met het westen, en zijn 
handel wordt weinig gevoed door het onmiddellijke achterland; Menado daar- 
entegen, in een uithoek van de Ned. bezitting gelegen, mist die bemiddelende 
beteekenis. 

Te Menado gaat de handel langzaam vooruit. Men vindt er gevestigd de 
Moluksche Handelsvennootschap, een subagentschap van de Factorij der Ned. 
Handelsm. De uitvoerartikelen leerden wij kennen. Ingevoerd worden vooral: 
petroleum, garen, manufacturen, kleederen, rijst en meel, lucifers, glaswerk, 
aardewerk, tabak, bier, ijzerwaren en werktuigen enz. De invoer van Menado (de 
residentie) bad in 1904 een waarde van ƒ2 899 905, de uitvoer van ƒ5354 546. 

Verdere neder- Van Menado loopt een goede rijweg dwars door de inzinking 
zettingen in van het bergland (zie pag. 447), waarvan de grootste hoogte 233 M. 
Minahassa. ^ naar Kema aan den oostkant. Het is een geheel in cultuur ge- 
nomen landschap, dat zich aan beide zijden van den weg uitstrekt, waar de 
dorpen elkander voortdurend opvolgen. De kleine dorpshuizen, op gewitte palen 
rustend, zien er meestal goed uit, alle met een opene voorgalerij voorzien, waarin 
Europeesche stoelen staan en een lamp hangt. Elk huis is van een grasveldje 
omgeven en door een levende haag van rood bloeiende Hibisken of bontgebladerde 
bladplanten omsloten en van den weg gescheiden. Het maakt een treffenden 
indruk voor den reiziger in het Oosten hier overal die vriendelijk groetende, 
net gekleede menschen te ontmoeten, de vrouwen in troepjes naar de velden 
gaande of er van terugkeerend. Ajermadidi, een welvarende plaats ongeveer 
halfweg, ligt aan den voet van den Klabat; in den omtrek wordt veel tabak 
verbouwd. De pasar wordt druk bezocht; men ziet er talrijke tweewielige ossen- 
karren en paarden, die de marktwaren aan- en afvoeren. Kema is een onbe- 
duidend kustplaatsje met ± 600 inwoners, die van vischvangst en eenigen land- 
bouw leven. De bevolking bestaat niet uit echte Minahassers, maar uit vreemde 
elementen, de zoogen. „burgers" (Zie boven). Vroeger was Kema levendiger, 
toen Amerikaansche en andere walvischvaarders nog al in de Moluksche wateren 



Digitized by Google 



455 



kwamen, doch sedert de waldieren hier weinig meer voorkomen, is de bedrijvig- 
heid opgehouden. Nederlandsche booten, die er vroeger veel kwamen, verschijnen 
er thans zeldzaam en meestal alleen by den W. -moesson, als de reede van 
Menado gevaarlek is. De zetel van den controleur is verlegd naar Ajermadidi. 

Van Ajermadidi loopt een weg naar het Z.W. door grasvelden en bosch- 
streken. By Tonsealama, waar men het plateau van Tondano bereikt, ziet 
men den beroemden waterval, welken de Tondano rivier vormt. Langs een diep 
in de andesiet-rotsen ingesneden en van de schoonste vegetatie omhulde kloof 
stort de rivier zich langs onderscheidene cascaden in de diepte. 

Aan den uitgang der Tondano-rivier uit het meer van dien naam ligt de 
nederzetting Tondano, de aanzienlijkste plaats in het midden der Minahassa, 
met 10 780 inw., waarvan 250 Chin. en 60 Europeanen, zoodat het byna geheel 
inlandsche bevolking heeft De plaats ligt ± 600 M. hoog op een ouden meer- 
bodem, ongeveer een kwartier van het meer van Tondano en wordt door de 
rivier in twee deelen verdeeld. De nederzetting maakt een zeer vriendeiyken 
indruk. Langs de hoofdstraat, waarmede nog eenige wegen parallel loepen, en 
die door dwarsstraten rechthoekig gesneden worden, staan de zindelijke, kleine 
huizen op palen, ieder huis op een eigen terrein of gescheiden door groene higen, 
enkele uit rozen en andere uit koffieboomen bestaande. Ëenige aanzienlijke huizen 
zijn bewoond door Europeanen; scholen en kerken worden er gevonden. Zooals 
Tondano en de reeds beschreven nederzettingen zyn alle in de Minahassa; zy 
gelyken geheel op elkander. 

Hoe is de toestand op deze plek in een eeuw veranderd. Nog in het begin 
der 19^e eeuw bestond Tondano niet, en werd hier enkel een echt paaldorp 
gevonden naby den oever in het ondiepe water van het meer. Nog ziet men 
in de plaats, hoewel afgedamd, enkele plassen, die daaraan herinneren ; dit toont 
ons aan, dat men met recht de bewoners „Tondano's" d.i. watermenschen noemde. 
Het kostte heel wat moeite, toen hun woningen nog in het meer stonden, deze 
watermenschen te onderwerpen. 

Het meer van Tondano vormt een schoone plek, door vulkanische bergreeksen 
omsloten, van welke de westelyke met den vulkaan Tampoessoe het scherpst 
geteekend uitkomt Het meer is ruim 12'/, K.M. lang, op zyn meest 5 K.M. 
breed en heeft niet meer dan 20 M. diepte. Het is een jonge vorming, zooals 
ook de dierenwereld aanwyst ontstaan door vulkanische erupties, die een dal 
afdamden en vormt dus een z.g. opgestuwd meer. De inlanders bevaren het 
met hun uitgeholde boomstammen. 

Ten W. van Tondano is op korten afstand langs een goeden weg, die door 
een opening in de N. loopende vulkaanry gaat, Tomohon te bereiken, een 
vriendeiyk dorp als alle, met ongeveer 6000 inw., gebouwd op een klein plateau, 
door vulkanisch materiaal gevormd. Ten N.W. hiervan stygt domineerend de 
vulkaankegel van den Lokon op met den lageren kegel van den Tempang ten 
N. er van, en ook ten O. bedekken de hoog gelegen wouden oude vulkaan- 
kraters. Hier zyn wy in het hart der Minahassa, op het bergland, waar de 
tropische hitte getemperd wordt door de hoogte en den invloed der zee, en maxi- 
maal temperaturen van 24,5— 29,5° C. worden waargenomen en minimaal-tem- 



Digitized by Google 



456 



peraturen van 15-20 (Van Maart -Mei). De nachten vooral zyn er koel en ver- 
frisschend. 

Verder zuideiyk liggen om het meer doch dieper landwaarts de Neder- 
zettingen Sonder, ongeveer 540 M. hoog, Kawangkoan, Tompaao, Lon- 
gowan en Kakas (ten Z. aan het meer). 

Een tweede baai naar het N.W. is die van Amoerang, ruim en open, voor 
een groot gedeelte omzoomd door begroeide en bebouwde heuvels en de vulkaan- 
bergen met den Lokon, den Sapoetan en den Lolomboelan op den achtergrond. 
Do reede van Amoerang is een goede ankerplaats gedurende het geheele jaar. 
Hieraan ligt by de uitmonding der Ranoi Apo de nederzetting Amoerang, 
met 2260 inw., waarvan 200 Chin. en 60 Europeanen, de overigen meest In- 
landsche Christenen, de standplaats van den Controleur. De plaats is regelmatig 
gebouwd en bestaat uit gewitte houten huizen. Naby het strand liggen aan 
de monden van andere rivieren nog eenige kampongs. 

Wij hebben reeds de rykjes opgesomd die in Noord-Celebes nog tot de af- 
deeling Minahassa bebooren (zie pag. 446). In geen van die wordt door het 
Ned. Gouvernement rechtstreeksch gezag uitgeoefend; alleen zyn er contracten 
van verband met de radja's of vorsten gesloten, waarby z|j erkennen onderdanen 
van het Ned. gouvernement te zijn, zoodat z\j door het Qouv. in hun waardig- 
heid worden bevestigd, terwtyl zij op zich nemen handel, scheepvaart, nijverheid, 
landbouw en veeteelt te bevorderen, zeeroof en slavenhandel te beletten en aan 
geen andere mogendheid eenigen afstand van grond te doen ot haar vergunning 
tot het ontginnen van mijnen te verleenen, zonder goedkeuring van het Ned. Qouv. 

Tot 1826 waren de Vorsten verplicht al het goud, het hoofdvoortbrengsel 
dezer rijkjes, aan het Gouvernement te leveren tegen ƒ15.- koper het ons. 
Daar de Inlanders het aan Boegineezen tegen den dubbelen prijs konden verkoopen, 
bleef de levering meest achterwege. Om hieraan tegemoet te komen werden zy 
daarna verplicht een zekere hoeveelheid goud jaarlijks te leveren, doch ook hiervan 
kwam weinig, en daarna werd die verplichting in 1854 opgeheven en door een 
belasting vervangen. 

De bevolking in deze staatjes leeft nog in vrij primitieven toestand. De 
meesten zijn Heidenen, doch het Mohammedanisme wint veld, en in enkele 
worden ook Christenen gevonden. In Boewool is in 1895 door den Radja aan een 
Europeesche firma concessie verleend voor de ontginning van goudaders. 

Tot de Minahassa behooren ook nog onderscheidene eilanden niet ver van 
de kust gelegen of verder er van verwijderd. Dicht by de kust liggen onder- 
scheidene kleine eilandjes, waarvan w\j enkel noemen de Ban ka-groep ten N. ? 
waarvan Banka het grootste is. 

Verder N. liggen de Sangi- en de Talauer of Salibaboegroepen, 
een groep van eilanden tusschen Celebes en de Phüippynen op een onderzeeschen 
drempel rustend en veelal van vulkanischen aard. De belangrykste zijn Sangi 
of Groot-Sangi met ±45 000 inw., in 4 rykjes verdeeld, Siauw, met 24000 
en Tagoelandang met 5000 inwoners. De eilandjes zyn meestal bergachtig; 
op Gr. Sangi ligt de G. Awoe, een vulkaan, die dik wyis hevige verwoestingen 
aanrichtte, o.a. nog in 1892. Op Siauw G. Api, ook een nog werkzame vulkaan. 



Digitized by Googl 



457 



De bevolking spreekt een taal, die men als Sangireesch aanduidt, en welke 
weer in dialekten verdeeld is. Zeden en gewoonten komen er veel met die van 
Noord-Celebes overeen. Een groot deel der bewoners is tot het Christendom 
overgegaan; men vindt er ongeveer 43400 inl. Christenen. De bevolking houdt 
zich vooral bezig met landbouw en vischvangst; zij vervaardigt wapenen, Ijzeren 
gereedschappen en prauwen ; het weven was tot voor kort de belangrijkste 
tak van nijverheid der inlandsche vrouwen, waartoe de vezelen der bladscheeden 
van de kofo-plant, hoté, de grondstof leverden. Daar de christelijke bevolking 
zich meer Europeesch gaat kleeden, gaat dit bedrijf achteruit. Er wordt handel 
in coprah en in timmerhout gedreven; ook rotan wordt er uitgevoerd. 

De Talaur (Talaoer- of Talaut)ei landen liggen het noordelijkst, met 
ongeveer 5000 bewoners, meest Christenen. 

Het westelijk gedeelte van het noordelyk schiereiland van Celebes 

Cj o r o n t ci 1 o 

wordt administratief samengevat als afd. Gorontalo. Met uitzonde- 
rihg van de zelfbesturende staatjes Moöeton, Parigi, Poso, Saoesoe en Todjo, zijn 
de vroegere rijkjes in dit gewest in 1889 rechtstreeks onder het Ned. Gouv. 
gebracht en verdeeld in twee afdeelingen; Gorontalo en Limboto, ieder 
onder een controleur. 

De bevolking van do afdeeling Gorontalo is Mohammedaan scb of Heidensch. 
Aan de kustplaatsen wonen ook Boegineezen. De landbouw staat op lagen trap. 
In de bosschen wordt uitstekend timmerhout gevonden, dat benevens gom- 
copal, rotan, verfhout en was druk wordt verhandeld. De paarden des lands 
zijn klein, doch goede telgangers. 

Er worden kleedjes geweven, grove rotan-matten vervaardigd, hoeden en 
doozen gevlochten. Voor den mijnbouw kan dit gebied misschien van groot belang 
worden. 

De belangrijkste nederzetting is de hoofdplaats der afdeeling Gorontalo, 
5136 inw., waarvan 740 Chin., 200 vreemde Oosterl., en 150 Europ., gelegen 
aan de zuidkust bij de samenvloeiing van een paar rivieren. De plaats heeft 
veel van bandjirs te lijden. In het midden der plaats ligt het fort Nassau. Hoe- 
wel de reede niet zeer veilig is, nam toch de handel in de laatste jaren toe. 

Wij kunnen ons btj de verdere kustplaatsen aan de Golf van Tomini niet 
ophouden. Dwars door de golf bereikt men van Gorontalo langs het eiland Oena- 
Oena, een werkenden vulkaan, terwijl verder oostelyk de Togean- of Schildpad- 
eilanden liggen, en daarmede zijn wvj in het gedeelte des lands aangekomen, 
dat gewoonlijk als Centraal-Celebes wordt aangeduid. 

c. Centraal-Celebes. 

Centr aal-Ce- Waar de bergketens, die de schiereilanden van Celebes vormen, 
lebes endeTo- elkander naderen, ontstaat een zeer afwisselend landschap van 
radjas. bergen en dalen, dat evenwel nog zeer onvoldoende bekend is. 

Het best bekende gedeelte is de streek om het Posso-meer, waar Celebes ook 
doorkruist is. Het Posso-meer werd in 1865 door J. C. W. D. van der Wijck 
bezocht, de eerste Europeaan, die hier den voet zette, daarna door Gouver- 



Digitized by 



458 



neur Michielsek en vervolgens door den zendeling Kruyt in 1893, door de 
Sarasins en anderen. Het Posso-rneer ligt op ± 500 M. hoogte, bezit een lengte 
van ± 30 en een grootste breedte van ±15 K.M., terwijl het ongeveer den 
vorm van een rechthoek heeft. De aanvankelijke meening, dat het een krater- 
meer zou zijn, is niet bevestigd; later onderzoek leerde, dat het meer als een 
tektonische inzinking moet beschouwd worden of wel als een dal, dat door ver- 
heffing van den uitgang ia afgesloten. Langs de oevers is het zoo ondiep, dat 
de bewoners hun vaartuigen, uitgeholde boomstammen, .Motto's" geheeten, soms 
onderscheidene door dwarsbalken verbonden, voortboomen, maar verder van de 
kust wordt meor dan 300 M. gelood. Het meer watert af door de Posso- 
rivier naar het N., die aan den mond ± 90M. breed is, verder landwaarts 
tot 50 M. versmalt. Een zandbank aan den mond maakt haar ontoegankelijk 
voor grootere schepen, hoewel ze hoogerop voldoende diepte heeft ^3— 7 vadem). 
Met „blottoV is zij bevaarbaar tot Paloeasi, een eind boven de samenvloeiing 
met de Tomasi, dat in 2'/ 3 dag roeien is te bereiken. Boven Paloeasi vindt men 
vele watervallen van wel 10 M. hoogte en stroomversnellingen in het bergland; 
het lage land langs de oevers beneden genoemde plaats wordt dikwijls overstroomd. 

Centraal-Celebes wordt bewoond door de Toradja's. Onder de Toradja's moet 
men, zooals w\j reeds zagen, een complex van volkjes verstaan, gevestigd in 
een gebied, in het Z. begrensd door de Doerische staten en Loewoe (daarvan 
gescheiden door het gebergte Takakladjoe), in het oosten door het rtyk Tomori 
en de Toloindang by Tandjoong Api, in het noorden door de strandbevolking 
van Todjo, Posso, Saoesoe, door Parigi en Paloe, in het westen door de Man- 
dar8che staten. ZJj hebben hun woonplaats in het gebied van zes betrekkelijk 
groote rivieren, welker boven- en middelloop zij bewonen, terwijl aan de monden 
een Mohammedaansche strandbevolking is gevestigd. Die rivieren zyn: 1. De 
La, die naar het O. in de golt van Tolo uitmondt, waaraan de stammen To 
ondaó, To pada, To palande, To poeoembana. 2. De Posso, die 
in de Golf van Tomini uitmondt, met de stammen: To lage, To rompoe, 
To lamoesa, To poeöemboto, To bantjea, To rano, To wingkem- 
po80, To kadomboekoe en To pebato en in het bovenland van Todjo 
nog de To toraoe's, To laleo en To ampana. 8. De Goembasa, met 
de To sigi, To pakoeli, To koelawi, To toebako, To lindoe en 
andere onbeduidende stammen. 4. De groote rivier Lariang, die naar het W. 
stroomt, naar Str. v. Makassar, met de To napoe, To besoa, To bada, 
To rirampi, To pipikoro e. a, 5. Aan de Sadang-rivier , die naar het 
Z. stroomt: de To sadang (op wie de naam Toradja oorspronkelijk werd toe- 
gepast) To rongko, To ra e.a. 6. Aan de Kalaena de To Saloemaoge 
en de To lam poe. (Volgens Kruyt). 

Het gebied van Centraal-Celebes wordt zeer dun bewoond. Wel is het niet 
mogelijk het aantal der bewoners op te geven, doch de genoemde stammetjes 
wonen dikwijls 1 — 3 dagen loopens van [elkander, door onbewoonde streken, 
veelal met zwaar bosch begroeid, van elkander gescheiden. De stammen z\jn 
zeer klein; de grootste worden op ongeveer 1000 weerbare mannen geschat. 
De Toradja's wonen in dorpen te zamen, elk van 2-20 hulzen, waaronder ee n 



Digitized by Googl 



459 



„lobo" of geestenhuis is, waarin de schedels van verslagen vijanden worden 
opgehangen, waar voor en na offerfeesten worden gevierd, vergaderingen worden 
gehouden, reizigers nachtverblijf vinden. De dorpen liggen, om veilig te zijn b\j 
oorlogen, in den regel op bergtoppen. Doch in vredestijd zijn de bewoners het 
grootste gedeelte des jaars op hun rietvelden, en eerst na den oogst verzamelt 
men zich weer in het dorp. Dikwijls zijn de dorpen dicht omringd door bamboe- 
stoelen, waardoor zy gemakkelijker te verdedigen zijn. 

Bh" de huizen der Toradja's kunnen drie typen worden onderscheiden. In 
het oosten zijn de huizen in de breedte in twee ongelijke deelen verdeeld, waar- 
van het voorste aan drie zijden open is en gebruikt wordt als voorgalerij, waar 
de maaltyden plaats hebben, gasten ontvangen worden en ook geslapen wordt 
door de mannelijke ongehuwde leden des gezins. In het tweede, grootere ge- 
deelte, door een wand afgesloten, vindt men haarden en soms ook met katoen 
afgesloten hokjes, waar gehuwde paren of vrouwen slapen. De huizen in het 
westen hebben in de lengte door het huis een gang, die dienst doet als ge- 
noemde voorgalerij en aan weerskanten van dezen gang vindt men 2, 4 a 6 
kamertjes, elk door een gehuwd paar bewoond. In het centrale bergland zijn de 
woningen vierkant of langwerpig, meest door een lagen wand omsloten, en als 
deze ontbreekt, rust het dak op den grond. Midden in de woning is een haard, 
waaromheen al de leden van het gezin slapen. De koude van het bergland 
heeft deze wijze van woningbouw noodzakelijk gemaakt 

Het Toradja'sche dorp wordt bewoond door een groot gezin: grootouders, 
ouders, kinderen en kleinkinderen; aan een der oudsten is de leiding er van 
opgedragen. De macht van dezen is die van oudst familielid over de jongeren ; 
buiten het dorp gaat zijn macht niet. Enkele dorpshoofden hebben echter door 
moed of welsprekendheid ook invloed buiten hun dorp weten te verkrijgen. Deze 
dorpshoofden staan onderling naast olkaar, dulden niemand boven zich dan hun 
„heer." Want nagenoeg alle Toradja-Btammen erkennen een der vorsten van 
Celebes als zoodanig, zoo o. a. die van het centrale gebied en die van het westen 
den vorst van Sigi, die van het oosten den vorst van Loewoe, andere den vorst 
van Mori of in het bovenland dien van Todjo. Stamverwantschap is hierin veelal 
beslissend. Het Nederlandsch Qouvernement heeft; nog niet de minste macht of 
invloed op de Toradja's. De zending is in 1892 begonnen te werken onder deze 
Heidenen, en in 1894 werd er een controleur geplaatst. 

Men vindt b\j hen twee standen: vrijen (kabosenja) en slaven (watoea), 
en de laatsten worden nog onderscheiden als erfslaven en gekochte 
slaven of pandelingen. Van een slaat der eerste soort zal een Toradja 
zich alleen in den uitersten nood ontdoen, en zulk een slaaf, oud geworden, 
geniet dikwijls veel achting van zijn meesters. Het lot der slaven is niet hard, 
daar de adat hen bij harde behandeling middelen aan de hand doet van meester 
te veranderen. Bi) de Baree- en Sigische stammen bestaat geen slavenhandel; 
alleen van de Paloposche Toradja's wordt vermeld, dat van hen nog slaven door 
Boegineezen en Mandareezen worden uitgevoerd naar Borneo. 

De Toradja's worden beschreven door Alb. Kruyt, die als zendeling hen goed 
leerde kennen, als goedige menschen, die zeer genoegeiyk uren achtereen kunnen 



Digitized by Google 



460 



zitten praten over hun dagelyksche belangen en ervaringen. Zy zyn wantrouwend 
tegenover vreemdelingen en ten opzichte van elkander en zeer lichtgeloovig. 
Hun gevoel van recht is sterk ontwikkeld; al is een zaak nog zoo nietig, zy 
zullen niet ophouden te trachten recht te vinden, als zy meenen ten onrechte 
in 't ongeluk te zyn gesteld, maar ala zy overtuigd worden van onrecht, laten 
z(j zich een bestraffing ook welgevallen. De kleeding, meest geklopte boomschors 
of foeja (zie I, 391), doch in den laatsten tyd worden ook katoenen stoffen in- 
gevoerd, bestaat by de mannen uit een schaamgordel of korte Boegineesche 
broek en een sarong over den schouder. De Barée- en Sigische Toradja's dragen 
om het hoofd een hoofddoek, de Paloposche wikkelen zich alleen een touw om 
het hoofd. Baadjes dragen de mannen tegenwoordig vry veel Ook bedekt men 
zich het hoofd tegenwoordig veelal met een hoed, nu eens van rotan gevlochten, 
doch ook wel een kalabosschaal. De vrouwen dragen algemeen een sarong en 
nauwsluitend baadje. 

De Toradja's voeden zich algemeen met ryst: is deze schaarsch geworden 
dan met sago, uit de Arenga saccharifera geklopt, die evenwel geen cultuurgewaa 
is. Verder eet men djagoeng (mals), gierst en aardvruchten ; in tyden van groeten 
nood leeft men van boombladeren, wortels en palmiet. Velerlei groenten dienen 
als toespys; palmwyn wordt gedronken. Als vleeschspyzen worden, behalve 
buffels, varkens, geiten en kippen (alleen by feesteiyke gelegenheden) en visch, 
nog vry algemeen honden, buideldieren, apen, leguanen en landschildpadden 
gegeten. De veestapel bestaat uit buffels, geiten, varkens en kippen; paarden 
alleen by de Sigische Toradja's. By enkele strandbewoners vindt men schapen 
en koeien. De buffels loopen het geheele jaar los, behalve een paar maanden, 
dat zy opgevangen en gewend worden. Zy dienen alleen om by feesten gegeten 
te worden. 

De landbouw wordt gedreven op droge velden en is enkel roofbouw: alleen 
de Sigische Toradja's leggen natte velden aan, waarby de grond wordt omge- 
woeld door karbouwen, die onophoudelyk in zulk een veld heen en weer worden 
gejaagd. Overigens worden karbouwen by den landbouw niet gebezigd. In mindere 
of meerdere mate verstaan de Toradja's ook de smeedkunst, en in bet kopergieten 
hebben enkele stammen veel bedrevenheid. Het materiaal daartoe wordt inge- 
voerd (duiten, doelangs). Om de noodige hoeveelheid zout te verkrygen gaan 
zy het branden aan het strand. Het zeewater wordt verdampt door het uit te 
gieten op een boop brandend hout, de zoute asch wordt vervolgens uitgeloogd 
en het vocht weder uitgedampt. In het vervaardigen van vlechtwerk en mande- 
werk zyn zy zeer bedreven, mannen zoowel als vrouwen. 

De produkten, die door de Toradja's naar de kust worden gebracht en 
daar aan Boegineezen en Chineezen verkocht, bestaan voornameiyk in damar 
in het oosteiyk gedeelte, in rotan in het westeiyke, en verder verkoopen sy 
nog was, ryst, karbouwenhuiden- en hertshorens. 



I 



DE OOSTELIJKE EILANDEN VAN NEDERLANDSCH INDIË. 



A. De Molukken. 

I. ONTWIKKELING EN BRONNEN ONZER KENNIS. 

De Molukken vormden voornamelijk bot doel der eerste reizen 
Litteratuur. Qaar i na «jachen Archipel en werden ook het vroegst aan de 
Europeanen nader bekend. Zelfs kunnen we zeggen, dat het wetenschappelijk 
onderzoek der eilanden in Indie van de Molukken uitging, en wel doordien 
de natuuronderzoeker George Everhard Rumphius tien jaren koopman was 
op Hitoe, waarna hy, door blindheid hiertoe genoodzaakt, een sedentair ambt op 
Ambon bekleedde, waar hy in 1702 overleed. De studie van Rumphius was 
hoofdzakoiyk van natuurbistorischen aard, doch ook gewoon historisch; Valentijn 
heeft in zyn boek „Oud en Nieuw-Oost-Indié" veel opgenomen, dat van Rumphius' 
handschriften afkomstig is. Tweehonderd jaren na ztyn overhjden, in Juni 1902, 
is door een „Rumphius Gedenkboek" de verdienste van dezen bekwamen man 
gehuldigd en werd nader in het licht gesteld, wat hy voor de kennis van den 
Oosteiyken Archipel heeft verricht, terwyi een uitvoerige bibliographie, door 
Rouffaer en Muller bewerkt, ons leert kennen, wat Rumphius geschreven 
heeft. Wy noemen hier enkel Hel Ambonsch Kruidboek (Herbarium Amboin en se), 
dat is: „Beschryving van de meest bekende boomen, heesters, kruiden, land- en 
waterplanten, die men in Amboina en de omliggende eilanden vind, na hare 
gedaante, verschelde benamingen, aanqueking, en gebruik ; mitsgaders van eenige 
insecten en gediertens, (1741 -1750 verschenen; het voorbericht in 1690). Meer 
bekend is geworden de „Ambonache Rariteitskamer of eene beschrijving van aller- 
hande schaalvisschen en schelpen, alsook van eenige mineralen, gesteenten enz., ver- 
schenen 1705. Max Weber wyst in het „Rumphius gedenkboek" er op, dat 
Rumphius in de „Ambonsche Rariteitskamer" reeds een nauwkeurige beschryving 
beeft gegeven van Belemnieten en Ammonieten op de eilanden Taliaboe en Kelang, 
waarop prof. Wichmann het eerst de aandacht vestigde, en welke mede- 
deeling aanleiding was tot de Siboga-expeditie en tot een nader onderzoek naar 
de gesteenten uit het Jura- of Kryttydperk in het verre Oosten door Dr. Verbeek, 
waardoor het bestaan dier formatie bevestigd werd. Door Prof. Wichmann is in 
genoemd gedenkboek het aandeel van Rumphius in het mineralogisch en geo- 
logisch onderzoek van den Indischen Archipel in 't byzonder beschreven. Daaruit 



Digitized by Google 



462 



blijkt, dat Rumphiüs de eerste geweest is, die de aanwezigheid van versteeningen 
in den Indischen Archipel heeft geconstateerd en aangetoond, dat deze voor- 
werpen overblijfselen van organismen waren, in een tijd toen in Europa nog vele 
onderzoekers dien oorsprong ontkenden. 

Vervolgens vindt men over de Molukken veel in Valentijn's Oud- en Nieuic- 
Oost-lndiè', 1724, verzameld. Ook vreemdelingen vestigden reeds in de 18de eeuw 
het oog op onderzoekingen van die eilanden. Forrest o. a. deed in 1774, 75 en 
76 een Voyage aux Moluques et & la Nouvelle Guinée, par ordre de la Compagnie 
Anglaise, verschenen in 1780. 

In de 19 de eeuw hadden bier onderscheidene reizen plaats en verschenen 
werken daarover in het licht. Wy noemen: D. H. Kolff Jr. Reize door den 
zuidelijken Molukschen Archipel en langs de westkust van Nieuw-Ouinea, gedaan 
in 1825—26. Met een kaart 1828, - waarop P. Bruininc in 1829 gaf Eenige 
aanmerkingen. Verder: J. Olivier, Reizen in den MolukscJten Archipel, naar Ma- 
kasser enz. in het gevolg van den Oouv. Oen. v. N. I. gedaan in 1824 en volgens 
de dagboeken en aanteekeningen van onderscheiden reisgenooten beschreven, 
1834-37; Twee deelen; — J. B. J. van Doren, Herinneringen der laatste 
oogenblikken van mijn verbljjf in de Molukken 1852 ; — S. Muller, Reizen en 
onderzoekingen in den Ind. Archipel 1828 — 1836 (Uitg. v. h. Instit. v. T. L. en 
V. N.I.) Met kaarten. Twee deelen 1857. — J. F. G. Drumond, Fragment mijner 
reis door de Molukkos, Makjan en Batjan 1856; — Mr. A. J. Duymaer van 
Twist, Aanteekeningen betreffende een reis door de Molukken van den Gouv. Gen. 
1856; — T. J. Willer, Het eiland Boeroe, zijn exploitatie en Halfoersche m- 
stellingen. Uitgegeven met bijdragen en toelichtingen in verband met de Euro- 
peesche kolonisatie in Ned. Indié door J. P. Cornets de Groot van Kraayen- 
burg 1858; — C. G. C. Reinwardt, Reis naar het oostelijk gedeelte van den 
Indischen Archipel in 1821. Uit zijn nagelaten aanteekeningen opgesteld door 
W H. de Vriese, (Uitgegeven van wege het Kon. Inst. v. T. L. en V. N.I.) 
1858. - P. v. d. Crab, De Moluksche eilanden, Reis van Z. E. den Gouv. G. Ch. F. 
Pahud door den Molukschen Archipel 1862. — G. B. H. von Rosenberg, Reis 
naar de Z.0. eilanden gedaan in 1865 (Uitgeg. v. h. K. Inst. v. d. T. L. en V. 
N.I. 186S). — G. W. VV. C. Baron van Hoévell, Ambon en mser bepaaldelijk de 
Oéliassers, geogr., ethnogr., politisch en historisch. Met kaart der Oeliassers 1875 
ibid. De Kei-eilanden. Met kaart (Tydschr. Bat. Gen. XXXIII;) — ibid. De Aroe- 
eilanden, geographisch, ethnographisch en commercieel, met kaart. (T. Bat. Gen. 
XXXIII). — A. Ligtvoet, Beschrijving en geschiedenis van Boeton. Met kaart 
1877. - H. W. van Malsen, Batjan. Overzicht van dit eiland. (Ber. Utr. Zendinga- 
vereen. 1881). — F. S. A deClercq, Bijdragen tol de kennis der residentie TernaU. 
Met platen en schetsen 1890. — Verslagen van de toetenschappelijke opnemingen 
en onderzoekingen op de Kei-eilanden 1889-90 door H. A. W. Planten en 
C. J. M. Wertheim in opdracht van het K. N. A. Gen. Met kaart (Tydschr. 
v. h. K. N. A. Gen. 1893). — C. M. Pleyte, Ethnogrophische atlas van de Zuid- 
wester en Zuidoostereü., op last van het K. N. A. Gen. samengesteld 1893. - 
Dr. J. G. F. Riedel heeft in zijn lijvig boek: De Sluik- en Kroesharige rassen 
twsschen Selebes en Papua, uitgegeven met ondersteuning van het Kon. N. A. 



Digitized by Google 



463 



Oen., 1886, over dit voor dien tijd nog onvoldoend bekend terrein een beter 
licht verspreid en een nagenoeg volledig overzicht van het beschavingsstandpunt 
eener tamelijk afgezonderde bevolking gegeven, die in menig opzicht veel van 
haar oorspronkeiykheid heeft behouden. De Noorsche kapitein J. Adrian Jacobson 
ontving in 1887 van het BerUjnsche Museum für Völkerkunde de opdracht de 
eilanden in de Bandazee tot het verzamelen van ethnographische gegevens rond 
te reizen, en hieraan is te danken het werk Jacobson, Reise in die Inselwelt 
des Banda-Meeres, bearbeitet von Paul Roland. Mit einem Vorwort von Rudolf 
Virchow, eigenüjk een rapport over de verzamelde voorwerpen. 

A. Huettng beschreef het district Tobelo op de oostkust van Halmaheira 
(T. K. N. A: Gen. 1905 II pag. 604); J. Fortgens beschreef N.W. Halmaheira 
(Med. Ned. Zend. 1905). 

Voor de kennis der natuuriyke gesteldheid van de zeeön in dit gebied is de 
Siboga-expeditie van groot belang geweest, welke wetenschappeujke publicatie 
wü vroeger noemden (I pag. 27), terwyi het boek van Mevr. A. Weber— van 
Bosse, Een jaar aan boord der Siboga, menige mededeeling bevat voor de kennis 
der kusten en havens, die bezocht werden. 

Prof. K. Martin gaf ln de twee eerste deelen van ztyn boek Reiseninden 
Molukken, in Ambon, den Uliassern, Seram und Buru, 1894, een „Schilderung 
von Land und Leute." 

Wy wezen er boven op, dat Rumphius reeds beteekenis heeft gehad voor het 
geologisch onderzoek der Molukken. Eerst in de laatste twee decenniën der 
194e eeuw vestigde men nader de aandacht op de beteekenis der Molukken in 
goologisch opzicht. In het oosten van den Archipel, waar noch kolen noch ertsen 
van belang bekend waren, bestond uit economische overweging weinig aanleiding 
tot geologisch onderzoek. Toen het onderzoek van den myningenieur Jonker in 
1872 op Timor naar kopererts geen resultaat gaf, bleef verder onderzoek lang achter- 
wege. Voor wetenschappeiyke doeleinden echter biedt het oosten een belangrijk 
terrein van onderzoek. Dit werd vooral duidelijk, doordien Wichmann in 1889 
lagen der Triasformatie en fossielen uit de Juraformatie (lias, dogger, waarschynujk 
ook witte jura) op Rotti vond [Beridit über eine im Jahre 1S88 - 1889 ausge- 
führte Reise noch dein Indischen Archipel. Tydschr. K. N. Aard. Gen. 1892), 
terwyl spoedig daarop door H. F. C. ten Kate op Timor rolsteenen van Trias 
werden gevonden (Verslag eener reis door de Timorgroep en Polynesië, Tydschr. 
K. N. A. Gen. 1894). Deze vondsten, in verband met die van aptychen en be- 
lemnieten in kalkrolsteenen van Boeroe door Martin (Reisen in den Molukken 

1, pag. 869) in 1892 en de ontdekkingen van Jura en Trias op Borneo, leidde 
tot het vermoeden, dat zoowel Jura als Trias op verschillende eilanden in het 
oosten zou gevonden worden. De hevige aardbeving op Ambon in 1898 was 
aanleiding, dat men een geologisch onderzoek van Ambon noodzakehjk achtte, het- 
welk aan Dr. Verbeek werd opgedragen, die daarby een uitgebreide verkennings- 
tocht deed door het Oosten van den Archipel. Aan Dr. Verbeek hebben wy 
hierdoor te danken de volgende studiën: 1. Kort verslag over de aardbeving le 
Ambon op 0 Jan. 1898 (Byv. b. d. Javasche Courant 20 Jan. 1899 n°. 6). - 

2. Over de geologie van Ambon (Verh. Kon. Akad. v. Wetensch. 2<le Sectie VI. 



464 



1899 n°. 7 en VII, 1900 n°. 5). — 3. Voorloopig verslag over een geologische 
reis door het oostelijk gedeelte van den Indischen Archipel 1899. (Bijv. by deJav. 
Courant, van 17 Aug. 1900 n°. 66). — 4. Geologische beschrijving van de Banda- 
eilanden (Jaarb. v. b. MUnw. 1900). - 6. Geologische beschrijving van Ambon 
(Jaarb v. h. Minwezen 1905), terwijl nog een derde verslag „Molukkenverslag" 
in bewerking ia. Van Prof. Martin is in 1903 compleet verschenen Reisen in 
den Molukken, Geologischer Theil (Ambon, Oeliassers, Boeroe). 



II. BESCHRIJVING DER MOLUKKEN. 
a. Algemeen overzicht. 

Natuurlijke Onder den naam Molukken, ook wel de 
gesteldheid. Specer ij-eilanden genoemd, verstond men aan- 
vankelijk alleen de vijf kleine eilanden ten W. van Halraaheira 
met Ternate als belangrijkste eiland. Later werden onder dien 
naam wel samengevat alle eilanden en eilandengroepen tusschen 
Celebes en Nieuw-Guinea gelegen, in het Z. gaande tot Tinior. 
Deze algemeene aanduiding der vele eilanden, gemakkelijk in 
de geographie, volgen wij. Van waar de naam Molukken af- 
komstig is, valt niet te zeggen; enkelen vermoedden, dat hij 
een verbastering zou zijn van „Toloko", een plek ten N. der 
hoofdplaats Ternate; anderen spraken de meening uit, dat 
een verkeerd verstaan woord uit de inlandsche talen de naam 
deed ontstaan. In elk geval vindt men bij de oude Portugeezen en 
Spanjaarden (Pigafetta en Barros) den naam Maluco of Ma- 
lucco reeds gebruikt, welke schrijvers de Molukken beschreven 
als de eilanden der kruidnagelen, terwijl men in het begin der 17 de 
eeuw dien naam reeds tot de andere eilanden uitbreidde. De naam 
Groote Oost werd door de Nederlandsche zeelieden aan de 
Molukken wel gegeven, omdat deze aanvankelijk het hoofddoel 
van hun tochten uitmaakten. 

De eilanden der Molukken zijn geographisch in een drietal 
groepen te verdeelen: 1. in het noorderdeel, bestaande uit Hal- 
maheira met de omliggende eilanden; 2. Amboina met 
Boeroe, Ce ram en de omliggende eilanden en 3. de Ban da- 
groep met de vele eilanden ten zuiden hiervan tot Timor. Deze 
verschillende eilandengroepen, die administratief vroeger het 
Gouvernement der Molukken uitmaakten, zgn thans ge- 



Digitized by Google 



465 



splitst in de Residentie Ternate, ten N. der Ceramzee, en 
de ResidentieAmbon,de zuidelijk daarvan gelegen eilanden. 

De eigenaardige gesteldheid van het bodemrelief in dit ge- 
deelte van den Archipel hebben wjj reeds beschreven (I, pag. 
30- 35), en daarbjj hebben wij gewezen op het ontstaan van deze 
zeeën en eilanden. De geheele Molukken vormen een ingressie- 
gebied, waar de zeeën zijn ontstaan door herhaalde instortingen 
of inzinkingen van aardschollen. Deze instortingen hadden waar- 
schijnlijk niet op eens plaats, maar in verschillende geologische 
perioden en herhaalden zich nu hier, dan daar. Daaruit wordt 
de zeer verschillende diepte der zeebekkens verklaarbaar. Men 
kan zich voorstellen, dat het land in het gebied der Molukken, 
met de solide, zware aardschollen van Australië en Nieuw- 
Guinea aan den eenen kant en den eveneens vasteren aardbodem 
van den westelijken Archipel aan den anderen kant, als drempel 
tusschen de inzinkingsgebieden van twee groote oceanen, in een 
labielen toestand verkeerde, waar de aardkorst door druk werd 
verscheurd, en de verbrijzelde bodem gedeeltelijk wegzonk in de 
diepte, terwijl enkele brokstukken bleven bestaan of opperstten. 
Vulkanen en aardbevingen, die hier veel voorkomen, zijn de 
overblijfselen van dat vervormingsproces, hetwelk nog geenszins 
heeft opgehouden te werken. 

De Moluksche eilanden zijn schier alle bergachtig, vele van 
vulkanischen aard (zie I, pag. 96 enz.), en de niet vulkanische van 
verschillende formatie. Alle zijn klein; sommige bestaan slechts 
uit een enkelen vulkaan. Daardoor zijn er nergens belangrijke 
rivieren. Het klimaat komt met dat van Celebes overeen; 
de tyd van regenval en de hoeveelheid van den neerslag wordt 
behalve door de moessons beheerscht door het reliëf der eilanden 
en door de ligging der plaatsen ten opzichte van het bergland. 
Uit het overzicht van de regenverdeeling (pag. 433) blijkt, dat in 
de zuidelijkste gedeelten van den Oosteujken Indischen Archipel 
de maanden Juli, Aug., Sept. en Oct., gedeeltelijk ook Nov., zeer 
droge maanden zijn. De oostmoesson staat dus in deze gewesten 
onder den invloed van Australië, en die invloed vermindert 
verder noordwaarts. Zelfs heeft men op de Z. kusten van Ceram, 
Ambon en Saparoea een maximum in de maanden Mei tot Sept. 
met minima in Nov., Dec., Jan. en Febr., maar van beslist droge 
u ao 



Digitized by Google 



466 



maanden is hier geen sprake. In den aequatorialen gordel zijn 
de verschillen in regenval zeer gering voor de onderscheidene 
maanden des jaars. Op N. Celebes valt het maximum meer in 
de maanden Dec.— Maart, als de N.O. passaat waait. Men moet 
echter ook hier bij de cijfers der regenverdeeling de ligging der 
plaatsen van waarneming ten opzichte van het bodemrelief in 
aanmerking nemen, zoodat de tegengestelde kusten van hetzelfde 
eiland dikwijls veel in regenval verschillen. In den W. moesson bijv. 
heerscht op Noord-Boeroe regen, op Zuid-Boeroe droogte, in den 
O. moesson juist omgekeerd, en met de kusten van Ceram is 
hetzelfde het geval. Zoo op vele eilanden. 

Üe bodem is over 't geheel goed geschikt voor den planten- 
groei, maar nog al verschillend van vruchtbaarheid. Bij de wes- 
telijke eilanden van den Archipel vergeleken, staat de vrucht- 
baarheid achter. Boeroe schijnt in het Oosten het meest vruchtbaar 
te zijn. De rijstteelt is in de Molukken weinig van beteekenis; 
sagoe is het hoofdvoedsel, die in groote hoeveelheid van Hal- 
maheira en Ceram wordt verkregen. Verder zijn bodem en klimaat 
hier bijzonder geschikt voor de teelt van specerijen, vooral 
kruidnagelen en muskaatnoten (zie I, pag. 524—528). 
Op onderscheidene eilanden vindt men ook zware bosschen, die 
goede houtsoorten leveren. 

Bevolking en ^ e oors pronkelijke bevolking der Molukken wordt 
economische als Alfoeren aangeduid (zie pag. 434). Op tal van 
toestanden. e ü an( jen komen de bewoners in het binnenland nog 
wel in oorspronkelijken toestand voor, maar langs de kusten 
en op andere veel bezochte eilanden is door het handelsverkeer 
de bevolking zoo vermengd geworden, dat het moeielijk is na 
te gaan, welke elementen er zich in hebben opgelost. Makas- 
saren, Boegineezen, Javanen, Maleiers en anderen van de volken 
uit het Westen hebben het hunne tot die vermenging bijge- 
dragen, Portugeezen en Nederlanders hebben van Europa uit 
hun invloed uitgeoefend. Van alle Westersche natiën hebben 
de Portugeezen door gewoonten en taal op de Inlandsche maat- 
schappij van de Molukken de meest zichtbare verandering te- 
weeggebracht. De eenvoudige leefwijze der Portugeezen, o. m. 
het spaarzaam gebruik van sterke dranken, hun gemakkelijk- 



Digitized by Google 



467 



beid om zich naar plaatselijke gebruiken te schikken, en het 
geringe bezwaar der Inlanders om het Portugeesch aan te leeren, 
droegen veel daartoe bij. Bij meer beleidvol optreden der Por- 
tngeezen zouden zij hier niet door de Hollanders verdrongen 
zijn; hun staatkundige fouten echter baanden voor dezen den 
weg. Zoo zijn er na drie eeuwen van Nederlandsche heerschappij 
nog talrijke sporen van Portugeeschen invloed in het volksleven 
over. Verder liggen de Molukken in een overgangsgebied naar 
Nieuw-Guinea, waardoor ook Papoeasche elementen der bevolking 
op enkele eilanden voorkomen, evenals Australische emigranten 
uit het planten- en dierenrijk (zie I, pagg. 238 en 274 enz.). De 
godsdienst is door den invloed der vreemden in de Molukken voor 
een gedeelte de Mohammedaansche geworden, hoewel de Islam 
er niet diep gaat, en voor een gedeelte is het Heidendom be- 
waard gebleven. In de residentie Ambon hebben velen het 
Christendom aangenomen. Onder den mantel der van elders inge- 
voerde godsdiensten is echter overal de oude natuurgodsdienst 
nog diep in het hart der bewoners gegrift, wat bij vele gelegen- 
heden zich openbaart. (Zie I, pag. 335). De invloed van vreemden 
heeft de talen en dialekten der onderscheidene eilanden in den 
loop der tijden zóó gewijzigd, dat men wel eens getwijfeld heeft 
aan rasgemeenschap der Alfoersche stammen, en de vraag is 
opgerezen, of niet verschillende rassen zich hier gevestigd hebben. 

De Molukken hebben in vroeger eeuwen een groote eco- 
nomische beteekenis gehad voor Nederland. Over de , Groote 
Oost" liggen de bouwvallen van factorijen en sterkten der oude 
Compagnie verspreid als gedenkteekens van haar vroegere werk- 
zaamheid en ondernemingsgeest in deze gewesten. Doch helaas! 
van dien bloeitijd is weinig meer over. Alles heeft zich vereenigd 
om deze door de natuur zeer rijk begunstigde gewesten zoo diep 
mogelijk te doen zinken. Het streng toegepaste monopoliestelsel 
der Compagnie, naast de geheele verwaarloozing van de Inlanders, 
brachten de Molukken in een toestand van verval, deed een geest 
van onverschilligheid bij de bevolking geboren worden, waarop 
de latere pogingen tot opbeuring dikwijls afstuitten. (Zie I, pag. 
524—530). De zeeroof was een euvel in het oosten van den 
Archipel, dat langen tyd vele kusten onveilig maakte (zie 
J. H. P. E. Kniphorst, Een korte tenigblik op de Molukken Ind. 



408 



Gids 1888 II pag. 465). Hierdoor is de geestkracht dezer ge- 
westen te gronde gegaan. Ook al heeft men in de laatste jaren 
getracht de toestanden op deze eilanden te verbeteren, en al 
is er wezenlijk verbetering bemerkbaar, de oude welvaart kan 
men hier niet weer verwachten, sedert het economisch zwaarte- 
punt der koloniale produkten voor de wereldmarkt niet meer 
ligt in de specerijen of in andere voortbrengselen der Molukken. 

De bodem der meeste eilanden van de Molukken is vrucht- 
baar, en het klimaat is er gunstig, zoodat hierdoor geheel in de 
behoeften der bewoners kan worden voorzien. Muskaatnoten en 
foelie worden meest door Banda, kruidnagelen door de Oeliassers 
uitgevoerd. Doch wegens de dun gezaaide bevolking, die geen 
zwaren strijd heeft te voeren om in de noodzakelijke behoeften te 
voorzien, en die dus niet geprikkeld wordt tot productie, alsmede 
door het gemis aan werkkrachten, geschiedt de voortbrenging 
voor de markt niet op groote schaal. Ook de nijverheid is er 
gering en belooft niet zich in den eersten tijd veel te zullen 
ontwikkelen. 

Een belangqjk bedrijf in deze gewesten is devisscherij met 
fuiken in vele soorten, maar ook met lijn en hengel, zoowel uit 
prauwen in open zee als op het strand, en met harpoenen en 
werpspietsen. Op Nieuw-Guinea gebruikt men pyl en boog. 
Ook de paarlvisscherjj vindt men bij vele eilanden (zie I, 
pag. 547). 

In de binnenlanden van onderscheidene eilandjes is het geld 
nog weinig bekend en bestaat meest onmiddellijke ruilhandel. 



b. Beschrijving der eilandengroepen. 



De residentie Ternate omvat een groot aantal eilanden en 
Tcr^te. ldentiC gedeelten van eilanden, waartoe als uiterste deelen bebooren het 
oostelijk gedeelte van Celebes om de Golf van Tomaiki in 
het W. en de eilanden by Nieuw-Guinea in het oosten. Geographisch is dit 
gebied voor een overzicht het best in te deelen in eenige eilandengroepen en 
gewesten: 1. de Halmaheira-groep, 2. de Batjan-groep, 3. de Obi- 
groep, 4. de Soelaeilanden, 5. de Papoea-eil. en 6. Oost-Celebes. 

Staatkundig kunnen in deze residentie onderscheiden worden: 1. Gouver- 
nementsgrondgebied, 2. Gebied van het landschap Ternate, 
3. Gebied van het landschap Tidore en 4. Gebied van het land- 
schap Ba tja n. Deze laatBte drie zijn sultanaten. 



Digitized by Googl 



De goographische gedeelten zullen wt) korteUjk de revue doen passoeren, 
en daarbij tevens met enkele woorden de aandacht vestigen op de inlandsche 
staatkundige toestanden. 

I. De Halmaheira-groep. Deze eilandengroep bestaat uit: 1. het eiland 
Halmaheira, 2. de eilanden Ternate, Hiri, Tifoeré en Mojaoe, 3 de 
eilanden Makjan, Motir, Miskin, Kajoa, Waidoba,deGoaritjigroep, 
Gaane en Damar en 4. de eilanden Tidore, Maitara, Maré en Ti- 
lango. (Filonga). Alleen bU enkele staan w\j iets nader stil. 

1. Het eiland Halmaheira. — Halmaheira (= moederland, groot 
land) heeft met de kusteilandjes een oppervlakte van 18 415K.M. Het eiland 
bestaat uit vier schiereilanden, door diep indringeode golven gescheiden, een ver- 
kleinde afbeelding van Celeboa. De schiereilanden worden gevormd door bergketens, 
welke in het midden zjjn samengedrongen, meestal met dichte wouden bedekt. 
Onderscheidene toppen van het gebergte zijn van vulkanischen oorsprong. Talrijke 
rivieren stroomen van het bergland naar zee, doch geen van deze heeft veei be- 
lang. In het noordelijke district Galóla vindt men het meer van dien naam, van 
inlandsche kampongs omringd, ook met een christendorp, en andere meren. 

Halmaheira is nog zeer onvoldoende bekend. Het aantal bewoners wordt 
op ±30000 geschat; het noordelijkste schiereiland wordt het dichtst bewoond. 
De bevolking bestaat deels uit heidensche Alfoeren, deels zijn zij tot den Islam 
overgegaan. De eersten hebben het volkseigene type het best bewaard. De vrou- 
wen worden beschreven als ineengedrongen van gestalte, do mannen als krachtig 
gebouwd, sterk behaard en met regelmatige trekken, in den omgang vry maar 
toch bescheiden en zeer hulpvaardig. De talen van dit eiland vormen een eigen- 
aardige groep met vele dialecten (Zie I, pag. 302), die afwijken van andere, en 
ook op het eiland vindt men vele verschillen, zoodat bewoners van N. en Z. 
elkander niet kunnen verstaan. In de strandnegorijen verstaat men evenwel 
overal het Ternataansch. 

Het hoofdvoed8el is sagoe met sagoeweer als drank, welke uit den aren- 
palm wordt getapt, landbouw, jacht en visscherü vormen hoofdmiddelen van 
bestaan. Rijst, sagoe, kokosnoten, paarlemoer, tripang en damar zijn de hoofd- 
voortbrengselen. De bosschen ztjn rijk aan goede houtsoorten, doch de afvoer 
er van is moeielljk wegens gebrek aan goede waterwegen. De handel, die niet 
belangrijk is, wordt meest gedreven door Chineezen en Makassaron van Ternate 
en door Tidoreezen ; geld is er nog weinig in omloop ; meest drijft men ruilhandel. 

De landschappen in het noorden en zuiden van dit eiland behooren tot het 
sultanaat Ternate, die in het zuidoostelijke en oostelijke schiereiland tot het 
sultanaat Tidore, en een klein terrein, waar voorheen het Ned. fortje Dodinga 
gebouwd werd, vormt rechtstreeksch Ned. grondgebied. De lasten en diensten, tot 
welke de bevolking voor de Sultans van Ternate en Tidore verplicht was, z\jn 
in 1877 door het Ned. gouvernement verminderd. 

Het bergachtige en boscbrrjke eiland Morotai ten N.O. van Halmaheira 
levert sagoe en heeft vogelnestklippen. Bewoners van N. Celebes komen hier veel 
voor het kloppen van sagoe. Het behoort tot Ternate. 

2. Ternate. Op korteu afstand ton W. van Halmaheira ligt het eilandje 



470 

Ternate voor de baai van Dodinga. Het kleine eiland, nog geen vierk. geogr. 
mijl groot, heeft voornamelijk beteekeniB als de zetel van het hoofd van het 
bestuur der residentie van dien naam en als de verblijfplaats van den sultan van 
Ternate. Het eiland bestaat schier enkel uit een werkzamen vulkaan, den z.g. 
Piek van Ternate, ongeveer 1600 M. hoog, de kruin gesplitst in vier toppen, 
met een krateropening aan den N. kant, die aan den N. en N.W. kant steil in 
zee loopt, terwijl de oostzijde de zachtste en uitgestrektste helling heeft. Hevige 
uitbarstingen en aardbevingen hadden er herhaaldelijk plaats ; wij noemen die van 
1608, 1635, 1653, 1673, 1686, 1737, 1835, 1839, 1840, 1855, 1862, 1871, 1897. 

Het geheele eiland is dicht begroeid: op enkele kleine vlakten tusschen 
de lavaribben in het N. en N.O. vindt men rijst en djagoeng geteeld (echter 
niet voldoende voor de behoefte), aan den zachthellenden zuidkant cultuurge- 
wassen en vruchtboomen : sagoepalmen, koffie, peper, kruidnagels, muskaatnoten 
enz. Het klimaat is er gezond, de lucht meest helder en zuiver en de hitte onder 
den invloed van de zee en den wind zelden hooger dan 30° C. 

Op de zachte glooiing strekt zich langs de oostkust van het eiland de stad 
Ternate uit, in hoofdzaak bestaande uit drie hoofdstraten, welke evenwijdig 
met het strand loopen, en die door dwarsstraten met elkander verbonden zijn. 
Eigenlijk heet alleen het noordelijk deel, aanvangende bij de ruïne van het voor- 
malig fortje Toloko of Hollandia, van steen gebouwd op een in zee uitstekende 
rots, Ternate. Hierop volgen de door Ternatanen bewoonde wijken, de z.g. 
a Soahsio" of negen kampongs, in wier midden de moskee en aan welker zuidelijk 
einde het paleis des sultans verrijst, een vervallen steenen gebouw op een heuvel 
gebouwd. Ten Z. daarvan ligt eerst de wijk der Makassaren en andere oostersche 
vreemdelingen, dan die der Cbineezen en eindelijk die der Europeanen. Dit laatste, 
het zuidelijk deel der stad, is alleen gouvernementsgebied. De bevolking der 
stad bedraagt ruim 3000 zielen, waarvan 1840 In]., 600 Chin., 211 Arab., 850 
Europeanen. 

De Inlanders, de echte Ternatanen, wonen overal verspreid op het 
eilandje, doch meest samengedrongen om hot paleis van den Sultan. Het is 
een gemengd ras, dat in uiterlijk zich weinig onderscheidt van de Inlanders 
van den Archipel, doch een eigen taal spreekt, het z.g. Ternataansch, dat als 
het ware de lingua franca van den Molukschen Archipel in engeren zin is. Het 
Ternataansch wordt in de strandnegorljen van het uitgestrekte gebied van den 
sultan door handelaren gebezigd om met de bevolking om te gaan, en de Al* 
foeren, die tot den Islam overgingen, gebruiken het dikwijls meer dan hun eigen 
taal. De Ternataansche taal werd vroeger verbreid door de hoofden met hun 
soldaten, die de sultan naar de eilanden van zijn gebied zond om er het gezag 
te voeren, en die steeds Ternataansch spraken, zoodat de overige bevolking het 
ook moest leeren. In het schrift worden Arabische karakters gebruikt. De in- 
boorlingen zijn allen „burgers" (zie pag. 454), en dus vri) van heerendiensten. 

Ternate ligt te veel in een uithoek van den Archipel om een stad met 
belangrijken tusschenhandel te worden, en het mist eveneens een belangrijk 
achterland in de nabijheid, als Menado bezit. Wel wordt er handel op Halmabeira 
gedreven, maar toch een aanzienlijk productiegebied is dit niet. Slechts een paar 



Digitized by Google 



471 



handelaars zijn in het bezit van kleine schoeners, hoofdzakelijk voor reizen naar 
Nieuw-Guinea, en de atoomvaart bepaalt zich tot het aandoen der schepen van 
de Pakketvaart, tweemaal 's maands. De reede, oudtijds by het fort Oranje, 
doch wegens verzanding verlegd naar het Residentiehuis, is veilig bij alle winden. 
Voor den uitvoer worden van verschillende eilanden hier aangebracht: tabak, 
hertshoorn, vogelhuiden, schildpad, was, damar, haaivinnen, gedroogde en ge- 
zouten visch, tripang, massooi, parelen, paarlemoerschelpen, coprah en eenige koffie. 
Ingevoerd worden: katoenen en wollen goederen, glas- en aardewerk, garens, 
rijst, was, runderen, opium (door het Gouvernement) enz. 

Van de vele vorstjes op deze eilanden had in de 13<ie eeuw die van Ternate 
zich weten te verheffen boven die der andere staatjes en zelfs zijn gezag weten uit 
te breiden over vele eilanden. Nadat de vorst tot den Islam bekeerd was, 
nam tuj in navolging van andere Indische vorsten den titel van Sultan aan. De 
grootste uitbreiding van gezag verkregen de sultans van Ternate van 1570-1583, 
toen hun gebied in het N. tot Mindanao, in het O. tot Banda, in het Z. tot 
Bima en in 't W. tot Makaasar ging. In 1607 sloten de Hollanders een verdrag 
met Ternate tot het verleenen van wederziJdsche hulp tegen Fortugeezen en 
Spanjaarden en omtrent den alleenhandel in kruidnagelen. In den eersten tjjd 
van het optreden der Nederlanders in de Molukken vormden de nagels hier het 
hoofdartikel van den handel, doch de nagelteelt is te gronde gegaan. 

De Sultan van Ternate, wiens inlandsche titel „Kolano" luidt, heeft het 
bestuur over het eiland Ternate en verder over de tot het rijk Ternate behoo- 
rende eilanden en gewesten, als de tusschen Tidore en Batjan gelegen eil. Motir, 
Makjan, de Kajoa- en G oaritji-eil., Noordelijk en Zuidelijk Hal- 
inaheira met eilandjes, de eil. Morotai en Rau, over de Soela-eil., den 
Bangaai-Archipel, de eilanden Manoewi en Wowoni en nog veel andere 
(Zie volledige opsomming in de Reg. Alm. v. N. I.). Alleen enkele kleine ge- 
deelten hierin zijn Gouvernementsgebled. De Sultan wordt, zonder bepaalde erf- 
opvolging, aangesteld door het Ned. Gouvernement, van hetwelk hij zijn gebied 
in leen heeft, en dat bij bestuurt volgens het gesloten contract. Het laatste is 
van 1880. De Sultan mag zijn rijk niet aan een andere natie afstaan, daarmede 
geen verbond sluiten. Het Gouvernement heeft het recht alle Rijksgrooten en 
ambtenaren zonder uitzondering te benoemen en te ontslaan ; benoemingen door 
den Sultan moeten vooraf aan het Gouvernement voorgedragen en daarna goed- 
gekeurd worden. Het Ned. Gouvernement kan, als het dit verlangt, Europeesche 
ambtenaren vestigen, en, zoodra het dit goed vindt, zelf het bestuur over het 
geheele Sultanaat in handen nemen. Ter vergoeding van de in vroeger tijd uit- 
geroeide specerijen, geniet de Sultan jaarlijks een subsidie, evenzoo de Rijks- 
grooten e.a. De slavernij en het pandelingschap zijn sedert 1879 in het geheele 
sultanaat verboden. Ondernemingen van landbouw en mijnontginning mogen 
niet aan vreemdelingen worden toegestaan zonder toestemming van het Gou- 
vernement; nieuwe belastingen mogen zij evenmin zonder toestemming invoeren. 

3. Tidore. Tidore is een sultanaat, bestaande uit: 1. het eiland Tidore met 
omliggende eilandjes, 2. de twee oostelijke schiereilanden van Halmaheira en het 



472 



noordeiyk deel van het zuidelyk achiereiland, 3 het eiland Góbó met de eilandjes 
Faoo en Gag en 4. alle eilanden tusschen de kusten van Halmaheira en Nieuw- 
Guinea. Men schat de bevolking op ongeveer 30 000 zielen, maar dat getal is zeer 
onzeker. De Sultan van Tidore is leenman van het Ned. Gouvernement; door 
contracten is de verhouding bepaald. Tegen schadeloosstelling heeft het Gou- 
vernoment het recht tot het heffen van in- en uitvoerrechten aan zich getrokken. 
Hoewel het rijksbestuur in hoofdzaak op dezelfde wijze geregeld is als te Ter- 
nate, schijnt het Tidorsche hof meer een westersch uiterlijk te hebben, zoodat 
prinsen en hoofden zich gemakkelijker onder Europeanen bewegen. 

Tidore is een klein, bergachtig eilandje, de zuidelijke helft geheel inge- 
nomen door een vulkanischen piek van 1500 M. hoog, (uitbarstingen er van 
zijn niet bekend) met kalen top en in het midden met zwaar woud begroeid. 
Aan de oostkust ligt de hoofdplaats Tidore, de residentie van den sultan, 
ook „Soahsio" of de negen kampongs geheeten, hoewel zij tegenwoordig uit 
23 wijken bestaat. De huizen doen zich van verre voor als van steen gebouwd, 
maar bestaan naderbij gezien uit dubbele wanden van gevlochten bamboe met 
koraalsteen opgevuld en met kalk bepleisterd. Veel levert het eiland niet op; 
het aantal bewoners is niet bekend. 

II. De Batjan-groep. Het hoofdeiland van deze groep is Bat jan, door de 
Inlanders Dorokoesoe geheeten, ± 50 geogr. M. groot, gedeeltelijk met heuvels, 
gedeeltelijk bergachtig. 

De bodem is begroeid met zwaar geboomte, dat goed timmer- en meubel* 
hout oplevert, met sagoebosschen in de moerassige vlakten en aan de kust 
met klappers. Men vindt er steenkolen en goud. De eenige negorij van belang 
is Laboeha, waar op de kleine kuststrook, die gouvernementsgebied uitmaakt, 
±: 400 inl. christenen wonen. Naast deze negorij ligt de sultanswyk, waar nevens 
de hoofden eenige Chineezen verblijven. Het aantal onderdanen van den sultan 
bedraagt ongeveer 1200, allen Mohammedanen, velen opiumschuivers. Zy leven 
meest van vischvangst en van de inzameling van boschprodukten. Batjan is het 
kleinste sultanaat ; het geheel der onder dat gewest ressorteerende bewoners be- 
draagt niet meer dan 3000. 

III. De Om- of Ombi-groep. Deze groep bestaat uit Groot-Obi (Ombi) 
met vijf kleinere eilanden en nog vele meest bergachtige eilandjes, die in 1683 door 
verkoop van den Sultan van Baljan aan de Compagnie kwamen en gouverne- 
mentsgrondgebied vormen. Een vaste bevolking wordt er niet gevonden, maar 
de eilanden worden druk bezocht door lieden van Batjan, Makjan, Tidore enz., 
die er sago kloppen, in de bosschen wilde muskaatnoten, damar en rotan ver- 
zamelen en in de omringende wateren gaan visschen en naar parelen en 
paarlemoerschelpen duiken. 

IV. De Soela-eilanden. De Soela-eilanden, behoorende tot het sul- 
tanaat Ternate bestaan uit een groep van drie groote en onderscheidene kleine 
eilanden, de groote bekend als: Taliaboe, Mangoló en Soelabesi. De 
bevolking bestaat meest uit Alfoeren in de binnenlanden en Mohammedanen aan de 
kust. De voornaamste voortbrengselen zijn padi, mals en sagoe. De geoogste padi 
dient voornamelijk tot betaling der verschuldigde belasting, tot ruilmiddel togou 




473 

lijnwaden en tot versnapering, terwijl mate en sagoe hoofdvoedsel zijn. De bosch- 
produkten zijn was, d ara ar en rotan. De bevolking van Soelabesi weeft sarongs 
van Europeesche garens. Vroeger waren deze eilanden een schuilplaats voor 
zeeroovers, thans niet meer. Senana, een goed onderhouden kampong, is de 
hoofdplaats op Soelabesi, met een vervallen fort. 

V. De Papoea eilanden. Onder dezen naam kan men de eilanden tusschen 
Halmahelra, de Obi-eilanden en Nieuw-Guinea samenvatten, een groot aantal 
eilanden, waarvan Gebeh, Waigeoe, Batanta, Salawati en Misool 
de grootste z\)n. Meest zijn het bergachtige eilanden, bedekt met bosschen, 
die uitmuntend timmerhout opleveren, terwijl er verder sagoe-, kokospalmen 
muskaatnoten enz. veel voorkomen. De zee is rijk aan visch, schildpad en tri* 
pang, en dicht bij de kust van Nieuw-Guinea vindt men parelbanken. Al deze 
eilanden behooren officieel tot het gebied van den sultan van Tidore, doch zijn 
gezag is sedert het verbod van de hongi-tochten sterk achteruit gegaan. De be- 
volking behoort tot de Papoea's. 



De eilanden in het Z.O. van den Archipel zyn administratief 
Amboina vereenigd tot de residentie Amboina. Deze naam is wellicht 
de omschrijving van den inlandschen naam „Noesa Japono" 
(d. i. = neveleiland) door het Maleische „amboen", „emboen" (= nevel of dauw) 
voor Ambon en werd door de Nederlanders overgenomen. Voor de residentie 
wordt de naam „ Amboina" gebruikt, het bepaalde eiland noemt men „Ambon." 
De residentie Amboina bestaat uit de volgende eilanden met daartoe behoorende 
kleinere eilandjes: Ambon, Oma of Haroekoe, Honimoa of Saparoea, 
Noesa Laoet, Boeroe, Manipa, Kelang, Bonoa, Amblau, Ceram, 
de eigenlijke Banda-eil., de Zuid-Ooster- en Zuid-Wester-eilanden, 
de Aroe-eilanden, de Kei-eilanden, de Tenimber-eil. of Timor- 
laoet-groep en de groep van Babber. 

De bovengenoemde eilanden waren van ouds bijzonder bekend door de specerijen 
en werden daarom bezocht door Ternatanen, Ti do reezen, Javanen en Makassaren, 
waarvan de beide eerstgenoemden zich op onderscheidene plaatsen vestigden en 
zelfs de bewoners onderwierpen. Nadat in 1599 Van Waerwijck hier kwam 
en hem werd toegestaan handel te drijven te Hitoe Lama, werd reeds het volgende 
jaar de hulp ingeroepen van Steven van der Hagen om de Portugeezen te 
verdrijven, en in 1605 werd het kasteel Kota Laha op Leitimor veroverd, en 
Frederik Houtman trad als eerste gouverneur op. Sedert was de hoofdzetel 
der Compagnie hier gevestigd, en het verder uitgebouwde fort ontving den naam 
Nieuw Victoria. Van Ambon uit' werd vervolgens dit gedeelte van den Ar* 
chipel door de Nederlanders beheerscht. Ambon was de hoofdplaats van het 
Gouvernement der Molukken, waartoe ook de noordelijke gedeelten behoorden, 
dat in 1867 werd gesplitst. Van hier uit werd ook de egoïstische koopmans- 
politiek gedreven, die de welvaart en den economischen zin der bevolking 
te gronde deed gaan. Ook al werd in 1824 gelast, dat de hongi-tochten moesten 
worden afgeschaft, en dat de aanplant van kruidnagelen vrij mocht geschieden, 
ook al werd de verplichte teelt en levering in 1867 voor goed opgeheven (zie 



474 



I, pagg. 523— 623), daarmede werd de welvaart niet hersteld, want de gevolgen 
van de verkeerde politiek werkten nog lang na by de bevolking. .Alle middelen, 
tot dusver beproefd om de bevolking tot welvaart te brengen, waren vruchteloos", 
zegt de heer Van Hoevell (1875). „Zoo opheffing van het specerijmonopolie, 
openstelling van de havens en de aanneming van een vrijhandelstelsel, afschaf- 
fing van allen gedwongen cultuurarbeid, (om de bevolking smaak te doen ver- 
krijgen in vrijwillig werk), beperking der heerendiensten tot een minimum, aan- 
moediging van den landbouw en nuttige cultures (zelfs door het geven van 
rentelooze voorschotten), een vrijzinnig passen stelsel, een beter onderwijs op 
de scholen, alles zonder vrucht Elke poging tot verbetering stuit af op de inertie 
van den Ambonees, een gevolg van de weinige behoeften, die hij kent, en de 
gemakkelijkheid, waarmede hij in zijn dagehjksch voedsel (sagoe, visch en sagoe- 
weer) kan voorzien. Niettemin wordt er geen gebrek geleden: de Ambonees 
heeft voldoende tot onderhoud van zich en zijn gezin, is goed gekleed, bewoont 
stevige, soms nette huizen, en heeft bij geringen arbeid altijd voldoende over om 
feesten te vieren, en dit niettegenstaande hij er zelden toe zal overgaan zich op on- 
eerlijke wijze te verrijken, en nergens de veiligheid van personen en goederen 
iets te wenschen overlaat" 

De Amboneezen, waarmede meer speciaal werden aangeduid die Inlanders 
welke den Christelijken en den Mohammedaanschen godsdienst hebben aangenomen, 
terwijl de Beidenen als Alfoeren worden aangeduid, zijn door vermenging by de 
veelvuldige aanraking met andere inlariers van den Archipel en van Wester- 
lingen veel van type veranderd. Zij kenmerken zich door vrij donkere gelaats- 
kleur, kroezig of golvend haar, platten neus met vooruitstekenden mond, eenigs- 
zins dikke lippen en krachtigen, regelmatigen lichaamsbouw. De vrouwen '4jn 
meestal tenger. Hen onderscheidt by de Christenen en Mohammedanen de burgers 
(zie ook pag. 453) (orang bóbas)ende negoryiieden (orang negri). De eersten 
zyn afstammelingen van inboorlingen, die wegens in vroeger tyden aan de Com- 
pagnie bewezen diensten van alle verplichte werkzaamheden werden vrijgesteld, 
behoudens deelneming aan de Ambonsche schutterij. Daardoor achten zy zich 
hooger dan de negoryiieden, zy kleeden zich anders. Niet zelden waren zy daar- 
door zeer aanmatigend. De Ambonsche schuttery is opgeheven. De negoryiieden 
vormen de echte inlandsche bevolking. 

De voornaamste produkten dezer eilanden zyn: sagoe, kruidnagelen, noten- 
muskaat en timmerhout. Met uitzondering van het zuideiyk schiereiland van 
Ambon en de Oeliassers vindt men overal uitgestrekte sagoebosschen. De nagel- 
cultuur is door de lage pryzen eenigszins verwaarloosd. De cultuur van muskaat- 
noten is hoofdzakeiyk bepaald tot de Banda-eilanden ; hoewel ook elders note- 
boomen werden aangeplant schynt het alcalold-gehalte daar niet zoo goed te 
zyn. De aanplant van klapperboomen tot bereiding van coprah neemt toe. Qoed 
timmerhout leveren Ceram en de Kei-eilanden; een Europeesche firma voert 
van hier uit. De Inlandsche bevolking verbouwt nog ryst op ladangs, mals, 
bataten, oebi, suikerriet, peulvruchten, gierst en vooral worden vruchtboomen 
geplant, waaronder pisang en papaja gezocht zyn. De ny verheid bepaalt zich 
tol het tappen van sagoeweer, het vlechten van doozen en matten, op de 



Digitized by Google 



475 



Oeliaaeers het bakken van potten. Scheepsbouw wordt als tak van nijverheid 
alleen uitgeoefend op de Kei-eilanden. Vischvangst heeft op kleine schaal plaats. 
De Aroe-eilanden zyn het rtykst aan pareloesters ; by de Temimber-eil. en Zuid- 
wester-eil. komt veel tripang voor. 

De uitvoer van Amboina in 1904 bestond hoofdzakeiyk uit de volgende 
artikelen. 

Notenmuskaat 938 787K.G. (ƒ938 787), naar Nederland (647 978 K.O.), 
Singapore (342 218 K.G.), Amerika (25 085 K.G.), Italië (6321 E.G.) 

Foelie 287 249K.G. (ƒ480 878), naar Nederland (197 566 K.G.), Singapore 
(76 809 K.G.), Amerika (11 423 K.G.). 

Paarlemoerschelpen voor f213 299, naar Engeland (ƒ148 546), Sin- 
gapore (ƒ78 500), Frankrijk (/"li 728). 

Verder schildpad, voor ƒ26000, meest naar Frankryk; vogelhuiden 
voor ƒ8511, gom-copal ƒ10600, coprah voor /1701. 

By slechts enkele eilanden kunnen wy iets nader stilstaan. 

L Am bon. Het eiland Ambon, ten Z. van het westelijk uiteinde van 
Ceram gelegen, tusschen 3° 28' en 3 Q 48' Z.Br., bestaat uit twee schiereilanden, 
die by Paso door een smalle strook alluvium van 3 — 5M. hoog verbonden 
worden. Het noordelijk gedeelte, Hitoe, en het zuidelijk, Leitimor, vormden 
tot voor betrekkelijk korten tyd twee afeonderlyke eilanden. Nog een viertal 
zeer kleine eilanden liggen nabi) de kust, en tezamen beslaan zy een oppervlakte 
van 762K.M.', ongeveer •/» provincie Groningen. Leitimor is bergachtig 
doch met alluviale vlakten van eenige uitgebreidheid; de toppen hebben een 
hoogte van 230 tot 625 M. hoogte. Eigenaardig is de terreinvorm der terrassen, 
waarmede achter Ambon de bodem stygt. Hitoe is veel grooter dan Leitimor; 
de bergen Wawani en Salhoetoe gaan hier tot 1100 en 1225 M. De bergen 
liggen hoofdzakelijk in het westen en in het oosten; het zuiden is lager en ver- 
toont talrijke terrasvormig opklimmende, platte ruggen. 

Ambon heeft een aanzienlijken regenval, gemiddeld 3625 in.M. per jaar, 
waarvan '/, valt in de 4 regenmaanden Mei tot en met Aug., terwijl de overige 
8 maanden tezamen slechts '/a van den regenval hebben. Hoewel er talrijke 
rivieren ontstaan in het bergland, kunnen zij zich by gemis aan vlak terrein 
nergens tot bevaarbare stroomen ontwikkelen. 

De hoofdplaats is Ambon, de zetel van den resident met 7916 zielen, 
waarvan 6449 Inlanders, 783 Europ., 447 Chin. en 287 Arabieren. Het fort 
Nieuw Victoria ligt aan het strand; het is een onregelmatige zevenhoek met 
bastions, kazernen, officierswoningen, gouvernementsbureaux enz. Ten W. en 
Z.W. van het fort wonen de Europeanen, ten Z. hiervan ligt het Chineesche 
kamp. De stad is een regelmatig gebouwde plaats met ruime en zindelijke straten, 
en vele van steen gebouwde, naast elkander staande huizen. 

In het geheel telt Ambon 47 negoryen en eenige uitsluitend door burgers 
bewoonde kampongs. Elk der negoryen vormt een op zich zelf staande gemeente, 
met eigen hoofd of regent, die door de bevolking gekozen en door het Gouver- 
nement benoemd wordt, doch daardoor nog geen bezoldigd ambtenaar is. Het 
ambt wordt zooveel mogeiyk erfeiyk gehouden. De heerendiensten zyn er af- 



Digitized by Google 



476 



geschaft. Het negorij-volk is verdeeld in dati's, d.z. afdeelingen, die gemeen- 
schappelijk grondbezit hebben en ook gemeenschappelijk de lasten daaraan ver- 
bonden, dragen. Het eigendomsrecht van den grond behoort aan de negorij- 
Oma ofHaroekoe, een klein eilandje ten O. van Ambon, in de volks* 
taal Noesa Halawani of goudeiland geheeten, komt in natuurlijke gesteldheid 
met Ambon overeen, hoewel de bergen minder hoog zijn. Saparoea, 2200 
inw., waarvan 166 Europ. en 22 Chin., eveneens een klein eiland, levert kruid- 
nagelen; staat onmiddellijk onder een controleur. 

2. Boeroe en Ceram. Dit eerste eiland is ± 8800 K.M.* groot (± 4 maal 
zoo groot als Limburg), een bergachtig eiland met ongeveer 10000 zielen, meest 
inlanders, Alfoeren, Mohammedaan sche vreemdelingen en een paar honderd Chris- 
tenen, van Ambon afkomstig, burgers. 

Ceram of Séram, juister Sérang en Seran, in de volkstaal Noesa- 
ina of Möedereiland geheeten, is het grootste der Ambonsche eilanden, ± 17195 
K.M. 1 groot (ruim de helft van Nederland), een bergachtig eiland, dat in het 
binnenland nog onvoldoende bekend is, en waar wegen ontbreken. Omtrent 
het aantal bewoners heeft men nug geen zekerheid; in 1882 schatte men een 
totaal van 12000 Christenen en 16000 Mohammedanen op het eiland, meest 
strandbewoners, maar omtrent de Alfoeren in het binnenland loopen do opgaven 
ver uiteen. De voortbrengselen zijn sagoe, timmerhout, muskaatnoten en bosch- 
produkten. De handel, die door vreemdelingen met inlandsche vaartuigen ge- 
dreven wordt, is meest ruilhandel. 

3. De Banda-eilanden. Een der fraaiste plekjes van Nederlandsen Indiö, 
en wellicht van de gehoele aarde is Banda, zegt Dr. Verbeek. Natuuronder- 
zoekers en reizigers, die reeds een groot gedeelte van de aarde hebben gezien, 
zijn het er over eens, dat, al mogon de Alpen, de Himalaja en zooveel andere 
hooge gebergten een veel grootscheren indruk maken, geen terreinen in liefelijkheid 
de Banda-eilanden overtreffen. De Banda-groep bestaat uit verschillende eilanden, 
waarvan de middelste, Groot-Banda of Lontor, Banda Neira en Goe- 
noeng Api dicht bi) elkander liggen en fraaie baaien insluiten, die een veilige 
reede aanbieden voor schepen. De beide eerstgenoemde eilanden zijn van onder 
tot boven met bosschen bedekt, grootendeels notenmuskaatboomen, waartusschen 
enkele veel hoogere kanariboomen. De eilanden bestaan geheel uit tuinen van 
muskaatnoot-boomen, notenperken genoemd. 

Goenoeng Api, de hoogste der drie eilanden, en van de geheele groep, 
vormt een contrast met de andere. Alleen in het benedengedeelte is die steile 
kegel mot boomen en struikgewas begroeid, het bovenste gedeelte is geheel 
kaal en hier en daar met een wit of geelachtig zwavelbeslag bedekt De Goe- 
noeng Api(= vuurberg) is een werkzame vulkaan, die zelfs in zijn rustigste perioden 
heete dampen van stoom, vermengd met zwaveligzuur, uitstoot, en de zwavel 
doet aanslaan. Notenperken vindt men op dezen steenachtigen berg niet, in 
tegenstelling met de boven genoemde eilanden. 

Rondom genoemde drie eilanden liggen nog 8 kleinere: Erakak, Kapal 
en Pisang en op grooteren afstand nog 4 andere: Sewangi, Ai, Roen en 
Uozengain, zoodat de geheele groep uit 10 oil. bestaat. Deze eilanden zijn van 



Digitized by Google 



477 



vulkanischen aard en maken deolen uit van een grooten, ingestorten vulkaan, 
die overeenkomt met den Tengger (Zie II pag. 153). Herhaaldelijk zyn deze 
eilanden aan vulkanische aardbevingen ter prooi. 

De eerste aanraking der Nederlanders met de Banda-eilanden had plaats in 
1599, toen Jacob van Heemskerck te Lontor kwam, kort daarop een verbond 
sloot met de hoofden en er tot het dry ven van handel in noten een loge bouwde, 
en in 1619 werd de groep in bezit genomen. De bevolking, toen op ± 15 000 
zielen geschat, verbreid over tal van welvarende dorpen, vooral Lontor, ging 
door oorlog en gebrek grootendeels ten onder, of is verhuisd naar de Zuidooster- 
en andere eilanden. Het tegenwoordig aantal bewoners, dat in de opgaven niet 
afzonderUjk vermeld wordt, zal ongeveer 9000 bedragen. Zy vormen meest na- 
komelingen van verschillende rassen, nl. van verschillende Europeescbe natiën 
met oorspronkelijke Bandaneezen, Timoreezen, Timor-Laoet-eilanders, Cerammers, 
Boetonners, Ambonneezen, Galélareezen van Halmahelra, slaven en bannelingen 
uit verschillende oorden van den archipel, en in den laatsten tyd ook uit Ja- 
vanen. De Europeanen zijn, behalve de ambtenaren, voor verre het grootste 
gedeelte sedert verscheidene geslachten kleurlingen, en met de perkeniers is dit 
schier zonder uitzondering het geval. De inlandora zyn deels Christenen, deels Mo- 
hammedanen of Heidenen. De visschery' is byna de eenige tak van bedrijf; op 
handel en nijverheid leggen zy zich weinig toe, en alleen in den uitersten nood 
begeven z\j zich by perkeniers of andere ingezetenen in dienst. Zelfs de meesten 
der in 1868 vry geworden perkhoorigen verkozen vaak liever in ledige armoede 
te leven, dan door vry willigen arbeid in hun bestaan te voorzien. In den laatsten 
tyd schijnt hierin echter verbetering te zyn gekomen. 

De handel op de Banda-eilanden wordt meest door Chineezen gedreven; 
de Booginoozen hebben zich meest meester gemaakt van den handel op de 
Zuidooster- en Zuidwestereilanden. De Banda-eilanden worden voor een groot 
gedeelte ingenomen door notenperken (plantages): op Banda-Neira 8, op Lontor 
25, op Ai 6. Op Goenoeng Api, dat geen vaste bevolking heeft, vindt men geen 
muskaatnotenboomen, maar aan de kusten groeien kokosboomen; op Kozengain 
zyn van gouvernementswege djati-boomen geplant (ruim 65000) (Zie over de 
notenproductie enz. I, pag. 526). 

4. De Z u i d o o s t e r-e i 1 a n d e n. De Zuidooster-eilanden vormen een eilanden- 
groep ten Z.O. van Banda, de Zuidwester- ten Z.W. van dit eiland. Elk van 
deze beide bestaat weder uit onderscheidene groepen en eilanden. Tot de Zuid- 
ooster-eilanden behooren o.a. de Tenimber- of Timorlaoet-eil., de K ei- 
ei 1., de Watoebóla eilanden en de G o r a m-eilanden. 

De Tenimber-eilanden, tezamen ongeveer 8260 K.M 3 . groot, behoorden langen 
tyd tot het minst bekende gedeelte van den Archipel. Over 't geheel zyn deze 
eilanden laag, op zyn meest hebben enkele lage heuvels, en het hoogste punt van 
de groep is de niet werkzame vulkaan op het onbewoonde Laibobar, ongeveer 
660 M. hoog. De eilanden liggen op en te midden van een uitgestrekte koraal- 
formatie, die in de tusschen liggende straten overal gevaarhjke ritten doet 
ontstaan. 

De bevolking, die op 13000 tot 19000 geschat is, heeft sluik haar met 



478 



lichtbruine huidkleur en vertoont dus nog niet de kenmerken van de Papoea's. 
Van den landbouw maken z(J weinig werk, en de tuinbouw wordt meest ver- 
richt door de vrouwen. Op de eilanden komen wilde en tamme varkens voor, 
op Jamdéna, het grootste eiland, vindt men nog kudden wilde karbouwen. De 
uitvoer bestaat voornamelijk uit tripang, karet, haaivinnen, paarlemoerschelpen 
en kamoeni-hout. De handelaars komen meest van Makassar. 

De Kei-eilanden, door de inboorlingen E waf-ei 1. genoemd, vormen een 
talrijke groep kleine eilandjes, gelegen op het onderzeesche laagplateau, dat de 
de Bandazee in het Oosten omgeeft, en naar de Arafoera-zee in het O. steil afdaalt 
Zy liggen ten N.O. van de voorgaande eilanden, te zamen ± 8800 K.M. 1 groot, waar 
van Groot- Kei, Klein-Kei en Kei-Doela de grootste zyn. Groot-Kei is bergachtig : de 
andere beide zyn dat enkel in het midden. Alle zyn zeer vruchtbaar en met 
zware bosschen bedekt, welke uitmuntende houtsoorten leveren; enkele soorten 
moeten voor den scheepsbouw zelfs het djatihout overtreffen. Ook groeien er overal 
kokospalmen in menigte, verder arenpalmen, pisang- en sagoe-boomen, djagoeng, 
aard- en peulvruchten. Bunderen en paarden vindt men er weinig, doch herten, 
geiten en wilde zw\)nen in menigte. De vele riffen om de eilanden leveren in 
groote hoeveelheid tripang, schildpad en agar-agar. 

De Keineezen zyn, zooals allo reizigers in deze streken opmerkten, uit- 
stekende scheepstimmerlieden en beroemd door het bouwen van vaartuigen, 
die hier „bela" of „skanderia" genoemd worden. Zy maken die vaartuigen 
in elke grootte; de fraaiste zyn de Skanderia's, lange, slanke booten met 
hoog opgaanden voor- en achtersteven. Zy worden door talrpe roeiers voort- 
bewogen, die zich van pagaaien bedienen; de stuurman staat achter, en dicht 
by deze staan een paar mannen, die de gongs slaan. Op de maat der muziek 
gebruiken de roeiers hun pagaaien, en de gelijkmatigheid, waarmede de talryke 
roeiers, soms zestig en meer, dit doen, laat niets te wenschen over. Elke kam- 
pong bezit een skanderia, die gebruikt wordt, wanneer het hoofd hulde moet 
gaan brengen of een bezoek wil afleggen. Toen de Siboga in deze wateren was, 
verhaalt Mevr. Weber— Van Bosse, aan wie wy het bovenstaande ontleenden, 
kwamen verscheidene skanderia's eer aan het schip bewyzen, soms van plaatsen, 
die uren ver verwyderd waren. 

De bewoners, geschat op ± 23 000 zielen, zyn voor ongeveer '/j Mohamme- 
danen, enkelen zyn Christenen doch meestal zyn het Heidenen. De laatsten 
maken de oorspronkelijke bewoners uit en vormen naar hun uiteriyk een over- 
gangsvorm tusschen Maleiers en Papoea's, torwyi ook het zwarte hoofdhaar by 
enkelen sluik, by anderen gekroesd is, en de huidkleur afwisselt van licht 
tot donkerbruin. De Mohammedanen zyn meest afkomstig uit den vreemde, 
enkelen afkomstig van uitgeweken Bandaneezen, anderen van Celebes of elders. 

Duideiyk is het onderscheid te zien tusschen Mohammedanen en Heidenen, 
zegt Baron Van Hoevell, en de vergeUJking valt steeds in het nadeel der 
eersten uit. „Is de Heiden open en oprecht, trouw aan zyn eens gegeven woord, 
luidruchtig en vooral arbeidzaam, de Mohammedaan is sluw, vol streken, trouwe- 
loos, gluipend, in zich zelf gekeerd." En deze schryver meent, dat Arabieren en 
Makassaren op deze eilanden veel kwaad doer. 



Digitized by Google 



479 

Over 't geheel is de welvaart der Keineezeti niet groot; het aantal wel- 
varende negorijen is gering, die, waarmede dit het geval is, hebben geprofi- 
teerd bij den houthandel. Een ondernemend Duitscher, de firma Langen & Co, 
had te Toeal een houtzagerij opgericht, waarbij verscheidene inlanders work 
vonden. De heidensche Keienaar toch is er niet ongezind om te werken, en 
misschien is hier zeer goed werkvolk te bekomen voor Europeesche ondernemingen. 
Het stelsel der grondslavernij evenwel, dat er nog in volle kracht bestaat, 
houdt de ontwikkeling tegen. 

5. De Zuidwester-eilanden. — De Zuidwester-eilanden, vroeger wel 
de „Kleine Oost" genoemd, zijn gelegen in de Banda-zee ten Z.W. van Banda, 
en kunnen verdeeld worden in de volgende groepen: de Baba r-e Handen, 
Loeang-Sermata-eiland., Leti-eil., Roma-eiland en de Wetter of 
Weta r-e Handen. Deze eilanden liggen in het Z. der Banda-zee, tusschen 6° 20' 
en 8° 23' Z.Br. en 125 - 130° O.L., en hebben tezamen een oppervlakte, die 
ongeveer 5715 K.M.' zal bedragen. De meeste eilandjes zijn van vulkanischen 
oorsprong, enkele bestaan uit kalkgesteenten ; zij rijzen steil op uit de zeediepte. 

De grootte der bevolking dezer eilanden wordt zeer verschillend opgegeven. 
Riedel noemde in 1882 : 61973 zielen, een getal dat zeker sedert vergroot zal 
zijn, en onder deze moeten ongeveer een 7000 Christenen gevonden worden. De 
overige bevolking zijn nog meest Heidenen. Een eigenaardige groep vormen de 
zoogen. „Hollandsche Heidenen" op Klaar; hieronder verstaat men een soort 
van Mestiezen, die, naar men aanneemt, van Hollandsche, Duitsche en Fransche 
soldaten afstammen, en zich door blanke kleur, blauwe oogen, blond haar 
en Europeesche namen van de overige bevolking onderscheiden. Hun Christen- 
dom laat veel te wenschen over, terwijl zij verstandelijk en moreel niet boven 
de overige bewoners van Kisar staan. Vroeger werd er nog al veel werk ge- 
maakt van de zending op deze eilanden, doch in 1841 hield de zendingsarbeid 
hier op, toen de laatsten Leti, Moa, Roma en Kisar verlieten; thans is er een 
hulpprediker gevestigd. 

In economisch opzicht hebben deze eilanden weinig beteekenis. Hoewel 
het plantenrijk goede houtsoorten levert, en er onderscheidene planten uitstekend 
groeien, terwijl op de grootere eilanden uitgestrekte en schoone wouden worden 
gevonden, levert het planten- noch het dierenrijk veel voor den handel. Daar de be- 
volking overvloed van levensmiddelen heeft, wordt zelfs van de visscheri), hoewel 
de omringende zeeën rijk zijn aan visch, weinig werk gemaakt De uitvoer bestaat 
uit tripang, schildpad, was, karbouwenhoorn, sarongs en slendangs van Kisar, 
welke voornamelijk door Makassaren en voor een klein gedeelte door handelaars 
van de Banda-eilanden geruild worden tegen rijst, lijnwaden, staafijzer, messen, 
parange enz. Deze handel wordt alleen gedreven op de eilanden Loeang en 
Wetar. De overige produkten worden alleen op de eilanden onderling verruild. 

6. De Aroe-eilanden. - Op de Aroe-eilanden komen wij aan den 
oosteiyksten uithoek der Nederlandsche kleine eilandengroepen. Zij vormen een 
aantal van ongeveer 100, meestal lage uit opgeheven koraal gevormde eilandjes, 
waarvan er slechts 19 geregeld bewoond worden, terwijl de andere enkel van tijd 
tot tijd worden bezocht. Men onderscheidt ze. naar de terminologie der zeelieden , 



480 



veelal in voorwals-eilanden, de westelijke, die het eerst bereikt worden, 
(ook elders in de Molukken de eilanden, waar de handelshavens liggen), en 
achterwalseilanden, die aan den achterkant, hier het oosten, gelegen 
zijn. De totale grootte dezer eilanden zal ± 6826 K.M. J bedragen, en de bevolking 
wordt geschat (1888) op 13000, waaronder 580 Christenen, 400 Mohammedanen, 
de overigen Alfoeren. De bewering van Wallage, dat de Inlanders tot het Pa- 
poeasche ras zouden behooren, is niet juist, al komen er enkele kroesharigen 
voor, van Nieuw-Guinea afkomstig, en al vindt men er vermengingen. De Aroe- 
neezen staan op lagen trap van ontwikkeling, zijn zeer gehecht aan voorouder- 
lijke zeden en gebruiken, geen koppensnellers, zachtzinnig, vreedzaam, geduldig, 
gevoelig voor vriendelijke behandeling. A1b blijvend wonende vreemdelingen 
zijn er Makassaren en Boegineezen, ±360, en Chineezen, ±80, terwijl een 
Nederlandsche posthouder te Dobo is gevestigd, dat door de Pakketvaartmaat- 
schappij geregeld wordt aangedaan. 

De eilanden liggen veelal dicht naast elkander, door zoutwaterkanalen ge- 
scheiden; enkele diepe vormen de verbindingswegen tusschen Voor- en Achter- 
wal, andere ondiepe straten of geulen hebben menigvuldige zandbanken oi 
riflen, waarop rijke tripang- en parelbanken gevonden worden. Zware wildhout- 
bosschen bedekken vele eilandjes, op Tarangan afgewisseld met grasvlakten. 
De wel vruchtbare bodem is weinig bebouwd, daar de bewoners niet veel land- 
bouw drijven. De hoofdbron van bestaan op deze eilanden is het duiken naar 
paarlemoerschelpen, de tripang- en de haaienvangst, benevens de jacht op paradijs- 
vogels, welker gedroogde huiden een belangrijk handelsartikel uitmaken. Chi- 
neezen, Arabieren en Boegineezen of Makassaren van den Voorwal koopen die 
artikelen op. 



B. De kleine Soenda-eilanden en Ti mor. 

De Kleine res * ,en ons de groep eilanden van Java tot 

soenda-eiian- en met Timor te beschrijven. Gewoonlijk vat men 
de eilanden van deze reeks, welke geographisch veel 
overeenkomst bezitten en ook misschien in hoofdtrekken aan 
hetzelfde proces der aardvorming hun ontstaan te danken hebben, 
samen als „Kleine Soenda-eilanden 1 ', een naam die, vol- 
gens Roüffakr, in de eerste helft 19 de eeuw ontstond naar ana- 
logie der groote Soenda-eilanden (zie ook II, pag. 29). Hiertoe 
behooren de eilanden Bali, Lombok, Soembawa, Flores 
en Alor, welke een zone vormen met veel vulkanische werk- 
zaamheid in den Quartairen of ouderen tjjd, en welker gebergten 
gedeeltelijk bestaan uit vulkanische produkten, gevormd op een 
oude bergplooi, terwijl de vorming van Soemba, Savoe, 
Roti en Timor, hoewel ten Z. van dien vulkaangordel gelegen, 



Digitized by Goo^lj 



evenals van de diepe inzinking der Savoe-zee, grootendeels veroor- 
zaakt zal zijn door hetzelfde proces, dat de vulkanische eruptie be- 
vorderde. (Zie voor die vulkanen enz. het kaartje in I, bij pag. 36 
en verder pag. 95). Historisch, geographisch en in politiek opzicht 
behooren deze laatstgenoemde eilanden bij de groep. 

De groep der Kleine Soenda-eilanden heeft een eigenaardige 
klimatologische ligging tusschen Java en Australië. Daardoor 
heerscht er, naar het oosten toe in sterker mate uitkomend, de over- 
gang tot het echte moessongebied, met een droog en een vochtig 
jaargetijde (zie I, 176). De Australische moesson beheerscht in 
de maanden Dec. — Maart de windrichting dezer eilanden als 
N.W. wind met den meesten regen, terwijl in het tegengestelde 
jaargetijde het vasteland van Australië aan den Z.O. moesson (eig. 
passaat) een droog karakter geeft en tot den drogen moesson 
maakt (zie I, pag. 148 enz.). Die overgang naar een droger gebied 
heeft belangrijken invloed op den plantengroei (I, pag. 1 97 enz.). 
Hoewel is gebleken, dat de meening onjuist was, als zouden de 
Kleine Soenda-eilanden beoosten Straat Lombok reeds floristisch en 
faunistisch Australisch van karakter zijn, toch kan men aannemen, 
dat zjj verarmd zijn aan Aziatische soorten (zie I, 233 enz.). Het 
moessonkarakter met het droge jaargetijde drukt verder, vooral in 
het oosten, waar het droge jaargetijde langer duurt en de droogte in- 
tenser is, een stempel op de vegetatie, welke overeenkomt met den 
Australischen plantengroei, zoodat de overeenkomende vegetatie- 
physionomie op vele plaatsen aan Australië doet denken, ook al be- 
hooren de soorten tot het Aziatisch plantenrijk. Reeds op Bali valt 
die overgang aan den waarnemer in het oog. Op Bali, zegt Rodffaer, 
was het hem sterk opgevallen, hoe reeds op den Prahoe op 500 M. 
hoogte de zware, grijze franjes der baardmossen neerhingen van 
de takken der bergboomen, welke op den Diëng eerst op 1800 M. 
worden aangetroffen. Op de oostelijker gelegen eilanden komt de 
invloed der droogte nog meer uit, zoodat op Soembawa in het 
droge jaargetijde de boomen iu de bosschen hun bladeren ver- 
liezen en zoo kaal worden als in den winter in onze gewesten. 

De talen en de bevolking dezer eilanden hebben wij reeds 
besproken, zoodat wij ons verder kunnen bepalen tot de afzon- 
derlijke beschrijving der eilanden. 



ii 



31 



482 



I. HET EILAND BALI. 

Gesteldheid **°° r naar ^ efc zuiden trechtervormig zich verwijdende 
des lands en Straat Bali (zie II, pag. 166), in het N. slechts 1,8 K.M. breed, wordt 
voortbreng- het eiland Bali van Java gescheiden; het is ongeveer 6802 K.M. 1 

8clen ' groot, ruim tweemaal zoo groot als het groothertogdom Luxem- 
burg. Het geheele eiland is bergachtig; door het breedste gedeelte loopt een 
keten van oost naar west, met vertakkingen en uitbreidingen vooral naar de 
noordzijde, waar zij de kust bereiken, terwijl het zuidelijk gedeelte van het eiland 
meer vlak is en bedekt wordt met vruchtbare teelaarde. Evenwel het zuidelijkste 
punt, de Tafelhoek, bestaat uit een koraal kalk-gebergte. 

De vulkanenreeks, welke men op Java vindt, zet zich hier voort. In de 
noordelijke bergketen vindt men toppen van aanzienlijke hoogte, als in het 
centrum de Piek van Tabanan (2300 M.), de Batoer (laatste uitbarsting 
in 1818, 2250 M.) en de Goenoeng Agoeng of Piek van Bali (uitbar- 
stingen in 1808 en 1843, met nog solfataren-werkzaamheid, 3200 M.). De Goe- 
noeng Seraja, door een lagen bergtop met den G. Agoeng verbonden, vormt 
den oostehjksten hoek van Bali. H\j is het overblijfsel van een grooten, ingestorten 
vulkaan, en vormt een ketel, die op verschillende plaatsen is doorbroken. In de 
centrale berggroep van Bah vindt men vier zoetwatermeren van vrij aanzienlijke 
grootte en diepte op + 1000 M. hoogte gelegen, oude kraters, De Inlanders 
hebben kunstmatige waterleidingen aangelegd, om hieruit hun rijstvelden te be- 
sproeien. Deze meren zijn zeer vischryk en worden door de bewoners des lands 
met bygeloovigen eerbied beschouwd. Hoewel talrijke rivieren uit het bergland 
naar zee stroomen, hebben zh* uit den aard der zaak alle een korten loop, 
vooral de noordelijke, en zijn onbevaarbaar, enkele aan de zuidkust uitmondend 
uitgezonderd, welke laatste in den regentijd door inlandsche vaartuigen een eind- 
weegs worden opgevaren. In den oostmoesson drogen vele rivieren geheel uit. 

De verkeersmiddelen in het land zijn slecht. De rivieren kunnen daarvoor 
niet dienen, zeiden wij, en ook de wegen znn zeer onvoldoende; zoodra men 
eenigszins van de kust komt, moet men zich enkel met bergpaden behelpen, 
alleen breed genoeg voor een persoon en door lastdieren moeiehjk te betreden. Zelfs 
in de vlakten is nog weinig sprake van kunstwegen. Echter is in den laatsten 
tijd in eenige rijkjes, als Badoeng en Tabanan, en in gewesten als Boelélengen 
Djembrana hierin verbetering aangebracht en werden ook bruggen gebouwd 
over de rivieren, die er voor niet vele jaren nog in 't geheel niet bestonden. 

De plantenwereld heeft op Bali nog veel overeenkomst met die van Oost* 
Java, en ook de op Java bekende cultuurgewassen komen hier meest alle voor. 
Zelfs de djati-boom ontbreekt niet Aan kokosboomen is het eiland rijk, zooals 
blijkt uit den grooten uitvoer van coprah. De lontarboom, die een eetbare vrucht 
levert en welks bladen ons papier vervangen, komt meest in het oostelijk deel 
voor, en enkele streken z\jn bekend door den overvloed van boomvruchten in tal 
van soorten, waaronder de salak en de woeni, die elders niet zoo veel voor- 
komen. De hoofdcultuurgewassen znn rijst, met veel zorg geteeld op eawah'a, 
hier en daar djagoeng (maïs), vooral in bergstreken of waar geen bevloeiing kan 



Digitized by Google 



488 



geschieden, kokosboomen in de kuststreken, kapaa of katoen, koffie en tabak. De 
arenpalm levert suiker voor inlandsen gebruik, den lontarpalm noemden wij reeds. 

De dierenwereld 1b meer verarmd dan die der planten; de rhinoceros en de 
wilde banténg van Java vindt men hier niot meer, ook de pauw wordt er ge- 
mist. Echter zwerft in de wildernissen van W. Boelóleng en van Z.W. Djembrana 
de wilde woudstier nog rond, en tijgers komen er voor. De gewone karbouw ot 
buffel is er van een schoone soort, het paardenras is klein en leeUjk maar sterk. 
Het rundervleesch wordt door de Hindoes niet gegeten, buffelvleesch wel. 

Omtrent de delfstoffen van Bali weten wij nog zoo goed als niets. Wel 
zijn er, meent men, goudkorrels in enkele rivieren gevonden, ook meent men, 
dat de bodem tin bevat, doch tot nog toe kan daarvan niets gezegd worden. 

Er bestaat geen nauwkeurige kennis omtrent de getalsterkte 
evo ng ' der bevolking op Bali, en de opgaven loopen daardoor zeer uit- 
een. De heer Van Eck kwam tot een totaalcijfer van rond 8(52 000 zielen, d.i. 
bijna 150 per K.M.*. Ook al is dit cijfer niet geheel juist en in de laatste jaren 
gewijzigd, toch blijkt er uit, dat Bali lot een der dichtst bewoonde eilanden 
van den Archipel behoort. 

De inlandsche bevolking van Bali bestaat voor het grootste gedeelte uit 
Wong-Madjapahit, d i. menschen van Madjapahit, en zijn voortgekomen 
uit een vermenging van inboorlingen met Hindoe-Javaansche kolonisten. Met 
zekeren trots noemen de Balineezen zich aldus, omdat zij prijs stellen op deze, 
eenigszins edel beschouwde afkomst. Toen het Rijk Madjapahit op Java te gronde 
ging door den Islam (I, pag. 330), weken vele Hindoe- Javanen naar Bali, waar 
de Wong-Madjapahit tot den tegen woordigen tijd het Hindoeïsme staande wisten 
te houden. 

Behalve de Wong Madjapahit vindt men er Bal ia ga, ook wel Ba li-moe la 
genoemd, betrekkelijk weinigen in aantal, die men als de nakomelingen der oor- 
spronkelijke Balineezen kan beschouwen (zooals de Badoej's op Java I, 269, 
II, 76). Zi) hebben het Hindoeisme niet omhelsd, verbranden ook hun lijken 
niet, maar begraven ze of leggen ze in een boom neder. Oorspronkelijk woonden 
dezen alleen bi) de meren in het binnenland, een schuilhoek, waar zij zich 
hadden teruggetrokken voor de indringers, maar thans wonen zij meer verspreid. 
Een bijzonderen stam van hen vormen de Anak B aratan, die bij uitsluiting 
het ambacht van goud- en zilversmeden uitoefenen. Verder wonen op Bali nog 
een klein aantal tot den Islam bekeerde inboorlingen, Javanen, Madoereezen en 
Boegineezen, te zamen wel als Bali-slam of Bali-islam aangeduid, de laat- 
sten meest in de strandplaatsen, en voorts Chineezen en Arabieren. 

De „Wong-Madjapahit" vormen de hoofdbevolking en drukken door hun 
Hindoeïsme den eigenaardigen stempel op het volksleven van het eiland. Zy 
worden beschreven als een schoon, welgevormd ras van menschen, iets grooter 
en slanker dan de Javanen en lichter van kleur. Hun houding is mannelijker, 
de beschaafde slaafechheid, die op Java heerscht, vindt men bij de Balineezen 
niet ; de oogen zijn zwart en levendig, en het lange en uiterst grove haar is pik- 
zwart; het wordt bij enkele individuen vau het bergland wel eens gekruld of borstel- 



484 



achtig. Ook de vrouwen munten, als zij jong zijn, uit door schoon e gestalte ;zjj 
zyn naar evenredigheid nog forscher gebouwd dan de mannen, met in 't oogvallend 
lange armen en breede voeten. Het uiterlijk der Balineezen duidt op schrander- 
heid en moed, echter zyn velen door het gebruik van opium ontzenuwd. 

De Nederlanders kwamen met Bali in aanraking op de eerste reis naar 
Indiö, toen de gebroeders de Houtman genoodzaakt waren in het zuiden van 
het eiland eenige dagen te vertoeven. Sedert bleef de aandacht voortdurend op 
het eiland gevestigd, zonder dat de herhaaldelijk aangeknoopte betrekkingen 
tot een vaste bezetting leidden. Wel werden vele malen contracten met den 
„Koning van Bali" gesloten, waarvan de levering van slaven het hoofd- 
doel uitmaakte, en dat dit veel boteekonde, blijkt hieruit, dat in 1778 alleen 
in en om Batavia 13000 Balineezen gevonden werden. Hieraan kwam een eind 
in het begin der 19de eeuw. 

Na het herstel van het Ned. gezag in Indië duurde het lang, vóór werkelijk 
met Bali nadere contracten konden verkregen worden. Eerst in 1841 en 43 
werden die gesloten, toen de hootdvorst van dit eiland, die van Kloengkoeng 
met anderen verklaarde, dat het eiland inet Lombok deel zou uitmaken van de 
Ned. bezittingen, terwijl de vorston zich verbonden het strandrecht af te schaffen, 
zeeroof en slavenhandel tegen te gaan. Doch er waren nog eenige militaire 
expedities noodig om de uitvoering van dit contract te verzekeren en orde en 
onderwerping tot stand te brengen. 

Bn" den loop dier gebeurtenissen staan wij niet stil. Herinneren wij er enkel 
aan, dat het Gouvernement in 1882 Bali van Java, waarmede het admini- 
stratief verbonden was, kon losmaken en toen werd het met Lombok tot een 
afzonderlijke residentie verheven. 

De staatkundige toestand is thans deze, dat Bali verdeeld is in negen land- 
schappen. Daarvan worden de landschappen Boeleleng (het W. deel der N. 
kust), dat tot 1872 een eigen radja had, die in dit jaar werd verbannen, en 
Djembrana, welks radja in 1866 werd verbannen, direct door het Ned. Gou- 
vernement bestuurd, terwijl Karang-asem in den oosthoek, welks vorst de 
opperheerschappij van Lombok moest erkennen, na de expeditie tegen Lombok 
in 1894 door den vorst als stedehouder van het Ned. gouvernement wordt 
bestuurd en zoo ook Gianjar. De landschappen Kloengkoeng, Bangli, 
Badoeng en Tabanan hadden tot 1906 nog hun eigen vorsten met afzonder- 
lijk bestuur. De vorst van Kloengkoeng oefende, althans in naam, tengevolge van 
hoogere afkomst en uit kracht van overwinningen zijner voorvaderen een zekere 
suprematie uit over de anderen, vroeger ook over Lombok, voerde den titel Ba- 
tarané, en als behoorende tot de kaste der Ksatria's, dien van „Dewa Agoeng" 
of .Dewa Agoeng Batara". Door de expeditie in 1906 zijn ook deze onderdeelen 
onmiddellijk onder het Gouvernement gebracht. 

Volksleven Bali is een eigenaardig gewest, waar bet oude Hindoe-Java* 

bedrijven en nisme uit zijn bloeitijd nog veel sporen in het volksleven heeft 

nederzettingen, bewaard, en de natuur als het ware heeft medegewerkt om den 

kunstzin van den gouden tijd uit Java's geschiedenis een eigenaardige richting 



Digitized by Google 



•165 



te geven. Kunstkenners staan verrukt van de schoonheden, die het hedendaagsche 
Bali nog geeft te aanschouwen. Aan den heer W. O. J. Nieuwenkamp hebben 
wy een uitgave 9 Bali en Lombok?' te danken, waarin op voortreffelijke wtyze veel 
van dit eiland in beeld is gebracht. Die kunst is nog de volle uitdrukking van 
het Balineeeche volkskarakter. 

„Het verkwikkende van de Balineesche kunst is, dat ze levend is; nu 
niet eens dood. Men komt er onder menschen, die kunnen; niet die alleen 
gekund hebben. Voeg daarby een vrye en franke houding, prettig vooral als 
men van Java komt, waar zooveel beschaafde slaafschheld heerscht; flink ge- 
bouwde kerels, met een bloem liefst achter het oor, knappe vrouwen in kleurige 
gewaden, een eiland liefelijk, echt tropisch overdag van warmte, doch in den 
avond, door de oosteiyke ligging, opkoeleud, zóó zelfs, dat men 's nachts graag 
een dunne wollen deken over zich heen trekt, waaraan men in het Javaansche 
kustland niet denkt. Ten gevolge daarvan weer iets heeriyk sobers in de natuur, 
niet dat overweldigende, haast neerdrukkende van de typische tropen. Aan geen 
ander land heeft Bali mU zoo sterk herinnerd, van het eerste, oogenblik af tot 
heden in de herinnering toe, als aan Sicilië. Datzelfde subtropisch weelderige, 
dat heeriyk e leven in de volheid van een telkens spruitende natuur, zonder dat 
men, zooals in de echte tropen, voelt door die natuur verdrongen, overwoekerd 
te worden. De mooie, statige lontarpalmen, yi, meer staande in het lediger 
landschap, waar men doorheen kan zien naar een verren horizon ; dunner, yier 
dan de kokospalmen aan den overkant, aan Java's wal. Want wonderiyk, men 
behoeft maar even van Banjoewangi, dat volop tropisch is, Straat Bali over te 
steken, of dadehjk aan de noordkust, in het Boelelengsche zet men voet aan 
wal in een gansch andere, een soberder en daardoor voor ons Europeanen aan- 
trekkeiyker natuur." 

Aldus de heer Rouffaer, die beter dan iemand bevoegd is tot oordeelen, 
over de Balische kunst, en hy eindigt aldus: „Wat een karakter, wat een 
styl, wat een macht van kunstvermogen by al die Balineesche voort- 
brengsels van bouwkunst, van beeldhouwkunst, van schilder- en teekenkunst, 
van metaalbewerking, weefkunst, houtsnykunst, pottenbakkery. Ornamentiek in 
haast elke richting en by haast elk materiaal. Hier lééft de kunst op Balit 
Hier is Volksleven en Volksgodsdienst en Volkskunst nog één mooi geheel, 
als weleer in Europa in den tyd der Gothiek vooral, der renaissance ook nog wel." 

In de ny verheid zyn de Balineezen de Javanen dan ook voor. Zy zyn goede 
beeldhouwers en boetseerders, goud-, zilver- en yzersmeden, harden staal voor 
krissen en lansen. Spinnen, weven en verven van katoenen stoffen wordt zeer 
goed door de vrouwen verricht. Steen- en pottenbakkeryen vindt men er. Ook 
hun bouwkunst is tameiyk wel ontwikkeld, hoewel hun bouwwerken niet met 
de Javaansche kunnen vergeleken worden. 

Het Hindoeïsme drukt op de Balifrs zyn stempel door den godsdienst en 
het kasten wezen. Bali is de eenige plaats in den Indischen Archipel, waar de 
godsdienst der Hindoe's tot den huidigen dag heeft stand gehouden, al zyn de 
leerstellingen van het Hindoeïsme, van Brahma, Vishnoe en Siwa, van de in- 
carnaties van Boeddha aan het volk ook onbekend, zooals de heer Liefrinck 



486 



zegt, dien wy hier volgen. Trouwens, by hoeveel andere volken kan hetzelfde 
niet gezegd worden, ook in Europa. Het Brahmanisme is de hoofdvorm, waar- 
onder de Hindoeïstische godsdienst zich op Bali vertoont, de Boeddhisten z\jn 
er weinig in aantal en in enkele plaatsen in Boeleleng, Karang-asem en Qianjar 
gevestigd. Doch van onder den dekmantel van het Brahmanisme komen nog 
telkens de sporen van den oorspronkehjken natuurgodsdienst te voorschyn door 
een menigte van goden of geesten van boozen of goeden aard, die men even- 
eens elders in het Polynesische heidendom vindt, en welke met offers en gebeden 
gediend worden. In hoofdzaak kan men by den volksgodsdienst der Balineezen 
praktisch onderscheiden: de verzoening der booze geesten, de vereering van 
de plaats van herkomst der familie, en de vereering der goden, die macht hebben 
over de aarde. 

De godenvereering op Bali draagt by de bevolking een ind vidueel karakter, 
zoodat zy zich niet in groote tempels concentreert; ieder doet dit het liefst op eigen 
gelegenheid en wyze. Waar de godenvereering zich voor meer personen concen- 
treert, worden zelden de grenzen van het dorp overschreden, of wel bepaalt de aan- 
sluiting zich tot de afstammelingen van hetzelfde geslacht. De groote plaatsen 
van godenvereering, aan Siwa gewyd, worden zelden en alleen door vorsten 
bezocht. Doch om te zorgen dat de dewa's, die tot een familie in betrekking 
staan, de hun toekomende offeranden ontvangen, is op elk erf (de Balineesche 
families wonen op afgesloten erven) een gedeelte afgezonderd voor de vereering 
der goden, een plaats, die afzonderUjk ommuurd is, en er netter en ordeiyker 
uitziet, waar boomen en bloemen zyn geplant, die elders op het erf gemist 
worden. Deze plaats is de huistempel (sanggah); aan den muur staan ryen houten 
offerhuisjes of steenen offernissen, waarvan elk aan een byzondere godheid ge- 
wyd is, die hier, als hy van tyd tot tyd wordt aangeroepen, komt vertoeven. 
De godheid van den Goenoeng Agoeng heeft byna in eiken huistempel zyn offer- 
huisje, nevens vele mindere goden, by tientallen soms te tellen. Elk mannelyk 
lid der familie richt daar op den dag van zyn huwelijk een eigen altaar op, 
eerst vluchtig van loof en takken gebouwd, later van bamboe en daarna van 
hout. De vrouwen gaan dagelyks voor die offerhuisjes hun offeranden aan bloemen 
en vruchten nederzetten, en by verjaardagen van de dewa's, van de leden der 
familie of by groote gelegenheden wordt daar wierook gebrand. De mannen gaan 
er minder binnen, doch als zy op reis gaan of een groote onderneming beginnen, 
verzuimen zy niet daar voorspoed te verzoeken. 

De vereeniging van families tot dorpen of desa's heeft aanleiding gegeven 
om tempels op te richten ter eere van goden, die men veronderstelt macht te 
hebben over de streek, de desatempels, in aard met de familietempels overeen 
komend, waar de plaat sehjke goden worden vereerd, en waar aangelegenheden 
met hen worden behandeld, voor de desa in 't algemeen van belang. De desa- 
tempels bevinden zich meestal in de onmiddeliyke nabyheid der desa; doch dit 
is in den regel niet het geval met den aan het strand gebouwden tempel, de 
poera-segara, gewyd aan den zeegod, welke elke desa noodig heeft, om er op 
gezette tyden eenige plechtigheden te verrichten. Verder heeft elke desa nog 
een doodentempel, „poera-dalem", en een „poera-boekit", waar de berggod van 



Digitized by Google 



487 



tyd tot tijd komt verwalen, ergens in een bosch of op den top van een berg. 
Zoo is het land met tempels overdekt, en in een land als dit, waar de behoeften 
betrekkelijk gering zijn, zoodat er na de voldoening daaraan nog veel tyd over- 
bUJft, is het in zekeren zin een voordeel, dat de goden zoo veeleischend zijn, 
wat de energie levendig houdt. Afbeeldingen van de goden worden zelden 
door hen vervaardigd: zij beschouwen de godheden ook als onzichtbare wezens, 
die zich vrijelijk door het luchtruim kunnen bewegen, maar wel worden de 
tempels veel versierd met beelden van hout of steen, dikwijls personages uit 
een wajang-voorstelling afbeeldend, soms alleen als wachters beschouwd. Eigenlijke 
beeldendienst is het offeren in hun tempels dan ook niet. 

Op Bali bestaat nog de Indische verdeeling van het volk in kasten of standen. 
Men vindt hier de volgende kasten: 1. die der Brahmanen, 2. die der E sa- 
tri a's, 3. die der Vaisja's en 4. die der Soedra's, elk van deze weder in 
onderafdeelingen gesplitst. De kaste der Brahmanen, waaruit de priesters 
voortkomen, staat het hoogst in rang; zi) staan zelis hooger dan de vorsten, 
mogen met vorstendochters huwen, hoewel de Brahmanen toch afhankelijk zijn van 
den vorst en met dezen moeten ten oorlog trekken. De kaste der Ksatria's, 
oorspronkelijk die der krijgslieden, is tegenwoordig zoo zeer verbasterd, dat op 
Bali alle standen aan den oorlog deelnemen, en ook de vorsten niet uitsluitend 
uit deze kaste worden gekozen.* De kaste der Vaisja's is in Bali meer in tel 
dan in Indië; oorspronkelijk was het de kaste der kooplieden, landbouwers, 
kunstenaars en ambachtslieden, doch ook aanzienlijken worden daarin opgenomen. 
De meeste Balineesche vorsten behooren tot deze kaste. De kaste der Soedra's, 
die eigenUJk geen kaste vormt, is de samenvatting van wat men den gemeenen 
man noemt. Een bepaalde paria-klasse bestaat op Bali niet. De scherpe af- 
scheiding der kasten wordt op Bali niet gevonden, en zij slijt meer af; toch heeft 
men er geen gemengde kasten, en kan iemand wegens misdrijven uit een hooger e 
in een lagere kaste gedegradeerd worden. Dat de leden eener kaste zich op 
een bepaald bedrijf toeleggen, bestaat op Bali niet; leden van alle kasten bijv. 
nemen deel aan het landbouwbedrijf. Wel is de positie der kasten hier nog een 
geprivilegeerde, doch in hoofdzaak kenmerkt deze zich door de wijze, waarop 
zij worden bejegend, de taal, die tot hen wordt gesproken, het recht, dat hen 
wordt toebedeeld door vorsten en priesters, waarbij »ta regel geldt, dat hoe 
hooger de misdadiger staat, des te lichter de straf is, terwijl een misdaad be- 
gaan aan iemand uit een hooger kaste zwaarder gestraft wordt dan aan een 
uit lager kaste. Het meest heeft het kastewezen zijn scherpte verloren in de 
streken onder direct Nederlandsch bestuur. 

In het oogvallend is de groote verdraagzaamheid, die in den godsdienst op 
Bali wordt betracht, zoowel tegenover de belijders van andere godsdiensten als 
door de verschillende klassen der maatschappij onderling. Uiterlijke kenteekenen 
onderscheiden de leden der verschillende kasten niet van elkander of van de 
Soedra's; als een Baliër een onbekend persoon op weg ontmoet en aanspreekt, 
informeert hij eerst, tot welke kaste die behoort, om te weten in welke taal hij 
dient aangesproken te worden (Zie I, pag. 297). 

Op Bali komt verbranding der lijken voor; misschien is die ook onder 



488 



Hindoeschen invloed ingevoerd, hoewel in enkele desa's de ïyken worden be- 
graven of in het bosch gelegd. De hooge kosten aan de Ujkenverbranding ver- 
bonden nopen soms er jaren lang mede te wachten. Met die iy ken verbranding 
in verband staat ook de gewoonte, dat een of meer zyner vrouwen den echtgenoot 
in den dood volgen door weduwenverbranding, wat wel wordt tegengegaan maar 
toch voor kort nog moet zyn voorgekomen. 

Eigenaardig en verschillend van hetgeen men elders in den Archipel meestal 
ziet, bewoont elke familie hier een afzonderlijk ert, dikwyis van vry aanzienhjke 
uitgestrektheid en steeds door een kleimuur geheel van de buitenwereld afge- 
zonderd, zoodat men er niet binnen kan zien. De desa's zyu meestal vrij regel- 
matig aangelegd en bestaan uit de vierkante erven, boven genoemd. Het geheel 
is veelal omgeven door een levende bamboe-omheining of met een muur van 
gehouwen of gebakken steen of van klei. De wegen of paden in het dorp, waar 
de klei wordt uitgegraven, zijn in den regentyd ware modderpoelen. De dorpen 
zyn niet zelden sterk bevolkt, met wel 8000 inwoners en meer. De huizen, van 
klei of gebakken steen gebouwd, met alang-alang of atap gedekt, sdjn klein en 
laag, het licht komt byna alleen door de smalle deur binnen. Waar zij, zooals 
algemeen gebruikelijk is, alleen tot slaapkamer voor de familie dienen, dragen 
zy den naam „oemah-metèn". Bij elk huis behooren eenige balé's, geheel of ge- 
deeltelijk open tenten, waar de bewoners bun bezigheden verrichten, gasten 
ontvangen enz. Ook bevinden zich binnen den ringmuur de stal, het varkens- 
hok enz. 

De vorstenpaleizen (poeri) bevinden zich altijd op het hoogste gedeelte der 
hoofdplaats. 

De rijstteelt is het hoofdbedrijf van den landbouw op Bali en staat er op 
een hoog standpunt (I, pag. 495). Jaarlijks wordt er dan ook van Bali een hoe- 
veelheid rijst uitgevoerd naar andere eilanden van den Archipel, niet naar Europa. 
Op de regeling der waterrechten van Bali, op de waterschappen, „soobak's", 
wezen wij in deel II, pag. 63. 

De uitvoer voor den wereldhandel van Bali bestaat In het volgende, voor 1904. 

Coprah 3 946 185 K.G. (ƒ591.928), naar Singapore (3 082 280 K.G.) en 
Nederland (863 905 K.G.) 

Koffie (gepelde) 760 920 K.G. (/-356Ö52), naar Singapore. 
Tabak (voor inl. markt) 108 400 K.G. (ƒ43 360), naar Singapore. 
Katoen (ruwe) 265 920K.G., naar Singapore. 
Vee (levend) voor f 391 968, naar Singapore. 
Huiden 27 222 K.G., naar Singapore. 

De handel wordt niet rechtstreeks door de Balineezen gedreven, maar door 
Chineesche of Boegineesche opkoopers, die de produkten des landa op de pasars 
laten koopen of by zich aan huis doen brengen. Meestal geschiedt dit door ruiling. 

De hoofdplaats van Bali, de standplaats van den resident, isSingaradja, 
8450 inw., waarvan 723 Chin., 139 Anbieren, en 58 Europeanen. De kleine 
eilandjes rondom Bali zyn meest koraalriffen en onbewoond. Noesa Gedé of 



ized by Googl 



489 



Noesa Penida, in het midden met een berg van 600 M., aan den zuidelijken 
ingang van Straat Lombok, is bet grootste en telt waarschijnlijk meer dan 
1000 bewonera. 



II. LOMBOK. 

Lombok, door de Inboorlingen Sélaparang of Tanah 
* Sasak, d.i. land der Sasaks, genoemd, wordt ingesloten door straat 
Lombok en Str. Alias, en heeft een oppervlakte van ± 56C5 K.M. 3 (Noord-Brabant 
5128 K.M.). De bevolking bedraagt naar schatting ongeveer 370 000 zielen. 

Het eiland bestaat in het noorden uit een vulkanisch bergland, dat in de toppen 
van den Goenoeng Sangkarejan tot 3200 M. en in den G. Rendjani 
of Piek v. Lombok tot 3755 M. stijgt. De laatste berg, misschien de hoogste 
vulkaan uit den Archipel, wordt door de bevolking als een heilige berg be- 
schouwd, op welks top de Dewa Agoeng of hoogste godheid zetelt, en waar de 
geesten der afgestorvenen zich verzamelen, tot zij geschikt worden geacht het 
verbUJf der goden in te gaan. Verder nog de G. Wajan, 2000 M. hoog, ten N. 
van den Sangkarejan, tusschen welke beide het meer Danoe of Segara- 
anak op 2300 M. hoogte ligt 

Langs de zuidkust strekt zich een lager en smaller bergketen uit, en tusschen 
beide ligt vruchtbaar vlak of heuvelland met rijke vegetatie, welke veel met 
die van BaU overeenkomt. Echter ontbreken op Lombok de aren- en lontar- 
palmen en de djatlboomen geheel, en parasietplanten als orchideeën, varens en 
mossen zijn in de bosschen zeldzaam. De Aziatische dierenwereld is er nog 
meer verarmd ; geen enkele tijgersoort, geen wilde katten of honden vindt men 
er, en niet meer dan één apensoort. 

Lombok is van talrijke rivieren doorsneden, welke het geheele jaar water 
behouden en veel bijdragen tot de vruchtbaarheid, maar niet bevaarbaar zijn. 
Zij ontspringen bijna alle op het noordelijke bergland, en de aanzienlijkste monden 
uit aan de west- en oostzijde. 

Bevolki De inland8Cne hevolking van Lombok bestaat uit twee, zeer 

Staatkundige ™n elkander verschillende volksstammen, de Baliërs en de 
en economische Sasaks. De Sasaks vormen de meerderheid op Lombok; zij 
toestanden. D6 wonen vooral de oostelijke gedeelten. Hun aantal werd geraamd 
op 81 000 voor West-, 83 000 voor Midden- en 156 000 voor Oost-Lombok. In 
vele opzichten verschillen Sasaks en Baliërs op Lombok zeer. De Sasaks zijn, 
trots de pogingen der Baliërs om hen te Hindoelseeren, Moslims gebleven en houden 
zich trouw aan onderscheidene voorschriften van deze leer, eten geen varken s- 
vleesch, en minachten de Balische Hindoe's, die dit wel doen. Daar in de Sa- 
sakscbe desa's geen varkens gehouden worden, zijn de dorpen er veel zindelijker 
dan bij de Baliërs. De desa's zijn deels op Balische wijze (zie II, pa g. 488), deels 
op Javaansche wijze (zie II, pag. 99) ingericht. Aan de kleeding kan men 
Sasaks van Baliërs onderscheiden, daar de eersten den bekenden kaïn, den 



490 



witten hoofddoek, dragen, terwijl hun vrouwen stemmiger dan die der Baliërs 
gekleed gaan in wijde, donkerblauwe of zwarte, aan den hals sluitende baadjes, 
zonder mouwen. De krissen der Sasaks zijn langer en de gevesten doen denken 
aan het symbool der besnijdenis. Doch in lichaamsuiterhjk verschillen beide 
volksgroepen niet veel. Huwelijken tusschen beide komen weinig voor; den 
drie hoogsten kasten der Hindoes is het ook verboden met een Mohammedaan 
te huwen. Ook de taal der Sasaks verschilt veel van die der Baliërs, zoodat zij 
elkander niet verstaan. In karakter worden de Sasaks beschreven als zich gunstig 
onderscheidend van de Baliërs; zij ztyn arbeidzaam en vlijtig, lijdzaam en gedwee. 

Baiineezen waren tot voor enkele jaren heerschers op Lombok. Reeds vroeg 
was Lombok een twistappel geweest tusschen Baiineezen en Mak aasaren, doch 
in 1740 maakten de Baliërs zich er voor goed van meester. Zij onderwierpen 
de Sasaks geheel, en er ontstonden weldra 4 Balineesche rijken: Mataram, 
Karangasem, Fagasangen en Pagoetan. De onderlinge twist tusschen 
deze rijkjes eindigde or mede, dat de vorst van Mataram alle onderwierp in 
1839. De vorst erkende het oppergezag van Nederland, waaraan tuj het te danken 
had, dat hij onafhankelijk werd van Karangasem op Bali, en dit werd mede 
onder zijn gezag gebracht. Dat duurde tot 1894, toen er een eind werd gemaakt 
aan de onderdrukking, waaraan de Sasaks ten prooi waren, en na een expeditie 
van Nederland werd het vorstenbestuur opgeheven, de vorst verbannen, en 
Lombok onder rechtstreeksch gezag van het Ned. Gouvernement gesteld. Thans 
vormt Lombok een assistent-residentie. 

Sedert dien tijd is de economische toestand geheel veranderd en volgens 
veler getuigenis zeer verbeterd. De heer Van Kol zegt over de eertydB ver- 
woeste en verlaten landstreken op dit eiland: „Thans vinden we hier de groene 
rijsthalmen, of torsen mannen en vrouwen de rijpe padi naar de voorraadschuren 
hunner woningen." „Tal van klapperboomen staken vreedzaam hun hooge kruinen 
omhoog; op de velden stond prachtige r\jpe padi in overvloed." En dat in het 
land, waaraan voor velen slechts herinneringen zijn verbonden van inlandsen 
despotisme, verraad en bloedigen krijg. 

Gaan wü dezen vooruitgang nader na aan de band van Van Eerde, '} die 
dit land kent uit ervaring. De uitvoer van handelsartikelen, welke in de jaren 
vóór onze komst zeer gering was geworden, en zoover die bestond, voor een 
groot deel in vreemde handen was, bloeide na 1895 als gevolg van den overal 
toenemenden landbouw belangrijk op. Voor 1895 kwam er dikwijls hongersnood 
voor, doch sedert was er volop rijst als hoofdvoedsel en kan zelfs worden 
uitgevoerd. 

Terwijl onmiddellijk na onze komst nog rijst moest worden ingevoerd, en in 
1896 de uitvoer van rijst moest worden tegengegaan, om die voor de Inlanders 
verkrijgbaar te stellen, geeft thans de productie aanleiding om 82655K.G. (in 
1904) uit te voeren. Belangrijk is ook de uitvoer van coprah geworden. In 
1898 werd hiervan uitgevoerd 2,6 mill.K.G., in 1904: 1,4 mill. K.G. Terwijl de 
katoencultuur voor een groot deel voorziet in de eigen behoefte aan garens 



1) J. C. van Ekrde, Lombok onder Ned. bestuur (Gid», Oct. 1906). 



491 



(weefsels) der bevolking, heeft toch ook nog een uitvoer van katoen voor de 
Europeesche markt plaats. De katoen-uitvoer bedroeg in 1898 : 422 000K.G., 
in 1901: 577 000K.G. en in 1904: 260 800K.G. 

Voor de inlandsche markten in andere streken van den Archipel wordt 
van Lombok uitgevoerd tabak, uien en de kleurstof mengkoedoe. Tabak, 
die in groote hoeveelheid wordt verscheept, levert vooral goede baten op voor 
de inlandsche verbouwers. Minder belangrijk is de uitvoer van huiden, 
grondnoten, kemiri, mals en gedroogde visch. Door dien toenemenden 
handel neemt de scheepvaart in de Lomboksche havens toe. In 1902 werd Am- 
penan aangedaan door 144 stoomschepen en 344 zeilschepen en Laboean Hadji 
door 83 stoomschepen en 720 zeilschepen. 

De Nederlandsche invloed heeft die verbetering bewerkt door het verzekeren 
der veiligheid van persoon en goed, het tot z\Jn recht doen komen van ieders 
werkkracht en energie ten eigen bate, het opnemen van Lombok in het wereld 
verkeer, het doen aanleggen der noodige verkeersmiddelen, het tegengaan van 
epidemieën door vaccinatie, en door de afschaffing der slavernij. 

Met die toenemende welvaart vermeerderde ook do invoer van Lombok. 
Behalve een groote hoeveelheid kleedjes van allerlei soorten wordt er ingevoerd 
aardewerk, bier, boter, blikwerk, drogerijen, medicijnen, eetwaren, gambir, garens, 
gedistilleerd, glaswerk, ijzerwerk, koperwerk, kramerijen, lompen, lucifers, manu- 
facturen, meubelen, meel, mineraalwater, papier, petroleum, sigaren, thee, verf- 
waren, vuurwerk, wijn, zeep, zout, ijzer in staven enz. Een groot deel hiervan 
is uit Nederland afkomstig. 

De indruk, dien de reiziger in dit land ontvangt, is dus thans zeer gunstig. 
„Men rijdt er langs goede wegen, door vruchtbare akkers, besproeid met snel- 
vlietende waterleidingen of door boomgaarden, omringd met goed onderhouden 
rasterwerk of heggen. Men ontmoet stroomen van marktgangers of optochten 
met muziek, die zich naar een feest begeven. Elders is de bevolking rustig aan 
den veldarbeid of op de erven bezig. Hier treft men lange reeksen lastpaarden 
aan, met landbouwprodukten beladen. Daar worden groote kudden vee door jongens 
gehoed. Alles maakt een blijden, welvarenden indruk." Aldus de heer v. Eerde, 
die vervolgens er op wijst, dat zij, die gedurende de afgeloopen jaren de Sasaks 
gadesloegen, duideüjk konden waarnemen, hoe hun kleeding verbeterd en netter 
werd, zelfs bij enkelen tot stoffen van weelde als zijde en fluweel overging. 
Het aantal en de omvang der feesten bij besnijdenis, huwelijks- en dooden- 
plechtigheden, neemt toe, en daarmede vermeerdert ook het gebruik van dierlijk 
voedsel, met name runder- en buffelvleesch. Een gevolg hiervan is de toeneming 
van den uitvoer van huiden. Van Ampenan werden in 1898 uitgevoerd in totaal 
09 682 koe- en buffelhuiden en in 1901: 93 613 stuks. Met die welvaart nam 
ook het aantal bedevaartgangers naar Mekka toe, van 50 in 1895, 64 in 1896, 
131 in 1897 tot 208 in 1902. 

De Baüër is van huis uit zuinig, een eigenschap, die men ook bi) de Sasaks 
opmerkt, en daardoor vindt men er eenlgen zin voor kapitaalvorming. Menigeen 
begraaft een pot met rijksdaalders op zijn erf of in den aarden vloer van zijn 
woning, om in tyd van nood iets te bezitten. Anderen koopen vee of sawah's, 



492 

en gaarne lossen zij de in tyden van rampspoed verpande bouwgronden weder 
in. Ook zijn zij zuinig ten einde het noodige te bezitten om de lijkverbranding 
der overledenen, die veel kost, met de noodige plechtigheid te kunnen doen 
geschieden. 

Het verbod van opium, dat reeds onder de vorsten was ingevoerd, blijft 
streng gehandhaafd. Evenwel is het gebruik van inlandsche spiritualiën er alge- 
meen in zwang, en neemt op feesten soms belangrijke verhoudingen aan. Hoofd- 
zaak is hierbij de wijn, uit den arenpalm getapt en ingevoerd; evenwel geeft 
dat gebruik geenszins aanleiding tot liederlijke tooneelen, zoodat het geenszins 
als een volkszonde kan worden beschouwd. 

De veestapel is in de laatste jaren op Lombok sterk toegenomen; men 
schat die in ruwe cijfers op 36 000 runderen, 32 000 karbouwen, 7500 paarden. 
Toch komt er nog vee te kort en heeft er invoer plaats, vooral van runderen en 
buffels. Voor vele Balineesche gezinnen levert de varkenstokkerty een goede bron 
van inkomsten, en niet zelden komen ook Chineesche wankangs deze dieren 
opkoopen, die uitgevoerd worden. 

De binnenlandsche handel is zeer levendig. Op de meeste pasars wordt 
dagelijks markt gehouden. De import en export heeft meest plaats door vreem- 
delingen: Armeniërs, Chineezen, Arabieren, Maleiers en Boegineezen, de binnen* 
landsche handel daarentegen is geheel in handen van de inlandsche bevolking, 
maest van Balineesche vrouwen, die daarvoor bijzonderen aanleg schijnen te 
bezitten. Men vindt ze op alle pasars, ook in de Sasakscbe streken, en de be- 
langrijke rijsthandel is grootendeels in hun handen. De importeurs verleenen 
haar gaarne groote credieten. De opkoopsters koopen de rijst in kleine hoe- 
veelheden van de bevolking op aan de huizen of op de pasars en doen die b\} 
elkander weder over aan de vreemde exporteurs in de havenplaatsen. 

De verkeerswegen zijn op Lombok veel verbeterd. Tijdens het Vorsten- 
bestuur bestonden er wel wegen op het eiland, en vooral de hoofdroutes had 
men breed en flink aangelegd, doch zij waren niet voor vervoer per as geschikt 
en slechts hier en daar op de daarin voorkomende vri) steile hellingen verhard. 
Thans beschikt men over een net van goed onderhouden grindwegen, op de 
hoofdwegen langs de oude tracés aangelegd, en vele nieuwe wegen zijn in 
plaats gekomen van de vroegere paden, om de dorpen met elkander te ver- 
binden, terwijl tal van bruggen werden gebouwd. Waar vroeger de eenvoudige 
vlaggestok met de Lomboksche vlag de ligging van Ampenan aanwees aan de 
door Straat Lombok stevenende schepen, verrijst nu een ver zichtbaar haven- 
licht en ook aan de oostkust te Laboean Hadji is door havenverlichting en be- 
tonning een goede ligplaats van schepen aangewezen. Een in zee op schroef- 
palen gebouwde landingspier biedt te Ampenan gelegenheid tot aanlegplaats voor 
sloepen om reizigers het landen te vergemakkelijken. Van de W. naar de O. 
kust voert een prachtige breede, voor het grootste deel beschaduwde rijweg, 
tusscben Ampenan en Laboean Hadji ruim 60 K.M. lang. 

Mataram, de vroegere residentie is thans de hoofdplaats van West- 
Lombok. Ampenan, in het midden der westkust, waar de expeditie van 1894 
landde, de belangrijkste handelsplaats van het eiland. 



ized by Google 



493 



Litteratuur over Bali en Lombok. - De heer R. v. Eck, die eenige jaren 
op Bali als zendeling werkzaam was, schreef uitvoerige Schetsen over het eiland 
Bali (Tüdschr. v. N.I. 1878—79) en over Lombok: Schets van het eiland Lombok 
(T. v. h. Bat. Oen. XXII.); hy gaf ook in den 5«n druk van de Hollander, 1898, 
een zeer uitvoerige beschrijving van het eiland. — ibid. Lombok en zvjn bewoners 
(Vr. v. d. Dag, 1894). — J. C. van Eerde, Lombok onder Nederlandsch bestuur. 
(Gids 1905). — F. A. Liefrinck, in onderscheidene functies op Bali werkzaam, 
laatst als resident, gaf hoogst belangrijke bedragen tot de kennis van dit eiland, 
o. a. Bedrage tol de kennis van het eiland Bali. (T. Bat. Oen. 1800); De rijst- 
cultuur op Bali (Ind. Gids 1886) en met R. v. Eck Kerta Sima of gemeente- en 
waterschapswetten op Bali. (T. Bat Gen. 1876.) — Samenvattend gaf Dr. H. Tonkks: 
Volkskunde von Bali 1888, met uitvoerige litteratuuropgave. Verder: R. Friedkich 
Voorloopig verslag van het eiland Bali (Verh. Bat. Gen. XXXIII). — Zollinger, 
Reis over Bali en Lombok, (Verh. Bat. Gen. XII). - P. L. v. Bloemen VVaanders, 
Bydr. tot de kennis van Bali (T. N. I. 1868, II). - E. B. Kielstra, Het eüand 
Bali (Gids 1893). Zie verder: De artikelen in de Encycl. v. Ned. Indië. 



III. HET EILAND SOEMBAWA. 

Land en volk Soembawa, eigenlijk Samba wa, is een onregelmatig ge- 
en vo * vormd eiland. De groote Saleh-baai aan de noordzijde en de 
daar tegenover in het zuiden gevormde Tjein pi-baai verdoelen Soembawa in 
twee groote schiereilanden, die slechts door een smalle landengte verbondon 
zijn. Het eiland is geheel bergachtig, zonder vlakten, en vulkanisch van aard, 
terwijl eenige heuvelrijen uit kalkformatie bestaan. De bergen bereiken een aan- 
zienlijke hoogte; op het schiereiland ten O. van de baai Saleh verheft zich de 
tweetoppige Tambora tot 2676 M. een vulkaan, die in 1815 nog een hevige 
uitbarsting had. De binnenlanden zijn voor een groot gedeelte onbekend. 

Het klimaat hebben wij in het algemeen reeds besproken en den planten- 
groei eveneens, zoodat wi) daarbij niet stil zullen staan; de cultuurgewassen 
komen veel overeen met die van Bali en Lombok. 

De inlandsche bevolking van het westelijk gedeelte komt overeen met de 
Sasaks van Lombok, ze heeft ook een verwante taal; de bewoners van het ooste- 
lijk gedeelte verschillen in zeden en gewoonten van de westelijken, spreken 
een andere taal (Zie over de talen I, pag. 300) en komen in kleeding meer 
overeen met Boegineezen en Makassaren. De heerscbende godsdienst op het ge- 
heele eiland is de Islam; in het oosten wonen in het gebergte ook Heidenen. 

Soembawa is verdeeld in vier op zich zelf staande rijkjes: Soembawa, 
Dompoe, Sanggar en Bima, die in contracten het Ned. Gouvernement 
erkennen als opperheer, en administratief behooren tot het Gouvernement 
Celebes. 

Het sultanaat Soembawa neemt het W. van het eiland in tot de ver- 
smalling. In 1674 is dit gebied het eerst door contract met Nederland verbonden. 
Hier wonen, behalve de Inlanders, vele Makassaren en Boegineezen, verder Orang 



Badjo's, Chineezen en Europeanen. Aan de baai van Soembawa ligt op een half 
uur van de kust de kampong Soembawa, de hoofdplaats van dit rük, de 
residentie van den Sultan. De plaats is door grachten en palissaden ingesloten 
en ligt in een vruchtbare door riviertjes doorsneden vlakte. Dichter by de kust 
ligt bier een Boegineesche kampong van ±200 huizen. Al as is een versterkte 
plaats in het N.W., niet ver van de kust. Ampang, een groote, versterkte 
plaats, ligt in een vlakte ten Z. van de baai van Saleh of van Soembawa. De 
paardenteelt op Soembawa is belangrijk (zie I, pag. 540); goede lansen en krissen 
worden er gesmeed, grove katoenen stoffen weeft men er. 

Dom poe, eveneens een sultanaat, neemt de westelijke helft van het 
oostelijk deel in. Het eerst werd in 1669 met dit r\jk door Ned. een contract 
gesloten. Handelsplaatsen aan de kust heeft het niet. Sanggar, een klein 
rijkje, beslaat het grootste gedeelte van het N.W.-waarts zich uitstrekkende schier- 
eilandje. Handel en nijverheid zijn er van geen beteekenis. Bi ma, onder een 
sultan, beslaat het oosten; de hoofdplaats is Bima of Badjo, aan de oostzijde 
der schoone baai van Bima. Ten W. van de kampong liggen nog een drietal 
kampongs: Wolanda, Boegi en Melajoe, kampongs van Hollanders, Boe- 
gi neezen en Maleiors, die rechtstreeks aan het gouvernement onderhoorig zijn. 
Hier wonen ± 1250 Inlanders, 125 Arabieren, 50 Europ. (in 1890). 

Litteratuur. W. C. Muller, die een uitvoerig artikel Soembawa geeft in 
de Encyclop. v. N. Indiö met veel literatuuropgaven; de Hollander - Van 
Eck, 6<i« druk 1898. 



IV. HET EILAND FLORES. 

Land en volk Twee eilandjes, Eomodo en Rindja en eenige kleinere, 
vormen den overgang naar het weinig bekende F lor es, dat een 
grootte moet hebben van ± 15 125 K.M.' Omtrent de talrijkheid der bevolking 
kan men enkel gissingen uitspreken ; men noemt het getal 250 000 zielen. Het 
eiland wordt grootendeels gevormd door een bergketen, die van het W. naar 
het O. loopt, met eenige uitloopers, waartusschen vlakten en dalen gelegen zijn. 
Op enkele gedeelten daalt het land met een rotsachtige kust steil in zee, op 
andere vindt men nog een moerassige, lage kustvlakte. Onderscheidene bergen 
van het eiland zijn vulkanen; men telt er op zijn minst 17, waarvan 5 nog 
werkzaam zijn (I, pag. 96). De vulkanen vindt men in het oosteiyk gedeelte; 
op de westhelft zijn nog geen vulkanen bekend. 

De kennis der bewoners van Flores bepaalt zich hoofdzakelijk tot de kust- 
streken. Dat er onderscheidene stammen wonen, meer of minder aan elkander 
verwant, valt aan te nemen ; de ethnographische eigenaardigheden verschillen, 
zoover bekend is, weinig van die der naburige eilanden. De voortbrengselen 
van Flores zijn: rijst (slechts weinig en niet in het O. des eüands), djagoeng, 
op het geheele eiland, gierst, aard- en peulvruchten, indigo, katoen, kokos-, lontar- 



ized by Google 



495 



en pisangboomen, tabak, kaneel, sapanhout, sandelhout, en uit bet dierenrijk 
paarden (van het ras als op Soemba), buffels, die er in het wild rondloopen, 
runderen, varkens, herten enz. Omtrent de delfstoffen is nog weinig bekend; 
volgens sommige berichten zou hier en daar ijzer, goud, loodglans en tin 
gevonden worden. 

De handel op Flores wordt meest gedreven door Bimaneezen, Boegineezen 
en Makassaren, Boetonners, Saleiers, Koepangers en Soembaneezen. De uitvoer- 
artikelen zijn: kaneel, sapan- en sandelhout, kokosolie, katoen en katoenen 
kleedjes, tamarinde, tabak, vogelnestjes, was, schildpad, tripang enz. De handel 
is meest ruilhandel; geld is er weinig in omloop. 

Naar den natuurlijken en staatkundigen toestand onderscheidt men drie 
deelen van Flores: West-F lores of Mansgarai, een onderhoorigheid van 
don Sultan van Bima op Soembawa en daardoor behoorend tot het Gouv. Celebes; 
Midden-F lores of Endeh, dat nog zoo goed als geheel onafhankelijk is, 
en Oost-Flores of Larantoeka, dat tot de residentie Timor behoort. 

Larantoeka, op de oostkust, heeft een ankerplaats, en bestaat uit een 
aaneenschakeling van kampongs. In de kampong Posto houdt de civiele 
gezagvoerder verblijf, daar wonen ook de tot de zending behoorende Roomsen- 
Katholieke geestelijken. Men vindt er een fraaie, van steen gebouwde kerk, en 
dicht daarbij pastorie en school. De radja van Larantoeka woont thans in de 
kampong Lakéo. 

Bg de kampong Larantoeka staan op het plat van een steil in zee afdalenden 
berg nog muurresten van een vroegere kerk; dicht er b\j staat een klooster, 
waar door Franciskaner nonnen meisjes worden opgevoed. De kampongs liggen 
aan den voet van den vulkaan llimandiri op een vlakke kuststreek, slechts eenige 
honderden meters breed, en niet vruchtbaar. Op het tegenover gelegen eilandje 
Andonare hebben zy hun tuinen aangelegd. Op Larantoeka wordt een vr\j 
omvangrijke handel gedreven in schildpad, vogelnestjes, sandelhout, kaneel, 
was, buffels, geiten en varkens. Bovonal wordt die gedreven door Timoreezen 
en Boegineezen. 

Litteratuur. Prof. Dr. C. M. Kan gaf een uitvoerig artikel over Flores, 
behandelende ontdekkingsgeschiedenie, kusten, bodemreliet, klimaat en bevolking, 
met veel litteratuuropgaven in de Kncyclopaedie van N. Indië, waarnaar wjj 
verwezen voor de litteratuur. Verder: De Hollander— Van Eck, 5de druk 
1898. - Zeemansgids voor den Oost-Ind. Archipel IV, 1906. 



V. HET EILAND SOEMBA. 

Soemba, ook Tjendana oi Sandelhout-eiland ge- 
Land en volk. , jgt ten zw yan Flores> en is ± 18 750 K .M.> groot. De 

kusten zijn meest vlak, doch de bodem, voornamelijk uit kalkgesteenten be- 
staande, r\jst naar het binnenland als heuvel- en bergland, dat tot 700 M. hoogte 
gaat. De voortbrengselen van het plantenrijk zijn dezelfde als die der naburige 



496 



eilanden. Belangrijk zijn vooral van de boachprodukten de houtsoorten, waar- 
onder sandel-, ebben- en kemoeninghout en verschillende boomsoorten, waaruit 
verfstoffen worden bereid, alsmede tamarinde-, klapper-, en lontarboomen. De 
uitvoer is echter nog niet in verhouding tot den voorraad sandelhout; de vrees 
voor geesten, die de bosschen bewonen, weerhoudt de Inlanders het sandelhout 
te kappen. Geschiedt dit door vreemdelingen, dan staat men het toe; Kndeh- 
neezen verrichten het dan ook meest 

Van de dieren wijzen wi) op de paarden, „ sandel woods", (Zie I, pag. 540). 

Omtrent het aantal bewoners is men in het onzekere; ten Kate, die 
hier vertoefde, zegt, dat het de 100 000 niet te boven gaat Men vindt er de eigen- 
lijke Soembaneezen, in onderscheidene stammen verdeeld, nog Heidenen, 
terwijl er ook een aanzienlijk aantal Mohammodaansche Endehneezen wonen, 
meest in de hoofdplaats Waingapoe, waar ook eenige Chineezen, Ara- 
bieren en Boegineezen verblijf houden. Aan de oostkust zijn ook Rotti- 
neezen maar vooral Savoeneezen gevestigd, die de nijverste bevolking van 
Soemba uitmaken. Deze kolonisten schijnen de Soembaneezen meer en meer te 
verdringen. Katholieke en Protestantsche zendelingen hebben hier gearbeid om 
het Christendom er te vestigen, doch niet met veel resultaat. 

Soemba is staatkundig verdeeld in een groot aantal rijkjes, op zijn minst 
een 25-tal, omtrent welker grenzen enz. weinig bekend is. Aan het hoofd dier 
rijkjes staan hoofden met den Inlandschen titel van „Oernboe", bij het Gouver- 
nement bekend als „Radja's*'; ook vrouwen schijnen als radja te kunnen fun- 
geer en. Met deze hoofden heeft het Ned. Gouvernement contracten van verband 
gesloten. Hun bestuur is geheel willekeurig, niet door wetten of adals beperkt 
Zy genieten geen bepaalde inkomsten van de bevolking, maar verschaffen zich 
die door het opleggen van willekeurige boeten, het verkoopen van onderdanen 
als slaven e. d. 

Onze kennis van Soemba is nog zeer onvolledig, en in de eeuw heeft 
men weinig verricht om die uit te breiden. 



VI. DE ALOR-E1LANDEN. 

Ten O. van Flores zet zich de eilandenreeks voort; men vindt hier eerst 
de eilanden: Solor, Andonare, Lomblen en vervolgens de groep der A lor- 
ei land en, bestaande uit Alor, Pan t ar en eenige kleinere, tot de residentie 
Timor beboorende. 

Alor ofOmbaal is een bergachtig, vulkanisch eiland; de hoogste toppen 
gaan tot 1200 M. In April 1896 werd dit eiland nog door een hevige aardbeving 
geteisterd. Het is verdeeld in zeven staatjes, bestuurd door radja's. De strand- 
bewoners, die van vreemde afkomst zijn, leven voornamelijk van vischvangst 
en handel; de bergbewoners leggen zich op den landbouw toe. Rijst, gierst en 
verfstoffen, houtsoorten en vogelnestjes zijn de voortbrengselen. 



ized by Google 



497 

VIL HET EILAND TIMOR. 

S o e m b a , P. Savoe,P. RottienTimor vormen te zamen 

gestcitóeidT 1 ' een boog van e ^ anden °P 6611 ondiepen rug gelegen, binnen welks 
concave zyde de instorting der Savoe-zee is gevormd, terwijl aan 
de Z.O. zyde een kanaalvormige inzinking Timor scheidt van het ondiepe onder* 
zeosche plateau, waarop het tafelland van Australië rust. Het eiland Timor strekt 
zich als een lengte-eiland uit in de richting van het Z.W. naar het N.O. over 
een lengte van ± 480 K.M. Het wordt in de lengte doorsneden door een berg* 
keton, waarvan de uitloopers bijna overal, althans aan de noordkust, tot dicht 
aan het strand komen. In het Nederlandsen gedeelte bereikt het gebergte in 
den Lakan een hoogte van 1580 M., in het Portugeesche gedeelte gaan de 
toppen tot 2000 M. Het middengedeelte van de bergketen bestaat hoofdzakelijk 
uit kalksteen, zandsteen en kleilei ; de hoogste toppen, uit kalk gevormd, kenmerken 
zich door hun steile, ruwe vormen, door diope kloven gescheiden. Ook meer naar 
de kusten, waar de jura- en schelpenkalk door verweering sterk is aangetast, 
vertoont de bodem een ruwe, oneffene oppervlakte, vol scherpe punten en holten, 
en hy is met een zwarte korst overtrokken, die aan Timor's bodem een eigenaardig 
karakter geeft. Zoover bekend is, vindt men er geen werkzame vulkanen, hoewel 
enkele gesteenten en verschynaelen op vroegere vulkanische werkzaamheid wijzen. 
De rivieren kunnen door den bouw van het land zich niet flink ontwikkelen, omdat 
zy, dwars uit het bergland komend, spoedig in zee vallen. Gedurende den drogen 
O. -moesson zyn zy meestal byna geheel uitgedroogd, in den W.-moesson doen 
de hevige regens ze spoedig snel rijzen tot schuimende bergstroomen om daarna 
weder droog te worden. Alleen enkele, meest aan de zuidkust, hebben het ge- 
heele jaar door water. Hoewol de mondingen breed zyn, kunnen zü alleen over 
korten afstand door kleine vaartuigen bevaren worden. 

Scherp zyn op Timor de tegenstellingen der jaargetyden in den drogen en 
den vochtigen moesson. Gedurende den O. moesson valt er alleen een geringe 
regen aan den Z.O. kant van het gebergte, doch aan den N. kant valt dan dikwyis 
geen droppel water. Van Mei tot Nov. is daardoor de bodom als verzengd, zien de 
berghellingen er kaal en verschroeid uit en staan de kajoepoetih-boomen met 
hun witte stammen bladerloos, terwyl de rivieren geheel uitdrogen. De tempe- 
ratuur in de schaduw stygt tot 34°-36°C. terwyl by den aanvang van den 
O. moesson de nachten koel of zelfs koud zyn. Dit verandert by het einde van 
den O. moesson, dan worden ook de nachten warmer, doordat de O. wind afneemt. 

De W. moesson begint in December met zware buien en slagregens, doet 
den plantengroei in korten tyd herleven, maakt de temperatuur trisscher en doet 
de rivieren zwellen tot krachtige stroomen. 

Het echte moessonklimaat heeft tengevolge, dat op Timor niet die weel- 
derigheid van plantengroei gevonden wordt als op de overige eilanden. Zware 
bosschen worden er niet of schaars aangetroffen, de berghellingen zyn meestal 
schraal begroeid; varens en orchideeën ontbreken schier geheel. Waar stoffeering 
van het landschap is, bestaat die gewooniyk uit casuarinen met hun spichtige 
kronen, witstammige kajoepoetih-boomen (Eucalyptus alba), sandelhoutboomen, 
n 82 



d by Google 



498 



gemoeti-, sagoe-, gebang- en lontarpalmen, wel veelvuldig, doch in yiebosscben 
verspreid, en kokospalmen langs de stranden. De lontarpalm is voor de Timo- 
reezen van veel belang; uit het sap bereiden zy palmwyn of sagoeweer, een 
geliefde drank, en stroop, de noten verschaffen hun voedsel, de bladeren de grondstof 
voor matten, doozen, manden enz. Het hoofdvoedsel is de djagoeng ot mals; 
rt)8t is meer een weelde-artikel en wordt weinig geteeld. De rijstcultuur heeft 
zeer primitief plaats; natte rijstcultuur komt er slechts by uitzondering voor. Van 
behoorlijke irrigatie heeft de Timorees geen begrip. Ook wordt op enkele plaatsen 
een fijne, witte tarwe verbouwd, elders gierst. Produkten voor de Europeescbe 
markt worden alleen geteeld op Portugeesch Timor; daar verbouwt men koffie 
op groote schaal door dwangcultuur. De thee- en suikercultuur, in Ned. Timor 
beproefd, had geen resultaat. Het dierenrijk levert krachtige buffels en een 
sterk paardenras; bijna elke Timorees van eenige beteekenis bezit een paard. 

Aan delfstoffen schijnt Timor nog al rijk te zijn; goud vond men in de 
landschappen Takaip en Mollo, koper en mangaanerts in eenige streken, petroleum 
in Amanatoeng en op het eiland Samaoe. In Portugeesch Timor exploiteert een 
Engelsche maatschappij perroleumbronnen. De uitvoer van het eiland bestaat voor- 
namelijk uit sandelhout, was en paarden; voor het Portugeesche gedeelte boven- 
dien uit koffie en petroleum. 

Bevolking ^ inboorlingen van Timor zijn te verdoelen in Timoreezen 

bestaansmid- (Atoni Timor), in het Z.W. deel van Timor, dat vroeger het groote 
delen en neder- rijk van „Sonnebait" uitmaakte, en Beloneezen (Ema Belo), 

zcttingen ' die in Midden- en Oost-Timor wonen, in de gewesten, die behoord 
hebben tot de groote rijken Waiwikoe-Waiheló en Loeka. De donkerder huid, zwart- 
achtig bruin van kleur, en het ruige, gekroonde baar wijst er op, dat de laatsten als 
ras nader behooren bij de Papoea's, misschien er mede vermengd zijn, terwijl in 
West-Timor meer een vermenging met de Maleische volken plaats had. De be- 
woners van het vroegere rijk van Koepang, de Koepangers (Atoeli Koepang), 
kenmerken zich nog door een in 't oog vallend lichtere kleur, slankeren lichaams- 
bouw en meer golvend hoofdhaar. De heer Fokkens vermoedt, dat zy tot den 
echten Timoreeschen stam behooren, maar door vermenging met Rottineezen, 
Soloreezen en Savoeneezen die bijzondere somatische eigenschappen hebben ver- 
kregen. 

Mannen en vrouwen op het geheele eiland tatoueeren zich eenigszins, vooral 
op de armen, en elke familie heeft een toeken, dat ook by de paarden wordt 
aangebracht, en waaraan by koppensnellen de slachtoffers herkend worden. De 
huizen zyn meestal rond van vorm, doch ook de vierkante vorm komt voor. 
Het dak is van alang-alang en reikt tot byna aan den grond, by de Beloneezen 
tot 1'/, M. hoog en rust op palen; een paal, de westeUjkste, Is de „tiang 
pomali", waarby ryst enz. geofferd wordt. De woning bestaat meest uit één 
vertrek, met de stookplaats in het midden en balé-baló's langs de wanden. 
Vensters vindt men er niet; de rook gaat door de deur. By woningen van 
vorsten en aanzienleken sluit de omwanding niet aaneen, maar blyft er ruimte 
voor een voorgalery. 



Digitized by Goo<£l 



499 



De nederzettingen zijn klein ; groote, aaneengesloten kampongs komen weinig 
voor, de meeste bestaan op zijn hoogst uit een tiental huizen en worden in 
de binnenlanden voel al door hooge, ruwe houten paggers omsloten. Ook de af- 
zonderlijke huizen worden in onveilige streken wel aldus versterkt, zooals nabij 
de grens van het Ned. en Portugeesch gebied. Met het oog op de veiligheid 
liggen vele kampongs op heuveltoppen of rotspunten. 

De Timorees heeft een afkeer van het water, evenals de Soembanees ; aan 
wasschen doen beide weinig, en liever wreven zij zich in met gekauwde klappers. 
Viachvangst en prauwvaart komen niet veel voor. Maar ook de landbouw staat op 
een lagen trap, en men plant er niet meer, dan noodig is om in de behoeften 
te voorzien. Paarden en karbouwen worden aan hun lot overgelaten en moeten 
zelf hun voedsel zoeken. Ook de nijverheid is van weinig beteekenis. De handel 
is voornamelijk in handen van Chineezen, die paarden, was en sandelhout uit» 
voeren, en arak, katoentjes, kralen etc. invoeren. 

Dat de Timoreezen wel geschiktheid voor ontwikkeling en beschaving bezitten, 
bewijst het kunstige snijwerk, hetwelk men overal vindt op de tabakskokers van 
bamboe enz. en wordt ook bewezen door de fraaie weefsels, die even sober van 
lijn als bedaard van kleur z\jn en toch mooi kunnen genoemd worden ; dat blijkt 
uit de artistiek bewerkte zilveren arm- en oorsieraden enz. De heer Loeber Jr., 
heeft het Timoreesch snijwerk in 't bijzonder bestudeerd (Timoreesch snijwerk 
en ornament. K. Inst v. T. L. en V. v. N. I. 1903) en in zijn eigenaardigheid 
en constructuur leeren kennen. 

De Timoreezen zijn nog meest Heidenen. Alleen in het directe Gouverne- 
mentsgebied komen vele Protestantsche Christenen voor, en in een klein gedeelte 
van Amarassi en in Portugeesch Timor vindt men nog Inlanders, die den Katho- 
lieken godsdienst hebben aangenomen. De Heidenen vreezen een heir van geesten, 
en vele plaatsen, waar men die meent aan te treffen, als bergen, rivieren, bos- 
schen enz., worden daarom als heilig en onschendbaar (.loelik" of „pomali") 
beschouwd, en men brengt hier den geesten offers. Polygamie is bij de Timo- 
reezen geoorloofd, bij de Beloneezen niet 

In het Z.W. gedeelte van Timor spreken de inboorlingen meest Timo- 
reesch, een taal verwant aan het Rottineesch, en alleen in een klein gedeelte 
bedient men zich van het Koepangsch. In Midden-Timor spreekt men het 
Tètoem (tettum) en in Oost-Timor weer een andere taal. De vreemde kolo- 
nisten en ook de Inlanders van Koepang spreken tevens het Maleisen, dat er 
door de Nederlanders werd ingevoerd. 

Staatkundig behoort Timor voor het Z.W. deel aan Nederland, voor het 
N.0. deel aan Portugal. De grens tusschen beide doelen, die onzeker was en 
met enclaves door elkander liep, is in 1899 door een commissie onderzocht en 
beter geregeld. 

Het Nederlandsche Timor met het eiland Samaoe bestaat uit Gouverne- 
mentsgebied, een strook van 6-9 palen breedte en 50 palen lengte om de 
Koepang-baai met de vallei van Atapoepoe, en verder uit een 40-tal onafhanke- 
lijke staatjes, welker vorstjes, de „ radja's'' en „fettors" meestal het Ned. Gou- 
vernement erkennen, hoewel ook velen het niet noodig achten daarvan blijk te 



500 



geven. Een klein gedeelte handelt, alsof er geen Ned. oppergezag bestaat. Die 
kleine rykjes zijn ontstaan door verbrokkeling van twee groote, die hier vroeger 
bestonden. 

In het Z.W. van Timor vormt een bocht in de kust de Eoepangbaai, 
de belangrykste inham van geheel Timor, tusschen de hoeken Batoe Noetoen 
en Pakoe Lak, die ongeveer 14,4 K.M. breed is en ± 28.8 K.M. in het land dringt 
Ten W. van deze baai ligt het heuvelachtig eilandje Samaoe, meestal begroeid 
doch hier en daar met kale kalkrotsen, terwijl het aan den oostkant met steile 
koraalklippen steil uit de zeediepte oprijst Op het eiland vindt men onder- 
scheidene kampongs. Aan de noordkust vormt de Pelikaanbaai een inham, en 
dicht daar voor ligt het eilandje Kambing, een begroeide vlakke bergkegel, 
met op den top een kratervormige opening van 3 a 4 M. diepte. Op den bodem dezer 
kom verheffen zich een 14-tal uit klei bestaande kegels, in welker toppen kleine 
openingen zyn, waaruit onophoudelijk stokachtige gasbellen en modderblazen 
opstijgen, die na een oogenblik uiteen spatten en dunne laagjes shjk op den 
kegel uitstorten. Het eilandje is onbewoond. Op den N.O. hoek van Samaoe 
by de kleine kampong Haingsisi zijn Gouvernementskolenloodsen geplaatst. 

Aan de zuidzijde der baai van Koepang ligt de nederzetting Koepang of 
Timor-Koepang, grootendeels gebouwd in een vlakte en op de hellingen 
der omringende heuvels en doorstroomd door het riviertje Koinino. Aan de 
linkerzijde van den mond ligt het fort Concordia, dat in vervallen staat verkeert ; 
het bestaat uit een steenen ringmuur, waar binnen de militaire gebouwen staan. 
Koepang telt 6525 bewoners, waaronder 114 Europeanen, 4543 Inl., 723 Chi- 
neezen en 140 Arabieren. De huizen zijn deels van hout, deels van steen ge- 
bouwd. Het dichtst aan de kust liggen de woningen der Inlanders, de kampong 
der Chineezen, der Savoeneezen en Soloreezen. Hoogerop wonen de Europeanen. 

In Portugeesch Timor is Delhi de hoofdstad, een plaats ruimer gebouwd 
dan Koepang, en gelegen aan een baai. Met haar witte gebouwen en schaduw- 
ryke lanen tegen den achtergrond van bergen uitkomend, maakt de plaats een 
aangenamen indruk. De handel in de produkten van Timor is hier vry aanzienhjk. 

Ten Z.W. van Timor ligt het eiland Kotti, een heuvelachtig land, met een 
bevolking, die op 64 000 zielen wordt geschat, waarvan velen tot het christen- 
dom zyn overgegaan. De taal verschilt er van die der overige eilanden. De 
Rottineezen zyn geen beste zeelieden. 

Savoe of Sawoe, een heuvelachtig eiland tusschen Rotti en Soemba 
gelegen, wordt bewoond door ± 26 000 zielen, die van gemengd ras schijnen 
te zijn: Timoreezen, Rottineezen en anderen. Daar de bronnen van bestaan gering 
zijn, emigreert de bevolking sterk. De Savoeneezen hebben een afzonderlijke 
taal, die met het Soembaasch verwant is, maar aanmerkelijk afwijkt van Roti- 
noesch en Timoreesch. 

Litteratuur. Voor de litteratuur van Timor verwijzen wy naar de opgaven 
van F. Fokkens in het artikel der Encycl. v. N.I. Een samenvattend overzicht 
van Timor gaf H. Zondervan, Timor en de Timoreezen (T. K. Ned. Aardr. 
Gen. 1888). 



Digitized by Googl 



501 



Een nieuwe kaart van Timor is vervaardigd door een Commissie van 3 
Portugeesche en 3 Nederlandsche leden, in 1897 benoemd om de grenzen dor 
wederzydsche bezittingen nauwkeurig in kaart te brengen, waarvoor vele nieuwe 
opmetingen werden verricht; de kaart, hieruit voortgekomen, is op de schaal 
van 1 : 100 000. Doch uit meer gegevens, dan hierin konden verwerkt worden, 
is door de heeren Van der Haas (Ned. lid) en Coutinho (Portug. lid) een 
kaart van een deel van Timor op de schaal 1 : 500 000 bewerkt. (Zie T. Kon. 
N. A. Gen. 1906, pag. 497, artikel van L. A. Bakhuis, met kaart). 



VIII. NIEUW-GUINEA. 

Wy hebben er reeds op gewezen (I pag. 22 en pag. 434), 
?icht! MWlOW " dat Nederlandach Oost-Indië zich uitstrekt tot 141° O.L., zoodat het 
westehjk gedeelte van Nieuw-Guinea nog tot Nederlandsch-Indië 
behoort. Natuurkundig behoort dit gedeelte tot Australië gerekend te worden, 
doch historisch en staatkundig valt het onder Azië, en de Nederlandsche Regeering 
heeft dit gedeelte beschouwd als te bebooren tot onze bezittingen in Azië. 

Nieuw-Guinea is in geographisch opzicht de minst bekende der Nederlandsche 
bezittingen, en eerst in den laatsten tyd is het nader onderzoek van dit gewest 
begonnen, dat zich evenwel nog slechts bepaald heeft tot enkele gedeelten langs de 
kust en zeer weinig tot het binnenland is uitgestrekt. Zelfs z\jn groote kust- 
streken en riviermondingen nog niet voldoende in kaart gebracht en niet met 
zekerheid bekend. Dewijl onze kennis nog zoo onvoldoende en het onderzoek in 
vollen gang is, willen wy over dit eiland slechts eenige zeer algemeene gegevens 
mededeelen. Het zou voorbarig zijn en kan ook nog niet tot een voldoend resul- 
taat leiden, reeds thans een geographische beschrijving van Nieuw-Guinea te 
geven, al hadden wy daarvoor over de noodige ruimte te beschikken. 

Nieuw-Guinea was in het begin der 16de eeuw by de Europeanen niet be- 
kend, en het is ook niet gebleken, dat de bewoners der Molukken destyds aan- 
raking hadden met de bevolking van dit eiland. Het eerst is er sprake van 
„Papoesche eilanden" of „landen", en van het „land der Papoea's", hoewel onder 
deze namen verschillende landen werden verstaan. Echter hadden die landen 
deze overeenkomst, dat de bevolking er van zich onderscheidde van de overige 
bewoners in het oosten van den Archipel, zoodat zy in de aangrenzende ge- 
westen werden aangeduid als „Papoea's" ot „PapoeV. 

Het oudste bericht, waarin de naam Papoea voorkomt, dateert van om- 
streeks 1521 en is afkomstig van Antonio Pigafetta, den reisgenoot van 
Magelhaens. De Papoesche eilanden worden het eerst genoemd in het journaal 
van den Spanjaard Martin de Uriarte, die er omstreeks 1527 langs voer. 
Ongeveer in dienzelfden tyd heeft Don Jorge de Menezes waarschyniyk Nieuw- 
Guinea bezocht, doch met meer zekerheid kan worden aangenomen, dat Alvara 
Saveedra, door den Spaanschen Gouverneur van Tidore naar Mexico gezonden, 
de kust van Nieuw-Guinea leerde kennen. Het was meer toeval dan ontdekkings- 



502 



doel, dat dit eiland bereikt werd, en aanvankelijk werd er niet veel acht op geslagen. 
Inigo Ortiz de Retez ging in 1645 op 2° Z.Br. aan den mond eener groote 
rivier hier aan land; nam het eiland in bezit voor de Spaansche kroon en gat 
het den naam „Nieuw-Guinea." 

Het valt niet te verwonderen, dat btj het zien der kust van bet Papoeaache 
land en de kennismaking met de bewoners de voorstelling van Afrik aansch 
Guinea opkwam b{] de Spaansche zeovaarders, die hier bekend waren. 

De Nederlanders hadden bij hun komst in den Archipel zeer onzekere 
gegevens omtrent Nieuw-Guinea. Zij gevoelden echter behoefte om van het oosten 
meer te weten, en in 1602 werd door den admiraal Wolphert Harmensz. ter 
reede van Banda besloten, het jacht Duyfke onder bevel van den Opperkoop- 
man Claes Gaeff en den schipper Willem Cornelisz. Schouten, voor den 
handel naar Ce ram te zenden om daar eenige havens te bezoeken, tevens met 
den last, by de inboorlingen een en ander te informeeren omtrent Nova Guinea. 
Eerst in 1616 zag men de eerste Nederlanders op de kust van Nieuw-Guinea, 
niet met een opdracht om die kust te verkennen, maar door toeval hier ge- 
komen. Het waren Jacob Le Maire en Willem Corn. Schouten, die er den 
9den Juni in een baai op 4°Z.Br. voor anker kwamen. 

In de 17de eeuw werden er herhaaldelijk tochten van Nederlandsche 
schepen ondernomen om de Papoeaache eilanden en Nieuw-Guinea te loeren 
kennen, en al was do aanraking slechts een zeer vluchtige, toch werd er door 
de Compagnie voldoende materiaal verzameld, dat aan het eind der 17de eeuw 
een gedeelte der noordkust en de daar voor gelegen eilanden van Nieuw-Guinea 
als ontdekt kan beschouwd worden, terwijl men omtrent een groot deel der zuid- 
en westkust, nl. van Torresstraat tot Roemakal kaarten of andere gegevens bezat. 
Ook waren eenige eilanden aan de zuid- en westkust ontdekt, en hier en daar 
had men iets omtrent de gesteldheid der kust vernomen. De meeste kennis 
had men van de landstreek Onin geheeten (in bet Z.W.). De andere Papoeaache 
eilanden waren nog veel minder bekend in dien tijd. 

Voor den handel was Nieuw-Guinea van niet veel belang, als men den 
slavenhandel uitzondert. Specerijen schenen niet of schaars voor te komen, 
van de parelbanken had men toen nog geen vruchten geoogst, de monsters 
smeekolen, die men er in handen gekregen had, waren van slechte qualiteit en 
naar metalen had men vruchteloos gezocht. Daarenboven was de kuBt op vele 
plaatsen ongenaakbaar. 

De nadere kennismaking met Nieuw-Guinea was dus niet uitlokkend. Een 
tijd lang, in het eind der 17de eeuw, liet men zich ook niets aan dit land ge- 
legen liggen. Doch de gevreesde mededinging der Engelschen, die hier spece- 
rijen zochten, deed de Compagnie in het begin der 18de eeuw weer onderscheidene 
tochten naar Nieuw-Guinea en de Papoeasche eilanden ondernemen, om te voor- 
komen, dat de vreemdelingen er vasten voet zouden zetten en do mogelijke 
specerijen verkrijgen. Het resultaat was, dat hierdoor nadere kennis van de 
kusten van Nieuw-Guinea werd verkregen, vooral van de noordkust. Het oordeel, dat 
men daarbij over Nieuw-Guinea verkreeg, was, dat in deze ongezonde streken 
geen nederzettingen van Europeanen zouden zijn te vreezen, terwijl er ook geen ken- 



ized by Google 



50B 



teekens van eenige cultuur waren ontdekt, en het land bewoond was door een 
„ongenaakbaar, onhandelbaar, puur wild, boos, naakt volk, dat zich met visch, 
wortels, slakken en boomvruchten voedde." Die landen waren „onbequam tot 
een rendez-vous of zetel." 

Staatkundig werd door de Compagnie de opvatting gehuldigd, dat de Sultan van 
Tidore recht bezat op vele Papoeasche eilanden en op de kust van Nieuw-Guinea, 
vanwaar die ook eenige schatting ontving. Evenwel bestond er omtrent deze 
rechten weinig zekerheid. Wel was Nieuw-Guinea door Spanje zoogen. in bezit 
genomen, en de vrede van Munster liet nog toe Nieuw-Guinea te beschouwen 
als behoorend tot de Spaansche kroon, maar b\J den vrede van Utrecht vervielen, 
zonder bet uitdrukkelijk te noemen, de aanspraken van Spanje. De staat- 
kundige toestand op de Papoeasche eilanden en Nieuw-Guinea bleef in de 18de 
eeuw steeds onzeker. Tijdens het Engelsche tusschenbestuur werd het recht van 
bezit van Tidore op de Papoeasche eilanden en Nieuw-Guinea het eerst wettig 
geregeld, en door de conventie van 1814 (13 Aug.) verkreeg die regeling een 
internationaal karakter, waarby de offlcieele omschrijving van het Tidoreesche 
gebied plaats vond. Toen Nederland bij het tractaat van 1824 zijn bezittingen 
van Engeland terug kreeg, werd als verhouding in het oosten aangenomen die 
van 1814, en op grond van het bezitrecht van den leenvorst van Tidore maakte 
Nederland nu aanspraak op een deel van Nieuw-Guinea, niet van het geheele 
eiland, waarmede Nederlands rechten op het westen erkend werden. In 1827 
werd de gouverneur Merkus gemachtigd een gedeelte van Nieuw-Guinea in 
bezit te nemen en daar een établissement op te richten. Een expeditie werd 
uitgezonden, met de schepen Triton en Iris, terwijl de leden der natuurkundige 
commissie Dr. H. C. Macklot, S. Muller en A. Zippelius tot wetenschappelijk 
onderzoek er aan waren toegevoegd. Hiermede begon de feitelijke inbezitneming 
en den 24»te» Aug. 1828 werd een proclamatie dienaangaande uitgevaardigd, 
waarby Nieuw-Guinea van 141° O.L. op de zuidkust, tot Kaap de Goede Hoop 
op de noordkust (182° 46' O.L.) in bezit werd genomen. BÜ besluit van 80 Juni 
1848 werd echter als grens aangenomen de denkbeeldige lijn, die van 141° op 
de zuidkust dwars over het eiland loopt tot Hoek Bonpland, op 140° 47' op 
de noordkust. Bi) de eerste offlcieele inbezitneming was aan de Triton-baai het 
Nederlandsche établissement Merkus-oord met het fortje Du Bus gesticht, doch 
in 1888 werd die vestiging weder opgeheven 6n de sterkte geslecht. Sedert dien 
tijd zijn er vele jaren geweest, dat er nergens een post of ambtenaar van het 
Nederlandsen Gouvernement was op dit eiland, en berustte ons gezag enkel op de 
suprematie van den sultan van Tidore, die een groot gedeelte dezer gewesten 
nog sIb zijn onderhoorigheid beschouwde. De vestiging van het Nederlandsch 
gezag werd alleen aangewezen door merkpalen met het Nederlandsche wapen* 

Terwijl Nieuw>Guinoa aan zich zelf werd overgelaten, bleven de kust- 
streken van het eiland voortdurend het tooneel van wanorde en onzekerheid. De 
vele stammen en volkengroepjes, die hier woonden, verkeerden geregeld in 
een staat van anarchie, waar steeds de sterkste de baas was, en de macht 
voortdurend afwisselde. Wel werden de kusten van tijd tot tyd door een Neder» 
landsch schip bezocht, wel kwamen er nu en dan natuuronderzoekers op dit 



504 



eiland, en waren er sedert 1858 op de noordkust aan de Geelvinkbaai Duiteche 
en Nederlandsche zendelingen werkzaam geweest, maar bet Gouvernement liet 
het land byna geheel aan zich zelf over. 

In de zestiger en zeventiger jaren der 19de eeuw begonnen by de koloniale 
expansiezucht der Europeesche mogendheden, Engelsche reizigers onderzoekings- 
tochten in zuidelijk Nieuw-Guinea, vooral van Australië uit te ondernemen. Dit 
was de voorbereiding van het optreden door de Britsche regeering, dat in Nov. 
1884 volgde, toen dezo de protectie over Zuidoost-Nieuw-Guinea op zich nam. 
Ongeveer gelijktijdig daarmede werd door het plaatsen van vlaggen Noordoost- 
Nieuw-Guinea onder bescherming van Duitschland gesteld, en in 1886 werd een 
vaste grens voor de Duitsche en Engelsche „interessensfeeren" aangenomen door 
beide rijken. Hiermede was Nieuw-Guinea verdeeld geworden, en in het oosten 
deden Duitschland en Engeland al het mogelijke het werkelijk gezag te vestigen en 
het land te exploiteeren. 

Door dit optreden van vreemde mogendheden was ook Nederland genood- 
zaakt op Westelijk Nieuw-Guinea het gezag te vestigen. In 1891 werd aange- 
nomen om Nieuw-Guinea op te nemen in het net der stoombootlij nen van de 
Nederl. Paketvaartmaatschappy, waardoor de handel op enkele kustplaatsen toe- 
nam. Vervolgens werd besloten het gouvernement op Nieuw-Guinea te doen 
vertegenwoordigen door speciaal hiervoor aangewezen ambtenaren en werd het 
gebied nader administratief ingedeeld. 

Nieuw-Guinea was voorheen administratief onder de residentie Ternate ge- 
rekend. Doch toen het Nederlandsch Gouvernement hier optrad, werd in 1901 Zuid- 
Nieuw-Guinea als afdeeling van West-Nieuw-Guinea gescheiden en by verklaring in 
het Staatsblad 1902 N°. 63 werd de eerste aan de residentie Ternate ontnomen en 
tot een zelfstandige assistent-residentie gemaakt. De sultan van Tidore stond zijn 
rechten op dit deel van zijn nominaal gebied, waar hy nooit eenlgen invloed 
had gehad, af aan het Ned. Gouvernement, In 1902 werden ook de overige 
Ternataansche Nieuw-Guineesche afdeelingen tot afzonderlijke assistent-residen- 
tiën verheven. Zoo ontstonden hier de assistent-residentiön : West-Nieuw- 
Guinea, Noord-Nieu w-Guinea en Zuid-Nieu w-Guinea. 

De afdeeling West-Nieuw-Guinea bestaat uit het gedeelte van Kaap 
Jamoer Sóba tot Kaap Steenboom en omliggende eilanden, waaronder de 
groep der Radja Am pat Deze afdeeling staat onder een assistent-resident, met 
de standplaats Fak-Fak. De afdeeling Noord-Nieu w-Guinea omvat het noor- 
dehjk gedeelte ten oosten van Kaap Jamoer Sèba en omliggende eilanden onder 
een assistent-resident, met standplaats Manokwari. Zuid-Nieu w-Guinea 
omvat het gedeelte van Kaap Steenboom tot de monding der Ben sbach- rivier 
en omliggende eilanden. De hoofdplaats van deze afdeeling is Merauke. 

De ontdekkingsgeschiedenis van Nieuw-Guinea bepaalde zich tot den jongster, 
tyd byna geheel tot nadere verkenning der kusten, en van het binnenland -svas 
nog zeer weinig bekend. In den laatsten tyd evenwel werden door de „Maatschappij 
tot bevordering van het Natuurkundig onderzoek der Koloniën" en door het 
Koninkiyk Nederlandsch Aardrykskundig Genootschap expedities uitgezonden, 
om ook het binnenland van Nieuw-Guinea meer te verkennen. De eersto zond in 




505 



1903 een expeditie naar Noord-Nieuw-Guinea onder leiding van Prof. Wichmann, 
waar aan de Humboldtbaal en aan de Geelvinkbaai onderzoekingen werden 
verricht. De laatste zond in 1904-05 een expeditie naar Zuid-Nieuw-Guinea om 
van daar te trachten het Sneeuwgebergte te bereiken, dat, naar men meent, in 
het binnenland moet gevonden worden. Dit gelukte nog niet. Een nieuwe 
expeditie naar Nieuw-Guinea is in voorbereiding. De wetenschapreUjke resultaten 
van hetgeen op die reizen gevonden werd, zün thans in bewerking. 

Nieuw-Guinea werd sedert lang bet meest bezocht door bandelaars, die aan 
de kusten oenigen ruilhandel draven en door jagers. De produkten, die het land 
levert, bestaan voor een groot gedeelte in vogelhuiden, sago, klappers, enz. 

Nieuw-Guinea is het land der paradysvogels. De grootste hier levende vogel 
is de casuaris, waarop de Papoea's veel jacht maken, niet alleen om het vleesch 
maar ook om de vederen, die een geliefd sieraad zijn. Uit het dybeen der casuaris 
maken ztf een 'dolk. Duiven vindt men er talrijke soorten; de grootste is zeker 
de kroonduif, met zün prachtige blauwe veeren in eieriyke kroon op den kop, 
een gezocht mode-artikel. Kakatoe's en lori-soorten komen er voor in groote 
menigte. Die vogelhuiden maken een belangrijk uitvoerartikel van Nieuw-Guinea. 

De inboorlingen van Nieuw-Guinea zün de Papoea's (zie I, pag. 272,303,368), 
die in talrijke stammen verdeeld zün, doch omtrent wier organisatie weinig bekend 
is. Wel weten wü, dat deze volkjes btfna voortdurend met elkander in strijd 
leefden, en door rooftochten elkander geregeld benadeelden. Berichten van „hongi"- 
en „raaktochten" komen voortdurend voor in de verslagen over dit gebied. Door 
het vestigen van het Nederlandsch Bestuur is dat in vele kuststreken gelukkig 
al iets verbeterd, zooals uit verschillende mededeelingen blijkt. In enkele streken 
werken ook de zendelingen mede, om de bevolking tot orde en eenige beschaving 
te brengen, zooals aan de Humboldtbaai. 

Over de dichtheid van bewoning van Nieuw-Guinea valt naar aanleiding 
der kleine stammen of groepen, welke men aan de kust leerde kennen, nog 
weinig te zeggen. De heer Hili.k vond in 1904 ten N. der Maccluergolf kam- 
pongs met 20 huizen, elk huis waarschynlük door op zijn minst 5 gezinnen 
bewoond, zoodat een kampong ongeveer 1000 inw. telde (T. E. N. A. Gen. 
1905, I, 192). Maar de meeste nederzettingen in het binnenland zullen kleiner zün. 

Over het staatswezen der talrijke stammen weten w\j weinig. En hoewel gene- 
raliseeren gevaarlijk is, zal het toch niet ver van de waarheid zün, als men aanneemt, 
dat de bewoners van Nieuw-Guinea oorspronkelük zeer democratisch gezind zün. 
Waar weinig vreemde invloeden geheerscht hebben, erkent men nog geen ander ge- 
zag dan eenigszins dat van het hoofd der familie en van de aanvoerders in den strüd. 

Door vreemden invloed zün er echter in West-Nieuw-Guinea vele zoogenaamd 
hoogere hoofden gekomen. Niet alleen het Ned. gouvernement, de sultan en zün ge- 
machtigden, stelden deze hier en daar aan, ook personen, die al of niet een rang be- 
kleedden of als handelaars het land bezochten, verleenden allerlei min of meer 
weidsche titels, welke wel geen gezag gaven, maar waarmede de bezitter 
zich vereerd achtte. Wanneer die gedurende eenige geslachten van vader op zoon 
overgingen, vormden zü soort van aristocratische familiën, die weer onder- 
geschikten aanstelden. Zoo ontstonden er landsvorsten in West-Nieuw-Guinea. 



506 

Als zulke radja's zyn te noemen die der 4 Papoeasche eilanden, de Oninsche 
radja's, die van Kowiai, Aidoema, wellicht die van de oosteujker wonende, van 
Kapia, Akara e. a., waaronder er zyn van vreemde afkomst. 

Wy eindigen onze beschouwing van Nieuw-Guinea met eenige losse mede- 
deelingen omtrent de bewoners in enkele kuststreken. Vangen wjj daarmede in 
het noorden aan. 

De Humboldtbaai op de noordkust van Nieuw-Guinea ligt in het oosten 
naby de uiterste grens van het Nederlandsch gebied on is genoemd naar den be- 
roemden natuuronderzoeker Von Humboldt. Deze baai wordt door een smalle 
landtong, met laag hout en kokosboomen begroeid, gescheiden in een binnen- 
en een buitenbaai. In de binnenbaai ligt het eilandje Metu Dó bi, waar de 
expeditie onder prof. Wichmann in 1903 een tydlang gestationneerd was. Rondom 
de baai vindt men onderscheidene kampongs der Papoea's. Het is opmerkelijk, 
dat rondom deze baai zoo vele talen gesproken worden; Mr. Lorentz spreekt 
van drie talen, die op het gehoor niet veel op elkander gel y ken. Een gemeen- 
schappelijke taal, zooals het Noefoorsch aan de Geelvinkbaai, bestaat bier niet. 

De Papoea's aan de Humboldt-baai staan, volgens Lorentz, niet laag in 
hun Ideeën. By den overvloed aan voedsel werd er geen kannibalisme opgemerkt 
„Veelwyvery was er niet, overspel werd zwaar gestraft. Alcoholische dranken 
gebruikten hier de bewoners niet, maar onmatig veel tabak werd hier gebruikt. 
De grootste ondeugd der bevolking was wel de begeerigheid, die zty niet wisten 
te bedekken. Zy waren vrooiyk en gelukkig; maar hoe kon dit ook anders, 
want zy hadden volop te eten, leden geen koude, leefden in een aangenaam 
klimaat, gingen voor hun genoegen op de vischvangst en op de jacht, terwijl 
de vrouwen voor de mannen op het land werkten.'' Hun hoofdvoedsel bestaat 
uit sago, die, nadat zy geklopt en gewasschen is, in manden bewaard en 
als pap wordt gegeten. Ook visch, die de zee in overvloed oplevert, wordt 
veel gebruikt, en varkonsvloesch is er zeer gewild, doch wordt alleen by feest eujke 
gelegenheden gegeten. De taro (Colocasium antiquorum) en oebi's (Batata edulis) 
vervangen de aardappels. Verder eten zij klappernoten, pisangs en suikerriet. 
Behalve de klappermelk drinken zy niets dan water. Als de Papoea hier niet 
kan rooken, dan pruimt hy ; daarvoor neemt hy 5 a 6 pinangnoten in den mond, 
daarna een weinig van de vrucht der betelpeper en snoept vervolgens tydens 
het pruimon voortdurend uit de kalkdoos, die hy altyd by zich draagt Van 
eigenlyke kleeding is hier geen sprake, althans niet by de mannen ; de vrouwen 
dragen een rokje van geklopte boombast om het middel gebonden door een 
rood koord, soms versierd met witte schelpjes. De vrouw wordt er als een 
minderwaardig wezen beschouwd; zy moet op het land werken en doet niet 
mede aan de feestmalen. 

In het land, ongeveer een uur gaans van de Humboldtbaai, ligt het S en- 
tan i-m eer, ongeveer 16K.M. lang, omringd door heuvels, bezet met alang-alang- 
velden, en hier en daar kampongs, alle gebouwd op palen in het meer. De 
spitse bootjes, waarmede zy het meer bevaren, hebben geen uitleggers; doch 
zy weten ze goed in evenwicht te houden. De varkens in het land worden ge- 
jaagd met lange ebbenhouten speren, van snywerk voorzien. 



ized by 



507 



De Qeelvinkbaai ia de groote inham aan de noordkust, waarin onder- 
scheidene rivieren uitmonden. Zjj vormt een soort van binnenzee met vele kleine 
eilanden en afgesloten door eenige grootere, als: P. Jappón, de Schouten- 
eilanden (P. Biak of Wiak, P. Soepiori) en door P. Mefoor. Aan den 
N.W. uithoek der Geelvinkbaai ligt de nederzetting Manokwari, boven genoemd. 

De Geelvinkbaai heeft den naam naar het schip de Geelvink, dat hier in 
1706 onderzoekingen verrichtte. De hier wonende Papoea's verschillen in velerlei 
opzicht van de oostelijker wonenden. Misschien is dit gedeeltelik toe te schrijven 
aan den invloed van vreemden, die hier komen om handel te draven. Ook de 
huizenbouw is er verschillend van die der andere Papoea's ; de woning heeft er een 
eigenaardige gedaante, die wel eens wordt aangeduid als achildpadvormig, hoewel 
niet geheel juist. Het huis is op palen gebouwd en vrij lang; het middengedeelte 
wordt ingenomen door een groote ruimte, waarin in gewone gevallen een vaartuig 
ligt, dat een vyftigtal personen kan bevatten. Dwars op deze ruimte komen 
verscheidene kamertjes uit voor de bewoners. Het geheel wordt gedekt door 
een langwerpig, puntig dak. Deze vaartuigen worden gebruikt voor hun roof- 
en in oord toch ten, de zoogen. raak- of hongi-tochten. Onder luid geschreeuw 
en gezang, begeleid door trommelslag, wordt dan een bezoek gebracht aan 
een naburige nederzetting. Gewoonlijk zijn de bewoners grootendeels gevlucht, 
doch worden weerlooze kinderen of vrouwen vermoord, en de hoofden triom- 
fantelijk mee naar huis genomen. De bloedwraak, die hier nog hoogty viert, is 
oorzaak, dat weldra een contrabezoek kan verwacht worden. Voor eiken ver* 
moorden persoon heeft een Papoea uit de Qeelvinkbaai het recht z^jn haardos 
te tooien met een gele kakatoeveer. De mannen aan de Geelvinkbaai zijn niet 
afkeerig van sterke dranken, en dronkenschap is er, volgens Mr. Lorentz 
dikwijls de aanleiding tot dergelijke moordpartijen. 

Langs de kust wonen verder nog onderscheidene volksstammen, die wij 
voorbijgaan. In westelijk Nieuw-Guinea vormt de Mac Cluergolf een diepe 
inham. Deze baai werd in 1663 door den raad van Justitie Nicolaas Vinck 
ontdekt, doch ontving den naam een eeuw later naar den Britschen gezagvoerder 
Mac Cluer. Ten N. dezer golf vindt men rijkjes met onderscheidene namen 
aangeduid, die wij niet willen opsommen. Van Berau alhier wordt vermeld, dat 
dit is het klassieke land der slavenjachten. De bewoners zijn heidenen, en waar 
zU geen kannibalen meer zijn, is dit gebruik voor niet lang afgelegd. De 
Oninsche rijkjes hebben elk op een eigen stuk van Berau het recht van handel- 
drijven. Men brengt er in hoofdzaak kapmessen en stukgoederen naar toe en komt 
met slaven en sago terug. In deze zeer weinig bezochte streken is de handel 
by den lagen prijs der uitvoerprodukten zeer voordeelig. Voor de bevolking van 
Onin is het slaven- en koppenjagen onder de weerlooze Berauers een gelief- 
koosde sport, hoewel de Radja's het trachten tegen te gaan. 

Ten zuiden van de Maccluergolf ligt het gebied Onin. Onin (Oenin, in het 
Ceramsch = hoofd), is een naam blijkbaar door de Ceramsche handolaars gegeven 
aan het voornaamste deel van het door hen bezochte land. De invloed van Ceram 
is zeer duidelijk; de Oninsche taal is een verbastering van het Ceramsch en 
wordt gesproken in het eigenlijk Onin en eenigszins gewijzigd in Kowiai; langs 



508 



de kust doet z\j dienst als lingua franca. De sterk met Ceramsch bloed ver- 
mengde kustbevolking van het schiereiland Onin noemt zich Papoea en is Mos- 
limsch. Als zoodanig kleedt zjj zich meer dan de bevolking van het binnenland 
en draagt den hoofddoek ; zy heeft ook niet het uitstaande kroeshaar der binnen- 
landers en is iets lichter van kleur. 

Aan de zuidkust ligt Lakahia, een reeds lang bekend klein, vlak eilandje 
in de Etnabaai, dat waarschijnlijk in 1606 door Willem Jansz. met het Duif ke 
bezocht werd, en waar men reeds in de 17de eeuw steenkolen ontdekt had. 
Prof. Wichmann bezocht dit eiland in 1903 en constateerde, dat de steenkool 
niet slecht is. De bevolking aan deze kust is meer schuim en gevaarlijker dan 
die van het westen; z\j spreekt een afwijkende taal en is weinig met vreemde- 
lingen in handelsrelatie geweest. 

K ai ma na, niet de hoofdplaats maar het handelscentrum van Kowiai, ligt 
aan den noordhoek van een baai, die beschut is door landtongen en een eilandje 
er voor, zoodat de reede veilig is. De schepen kunnen dicht by den wal ankeren. 
Op het strand, dat door een moerassig terrein van het achterliggende bergland 
wordt gescheiden, staan een vijftal grootere huizen, twee van den radja, twee 
van Arabische handelaars en een toko van de Nederlandsche Nieuw-Guinea- 
Handelmaatschappy. De onderdanen van den radja houden in een paar lage 
hutten verblijf. Hier valt het op, dat er veel minder zorg aan het bouwen van 
woningen besteed wordt dan elders; paalwoningen bij de zee ziet men hier 
weinig. Verplaatsing van nederzettingen komt er veel voor, en bestaande kam- 
pongs vindt men herhaaldelijk verlaten. De bevolking is hier veel geringer 
in aantal dan op het Onin-schiereiland. 

De voornaamste der Oninsche radja's is die van Roembati. Bij het eerste 
bezoek der Nederlanders aan Onin (25 Maart 1654) ankerde de kapitein Frederik 
Gommersdorp voor de negorij Ony, by de inboorlingen Roemabatti genoemd, 
en kwam met den koning overeen, dat deze jaarlijks 200 a 300 slaven en een 
groote party massooi (wilde kaneel) voor de Compagnie gereed zou houden. 

Het binnenland van het Oninsche schiereiland is weinig bewoond, en door 
het ontbreken van levend water ook moeieUjk bewoonbaar. Het gebergte is steil 
en rotsachtig, en de voetpaden er over zyn voor een niet-Papoea moeiehjk be- 
gaanbaar. De Inlanders loopen by voorkeur over omgevallen boomstammen, zelfs 
als die hellend en glad zyn. GewoonUjk reist men dan ook over zee langs de kust. 

In dit gebied ligt de vestiging te Fak-Fak. Fak-Fak is de zetel van den 
assistent-resident, verder zyn er nog enkele Europeesche ambtenaren en een 
twintigtal politieoppassers. De diepte der zee aan de kust is vry groot, zoodat 
men dicht by den wal kan ankeren, beschut door het eilandje Pandjang. Het 
bestuursgebouw en de andere huizen liggen op een heuveltje, vanwaar men een 
schoon uitzicht heett op de zee. 

In het Z.O. ligt de nederzetting Merauke aan de Merauke-rivier, in 
een vlak terrein, dicht met bosch bezet, en hier en daar boomlooze plekken 
met de schamele nederzettingen der bevolking en aanplantingen van pisang, 
suiker, sago, enz. Merauke is thans een vry levendige nederzetting geworden, 
waar men twee Europeesche winkels vindt, een twaalftal toko's van Chineezen 



Digitized by Google 



509 



en andere vreemde Oosterlingen, waar een der Directeuren van de Merauke- 
compagnie ie gevestigd om er groothandel in allerlei artikelen te drijven, en waar 
de pasar druk bezocht wordt. De Inlanders brengen er vooral klappers voor 
coprah ter markt, en door het ruilverkeer worden de klapperplantages uitgebreid. 
Messen en bijlen z\jn gewilde ruilmiddelen. Sedert 1895 vindt men er Roomsch- 
Katholieke missionarissen. Het is de zetel van den assistent-resident 

De woudbewoners aan de Morauke zien er rijzig en flink uit, gespierd en 
welgebouwd. Kleeding houden zij er niet op na; de gedeeltelijke schaambe- 
dekking bestaat uit een schelp, en dikwijls wordt deze versierd met banden 
van touw. De neusvleugels zijn meestal doorboord, in welke gaten kleine kokertjes 
zijn gebracht van 2 cM. middellijn, en soms in plaats van deze de tanden van 
een dier of een vogelnagel. De huidkleur is donkerbruin, en velen smeren zich 
in met een kleiachtige kleetstof, die hen een geelgrijze kleur geeft. Het hoofd- 
haar is als bij alle Papoea's zwart, dun gekroesd; sommigen dragen een ring- 
baard. In de doorboorde oorlellen dragen zy gruote ringen, gemaakt van de 
pennen van de casuaris. Enkelen dragen een hoofd versiering van paradijsvogel- 
veeren, anderen weer lange saamgeregen snoeren van pitten, of wel een snoer 
tanden van een wild varken als halsversiering. De talrijke borstversieringen 
bestaan nu eens uit snoeren van casuarisnagels, dan weer uit groote snoeren 
van pitten of wel stukken van leer. Hun wapens bestaan uit pijl en boog, en 
een soort knuppels van v\jf voet lang van rotan, met een ronde schijf op een 
derde der lengte. De pijlen zijn zeer sierlijk bewerkt en met verschillende figuurtjes 
beschilderd ; zij hebben tot punt een zeer scherp en puntig casuarisbeen of een 
nagel ; soms ook een paar van hard, zwart hout. De pijlen zelf zijn v &n een 
rietsoort. 

Het voedsel dezer wilden bestaat in varkensvleesch, sago, allerlei boom- 
vruchten, zooals klappers, pisang en bessen, verder paddestoelen en wortels, 
een soort knolvrucht, op een aardappel gelijkend en suikerriet. Waarschijnlijk 
eten zij ook kangeroevleesch. 

Litteratuur. Ken uitvoerig overzicht van de betrekkingen met en de be- 
zoekers aan Nieuw-Guinea is gegeven door A. Haga, Nalerlandsch Nieuw-Guinea 
en ds Papoesche eilanden. Historische bijdrage van 1500 - 1883 met kaart. Batavia - 
den Haag 1884. — P. J. B. C. Robidé van der Aa beschreef de Reizen naar 
Nederl. Nieuw-Guinea ondernomen op last der regeering van Nedcrlandsch-Indiè' 
in de jat en 1871, 1872, 1875-76. Den Haag 1879. - Verder: Mr. H. A. I.orentz, 
Eenige maanden onder de Papoea 1 s. Leiden 1906. — F. S. A. de Clercq en 
J. D. E. Schmeltz, Elhnographische beschrijving van Nieuw-Guinea. Leiden 1893. 
Art. Papoea's in „Encyclopaedie van Ned. lndiê." Verder vele verslagen, tijdschrift- 
artikelen enz. 



SURINAME 



I. BRONNEN ONZER KENNIS VAN SURINAME EN HISTORISCHE 

OPMERKINGEN. 

Overxlcht Van den dat de Nederlandera zich In 1667 te Suriname 

der belangrijk- vestigden tot het midden der 19de eeuw is er zeer weinig ver- 
ste litteratuur. r j cnt met net gp^^Q ^ oe j om Suriname goed te leer en kennen. 

Toch zagen in dien tyd onderscheidene beschrty vingen van land en volk het 
licht, meestal opgesteld door personen, die bier korter of langer tyd vertoefden, 
hetzty als ambtenaar of voor zaken. Daarenboven leidde de strijd met de Bosch- 
Negers in het binnenland er toe, dat men ook dieper in het land doordrong, er 
militaire posten vestigde, en hierdoor verkreeg men eenige kennis van die gewesten. 
Aldus was er een betrekkelijk belangrijke litteratuur over Suriname ontstaan. 

Wy zullen die niet in zijn geheel opsommen, doch wijzen op de belang- 
rijkste werken. 

Joh. de Laet, Beschrijving van West-Indié, 1624 (1630). — J. D. Herlein, 
Beschryvinge van de Volkplantinge Zuriname, verrijkt met landkaart en koperen 
platen. Leeuwarden 1718. — Thomas Pistorius, Korte en zakelijke beschryvinge 
van de Colonie van Zuriname. Met platen. Amsterdam 1763.' M. D. Philip Fermtn, 
Nieuwe Algemeene Beschrijving van de Colonie van Suriname, Harlingen 1770, 
twee deelen. — Een klassiek werk, dat als de grondslag van alle goede be- 
richten over Suriname mag beschouwd worden, is het boek van Mr. J. J. Hartsixgk, 
Beschryving van Ouiana of de wilde kust in Zuid- Amerika, enz. Amsterdam, 
twee deelen 1770. — Ant. Blom, Verhandeling over den landbouw in de Colonie 
Suriname. Haarlem 1786. — Geschiedenis der Kolonie van Suriname, geheel op 
nieuw samengesteld door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen aldaar. 
Amsterdam— Harlingen 1791. - John Gabriel Stedman, Reize naar Suri- 
namen en door de binnenste gedeelten van Ouiana. Naar het Eng. Amsterdam 1799. 
Vier deelen. — Verzamelingen van uitgezochte verhandelingen betreff ende den land' 
bouw in de kolonie Suriname, opgesteld door het Landbouwkundig Genootschap 
„Eensgezindheid", Amsterdam 1804. — £. Beyer, Suriname in deszelfs tegen- 
woordigen toestand, Amsterdam 1828. - M. D. Teenstra, De landbouw in de 
kolonie Suriname, voorafgegaan door eene geschied- en natuurkundige beschouwing 
dier kolonie. Groningen 1835. - Jhr. C. A. van Sypesteyn, Beschryving van 
Suriname, historisch, geographisch en statistisch overzicht uit officieelc bronnen 



ized by Google 



511 



bijeengebracht. 'sGravenhage 1854 - R. F. Raders, Geschiedkundige aantee- 
keningen rakende proeven van Europeesche Kolonisatie in Suriname. Den Haag 
1860. — J. Wolbers, Geschiedenis van Suriname. Amsterdam 1861. 

Hiermede zyn wy meer in den nieuwen tijd van onderzoek gekomen. Veel 
hebben wy omtrent de kennis van Suriname te danken aan Aug. Kappler, 
een Duitacher, die als soldaat in Suriname kwam, daar vele jaren in de 
binnenlanden leefde en het vertrouwen genoot van de Bosch-Negers en Indianen. 
Hy leerde land, voortbrengselen en bevolking goed kennen. Van zyn hand zagen 
het licht: Zes jaren in Suriname, Schetsen en taf er telen uit het maatschappelijk 
en militaire leven 1854, 2 deelen; — Rollündisch Guiana, Erlebnisse und Er» 
fahrungen wdhrend eines 43-jahrigen Au/enthalts in der Kolonie Suriname. Stutt- 
gart 1881; - Surinam, sein Land, seint Natur, Bevólkerung und seine Kultur- 
VerhdUnisse mit Bezug auf Kolonisation. Stuttgart 1887. — Verder zagen het licht: 
A. J. Riko, Ons Rijk Suriname, in „Schetsen voor Neerlands Volk, zyn 
Handel en Nyverheid." Rotterdam 1883. — P. M. Netscher, Geschiedenis van 
de Koloniën Essequibo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders 
aldaar tot op onzen tijd. Den Haag 1888. — J. G. Spalburg, onderwijzer by 
de Aucaners, gat een Schets van de Maroxoijne en haar bewoners. Paramaribo 
1899. — J. R. Thomson schreef een Overzicht der geschiedenis van Suriname. 
Den Haag, 1901. 

Al was men door den stryd tegen de BoschNogers reeds dieper in het 
binnenland doorgedrongen, dan voor economische exploitatie beslist noodig was in 
dien tyd, toch bleef het binnenland nog grootendeels onbekend en was niet in kaart 
gebracht. Hierin kwam verbetering, toen na 1870 de heer W. L. Loth, 
thans Gouvernementslandmeter, expedities tot onderzoek van het terrein voor 
het traceeren der wegen leidde aan de Boveu-Suriname en Boven-Saramacca, 
(Tydschr. K. N. A. Gen. 1879, 1880, 1881) later naar de Lawa (1. c. 1892) - Prof. 
K. Martin maakte in 1884 een geologische ondereoekingsreis in Suriname, bevoer 
de rivier de Suriname tot den bovenloop en schreef: Bericht über eine Beise noch 
Niederléndisch West-Indiën und darauf gegründete Studieit, Leiden 1888, en Dr. H. 
F. C. ten Kate deed reizen en onderzoekingen in Suriname (Tydschr. K. N. 
A. Gen. 1886 I). 

Opgewekt leven kwam er, toen de „Vereeniging voor Suriname", de „Maat- 
schappy tot bevordering van het Natuurkundig ouderzoek der Nederlandsche 
Koloniën" en het Koninkiyk Ned. Aardrykskundig Genootschap het geographisch 
onderzoek van Suriname op nieuw ter hand namen, door expedities naar de 
binnenlanden te zenden. 

In 1901 had de eerste expeditie plaats langs de Coppename onder leiding 
van den heer L. A. Bakhuis (die vroeger de Sumatra-expeditie had medegemaakt, 
(Verslag in het Tydschr. v. h. K. N. A. Gen. 1902). Een tweede expeditie 
onder leiding van A. J. van Stockum had in 1902 plaats langs de Sara- 
macca (Een ontdekkingstocht in de binnenlanden van Suriname. Dagboek van de 
Saramacca-expeditie, Amsterdam 1905.) — Een derde expeditie geschiedde langs 
de Gonini in 1908 onder leiding van J. A. Franssen Herderschee (VersL 
Tydschr. K. N. A. Gen. 1905) en onder leiding van denzelfde werd in 1904 



512 



een expeditie naar de Tapanahoni gezonden, om haar stroomgebied te verkennen 
en verbinding tot stand te brengen tusschen de metingen der Saramacca- en 
de Gonini-expeditie. (Versl. Tijdschr. v. h. K. N. A. Gen. 1905, met kaarten). 
— Tot een vijfde expeditie onder C. H. de Goeje is thans besloten. Tevoren had 
reeds Dr. H. van Cappelle in 1900 een expeditie, uitgerust door particulieren, 
naar de binnenlanden der Nickerie geleid (De binnenlanden van hel district Nickerie, 
Lotgevallen en uitkomsten eener expeditie door het westen der Kolonie Suriname. 
Baarn 1903). Het wetenschappelijk materiaal van deze expeditie zal spoedig 
geheel bewerkt het licht zien. 

Voor de kennis der plantenwereld van Guyana in het algemeen is nog 
altijd een bron R. H. Schomburgk, Reisen in Guyana und am Orinoko, 1835 - 39, 
en A de8cription of British Guiana, geographical and stalistical, exhibiting the re- 
sources and capabilities. London 1840. — K. F. Appun, die vooral als botanicuB 
Britsch Guyana en Brazilië onderzocht en op zijn laatste reis in Guyana in 1871 
verongelukte, beschreef de resultaten in onderscheidene artikelen, en in: Unler 
den Tropen, Jena 1871. In Kappler's werken vindt men vele gegevens omtrent 
de plantenwereld. 

Over de bevolking van Suriname schreven: A. M. Coster, De Boschnegers 
in de Kolonie Suriname, hun leven, zeden en gewoonten (Bydr. t. T., L. en V. v. 
N. I. 1866); - Prince Roland Bonaparte, Les habitants de Suriname. Notes 
recueillies a 1'exposition coloniale d'Amsterdam en 1883. Paris 1884. - Belang- 
rijke gegevens over de bevolking van Suriname vindt men in de : Gegevens over land 
en volk van Suriname (Bijdr. t. d. Taal-, Land- en Volkenk. v. N.I. 1903) door 
C. van Coll, die meer dan dertig jaren als missionnaris in Suriname werk- 
zaam was. Mejuffrouw H. Conradi beschreef de Surinaamsche vrouw (Vragen 
v. d. Dag 1898). Het Algemeen Nederlandsch Verbond gaf in Sept-Oct. 1903 
van zijn maandblad „Neerlandia" een Suriname-Nummer uit met verschillende 
bijdragen over Suriname. In den „Catalogus der West-Indische Tentoonstelling 
te Haarlem" 1899, gaf L. C. van Panhuys een overzicht der bewoners. 

Over den economischen toestand, de cultures, de kolonisatie enz. zijn in 
den laatsten tijd onderscheidene geschriften verschenen. H. Pyttersen beschreef 
in een geschiedkundige schets Europeesche kolonisatie in Suriname (den Haag 
1896). De Heer W. L. Loth gaf een historisch overzicht van den landbouw 
in Suriname in bet Kol. Verslag 1905 en 6 (Bijl. G.G.). Dr. D. de Loos beschreef, 
de Voortbrengselen van Nederlandsch Wvst-Indië (Uitgegeven door het Koloniaal 
Museum te Haarlem, waar men vele voortbrengselen uit het land vindt.). — Dr. H. 
van Cappelle gaf een Bijdrage tot de kennis der Cultures in Suriname (Amster- 
dam 1901). J. E. de Gelder, Het heden en de toekomst van Suriname 1903. 

Als algemeene beschrijvingen van gedeelten noemen wü nog Dr. A. H. 
Pareau, Onze West, den Haag 1898, en Dr. Hendrik P. N. Muller, Door het 
land van Columbus, Haarlem 1905. 

Van de kaarten, die wi) van Suriname bezitten, is een der oudste die van 
Gerard van Keulen. Paskaart van de rivieren Commewini, Suriname t Sara- 
macca, Cupanama cn Corentijn, vertoonende al deszelfs plantages. Hoewel zonder 
jaartal, dagteekent deze waarschijnlijk uit het begin der 18d« eeuw, zegt Jhr. 



Digitized by Go< 



513 

van Sypesteyn. Verder bestaan: Alex ander de Lavaux, Generale caart van 
de provintie Suriname, rivieren en districten met alle d'ontdeckingen, gecarteord 
in 1737. Ook Hartsinck gaf in z\jn boek onderscheidene kaarten. Een uit- 
muntende kaart was die van J. C. Heneman, Kaart van Suriname, uitgegeven 
in 1784 op last van de bewindhebberen der West-Indische Compagnie; de ver- 
vaardiger, Luitenant-Kolonel-Ingenieur, had onderscheidene boschtochten mede- 
gemaakt en van 1774—1784 met landmeters er aan gewerkt. Jhr. C. A. van 
Sypesteyn gaf in 1850 (Amsterdam— den Haag) naar laatstgenoemde een ver- 
beterde en gewijzigde editie uit. By het werk van Teenstra bovengenoemd, 
gaf Mabé in 1832 een Kaart der Kolonie Suriname, hoofdzakeiyk voorstellende 
de bebouwing dier Kolonie. Naar opmetingen in 1860-79 verricht vervaardigden 
J. F. A. Cateau van Rosevelt en J. F. A. E van Lansberge, in 1880 eon 
belangryke kaart op de schaal van 1 : 200 000. De jongste kaart is die van W. 
L. Loth, Kaart van Suriname, naar genoemde opmetingen en aangevuld tot 
1803 met die van den heer Loth zelf. Schaal 1 : 500 000. 1898. Amsterdam. 



De Nederlandsche bezittingen in Amerika worden wel samen- 
Nederlandsche g eva t onder den naam West-In dié of de West. Eigeniyk be- 
AmcriSuTen hoort de naam WesMndiè enkel aan den Archipel van eilanden, 
historische op- die zich uitstrekken van do Golf van Florlda in het N. tot de 

merkingen Qolf yan p aria / nQt N 0 . van Venezuela) in het zuiden, tusschen 
overSunname. N . ' 

10 en 28 N.Br., en begrensd in het O. en N.O. door den At- 

lanüschen Oceaan, ten Z. en Z.W. door de Caraïbische zee, die ze van de kust 
van Midden- en Zuid- Amerika scheidt By de ontdekking dezer eilanden ver- 
moedde Columbus in Indtë te zyn geland, en daarnaar werd voor het nieuw 
ontdekte gebied weldra de naam West-Indië populair, een naam, dieevenwel 
beter ware geweest niet te aanvaarden, evenmin als die van „Indianen'' voor 
de inboorlingen der Nieuwe Wereld. Men noemde deze eilanden vroeger ook 
wel Suikereilanden, naar de suiker, die zy in groote hoeveelheid aan Europa 
leverden. 

De eilanden van West-In dié worden hoofdzakeiyk verdeeld in twee groepen, 
de Groote Antillen, bestaande uit Cuba, St. Domingo, Jamaica en Portorico, 
en de groep der Kleine Antillen, een groot aantal kleine eilandjes, die zich 
van Portorico in eetr reeks naar het Z. uitstrekken. De naam Antillen is af- 
komstig van Antiglia, een fabelachtig eiland, waarvan oude verbalen reeds 
vóór de ontdekking van Amerika melding maakten, hetwelk in het verre westen in 
den Oceaan gelegen zou zyn, en dat men meende te hebben gevonden. Van 
de Kleine Antillen worden de oostwaarts van Portorico gelegene, als : St. T h o m as, 
St. Croix, St. Jean en Tortola, benevens de onmiddeliyk in de nabgheid 
liggende eilandjes, 60 in getal, Virginische of Maagden-eilanden ge- 
heeten, terwyi men de eilanden, die zich zuidwaarts naar de monden van de 
Orinoco uitstrekken, Caraïbische eilanden noemde (naar het volk de Ca- 
raïben). Nederlandsche zeelieden, die dezen Archipel bevoeren, onderscheidden de 
Kleine Antillen in verband met de windrichting. Zy noemden de Kleine Antillen, 
welke zich in een reeks N.— Z. uitstrekken, de Eilanden boven den wind, 
II 88 



Digitized by Google 



I 



514 



omdat zy hooger op (boven) in den baan van den hier heerschenden N.O.-paaaaat 
liggen, de eilanden, die in de richting O. - W. in een reeks langs de kust van Zuid- 
Amerika liggen, de Eilanden beneden den Wind, omdat z\] lager (beneden- 
waarts) in den passaat gelegen zijn. Hierby moeten w\J er op wijzen, dat op de 
Engelsche kaarten omgekeerd tot de eilanden „boven den wind ' (windward) al 
dezulke gerekend worden, die tusschen 10° en 15° N.Br. liggen, terwijl die, welke 
tussclien 15° en 19© gelegen zijn, alle den naam van „eilanden onder den wind" 
(leeward) dragen, zoodat by deze de benaming anders is, dan w\J gewoonlijk 
aannemen. 

Van de West-Indische eilanden bezit Nederland: St. Martin (dat voor een 
godooi te Fransch en een gedeelte Nederlandsch is), St. Eustatius en Saba 
van de .Eilanden boveu den Wind," en Bonaire, Curacao en Aruba" van 
de „Eilanden beneden den Wind". Deze zijn vereenigd tot het „gouvernement 
Curacao." 

Op het vasteland van Zuid-Amerika bezit Nederland een gedeelte van 
de kust van Guyana, en wel het middelste gedeelte, Nederlandsch 
Guyana of Suriname, bestuurd door een Gouverneur. De naam Suriname 
wordt afgeleid van een Indianenstam der Surinen. 

De kust van Guyana werd in 1499 ontdekt door Alonzo Ojedo en Juan 
de la Cosa, onderbevelhebbers van Americus Vespucci, en een jaar later werd 
door Juan Pinnok, die aan de eerste reis van Columbus naar Amerika had 
deelgenomen, de Amazonenstroom en het oostelijk deel van Guyana gevonden. 
Het gerucht van grooten goudrijkdom in Guyana, waarmede een Indiaansche 
overlevering verbonden werd, volgens welke ergens een koning woonde, die 
zich eiken morgen met stofgoud beschilderde, heeft aan dit land den naam 
„EUDorado" gegeven, en gaf aanleiding tot tal van avontuurlijke reizen van 
Spanjaarden en Portugeezen in dit land. In 1593 werd Guyana door Domingo 
de Vera voor Spanje in bezit genomen, maar de Spanjaarden hebben er zich 
niet blijvend gevestigd. De eerste vestiging van Europeanen in Suriname had 
plaats in 1630, toen kapitein Marrchal, van een zestigtal Engelschen vergezeld, 
zich aan de Suriname-rivier nederzette, waar hij tabak plantte. Deze nederzetting 
heeft niet lang bestaan, en ook een tweede poging van Europeanen, een 65- 
tal Franschen onder kapitein de Noailly, die hier landden en er een fort 
bouwden, later Zeelandia genoemd, ging spoedig te niet. In 1650 rustte Lord 
Willoughby, graaf van Parham, een schip uit met Engelschen, die zich aan 
de Suriname vestigden, en deze nederzetting verkreeg naar den graaf van Parham 
den naam Paramaribo. Hier werden aan de oevers der rivier een vijftigtal 
plantages aangelegd, waarop vooral suikerriet geplant werd. De volle eigendom 
van het land werd in 1662 door Koning Karel II aan den graaf van Parham 
en aan Laurens Hide geschonken. In 1664 werd de volkplanting versterkt 
door vele Joden, die uit Spanje en Portugal verdreven, zich eerst in Brazilië ge- 
vestigd hadden, maar dit weder moesten verlaten, toen het land in 1661 aan Por- 
tugal kwam. Na zich eerst in Cayonne gevestigd te hebben en ook van hier te zijn 
verdreven, verhuisden zy onder David Nassy naar Suriname, waar zy door 
Willoughby met ingenomenheid werden ontvangen. Daardoor nam de kolonie 



Digitized t 




515 



tot 4000 zielen toe, en werd er een Europeesche volkplanting gevestigd, waar- 
voor de Indianen meer terugweken naar het binnenland. 

Gedurende den tweeden Engelschen oorlog van 1666 - 1667 werd door den 
kapitein ter zee Abraham Crijnssen de Engelsche kolonie genomen, en bU den 
vrede van Breda in 1667 bleef Suriname een Nederlandsche bezitting (Nieuw- 
Nederland kwam toen aan Engeland). Jntusschen waren by dien overgang vele 
Engelschen en Joden uit de Kolonie vertrokken, die zich by den overgang op 
Jamaica gevestigd hadden, waardoor Suriname goede werkkrachten had verloren 
en weldra in een minder gunstigen toestand kwam. Suriname was door den 
Zeeuwschen commandeur Crijnssen* veroverd geworden, en Zeeland matigde zich 
op dien grond het gezag over deze bezetting aan. Toen evenwel de kolonie geen 
voordeel bleek op te leveren, werd in 1682 het eigendom door Zeeland verkocht 
aan de West-Indische Compagnie, doch ook deze, in moeieiyke financieele om- 
standigheden verkeerend, verkocht in 1683 van haar recht aan de stad 
Amsterdam, en '/s aan Cornelis van Aersen van Sommelsdijck, die zich ver- 
bond als gouverneur naar de kolonie te vertrekken, in 1683. De nieuwe eigenaars 
namen den titel aan van „Geoctroy eerde Sociëteit van Suriname." 

Onder Aersen van Sommelsdijck begon een beter tUdperk voor de Kolonie 
en werden er vele verbeteringen aangebracht, werden de vyandige Indianen, 
de stammen der Caraïben, Arowakken en Warrows tot vrede gebracht, werden 
de Bosch-Negers, gevluchte slaven in het binnenland, tot orde gedwongen. In 
dezen tyd kwamen vele Fransche uitgewekenen, die wegens de herroeping van 
het Edict van Nantes, Frankryk verlieten, zich hier vestigen, onder welken men 
uitstekende ambachtslieden en flinke landbouwers telde. Den Joden schonk 
hy verlof om aan den rechteroever van de Suriname op een stuk land, hun door 
hun geloofsgenoot Samuel Nassv geschonken, een dorp te stichten, dat den 
naam kreeg van Joden Savanne, hetwelk spoedig tot groote welvaart kwam, 
maar later in verval geraakte, zoodat bet thans weer een wildernis is geworden. 

De lotgevallen der kolonie waren zeer afwisselend, dikwyis minder gunstig. 
Wy willen die geschiedenis niet nagaan; slechts aan enkele hoofdfeiten zy hier 
herinnerd. In 1770 werd door Mevr. Van Sommelsdijck baar aandeel in de 
kolonie verkocht aan de stad Amsterdam, die nu feiteiyk eigenaar werd der kolonie. 

Het eerst werd in 1738 aan den bestuurder der kolonie den titel van 
Gouverneur-Generaal gegeven. Herhaaldeiyk verkeerde de kolonie in onrust, en 
vooral de talryke Bosch-Negers verstoorden dikwyis de orde, zoodat dan met 
kracht tegen hen moest worden opgetreden. De oorlogen met Engeland, de op- 
standeu der Negers, de revolutie in Europa en de opheffing van de Republiek 
der Vereenigde Nederlanden deden ook de „Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname" 
ondergaan, en Suriname kwam te staan onder den „Raad der Amerikaansche 
Koloniën en bezittingen". In 1799 werd Suriname door Engeland genomen. 
Wel verkreeg in 1802 Nederland Suriname terug, doch het werd daarna van 
1804—16 weer een wingewest van Engeland. Eerst in 1816 werd de kolonie 
aan Nederland teruggegeven en nu een kolonie van den Nederlandschen Staat. 
Het tegenwoordig geldende „Reglement op het beleid der regeering" voor de kolonie 
Suriname is vastgesteld in 1865 en werd gewyzigd in 1884 en 1901. Het oudste 



510 



Reglement was het octrooi der Staten-Generaal van 23 Sept, 1682, dat toegepast 
is gebleven tot het Kon. Besluit van 1815. 

Suriname is een Nederlandsche kolonie; haar bewoners hebben invloed 
op het bestuur. Aan het hoofd staat de Gouverneur, de vertegenwoordiger 
des Konings, die door den Koning wordt benoemd en vele koninklijke rechten 
uitoefent. Een adviseerend college, de Raad van Bestuur, welks advies de 
Gouverneur over vele zaken moet inwinnen, staat hem ter zijde. Verder heeft 
de kolonie een vertegenwoordigend lichaam in de Koloniale Staten, 15—25 
in getal, die door kiezers worden gekozen. 

De Nederlandsche kolonie Suriname ligt aan de noordkust 
L èn g ' "reizen™ 1 van Zuid-Amerika tusschen 54° en 58' W.L. (Gr.) en tusachen 
en grenzen. ^ ^ g0 ^ ^ Het gebied wordt in bet O. begrensd langs de 

rivier de Marowijne door FranschGuyana (Cayenne), in het W. langs de Corantijn 
door Britschtïuyana (Demerera), in het N. door den Atlantischen Oceaan en in 
het Z. door Brazilië. De oppervlakte van Suriname wordt geschat op ongeveer 
150 000 K.M.* 

Suriname maakt deel uit van de landstreek, die als Guyana, Guiana, 
b\j de Spanjaarden Guayana wordt aangeduid, welke al ht-t land omvat tusschen 
den Amazonen8troora en de Orinoco gelegen. De naam Guyana zou, volgens 
onderscheidene schrijvers, afkomstig zijn van Guainla, waarmede in de taal der 
Marsitanen (die in Amerika onder den evenaar even verspreid is als de Caralbische 
taal), de Rivier Negro en omliggende landen werden aangeduid. (Van Coll, 
Bndr. Jnst. T. L. en V. Ned. Indie 1903, pag. 585.) Anderen leiden den naam 
af van de Guayana- of Wayan a-Indianen, die onder den naam Roekoe- 
jennen nog leven aan beide zijden van het bergland, aan de zuidgrens van 
Nederlandsch en Fransch Guyana. (Sievers, Sad- und Millel-amerika 1903, 
pag. 108). In de 17do en de 18de eeuw word deze landstreek ook wel aangeduid 
als Caribania, naar het volk der Caraïben eig. = dapperen, ook: menschen- 
eters) en de kuststreek meer bepaald als Wilde kust. 

Een moeieiyk vraagpunt, dat nog geenszins volledig is opgelost, is de nauw- 
keurige aanduiding der staatkundige grenzen van Nederlandsch Guyana. ') 

De noordelijke grens is eon natuurlijke grens, die, hoewel veranderlijk 
door de aanslibbingen der zee, geen betwist grensgebied met andere mogend- 
heden oplevert. Aan den oostkant is, voor zoover op een nauwkeurige grens 
acht werd geslagen, in verband met den giftbrief van Karei II van 2 Juni 1662 
als vast aangenomen, dat Suriname zich uitstrekt tot den rechteroever der 
Marowijne, zoodat deze geen grensrivier is, maar tot Nederlandsch gebied behoort. 
Toen er in 18S8 een geschil ontstond met Frankrijk over de vraag, welke der 
beide bronrivieren van de Marowüne: de Lawa of de Tapanahoni, als de voort- 
zetting der hoofdrivier valt te beschouwen, en Frankrijk aanspraak maakte op 



1) Uitvoerig is dit vraagpunt behandold door Dr. H. D. BcNJAUtNS, De grenzen pan Neder- 
landse* Guyana (Tijdschr. K. N. A. Gen. 189S pag. 797 ) — Zie vorder L. A. Bakhuis. Een grem- 
quaetlie (T. K. N. A . Gen. 1902). — Grensregeling van Suriname (Nieuwe Rotterd. Ct. 19 Mei 1900). 



gitized by GoogI 



517 



gronden langs de Lawa, welke dan als grensrivier naar het Fransch gebied 
diende te worden beschouwd, werd het grensgeschil in dien zin door den Czaar 
van Rusland al3 scheidsrechter beslist, dat het betwiste gebied ons werd toe- 
gewezen op historische en op aardrijkskundige gronden, zoodat de bronrivieren 
der Marowüne beide tot het Ned. gebied behooren, en de Lawa de hoofdrivier 
is. Evenwel is met do aanwyzing van de Lawa als grens deze nog niet volkomen 
bepaald, en het is noodig, dat Nederland en Frankryk zich verstaan over den 
stroomloop en grenslijn tot aan de bronnen der rivieren, wat geen gemakkelijke 
zaak is. Verder dient nog te worden uitgemaakt, hoe de grenslijn door de Maro- 
wyne zal loopen. 

De westelijke grens naar Britsch Guyana, die in de 17d« en 18d* eeuw 
evenmin juist was omschreven, gaf evenzeer aanleiding tot geschillen. In 1799 
word bij overeenkomst tusschen de Gouverneurs van Nederlandscho en Engelsche 
z\jde aangenomen, dat de rivier de Corantyn de grens is, en by de overgave 
door de Engelschen in 1816 werd die grens behouden. Uit dit stuk blykt, dat de 
Westzeekust van de Corantyn tot aan de Duivelskreek, welke tot nu toe was 
aangemerkt als onder het Gouvernement van Suriname te behooren, benevens 
de westoever dier rivier, werden „gesteld en erkend te behooren onder het be- 
stier van de regeering der Kolonie Berbice." Verder werd overeengekomen, „dat 
geen der eilanden in de rivier Oorentyn gelegen onder dezen provisioneelen af- 
stand zullen begrepen wezen, maar altyd aangemorkt worden te behooren onder 
het Gouvernement der Colonie Suriname." Daarmede wordt dus de Corantyn als 
de westelijke grens erkend, en do stroomloop wordt als zoodanig geteekend. 
Maar by verschillende schryvers heerscht hieromtrent nog onzekerheid, en daar- 
enboven is niet vastgesteld, welke stroom als de bovenloop der Corantyn moet 
beschouwd worden. De New-River, in 1872 door Brown ontdekt, wordt wel 
als zoodanig beschouwd, dóch zekerheid bestaat er dienaangaande niet, zoodat 
nadere regeling der grensscheiding noodig is. 

De zuidgrens naar den kant van Brazilië was eveneens onzeker en werd 
verschillend geteekend. Volgens de meeste kaarten werd het TumucHumao 
gebergte als de grens tusschen Suriname en Brazilië aangenomen. Evenwel is 
in den laatsten tyd gebleken, dat de voortzetting van den Tumuc-Humac-keten, 
die op die zuidgrens der Fransche bezetting gevonden wordt, twyfelachtig is op 
Nederlandsch gebied, en dat verband tusBchen het brongebergte van deTapana- 
honi en de Corantyn hypothetisch moet geacht worden. In den laatsten tyd (1900) 
is een grensregeling tusschen Suriname en Brazilië tot stand gekomen, waarin 
genoemd gebergte niet als grens genoemd wordt, doch een waterscheidingslyn, 
welke echter eveneens moeilykheden zal opleveren, wegens de onvoldoende kennis 
des lands. Eerst wanneer door nader onderzoek des lands de kaart van dit 
grensgebied verbeterd is, kan men de grens met meer bepaaldheid aangeven. 
Thans is een expeditie in voorbereiding om het zuideiyk gedeelte van Suriname 
nader te verkennen. 



518 



II, BESCHRIJVING VAN LAND EN BEWONERS. 

Suriname maakt in geologisch opzicht deel uit 

Geschiedenis , ' . ~ , . 

van den bodem van net terrein van buyana, en dit behoort, naar 
van Guyana in ^ en bouw (3 es lands, tot het gedeelte van Zuid- 
Amerika, dat men aanduidt als het ongeplooide 
gebied, hoofdzakelijk innemend Brazilië en zich voortzettend 
in Guyana naar het N., en naar Uruguay en Argentina in het Z. 
Dit landschap is orographisch scherp onderscheiden van het 
westen van Zaid-Amerika, waar de Cordillera een reusachtig 
stelsel van vouwingsgebergten vormen, die vrjj steil uit het 
ODgeplooide gebied oprijzen. 

In het oosten van Zuid-Amerika vormt echter een uitge- 
strekt gebied van oude, gevouwen gneis- en schiefergebergten 
de grondslag van het bergland in Brazilië en Guyana. Daar- 
overheen liggen horizontale zandsteen- en kalksteenlagen uit 
den Silurischen-, Devonischen-, Karbonischen-, Trias- en Krijt- 
tijd, doorbroken van eruptieve gesteenten uit deze tijdperken. 
De ongestoorde ligging dezer jongere lagen bewijst, dat sedert 
den Silurischen tijd hier geen opplooiing der aardlagen meer heeft 
plaats gegrepen, waarom men met recht kan spreken van „onge- 
vouwen gebied." Deze landen vormen dus een vaste aardschol 
van hoogen ouderdom, welke sedert lange perioden niet door 
de zee bedekt werd, en daardoor lang aan een proces van sterke 
verweering en denudatie is blootgesteld geweest. Hierdoor zyn 
de afzettingen der Krijtformatie in een groot gedeelte van Brazilië 
en Guyana reeds geheel vernietigd en weggevoerd, en komt het 
grondgebergte er ontbloot aan de oppervlakte. 

Men kan zich de geschiedenis van het genoemde ongevouwen 
schollenland in algemeene trekken als volgt voorstellen. In den 
oudsten tijd, vóór het Siluur, is het groudgebergte van Ar- 
chaeische gesteenten ontstaan, en in den Silurischen tijd werden 
deze gevouwen. Graniet, gneis, syeniet en glimmerschiefer (lei) 
vormen de hoofdgesteenten, welke schier allerwege den onder- 
grond uitmaken, met op vele plaatsen inlegeringen van kristallijne 
kalk, ijzererts, en hier en daar met goud. Over 't geheel is deze 
formatie (in Noord-Amerika bij de St. Laurens de „Laurentiscbe 
fjrjiitie" genoemd) niet rjjk aan mineralen. Doch de daarop 



Digitized by Googl 



519 



rustende leigesteenten der Huronische groep, meest uit chloriet-, 
talk-, glimmerlei en kwartsiet bestaande, bevat een buiten- 
gewonen rijkdom aan edele metalen en kostbare steenen, welke 
in Brazilië en ook in Guyana aan den dag komen. Behalve 
ijzer eo goud vindt men hierin koper, bismuth, lood, antimonium, 
topaas en diamant. 

Op dit laatstgenoemde tijdperk volgde een uitgebreide trans- 
gressie der zee, en hierdoor werden op het grondgebergte eerst 
de Devonische en Karbonische lagen afgezet, hoofdzakelijk be- 
staande uit banken van roode en witte zandsteen, van groensteen- 
gangen doorboord, en verder uit kalksteen. Enkele gedeelten 
van dit gebied schijnen toen tijdelijk land te zijn geweest, zoo- 
als blijkt uit de steenkolenlagen, welke men o. a. in Brazilië 
(in Minas Geraes, aan beide zijden der Amazonen-rivier en elders) 
vindt. Daarover werden in de Trias- en Krijtperiode nog weer 
jongere lagen van zandsteen afgezet. Tertiair wordt in het oosten 
van Zuid-Amerika betrekkelijk weiuig gevonden en Quartair 
evenmin; vulkanen ontbreken hier geheel. 

Door deze ontwikkelingsgeschiedenis met geen verstoring 
der lagen in vele geologische tijdperken, toen elders op aarde 
het reliëf door vouwings- en verzakkingsprocessen de meeste 
afwisseling van vormen bekwam, heeft het ongevouwen schollen- 
land van Zuid-Amerika een groote gelijkvormigheid van opper- 
vlakte. Het grootste gedeelte van Brazilië en Guyana bestaat 
uit golvende plateau's van 300 — 800 M. hoogte, waarop zich 
slechts enkele niet hooge ruggen verheffen. Het plateau van 
Guyana was van dat van Centraal-Biazilië iu den Tertiairen tijd 
nog gescheiden door het breede dal van den Amazonenstroom, 
destijds een reusachtige zeearm. Deze werd later aangevuld 
door het materiaal, dat talrijke rivieren van het bergland van 
Guyana uit het N., van dat van Brazilië uit bet Z. en van de 
Andes uit het W. hierin nederlegden, die gezamenlijk als het 
ware een reusachtige delta hierin vormden, welke thans de 
vlakte van den Amazonenstroom uitmaakt. 

Guyaua vormt derhalve een afgezonderd deel van het schollen- 
land, door het dal van den Amazonenstroom in het zuiden ge- 
scheiden van het Braziliaan sche schollenland, en in het N. begrensd 
door het dal van de Orinoco, dat in den Diluvialen tijd werd aange- 



520 



vuld. De grondslag wordt ook hier gevormd door oud-kristalljjne 
gesteenten, die in de richting N.O.— Z.W. met steile plooien zija 
gevouwen, en voornamelijk bestaan uit gneis, granuliet,pyroxeen- 
gesteenten en graniet. De geheele massa is waarschijulijk eeu 
denudatie-plateau, dat in den Krijttijd overstroomd en afge- 
schuurd is, en waarover verder in den Krijttijd een zwaar dek van 
zandsteenlagen is neergelegd. Ten O. van 60° W.L. schijnt de zand- 
steen geheel te ontbreken en hier verschuift Guyana meer naar het 
Z. De grensgebergten zoowel als de kustlijn gaan in zuidelijke 
richting, en het bergland wordt lager ; waarschijnlijk is de zand- 
steen hier het meest weggevoerd. Het land bestaat in zijn opper- 
vlakte-vormen uit een afwisseling van uitgestrekte, golvende 
vlakten, met daarboven zich verheffende ruggen, de laatste over- 
blijfselen van de overigens meest weggevoerde zandsteenlagen 
of van de hardere gesteenten van het grondgebergte. 

Dit lagere, oostelijke gedeelte van Guyana, ongeveer van 
den 60 e » lengtegraad af, vormt het Europeesche Guyana; het 
westelijke het Venezuelaansche, en de zuidelijke raud dezer 
aardschol behoort tot Brazilië. In Europeesch Guyana ligt de 
hoofdwaterscheiding aan den zuidrand der aardschol en vormt 
vrijwel aaneengesloten hoogten van 800 — 1000 M.; van hier 
daalt het land langzaam en vrij regelmatig hellend naar het 
N., naar den Atlantischen Oceaan. Het terrein heeft hier veel 
minder afwisseling dan in de westelijke helft. De rivieren van 
Europeesch Guyana volgen die helling vrij regelmatig en hebben 
een loop naar het N. De hoogste bergrug in het Zuiden wordt 
gevormd door de Tumuc-Hnmac-bergen, onregelmatig gegroe- 
peerde, coulissenvormig achter elkander geschoven verheffingen 
van graniet, met dichte wouden bedekt, waaruit enkele toppen 
boven het woud uitsteken. Dit gebergte komt o. a. in het Z. 
van Fransch Guyana voor; de westelijke voortzetting er van 
is nog niet voldoende bekend. 

De bodem- Nederlandsch Guyana of Suriname ligt in het 
gesteldheid midden van het Europeesche gedeelte, zoodat het 
C schapsbecid bovenstaande ook in algemeene trekken de geschie- 
van Suriname d e nis en de gesteldheid des bodems van Suriname 
leert kennen. Suriname bestaat in hoofdzaak uit een naar het N. 



G 



521 



afhellend plateau, dat in de zee duikt. De vlaktezoom van het 
continent gaat ver onder water, en de zee is zoo ondiep, dat 
men op 2 a 3 uur van de kust dikwijls niet meer dan 3 of i 
vadem water heeft, waardoor landing van grootere schepen zeer 
moeielijk wordt. Deze ondiepte der kust wordt nog bevorderd, 
doordien het water van den Aequatoriaalstroom het slib, dat 
de Amazonen-rivier in zee voert, naar deze kust brengt, en het 
slibgehalte van het kustwater wordt verder vermeerderd door 
dat der vele rivieren van Guyana. Daarbij komt nog de veel- 
vuldige heerschappij der N.O. winden (de N.0. passaat), waar- 
door het oppervlaktewater der rivieren belemmerd wordt, ver 
in zee te vloeien. Dit alles heeft samengewerkt, dat zich hier 
een aanslibbingskust van taaie, grijsblauwe slijkbanken heeft 
gevormd, waarover de groengrijze wateren van den zeestroom 
naar het westen voortstuwen, door hun kleur verradend, dat 
ook zij vaste bestanddeelen medevoeren. Deze ondiepe kust is 
ook wegens de daarop staande branding moeielijk te naderen, 
en het valt niet te verwonderen, dat de zeelieden, die hier aan- 
kwamen, spraken van de » Wilde kust''. 

Het land langs de kust is op de aangeslibde, moerassige 
gronden, die zich ook aan de oevers der rivieren uitstrekken, 
met strandbosschen begroeid, die bij vloed onder water staan 
en ook bij laagwater dras blijven. De Mangrove-formatie (zie I, 
pag. 222) vormt er een eigenaardig netwerk van wortels, waar- 
aan allerlei schelpdieren en een soort van geharnaste visschen 
»kwi-kwi" genaamd, zich vasthechten, die door Negers en Indianen 
geplukt worden. Dit gaf in vroeger eeuwen aanleiding tot het 
sprookje bij de zeelieden, dat aan de Wilde kust de visschen 
en de mosselen aan de boomen groeien. 

Naar de hoogte des lands kan men drie gordels of zonen 
aannemen, die evenwel geenszins scherp gescheiden zijn, maar 
onmerkbaar in elkander overgaan. Men vindt er niet als in 
Brazilië* en Venuzuela, waar naakte rotsen, bergen en vrucht- 
bare dalen met stroomen naast elkander voorkomen, een rijke 
atwisseling in het landschap, maar overal zijn de terreinen, de 
plantages langs de kust en de rivieren uitgezonderd, met een 
schier onmetelijk dicht woud bedekt, 

De eerste gordel langs de zee is gevormd uit jong alluvium. 



522 

Over een breedte van ± 50 K.M. is het noordelijk gedeelte 
van Suriname bijna geheel vlak. Deze zone ligt ter hoogte van 
het peil van gewoon hoog water en dus beneden het peil der 
springvloeden, zoodat het van tijd tot tijd overstroomd wordt. 
Het laagland bestaat hoofdzakelijk uit zeeklei, waarop in den 
loop der tijden een [dikke j;humuslaag is afgezet. Dat de zee 
hier vroeger verder in het land ging, blijkt uit de sporen van 
vroegere stranden, die zijn te herkennen aan de schelp- en zand- 
lagen, welke zich op ongelijke afstanden in oost-westelijke richting 
uitstrekken en thans over het algemeen boven het peil van 
den springvloed liggen. Op een dergelijk zee-terras, dat in een 
niet lang voorbijgegane periode eerst boven den zeespiegel kwam 
te liggen, grootendeels van schelpen opgebouwd, is Paramaribo 
gebouwd, en op den bouw der stad had het aldus gevormde 
terrein invloed, zegt Martin, zoodat de parallelle strooken er 
lijnen vormen, rechthoekig op de helling, van N.W. naar Z.0. 

Aan de noordkust breidt de aanslibbing het land nog steeds 
uit in zee, en op sommige plaatsen heeft dat snel plaats. „Op 
mijn inspectie-reizen kan ik van jaar tot jaar de uitbreiding 
der banken tot Coronie waarnemen en stap voor stap de vor- 
ming van eilandjes, hun bedekking met Mangrove en andere 
strandplanten en hun samensmelting met elkander en met de 
kust volgen", zegt Dr. Bknjamins. (T. K. N. A. G. 189S pag. 799). 
Door dergelijke aanslibbing zijn de heuvels teu W. van Albina, 
bij Topibo aan de Para en bij Rac-a-Rac aan de Suriname-rivier, 
die in een geologisch niet ver verleden tijd rotsachtige eilandjes 
in zee vormden, zooals thans de „Hes du Diable", de „Hes de 
Salut" bij de kust van Fransen Guyana, aan land gehecht en 
in het land komen liggen. Nog moeten wij de aandacht vestigen 
op den invloed, die deze 'aanwas van land heeft op den loop 
der benedenrivieren. De A equator iaalstrooin breugt het slib uit 
het oosten aan en doet daardoor, in verband roet de heerschende 
oostenwinden, de aanslibbing van dien kant uit plaats hebben, 
zoodat de rivieren aan den mond zich naar het W. ombuigen, 
evenals wij dat voor Noord-Java beschreven (Zie II, pag. 113). 
Voorbeelden vau] dergelijke ombuiging leveren hier de Comme- 
wijne, de Saramacca, de Cosevvijne en de Nickerie, die over een 
groot deel van den benedenloop een westelijke richting hebben, 



Digitized by Google 



523 



terwijl de Suriname en de Coppeuame met krachtiger water- 
afvoer alleen aan den mond dit verschijnsel vertoonen. Bij de 
krachtigste stroomen des lands, als Corautijn en Marowijne, ziet 
men geen ombuiging; andere oorzaken bepalen hier de richting. 

De plantengroei dezer eerste zone bestaat langs het strand 
uit Mangrove-formatie, die van zee gezien in een groenen zoom 
op het water schijnt te rusten. Achter deze strandflora treedt 
langzamerhand een andere plantenwereld op, welke talrijker 
wordt in vormen, naarmate men meer komt op de hoogte, 
die minder door het zeewater bespoeld wordt. Hier wortelen 
reeds hooger hoornen, waarvan de Mani (Symphonia coccinea) 
dikwijls groote vlakten inneemt, boven een ondergewas van 
grassen, varens en struiken. Verder landwaarts, waar alleen zoet- 
water gevonden wordt, ziet men de Pina-palm (Euterpe brasi- 
liana), die des te menigvuldiger en volkomener wordt, naarmate 
de bodem meer in vruchtbaarheid toeneemt. Nog meer nuttige 
houtsoorten komen hier voor, en van de grootere palmen de 
schoone Maripa (Maximiliana regia). Terwijl op het alluviale 
land meest boomen van weekere houtsoorten gevonden worden, 
die als brandhout, tot vaten en slechts weinig tot timmerhout 
gebruikt worden, groeien op de schelpbanken, .ritsen" genoemd, 
hooge boomen van hard en bruikbaar hout, als Locust, Bolletree, 
eenige Lecythis- en Icica-soorten, Spondias, Anarcardium enz. 
En achter dergelijke banken vindt men in het alluviale land 
uren lange meer of minder breede zoomen van zoetwater- 
moerassen, welke zelfs in den droogsten tijd niet uitdrogen en 
in welks wouden de Mauritia flexuosa voorkomt, een der meest 
verbreide palmen in geheel Guyana. 

"Wij mogen bij den plantenrijkdom van het alluviale land 
niet langer stilstaan en wenden ons naar de tweede zone, 
dieper landwaarts. Hier vindt men een zandbodem, die van' het 
bergland is afgespoeld en langs den voet er van werd neer- 
gelegd, welke in een gordel van ± 1 5 K.M. den overgang vormt 
van de alluviale kustvlakte tot het berglaud. Dit is het zoo- 
genaamde savannenland, hetwelk bestaat uit urenlange 
vlakten zonder boomgroei, doch met hoog, hard gras en kleine 
struiken bedekt, welke tot de MelastomeeGn, Myrten en Mimosen 
behooren. In den drogen tijd verdorren deze planten; in den 



524 



regentijd, als zij gedeeltelijk onder water staan, groenen zjj weder 
op. Alleen langs de rivieroevers zijn de savannen door hoog- 
woud afgebroken, en hier en daar gaat ook de savanne dieper 
in het laagland of in het hoogland. Hoewel meestal de planten- 
groei in het savannelaud spaarzaam is, vindt men er toch ook 
oasenachtige streken met prachtige vegetatie, en ook ziet men 
er enkele wouden, doch deze bezitten dan geen onderhout. Waar 
in de lagere gedeelten eenig water samenloopt, vormt de Mau- 
ritia-palra geheele wouden, terwijl op de hoogere en meer zandige 
gedeelteu de Awarapalm, het zeker teeken van een oq vrucht- 
baren bodem, wordt gevonden. Alleen op enkele plaatsen is de 
boden» zonder plantengroei; daar kaatst het witachtige zand 
des middags de zonnestralen ongewijzigd terug. Op deze zand- 
gronden vindt men ook uitgestrekte, met Bromelién begroeide 
vlakten, waaronder de Bromelia pinguin, welke als touw dient, 
en waarvan de Indianen hangmatten en vischsnoereu vervaar- 
digen, en de wilde Ananas, een zeer zoete, welriekende vrucht, 
ter grootte van een vuist. 

In het oosten der kolonie vangt de savanne-zone reeds 
aan bij den mond der Marowijne, aan welker westelijke oever 
zij ± 15 K.M. langs de kust loopt. 

Dieper in het land volgt de derde zone, die men als het 
hoogland kan aanduiden. Hier komt men in het gebied, waar 
de grondgesteenten, graniet, oude schiefers enz., op vele plaatsen 
aan den dag komen langs de oevers der rivieren en in enkele 
bergtoppen, welke duidelijk de Silurische of vóór-Silurische plooien 
van den ondergrond vertoouen, als boven in het algemeen is 
aangeduid. Daar is de grond voor het grootste gedeelte met 
dichte bosschen bedekt, die uitstekende houtsoorten leveren. 

Het hoogland van Suriname is nog zeer onvoldoende be- 
kend ; in den laatsten tijd evenwel zijn onderscheidene expedities 
ondernomen om het wetenschappelijk te verkennen, het terrein 
in kaart te brengen en den grond te onderzoeken met het oog 
op nuttige mineralen, goud enz. De onderzoekingen van het 
binnenland geschiedde langs de rivieren en van daar trachtte 
men de tusschenliggende gedeelten zooveel mogelijk te verkenuen; 
dikwijls kan dit alleen geschiedeu van hooge bergtoppen uit 
De expedities naar het binnenland hebben dan ook hun namen 



Digitized by GooglNp 



525 



ontvangen naar de rivieren, welke gevolgd werden. Wij hebben 
die expedities op pag. 511 vermeld. 

Door deze expedities is vastgesteld, wat wij reeds op pag. 
518 beschreven, dat de bodem in het binnenland bestaat uit 
graniet- en gneisgesteenten, welke onder sterken druk hebben 
verkeerd en daardoor op vele plaatsen zijn samengesehoven en 
verschillende druk verschijnselen vertoonen. Men mag daarom aan- 
nemen, dat hier de oerschol van Archaelsche en Palaeozolsche ge- 
steenten, geplooid als die was, aan de oppervlakte komt, doordien 
de jongere lagen in den loop der tijden door denudatie zijn wegge- 
voerd. Het bergland van Suriname vormt, hetgeen men in Europa 
noemt een rorapgebergte, dat waarschijnlijk in een richting Z.0. 
— N.W. het land doorkruist. In het oosten der kolonie, van den 
bovenloop der Lawa en Tapanahoni, heeft het Tumac-Humac- 
gebergte op de waterscheiding van noord en zuid aan de grens 
van Brazilië. ± 2'/i° N.Br., hoogten, die in het 0. meest van 
600 — 700 M. gaan; enkele toppen zijn hooger. Noordelijker wordt 
het bergland lager; op ± 8° N.Br. heeft men het bergland hier 
den naam van O r a n j e-g e b e r g t e gegeven, dat meestal beneden 
de 600 M. hoog is (enkele deelen iets hooger), en verder noorde- 
lijk daalt het tot beneden de 500 M. (de de Goeje-berg tusschen 
3 en 3'/,° N.Br. ten W. der Litani-rivier is nog 700 M.) De 
Fransen — Herderschee- piek] op ongeveer dezelfde breedte ten W. 
der boven-Tapanahoni ligt aan het eind van een bergreeks met 
hoogten van boven de 900 M. eu rijst zelf tot 750 M. Tusschen 
het Orauje-geb. en de bovengenoemde bergreeks ligt de vallei 
der Boven-Tapanahoni. 

De oppervlaktelageu, de bodem in eigenlyken zin, bestaat 
uit zware verweeringslagen van allerlei aard, vermengd met 
humus, en op onderscheidene plaatsen uit lat er iet, het echte 
verweeringsprodukt der tropen, meer of minder met ijzer of 
andere bijvoegsels vermeugd, en daardoor verschillend van ka- 
rakter. Een vrij algemeen voorkomend verweeringsprodukt in 
Suriname's binnenlanden is de witte kaolin of porceleinaarde, 
welke misschien in de toekomst van beteekenis kan worden. De 
proeven, er mede genomen, voldeden echter nog niet voldoende. 

Het hoogland van Suriname kan nog niet in bijzonder- 
heden volledig orographisch beschreven worden ; wat wij er van 



526 



kennen, ligt slechts langs enkele lijnen. De natuur vormt hier 
een terrein van onmetelijke bosschen, die in de tropische at- 
mosfeer en op den maagdeljjken bodem schier overal het land 
bedekken, zoodat de rivieren de eenige wegen aanwijzen, waar 
men zonder steeds van het kapmes gebruik te maken, in het 
land kan doordringen. De groote menigte watervallen en schiet- 
stroomen, welke de rivieren vormen bij het afdalen van het hoog- 
land, waardoor telkens de bevaarbaarheid wordt afgebroken, en 
de boomstammen, die in de rivieren liggen, dragen er toe bij, 
dat deze nog uiterst moeielijk zijn te gebruiken. 

De boschwereld op het bergland van Suriname heeft een 
eindelooze verscheidenheid van plantenvormen. Hoe dieper men 
in het land doordringt, in des te grooter pracht vertoont zich 
het hooge woud langs de oevers en des te grooter wordt de 
rijkdom aan waardevolle houtsoorten. Daar ziet men de schoone, 
gevleugelde stammen van het parelhout. (Aspidosperma ex- 
celsa Benth) zeer geschikt tot het vervaardigen van pagaaien 
of parels, hooge bruinhart-boomen (Vouacapoua americana 
Aubl.) die het schoonste meubelhout opleveren, grillig vertakte 
b o 1 1 e t r i e-b o o m e n (Mimusops Balata Gaertn.), de kaarsrechte 
witte stammen van het konthout (Minquartia guiauensis 
Aubl.), een uitstekend, duurzaam hout, de donkergroene kronen 
van den Manbarklak, beide voor waterwerken van groote 
waarde, en niet te vergeten de steeds toenemende gr oen- 
hart- en purper har t-boomen, wier door de zonbeschenen 
kanariegele en lichtpurperen bouquetten langs de rivieren steeds 
in het oog vallen. Al deze houtsoorten zouden, als het vervoer 
naar de kust niet met groote bezwaren was verbonden, een 
onnoemelijke waarde vertegenwoordigen. De harde houtsoorten 
hebben zich bij voorkeur op de lichtere leemgronden gevestigd. 

Een kenmerk van de wouden in het binnenland van Suri- 
name is, dat er door de begunstiging van het vochtige en ge- 
lijkmatige klimaat met hooge temperatuur nergens de uitslui- 
tende heerschappij van een zelfde soort voorkomt, en dat men 
een tweede exemplaar soms eerst een kwartier of een half 
uur verder aantreft. Deze omstandigheid maakt de exploitatie 
der wouden van Suriname voor het houtgebruik uiterst be- 
zwaarlijk. 



Digitized by Go 



527 



De Kleine Antillen en Suriname liggen in de noor- 

Klimaat 

delijke heete luchtstreek. Daardoor is de temperatuur 
er hoog en weinig schommelend met de jaargetijden. St. Thomas 
op 18° 21' N.Br., heeft een jaartemperatuur van 26,7° C, met de 
hoogste temperatuur van 28,3° C. in de maanden Aug. en Sept. 
en de laagste temperatuur van 25,2° in Februari. Trinidad, op 
10° 40 breedte, heeft een gemiddelde jaartemperatuur van 25,1° C. 
en in de warmste maanden: Maart- Sept, 25,8° C, in de minst 
warme maand, Februari, 24,0° C. 

Te Paramaribo werd voor gemiddelde temperatuur uit 
de waarnemingen van 1868 — 1896 gevonden: des morgens te 7 
uur : 25,3° C. (Dec. Jan. en Febr. gemiddelde laagste temperatuur 
des jaars met resp. 24,7 24,5 en 24,6° C, de overige maanden 
boven 25° C), des middags te 2 uur 29,1° C. (Jan. 27,6°, Febr. 
27,6°, de overige maanden alle boven 28°, het hoogst Aug. 
30,3°, Sept. 30,8°, Oct. 30,7° C.) en des avonds te 7 uur ge- 
middeld 25,9° C. (het laagst in Jan. en Febr. met 25,2° C, het 
hoogst in Sept. en Oct. resp. 26,3° en 26,7° C.) De hoogste tem- 
peratuur in dien tijd waargenomen bedraagt 35,5° C, de laag3te 
1 7,8° C. Als gemiddelde temperatuur voor Suriname geeft Loth 
op 27,48° C, Hann geeft voor Parmaribo 25,9° C. Ook al zijn de 
temperatuurverschillen uiterst gering, toch kan men Dec, Januari 
en Februari wel als de koudste maanden beschouwen, de maanden, 
wanneer de zon het verst van het zenit van Parimaribo ver- 
wijderd is, met haar grootste zuidelijke declinatie. Is de tem- 
peratuur er dus over 't geheel hoog, de winden, die meest 
over zee het land bereiken, brengen nog al aangename ver- 
frissching te weeg. Voor het binnenland bezitten wjj nog niet 
voldoende waarnemingen om een vergelijking met de tempe- 
ratuur der kust te maken. 

De loop van den barometerstand vertoont ook hier de 
eigenaardigheden van elders in de tropen, door geringe schom- 
melingen. (Zie I, pag. 137). Kapplkr zegt, dat de grootste waar- 
genomen verschillen niet meer dan 15 m.M. bedragen. Doch 
voldoende waarnemingen ontbreken ons tot een goed oordeel. 

De windrichting van Suriname en van de Kleine Antillen 
staat onder den invloed van het luchtdruk-maximum, dat vrij 
permanent slechts weinig ten 0. der lengte van Suriname ten 



528 



N. aan den noorderkeerkring boven den Atl. Oceaan ligt, en dat 
in Januari ± 768 m.M. bedraagt, in Juli boven 766 m.M. Als 
in Jaunari het genoemde luchtdruk-maximum de grootste hoogte 
heeft, vindt men gelijktijdig daarmede een luchtdruk-minimum 
iu Brazilië, hetwelk beneden 758 m.M. is. De lucht stroomt dan 
als krachtige wind van het maximum uit het N.0. op de kust 
van Guyana toe. Dat is de N.0. passaat. In Juli echter verliest 
het genoemde maximum zijn groote intensiteit, en dan dringt 
er een lichtdruk-maximum van het zuiden tot in Brazilië noord- 
waarts. Het is in dien tijd, dat by de noorderdeclinatie der 
zon het passaatstelsel naar het noorden schuift, en de Z.O.-passaat 
den aequator bereikt of er over heen gaat. Dan worden de winden 
meer Z.0. en 0. en gaan in het binnenland dikwijls tot wind- 
stilten over. 

Suriname is een zeer regenrijk gebied; de kuststreek van 
Guyana behoort mede tot de regenrijkste gewesten der aarde. 
Omtrent den regenval geeft de Surinaamsche Almanak eenige 
cijfers en gemiddelden uit de jaren van 1850 — 1904, in welke 
reeks echter de jaren 1854 — 64, 1893 en 1898 ontbreken. Voor 
genoemde periode vindt men als maaudgemiddelden te Para- 
maribo 



Als normaalcijfer C\\*) kan men aannemen 194 m.M. regen- 
val per maand. Hier gaan boven de maanden Maart, April, 
Mei, Juni en Juli, met Mei als maximum, en daar benedsn 
vallen de maanden Augustus, September, October en November en 
de maand Maart. Dit overzicht leert ons, dat er een groote 
en een kleine regentijd kan worden onderscheiden en even- 
eens een groote en een kleine droge tijd. Vooral de kenterings- 
tijden zijn rijk aan onweders. 

De korte regentijd loopt over de maanden December en 
Januari. Februari is weer een betrekkelijk droge maand, in onder- 
scheidene jaren ook Maart nog en in enkele April, doch meestal 
hebben deze laatste maanden den regenval weer boven het ge- 



Jan. 226 
Febr. 186 
Maart 225 
April 220 



Mei 311 
Juni 291 
Juli 222 
Aug. 145 



Sept, 72 
Oct. 68 
Nov. 128 
Dec. 225 
Jaar 2334 



ized by Google 



529 



middelde des jaars. April, doch vooral Mei en Juni en verder 
Juli, kan men den grooten regentijd noemen; het is de 
„tijd der wolken," zooals de Indianen zeggen, die weer gevolgd 
wordt door een betrekkelijk drogen tijd. In Augustus neemt over 
't geheel de regenval weer af, September en October zijn de 
droogste maanden, en in November neemt de neerslag weder toe. 
Echter geheel droge maandeu heeft men er niet. Gemiddeld valt 
er te Paramaribo op 205 dagen des jaars regen. 

De hoofdregen periode valt dus in den tijd, die volgt op den 
hoogsten zonnestand. In het begin April (4 April), bedraagt de 
noorder declinatie der zon 6°, en staat zij dus voor noordelijk 
Suriname het hoogst, culmineert er in het zenit. Hierop volgt 
de zwaarste regen in Mei, zooals meestal de sterkste regen in 
de tropen volgt korten tijd na den hoogsten stand der zon. 
Den regentijd, die tot Aug. aanhoudt, kan men als den tropischen 
stijgiugsregen bij hoogsten zonnestand beschouwen. De wind- 
richting is dan meest Z.O. en Z., hoewel er ook veel afwis- 
selende winden voorkomen. 

De zon, van haar grootste noorder declinatie terugkeerend, 
staat in 't begin Sept. weer recht boven Noord-Suriname. In 
dien tijd is de regen nog gering, doch eerst in Dec. en Januari, bij 
de grootste zuider declinatie der zon, volgt de aanzienlijkste regen- 
val, d. i. bij den laagsten zonnestand van Suriname. De oorzaak 
ligt thans in iets anders. In dien tijd, als het luchtdrukminimum 
in Brazilië ligt, staat de N.O. wind, de passaat (zie boven), dwars 
op de kust, en hoewel de eigenlijke stijgingsregen bij hoogsten 
zonnestand niet plaats heeft, doet die windrichting toch toe- 
neming van den regenval ontstaan, daar de zeelucht boven het 
land opstijgt. In Februari en Maart begint echter die krachtige 
noordoostenwind te verzwakken om weer plaats te maken voor 
het Z.O. windstelsel, en met dien overgang vermindert de regen- 
val in Febr. — Maart, om weder in volle kracht toe te nemen 
als stijgingsregen bij hoogsten zonnestand in Mei. 

De kleine regentijd volgt op den drogen tijd en is als het 
ware de lente. In het midden van November begint die met 
zware regens, welke menigmaal een dag en een nacht aan- 
houden, en dit wijst er op, dat het geen tropische stijgingsregens 
bij hoogsten zonnestand zijn. Kreken en rivieren zwellen aan 

II 31 



530 



tot krachtige stroomen, het plantenkleed verkrijgt een frisch 
aanzien, er waaien krachtige winden, en de zee ia vaak onstuimig 
langs de kust. De kleine droge tyd van Febr. tot Maart of 
midden April, als de vruchten rijpen, is de aangenaamste en 
gezondste tijd des jaars. Als de groote regentijd is ingetreden, 
is de regenval in zware buien buitengewoon sterk. Dan nemen 
weldra de rivieren den hoogsten stand aan, zij loopen over, de 
lage landerijen worden onder water gezet, en vele savannen 
gelijken binnenmeren, waarover men met groote roeibooten kan 
varen. De getijden der zee, die tweemaal daags de rivieren op- 
loopen en in den drogen tijd ver landwaarts doordringen, stuiten 
in dien tijd op de geweldige massa zoet water, welke uit het 
land komt en hebben enkele uren in het land hun vermogen 
verloren. In het bergland kan het verschil in waterstand der 
rivieren op enkele plaatsen tot 30 a 40 voet gaan. 

In het midden van Juli begint de regen te verminderen, ver- 
liest zich in enkele buien, en morgennevels en zware onweders 
zijn de voorboden, dat de kentering intreedt en de droge tijd 
nadert. De waterstand der rivieren wordt lager, de stroomsnel- 
heid vermindert, de vloed der zee doet zich weer verder rivier- 
opwaarts gevoelen. De ondiepe wateren worden droog of tot 
moerassen, en in dien tijd ontstaan de meeste ongesteldheden, 
malaria en dysenterie, soms ook gele koorts en dergelijke, welke 
plaatselijk optreden. 

De getjjden hebben in het lage land een groote beteekenis 
voor de plantages en voor het verkeer. De planter moet weten, 
wanneer de vloed bij zijn plantage voorkomt, om de sluizen 
te kunnen openen of sluiten. Daar schier alle reizen te water plaats 
hebben, en geen plantage gevonden wordt buiten de streken, 
waar de vloed zich doet gevoelen, moet men weten, wanneer 
de vloed in het land doordringt, om dan stroomopwaarts te varen, 
en wanneer de eb loopt, om stroomaf te gaan. Met den polsslag 
der zee vaart men op het getij. (Ook in Nederland geschiedt 
dit in enkele gewesten, o. a. in de Langstraat van Noord-Brabant). 

Ten slotte nog een enkel woord over de vraag, of Suri- 
name gezond is. Langen tijd bestond in Europa de legende, 
dat het klimaat van Suriname uiterst ongezond is, dat de 
blanken in dit klimaat niet in staat zouden zijn te arbeiden. 



ized by Google 



531 



En daarbij wordt dan ook gewezen op de kolonisatieproeven 
van blanken in Suriname in 1717, 1754 en laatstelijk van Hol- 
landsche boeren in 18 15, die mislukt zijn. Wat dit laatste feit 
betreft, de oorzaak dier mislukking blijkt bij nader onderzoek 
niet een gevolg te zijn geweest van het klimaat, doch van andere 
oorzaken. Het oordeel van de kenners des lands is thans dan 
ook gunstiger over den gezondheidstoestand van Suriname. Vele 
infectieziekten, welke Europa teisterden, kwamen hier niet voor. 
En voor hen, die hun leefwijze inrichten naar de eischen van 
het klimaat, wordt het verblijf in Suriname niet ongezond be- 
schouwd. In Paramaribo is de lucht zuiver en betrekkelijk frisch 
door den zeewind. 

Suriname wordt in de richting van het Z. naar 
Rivieren, het N. door onderscheidene rivieren doorsneden. Van 
het ü. af naar het W. verminderen de rivieren in lengte, 
wat waarschijnlijk in verband staat met het reliëf des bodems, 
en met een verheffing van oude bergplooien, die in de richting 
Z.O.— N.W. het land doorsnijdt. De ombuiging der rivieren aan 
den mond naar W. beschreven wij reeds. 

De rivieren zijn de belangrijkste verkeerswegen in het 
land, hoewel in den midden- en bovenloop het verkeer door 
talrijke watervallen wordt afgebroken. Het lage land wordt 
door talrijke kreken doorsneden, die zich bij de rivieren aan- 
sluiten. Wij zullen hier de rivieren alleen noemen, om later enkele 
nader te beschouwen by de nederzettingen en het gebruik des 
lands. Van het O. af zijn de volgende rivieren de belangrijkste: 
de Ma'rowijne, de Cottica, de Commewijne, de Suri- 
name, de Saramacca, de Coppeuame, de Nickerie en 
de Corantijn, ieder met onderscheidene zijrivieren. 



III. BEVOLKING. 



De bevolking van Suriname kan naar de rassen 
Overzicht der 011( i ersc heiden worden als Blanken, Negers en 

rassen, olan- _ . 

ken en Kleur- Indianen. Van dezen vormen de Blanken de eigen - 
imgen. kolonisten, die door vrije kolonisatie er zich 

gevestigd hebben ; de Negers zijn er oorspronkelijk geïmporteerd 



532 

als slaven, en de Indianen zijn de eigenlijke inlanders. Daaren- 
boven zijn er in den laatsten tijd koelies uit Java, Britsen- In dié 
en van elders als contract-arbeiders geïmporteerd. 

De gevestigde bevolking van Suriname bedroeg in 1906: 
80 024 zielen, waarvan 34 085 in de stad Paramaribo. Omtrent 
de Indianen en Bosch-Negers in de kolonie zijn geen vertrouw- 
bare cijfers te geven. De overige bevolking bestaat uit ± 50000 
immigranten, meest Britsch-Indiërs en verder Javanen en ± 1000 
Europeanen, waarvan 600 in Ned. geboren. 

De blanke bevolking van Suriname is, zooals het historisch 
overzicht op pag. 514 leert, van gemengd Europeesche afkomst. Zij 
vormden steeds het kleinste aantal, maar maakten de beheerschers 
der kolonie uit. Nederlanders, Engelschen, Franschen, Duitschers 
en Joden, al deze natiën hebben hun contingent daartoe ge- 
leverd. Doch behalve de in Nederland geboren ambtenaren, zijn 
zuivere blanken in Suriname thans zeldzaam, meestal is aan de 
huidkleur reeds te zien, dat er veel gekleurd bloed is in de familie. 

In het algemeen noemt men ieder, die in Suriname geboren 
wordt, een creool. Wanneer uit Nederlandsche en andere 
blanke ouders een kind voortkomt, is dat een blanke creool. 
Kleurlingen worden allen genoemd, die tot een gemengd ras 
behooren. Uit deze halfblanke creolen, eigenlijk kleurlingen, heeft 
zich in den loop der tijden een hoogere klasse gevormd, die in 
beschaving, ontwikkeling en uiterlijk niet of bijna niet van 
de Europeanen te onderscheiden zijn. In Suriname wordt door 
dezen niet, als te Curacao door de creolen onderling, een vreemde 
taal gesproken, doch het Nederlandsen, en vele Surinaamsche 
creolen brengen ook een tyd iu Nederland door op de scholen, 
zelfs op de universiteit, waardoor zij de Nederlandsche nationa- 
liteit geheel bewaren. Die klasse van aanzienlijke creolen is 
echter niet talrijk. Onder hen zijn de meesten van Joodsch bloed, 
dat nu meer, dan minder, met ander bloed is gekruist, soms 
ook vrij zuiver is. De Joden leggen zich hier ook op den grooten 
landbouw toe, maar de meerderheid drijft handel, en in scherp- 
zinnigheid staan zij niet achter bij die van elders. 

Hoewel de Nederlandsche taal door de blanken en half- 
blanken in Suriname meest gesproken wordt, de ligging tusschen 
een Fransche en een Engelsche kolonie, met welke laatste zij 



Digitized by Google 



533 



voel gemeenschap onderhoudt, werkt er niet toe mede, om de 
Nederlandsche taal hier de alleen gangbare en voldoende te doen 
zijn. Veel Engelschen en Amerikanen houden er verblijf en ge- 
bruiken hun eigen taal, en de Nederlanders volgen hen daarin 
bij den omgang. Verder bedient men in Suriname zich tegen- 
over de Negers meest van het Neger- Engelsen, in plaats van 
hen aan het Nederlandsch te gewennen. Zoo heeft de kleine 
kolonie twee talen: het Nederlandsch en het Neger- Engelsch, 
en het laatste is de eigenlijke volkstaal. Enkelen spreken in den 
laatsten tijd van de laatste ook als de Surinaamsche taal. 

In Suriname bestaan standen, evenals elders. De hoogge- 
plaatste ambtenaren vormen er den eersten stand. Dan volgen 
de eigenaars en administrateurs van plantages, officieren, koop- 
lieden, magazijnhouders enz. 

Van de kleurlingen worden nog onderscheiden: Kar boe- 
ge r-Indianen, kinderen van Negers of kleurlingen en Indianen. 
Vader of moeder moet altijd tot de Indianen behooren. Een 
Karboeger of Karboegerin is het kind van een mulat en 
een Negerin. 

Mulat noemt men het kind van een Blanke en een Negerin. 

Mesties is het kind van een Blanke en een Mulattin. 

Een Casties is een kind van een Blanke en een Mestiezin; 
een Poesties van een Blanke en een Casties, een basterd- 
Mesties van een Blanke en een Karboegerin. Deze scherpe 
onderscheidingen vallen echter in de praktijk meestal weg. 

Suriuame, in eigenlijken zin een kolonie, heeft een eigen 
vertegenwoordigend lichaam. Vóór de laatste wijziging van het 
Hegeeringsreglement in 1899 werden de staten gedeeltelijk door 
den Gouverneur benoemd, doch sedert worden zij rechtstreeks door 
de kiezers gekozen. Op elke 200 kiezers moet een lid der Kolo- 
niale Staten gekozen worden. Bij het toekennen van kiesrecht 
wordt niet op kleur of ras gelet, en behoeft men geen Neder- 
lander te zijn, doch is ingezetenschap voldoende. Verder wordt 
er o. a. voor vereischt het betalen van belasting over een jaarlijks 
inkomen van ƒ1400 of meer, of de betaling van ƒ40 directe 
belasting. Suriname telt slechts een 400-tal kiezers, en hier is 
misschien het eenige parlement der aarde, merkt Dr. Muller 
op, waarin de Joden de meerderheid uitmaken. 



534 



Naar de godsdienstige gezindte valt de bevolking van 
Suriname als volgt in te deelen bij de Kerkgenootschappen: 



Hervormde gemeente 6685 

Evangelisch Lutherschen 3125 

Roomsch Katholieken 14812 

Moravische Broedergemeenten 28209 

Israelietische gemeenten 1131 

Episcopaalsche gemeenten 976 

Mohammedanen 7374 

Hindoes 11148 

Andere godsdiensten 1969 



De eigenlijke inboorlingen van Suriname zijn de 
Indianen. Zij kenmerken zich op het eerste gezicht 
reeds door de roode, koperkleurige huid, die tot lichtrood over- 
gaat, als men de ingewreven kleurstof verwijdert ; het hoofdhaar 
bedekt glad en zonder golvingen het hoofd, en de huid is met 
bijna geen lichaamshaar bedekt. De Indianen in dit gebied be- 
hooren hoofdzakelijk tot drie groepen, familién of stammen: 
de Caraïben, de Arowakken en de Warouén. Deze stam- 
men leerden de Europeanen hier reeds kennen bij de ontdekking 
en vindt men er nog. Zij hebben ieder hun eigen taal bewaard, 
en die talen zijn zoo vreemd aan elkander, zegt de missionaris 
C. van Coll, als het Nederlandsch en Hebreeuwsch. Slechts enkele 
woorden bezitten zij gemeenschappelijk, dezulke namelijk, waar- 
door dingen worden aangeduid, die hen vóór hun betrekking 
met Europeanen onbekend waren. De oudste vreemde woorden, 
die zij in hun talen opnamen, zijn van Spaanschen oorsprong, 
een gevolg daarvan, dat de Spanjaarden hier het eerst vele dingen 
en zaken uit Europa importeerden, welker kennis onder Spaansche 
namen verbreid werd. De latere vreemde woorden behooren 
tot het zoogen. Neger-Engelsch, dat de meeste mannen der 
Indianen wel machtig zijn, hoewel zij het eenigszins eigenaardig 
spreken. Die taal is voor allen noodig te kennen, niet alleen 
om met de overige bevolking in aanraking te komen, maar 
ook om zich met Indianen van andere stammen te onderhouden. 
De Indianen leeren met moeite de taal van een andere Indianen- 
stam, doch gemakkelijk weten zjj zich het Neger-Engelsch eigen 



Digitized by C 



535 

te maken, en ook de Europeanen moeten zich daarvan bedienen, 
als zij in aanraking komen met de Indianen. 

De talen der Indianen verschillen in karakter met dat der 
stammen. Het Arowakkisch is zacht, het Caraïbisch hard en ruw 
door de vele keelletters ; het eerste is moeielijker te leeren dan 
het tweede. Opmerkehjk is het, dat by deze primitieve stammen 
de taal geregelde grammaticale vormen bezit. Van vaste wortel- 
woorden vormen zij de werkwoorden, de zelfstandige naam- 
woorden enz. Door middel van praefixen en suffixen wordt de 
verandering aangeduid, die het woord ondergaat. 

De Indiaansche taal heeft eigen wellevendheidsregels. Kin- 
deren moeten hun oudei's, en minderen hun meerderen steeds 
aanspreken in het meervoud. De Arowakken spreken personen 
van aanzien toe met het woord „Ebebé", de Caraïben noemen 
hen niet zelden met denzelfden naam, waarmede zjj ook God 
aanduiden : „Tamoesi" d. i. Heer, Heere. Als Indianen van den 
echten stempel bij elkaar komen, dan zorgen zij wel elkander 
niet aan te kijken; „honden doen dat immers ook", en van dezen 
willen zij zich onderscheiden. Eigenaardig is het, dat er woorden 
zijn, die de vrouwen alleen mogen gebruiken en niet de mannen 
of omgekeerd. De taal der Arowakken heeft slechts vier be- 
namingen voor getallen en deze zjjn de benamingen der vier 
vingers; vijf wordt uitgedrukt door een hand, zes door een 
hand en een vinger van de andere hand enz. Dat de Caraïben 
niet boven twintig kunnen tellen, zooals Kappler zegt, schijnt 
tegenwoordig niet geheel meer juist te zijn. 

De Arowakken moeten waarschijnlijk als de oorspronke- 
lijke bewoners van Guyana beschouwd worden, die door de 
Caraïben werden verdrongen naar de kust. De Europeanen vonden 
de Arowakken op de plaats, waar thans Paramaribo ligt. De 
Arowakken zijn, volgens K. von den Stkinen, leden van een 
groote taalfamilie, die eens zich heeft uitgebreid van de Xingoe 
en de Paraguay tot de Antillen, maar die thans beperkt is tot 
een paar stammen, de genoemde Arowakkenstam in Guyana 
en de Goajira's, op het noordelijkste schiereiland van Colurabia. 
Zij worden geacht hooger te staan dan de overige stammen 
van Guyana en wijken ook in levenswijze nog al af van de 
anderen. Een krachtig lichaam, zachte gelaatsuitdrukking met 



ed by Gooole 



530 



fijner trekken dan de Caraïben en prachtig zwart haar zijn ken- 
merkend voor hen. 

Ook de Caraïben vormen tegenwoordig slechts een klein 
gedeelte van den grooten stam, dien zij eens uitmaakten. By 
de komst der Europeanen was dit volk berucht door hun menschen- 
eterij (de naam „kannibalen" moet naar dit volk de beteekenis van 
menscheneter ontvangen hebben) en vormden zij een krijgszuchtige 
natie, die veroverend optrad op de Kleine Antillen. Volgens 
de meening van Von den Steinen is het waarschijnlijk geworden, 
dat zij uit het zuiden van het Braziliaan sche hoogland afkomstig 
zijn, waar nog enkele overblijfselen van Caraïbische volken ge- 
vonden worden. Over 't geheel zijn de Caraïben van Guyana 
schoone, krachtige volken, tamelijk licht van huidkleur, met zachte 
trekken, flinken neus, velen met een haviksneus, welgebouwde 
gestalte en donkerbruine oogen. Zij verliezen spoedig hun tanden, 
maar het dichte en gladde hoofdhaar behouden zij onvergrijsd 
tot op hoogen ouderdom. De mannen snijden het soms tot aan 
de huid af, behoudens een enkele lok, de vrouwen laten het 
meest hangen of binden het in vlechten op het hoofd samen. 
Zij verven het gezicht met de kleurstof der Bignonia chica en 
andere stof, en de vrouwen zalven het haar met olie. Door de 
oorlellen en den neuswand worden houten pinnen of rieten 
aangebracht, door de onderlippen naalden. Zij dragen halsketens 
van kralen en tot bedekking der schaamdeelen schortjes met 
kralen bezet. 

De Arowakken zijn fijner van gelaatstrekken dan de Ca- 
raïben en hun taal is zachter. Zij trekken dikwijls hun wenk- 
brauwharen uit, of snijden ze af, terwijl zij dan in plaats daar- 
van met blauwe verf een boogje boven elk oog schilderen. De 
Caraïben worden beschouwd als woester van aard en ruwer van 
zeden dan de Arowakken, die vreedzamer zyn en meer ontvan- 
kelijk voor den godsdienst. 

De stam der Warouën gelijkt veel op de Arowakken. 
Door groote sterfte en misschien nog meer door vertrek naar 
Britsch Guyana zijn zij meest uit Suriname verdwenen, zoodat men 
hen slechts zelden hier aantreft. Zij vormen een zelfstandige 
groep met eigen taal, geheel verschillend van die der andere 
stammen. 



r 



Di§rtizecl b' 



537 



■ 

De Warouën echter, evenals de andere stammen, vermen- 
gen zich niet zelden, zoodat er velen van gemengd bloed bij voor- 
komen. Caraïben van gemengd ras, afkomstig van weggeloopen 
slaven, die zich in oude tijden met Indianen vermengd hebben, 
heeten Karboeger Indianen. Men kan ze door den lichaams- 
bouw van de zuivere Indianen onderscheiden; van het kroes- 
haar en de donkere kleur van den Neger en zelfs van diens 
eigenaardige lucht blijft hen nog altijd iets bij. De meesten hunner 
bewonen de Coppename-streek. 

Gaan wij thans iets nader het volksleven der Indianen na. 

De Indianen wonen in kleine dorpen en zijn verspreid langs 
de rivieren in het binnenland. In Suriname heeten die dorpen 
veeltijds „kampen". De Negers echter noemen iedere hut van 
een dorp een kamp, het dorp zelf noemen ze „kondre" (van 
het Eng. country), dat tevens te huis, land, vaderland beduidt. 
De kampen der Indianen tellen slechts 40 a 50 bewoners, 
en deze zjjn over een achttal huizen verdeeld. Groote dorpen 
van een honderdtal inwoners worden weinig gevonden. De meeste 
bestaan uit twee a drie lamiliën, soms uit slechts een enkele. 
Ze liggen meest langs den oever van een rivier of kreek, soms 
ook aan kreekjes, die met grootere gemeenschap hebben, eu de 
bewoners toch buiten gemeenschap laten met de voorbij varenden. 
Ook liggen vele dorpen in de savanna's. 

Moeielijk is het die dorpen, dikwijls uren, ja dagreizen van 
elkander gelegen, te bereiken. Injde savanna's maken de stralen 
der zon, die door niets getemperd worden, en de hitte van den 
bodem het verkeer moeilijk, en op de kreken heeft men veel 
te tobben met overhangend hout en boomstammen. De stichting 
dier dorpen gaat eenvoudig toe. Wie ergens een hut bouwt 
en het voorrecht heeft, dat zonen en dochteren met hun familie- 
leden zich daaromheen vestigen, is de stichter en tegelijk het 
opperhoofd van een dorp. 

De levenswijze der Indianen kenmerkt zich door toepassing 
der spreuk , laat Gods water over Gods akker loopen. Alleen 
tot enkele van zelf sprekende plichten acht ieder zich gebonden, 
maar overigens wordt het beginsel van vrijheid gehuldigd, en 
ieder meent te mogen doen, wat hij verkiest. Dit geldt voor kin- 
keren zoowel als voor volwassenen. Nooit mag het kind gestraft 



538 



worden. Groote twisten zijn een zeldzaamheid, alleen bij dronken- 
schap een enkele keer uitgezonderd. Als iemand het met zijn 
dorpsgenooten niet langer kan vinden, scheidt hij zich een- 
voudig van hen af, om elders een nieuw dorp te stichten. Als 
zijn gezin een voldoend aantal leden heeft, gaat dit gemakkelijk. 

Het gezag van! de hoofden der Indianen is door genoemde 
karaktertrekken des volks gering. Toch weet het Gouvernement 
van hun recht om gezag te oefenen partij te trekken. Het erkent 
hun waardigheid, zij worden in een passend costuum gestoken, 
en zoo krijgen zij het besef boven hun onderdanen te staan en 
kan het Gouvernement hen gebruiken om eenig toezicht op hun 
volkssta/nmen te houden. Die hooiden laten zich eeren, maar 
de vrouw deelt daarin niet. 

Wegens den onafhankelijkheidszin, die de Indianen bezielt, 
kiezen zij steeds tot het aanleggen der dorpen plaatsen uit, welke 
niet te dicht bij de nederzettingen der Europeanen gelegen zijn. 
Hooge en zandige streken vallen zeer in den smaak; daar ver- 
rijzen hun hutten, maar zonder orde, zonder smaak of eenige 
symmetrie, kriskras door elkander. Alleen de twee open zijden 
van de hut zijn gewoonlijk naar het noorden en zuiden gekeerd, 
om aldus beschut te zijn tegen de hevige oostenwinden, en ook 
om bij regenweder het pas geknede aardewerk te kunnen drogen. 

Het dak der woningen wordt vervaardigd van pina- of kool- 
palm (Euterpe oleracea Mart.) of van de paroeroe (Heliconia 
hirsuta L.), welke veel overeenkomt met de wilde banaan. Het 
paroeroe-blad is ongeveer 7 voet lang en 2 voet breed; dit 
blad wordt over den rug gespleten en aldus toegevouwen. Men 
voegt nu blad bij blad, totdat men een stuk ter breedte van 
het dak krijgt, en dat juist zoo lang is als het geheele dak 
worden moet. Dat stuk, waartoe bij een lengte van 10 a 12 
voet ±van 150 tot 200 paroeroe-bladen noodig zijn, wordt ver- 
volgens met hout bezwaard om de bladen glad te krijgen. Als 
er voldoende bladen gereed zijn, wordt het raamwerk gemaakt, 
waarop de bladen bevestigd moeten worden. 

Daar de Indianenhutteu aan vier zijden open staan (bij 
sommige echter hangt het dak aan den oostkant en westkant 
bijna op den grond), moeten de bewoners bij slecht weer wel 
op een hoopje saraenvluchten, of hun hangmatteu hoog onder 



ized by Googl 



539 



het dak vastbinden. Vlijtige Indianen maken, vooral in streken 
waar men veel van muskieten te lijden heeft, wel eens een soort 
van slaapkamer. Dit geschiedt vooral in die huizen, welke de 
Caraïben soera's noemen, in tegenstelling van de genoemde, 
welke bij hen au k tos heeten. De soera heeft veel overeenkomst 
met een Hollandschen hooiberg, doch het dak is cirkelvormig, 
en het benedengedeelte wordt door een zolder van naast elkander 
liggende latten van het bovengedeelte gescheiden. Het onderste 
deel is geheel open, het bovenste aan twee zijden gesloten, en 
als het tot slaapvertrek moet dienen, wordt het aan alle zijden 
dicht gemaakt, met uitzondering van een opening, die als deur 
moet dienen, en die 's nachts door een mat wordt gesloten. Op 
den vloer van palmlatten legt men eenige potscherven van klei, 
om daarop 's nachts een vuurtje onder de hangmat te branden. 
Een ingekeepte boomstam dient voor trap om deze tweede ver- 
dieping te kunnen bereiken. 

Het huisraad in de Indianenhutten is gering; Europeesch 
huisraad is er niet. Wat zij hebben, is van eigen vinding of 
waarvan zij eenige kennis hebben opgedaan door aanraking met 
de overige bevolking. Tot dit laatste behooren de snaphanen, 
kruid en lood, stalen bijlen en messen en dergelijke. Van eigen 
maaksel vindt men er een houten blokje, „moelee", ter hoogte 
van een decimeter, ovaal en iets uitgehold, van buiten met 
figuren besneden. De Indiaan bedient zich hiervan, om tegen 
het vocht van den grond beschermd te zyn en het hoofd er op te 
doen rusten. Verder de hangmat, „niemjokko", waarvoor de 
vrouwen het katoen met vaardigheid weten te spinnen. Bij de 
Arowakken kent men geen hangmatten van katoen, doch hun 
vrouwen vervaardigen die uit de bladvezels van den Mauritius- 
palm. Verder vindt men er pijlen, bogen van letterhout, har- 
poenen enz. 

De Indianen vervaardigen zelf hun booten, waarmede zij 
de rivieren bevaren. Deze booten heeten „korjalen' 1 (van 't Aro- 
waksche „koera harra"), naar de houtsoort, die er bij voorkeur voor 
wordt gebruikt. Deze korjaal wordt vervaardigd uit een dikken 
boom, dien men uitholt, vervolgens in het vuur verwarmt en 
met houten blokken uitspant. Aan de voor- en achterzijde loopt 
die spits in de hoogte. Aan de achterzijde er in gezeten, weet 



Digitized by Google 



540 



de Indiaan die met ongeloofelij ke snelheid voort te stuwen. Hij 
vaart er mede langs de kusten der zee en kan ook de kleinste 
kreken er mede binnendringen. 

Wij mogen ons niet verder met de Indianen bezighouden 
en gaan over tot de Bosch-Negers, ook slechts om enkele bij- 
zonderheden omtrent hen mede te deelen. 

De Bosch- In aantal jvormen de Negers verreweg het meest 
Negers. aanzienlijk deel der bevolking. Met den naam van 
Bosch-Negers of Marrons (in het Spaansch-Cubaansch beteekent 
marron : weglooper, van marro i= ontsnapping) werden aange- 
duid de Afrikanen, die 'al aanstonds of kort na hun overvaart 
naar West-Indië van de slavenschepen of van de plantages ge- 
vlucht waren, en die in.de^bosschen van Suriname de Afrikaansche 
levenswijze voortzetten. Ook werden in sommige omstandigheden 
wel tijdelijk slaven [vrijgelaten, die evenwel niet terugkeerden, 
doch in de bosschen bleven wonen en daar dorpen stichtten. 
Men onderscheidde vroeger de Bosch-Negerdorpen onderdenamen 
van Boni-, Aucaner-, Saramaccaner-, Condi-negers enz.; het aantal 
Bosch-Negers werd op het laatst der 18 de eeuw geraamd op 
26 000, doch is niet juist op te geven. De heer Van Panhuys 
schatte in 1899 hun aantal op 36000. 

De Bosch-Negers waren geduchte vijanden der kolonisten, 
beroofden dikwijls de plantages en ruiden in den slaventijd de 
andere Negers op tot verzet. De regeering liet niets onbeproefd 
om de Bosch-Negers j tot onderwerping te brengen, en na vele 
bloedige gevechten gelukte er meestal niet anders, dan dat 
men vrede met hen verkreeg. Met onderscheidene stammen 
werd op verschillende tijden vrede gesloten en meestal onder 
de voorwaarde, dat de Bosch-Negers een woonplaats mochten 
kiezen tot vestiging, waar zij niet verontrust zouden worden. 
Met de blanken, die hen tot bevriende natie aannamen, mochten 
zij vrijelijk handel drijven. 

Op die wijze ontstonden er onderscheidene nederzettingen 
der Bosch-Negers in de bosschen vau Suriname, waar zij als het 
ware zelfstandige republiek jes vormden, die wel de Nederlandsche 
souvereiniteit erkenden, maar bijna geheel vrij waren. Van de 
bestaande nederzettingen gingen ook herhaaldelijk nieuwe uit. 



De Bosch-Negerdorpen worden meestal gebouwd uabij een 
rivier of beek, om zich langs het water gemakkelijk te kunnen 
verplaatsen. Want voor de Bosch-Negers is het maken van kor- 
jalen een industrie, en zij verkoopen die elders, terwijl de houtkap 
de hoofdzaak van hun handel is. De dorpen bestaan niet uit 
woningen op rijen geplaatst, maar de eene is twee a drie mi- 
nuten van de andere verwijderd. Vruchtboomen zoekt men er 
tevergeefs; slechts enkele „papaja's," »cachouV', „koesowé's", 
bakoven en pepers kan men tusschen de huizen aantreffen. 

De paden, welke de woningen verbinden, zijn in den regel 
hard, wegens de leem van den grond, en worden, evenals de 
leemen vloeren der woningen, goed schoongehouden. De huizen 
zijn in 't vierkant opgetrokken en hebben een dak van het loof 
van den pina-palm. Elk huis heeft zijn vier wanden, bestaande 
uit open gekloofde palmen. De deuren, van plat gedisseld hout, 
zijn door houten hengsels aan de stijlen bevestigd. In de wo- 
ningen vindt men „pagalen 1 ', waterdichte manden, en ook kisten 
om er hun kleederen in te bewaren. Deze kisten en hun verder 
gerief koopen zij van de opbrengst van het hout, te Paramaribo 
verkocht. Zelf maken zij tafels en bankjes, doch de tafels zijn 
zoo klein, dat zij ze bij het eten niet kunnen gebruiken. De 
bankjes zjjn van cederhout, glad bewerkt en versierd met eigen- 
aardig snijwerk. In de woningen is over 't geheel alles kraak- 
zindelijk en zoo is t het ook met hun kleederen. Het hoofdvoedsel 
is rijst, doch ook cassave en ander voedsel gebruikeu zij. 

De Bosch-Negers spreken het Neger- Engelsen en enkelen 
spreken ook Nederlandsen. Door de zendiug zijn een groot aantal 
Negers tot het Christendom bekeerd ; het grootste gedeelte tot 
de Moravische Broedergemeente en verder tot de Roomsch- 
Katholieke kerk. Als landbouwers op een gehuurd of een eigen 
perceel land hebben zij het grootste aandeel in de productie 
van den z.g. kleinen landbouw. Voor de goudindustrie zijn zij on- 
misbaar, zij zijn vrachtvoerders op de bovenstroomen, gidsen enz. 
Hun beschaving gaat sedert 1863 vooruit. 

De hoofdstammen der Bosch-Negers zijn de Aucaners aan 
de Tapanahony, wier groot-opperhoofd verblijf houdt op het eiland 
Drietabbetjes, en de Saramaecaners, die op 3000 a 4000 worden 
gesteld, de B^coe en Moesinga (Matoeari), geschat op 600, terwijl 



542 



de Koffimakka ± 400 lieden tellen. De drie eerstgenoemden zijn 
door tractaten aan Nederland verbonden; hun opperhoofden ont- 
vangen een jaargeld. 

Verdere be- Behalve genoemden komen in de kolonie nog 
voiking. voor Chineezen, een 400-tal, overgebleven van 
hen die in 1865 en later als arbeiders werden ingevoerd. Zij 
spreken behalve Neger-Eugelsch nog Chineesch. Een groot ge- 
deelte behoort tot de Katholieke kerk, enkelen houden hun 
ouden godsdienst nog in eere. Sedert 1873 werden Britsch- 
In diers als arbeiders ingevoerd Het aantal, dat uit Britsch- 
Indié in 't geheel sedert 1873 werd ingevoerd, bedraagt 35520; 
hoevelen daarvan weder vertrokken zijn, valt niet te zeggen. 
In 1905 waren nog 3137 emigranten uit Britsch-Indië in Suri- 
name op plantages door contract verbonden. Hoevelen zelf eenig 
laadbouwbedrijf uitoefenen, weten wij niet. 

Uit Nederlandsch-Indië begon de immigratie voornamelijk 
in 1 893 het totaal getal aangekomenen bedraagt ongeveer (>000. 
In 1904 kwamen er 170 aan. In begin 1905 waren op de plan- 
tages nog 4350 immigranten uit Ned. Indië door contract ver- 
bonden. Na afloop van het contract worden hun gemakkelijke 
voorwaarden van vestiging aangeboden. 



IV. BRONNEN VAN BESTAAN EN ECONOMISCHE TOESTANDEN 

VAN SURINAME. 

De natuurlijke gosteldheid van den bodem heeft, in verband 

De landbouw 

cn dc factoren met ne * t ro P' 8cne » regenryke klimaat, Suriname voorbestemd tot 
waarvan h(j een landbouwgebied by uitnemendheid. Van dit beginsel gaat 
afhankelijk is. ^ pro f. Went uit by zyn beschouwing over Suriname, 1 ) en 

waa^uï"" h H neemt aaD » dat alt ü d de landbouw het belangrijkste bedrijf 
zal moeten bltfven, ook al worden er andere bronnen van bestaan 
ontdekt. De produkten van het plantenryk vormen dan ook het hoofdmiddel 
van bestaan voor de Indianen en Negers, en ook de blanke creolen wyden er 
zich hoofdzakeiyk aan het landbouwbedryf, of wat daarmede verwant is. De volks- 
opgaven voor 1005 leeren, dat in Suriname van de 41 290 bewoners met bekende 
beroepen 14 791 tot de landbouwers (eigenaren en pachters van perceelen tot 



1) F. A. F. C. Wekt. Rapport omtreot do landbouwtoestandco in Suriname 1902. (Bql. 
Kol. Veralag.) 



543 



uitoefening van den kleinen landbouw) behoorden, en 11 809 vielen onder de 
veld- en fabriekarbeiders, 2728 waren bij de goudindustrie (belanghebbenden, op- 
zichters en arbeiders), en 734 grondeigenaren, administrateurs en opzichters van 
plantages. Hieruit blijkt de overheerschende beteekenis van den landbouw voor 
dit land. De welvaart en de economische toestand der kolonie is steeds het 
meest afhankelijk geweest van den meerderen of minderen bloei van den land- 
bouw. De veeteelt is er niet aanzienlijk. In 1905 bestond de veestapel uit 8535 
runderen, 280 paarden, 668 ezels, 80 muilezels, 140 schapen, 
1800 geiten, 2660 varkens. 

De ontwikkeling van den landbouw in een gewest hangt niet alleen af 
van het klimaat en den bodem, doch eveneens van de verkeersmiddelen en 
van het aantal der landbouwende bewoners in verband met de bodemoppervlakte, 
die beschikbaar is. Wat de verkeerswegen betreft, deze zijn in Suriname uiterst 
primitief en worden voornamelijk gevormd door den benedenloop der rivieren en 
de „trenzen" in het lage land, alsmede door de kustzee. Daardoor is de landbouw 
meest beperkt gebleven tot de oevers van den benedenloop der rivieren en de kust- 
streek. De betrekkelijk geringe bevolking van Suriname, niet meer dan 0,6 
per K.M.', is de oorzaak, dat zoo geringe oppervlakte des lands in cultuur 
is genomen. Nog ruim 99,8 der oppervlakte van Suriname is woeste grond ; 
van de 15 mill. H.A. oppervlakte, (ongeveer 5 x Nederland), zijn nog geen 16000 
in cultuur. Het vraagstuk der ontwikkeling van den landbouw blijft altijd 
de middelen te vinden om de landbouwende bevolking te vermeerderen. Daar 
de eigenlijke Inlanders, de Indianen, hiervoor geen of bijna geen aanleg be- 
zitten, moet die werkkracht van elders komen. Verschillende middelen heett 
men hiertoe aangewend. In vroeger eeuwen werden hiervoor de Negers uit 
Afrika als slaven aangevoerd. Doch toen deze aanvoer ophield en de slavernij 
geheel werd opgeheven in 1863, ging de landbouw sterk achteruit. De proeven 
met kolonisatie van Hollandsche boeren, die nog in 1843 genomen zijn, toen 
384 Noord- en Zuid- Hollandsche boeren (kinderen meegeteld), hier werden 
gevestigd aan de Saramaccarivier, is mislukt door samenwerking van verschil- 
lende oorzaken en slechts ruim 200 nakomelingen van hen leven nog in de 
kolonie. De overgebleven Hollandsche kolonisten, die genegen waren zich blijvend 
in de kolonie te vestigen, verkregen in 18l>2 nieuwe en grootere terreinen langs 
den verlengden Gemeenen landsweg en de rij wegen naar Kwatta, waarvoor 
titels van eigendom werden uitgereikt, en enkelen werden door aankoop van 
particulieren eigenaren van uitgestrekte gronden, waarop zij met goed gevolg 
kleinen landbouw en veeteelt uitoefenen. 

Toen na de afschaffing der slavernij de vrije Negers zich te weinig als 
werkkrachten b|j den landbouw aanboden, werd besloten de immigratie van 
Britsch-Indische koelies onder aannemelijke voorwaarden te bevorderen. Met 
Engeland werd in L873 een tractaat dienaangaande gosloten, en de immigratie 
van Javaansche arbeiders had plaats sedert 1890. Door deze immigranten, meest 
onder contract voor een bepaalden tijd werkend, wordt eenigszins in de be- 
hoefte aan werkkrachten voor den landbouw voorzien, terwijl men tracht van 
dozen er ook gevestigd te houden voor den kleinen landbouw. 



Digitized by Google 



544 



Het volgend overzicht geeft ons den stand der immigratie in Suriname op 
dit oogenblik. 

Op ultimo Dec. 1905 waren onder contract verbonden in Suriname 2935 
Britsen-Indische immigranten (1801 mannen en 613 vrouwen, 251 jongens en 
270 meisjes), gemiddeld in dit jaar 3036 hooiden. Het aantal niet onder contract 
verbondenen op de plantages bedroeg ultimo Dec. 1905: 825 mannen, 494 vrouwen, 
347 jongens, 304 meisjes totaal 1970. 

Uit iïederlandsch-Indië waren ultimo Dec. 1905 onder contract verbonden 
immigranten: 2665 mannen, 810 vrouwen, 203 jongens, 214 meisjes, totaal 
3892 hoofden, gemiddeld in 1905 : 4120 hoofden. Niet onder contract verbonden 
werden op de plantages gevonden ultimo Dec.: 346 mannen, 329 vrouwen, 
131 jongens en 111 meisjes, totaal 917 hoofden. 

Volgens schatting bedraagt het aantal niet onder contract verbonden immi- 
granten, elders dan op de plantages gevestigd, 14000 Britscb-Indische, 1300 
Nederlandsen-Indische immigranten, en daarenboven bevinden zich in de kolonie 
nog ± 1200 Britsch-lndiërs, afkomstig van naburige koloniën* 

In 1905 waren er totaal 4097 immigranten in Suriname huurders, gebruikers 
of eigenaren van land, te zamen van 8105 H.A. Onder dezen waren 3873 uit 
Britsch-Indië, 101 uit Nederl. Indiö, 95 uit West-Indië en 28 uit China, Dezen 
beoefenen den kleinen landbouw, tuinbouw en houden vee. In de omstreken 
van de stad neemt hun aantal steeds toe. Uit die cijfers blykt, dat de Britsch- 
lndiërs niet alleen het talrijkst aan immigratie deelnemen, maar ook het meest 
zich biyvend in Suriname als landbouwers vestigen. 

De landbouw in Suriname wordt onderscheiden in Groote 

Delandbouw i an dbouw en Kleine landbouw. De Groote landbouw levert 
ln Suriname. 

De grooteland- hoofdzakelijk produkten voor den uitvoer naar de wereldmarkt, 

bouw. Planta- de kleine landbouw produceert voor eigen behoeften in de kolonie. 

ges.Ontwikke- jj ö g roo t e landbouw wordt hoofdzakelijk gedreven door blanke 
Üngsgeschte- 

denis. creolen, de kleine landbouw door Bo3ch-Negers en immigranten, 
die hier gevestigd bleven. De groote landbouw geschiedt op de 
zoogen. plantages. 

De plantages. De cultuurondernemingen van den Grooten landbouw in Suri- 
name liggen alle langs de oevers der beneden-rivieren. De bodem is hier by uitstek 
vruchtbaar, maar de lage ligging (zie pag. 522, 530) maakt inpoldering meestal 
noodig. Rondom door dammen beschermd tegen het rijzende water by gewonen 
of by springvloed, of tegen het uit het achterliggend bosch stroomend water ge- 
durende den regentijd, worden de landen door talryke kanalen, „loostrenzen" 
(Eng. trenches) genoemd, en die tot afvoer van het overtollig water by de hevige 
regens noodig zyn, in vierkanten verdeeld. Breedere kanalen, de z.g. „vaar- 
trenzen", dienen voor het vervoer der arbeiders en voor den afvoer der pro- 
dukten naar do aan de rivier verrijzende gebouwen. Slechts op één onderneming, 
de plantages Mariënburg en Zoelen aan de Commewyne van de Ned. Handel- 
maatschappij, geschiedt het vervoer per spoor; lang was dit het eenige spoor- 
lyntje in de kolonie. 



545 



Het plantagolandschap van Suriname heeft door den aanleg veel overeen- 
komst met het lage land in Nederland. Het zijn polders, door dijken omringd, 
regelmatig beplant met vruchtboornen en met een uitgebreid kanalenstelsel en 
geregelde waterloozing. Elke bezitting op zich zelve is voor den afvoer van het 
hemelwater met talryke alooten, „trekkers" genaamd, doorsneden, die het land 
in vierkante stukken verdoelen, welke door een plank of bruggetje verbonden 
worden. In de trekkers loopen „kleine trekkers", greppels, uit. 

Op de plantage ziet men op regelmatige afstanden de cacao- en koffie- 
boomen geplant, waartusschen zeer hooge, breed gekroonde boomen staan, de 
z.g. „koffle-mama's", die door de schaduw van hun vrty zware bladerkroon de 
lager groeiende cacao* en kofiïeboomen beschutten tegen de krachtige zonne- 
stralen. Mooie paden vindt men op de plantage niet ; in den regentijd zakt men 
er diep in den modder, als men niet met een „korjaal" wordt voortgepareld 
(parel, Eng. paddie = lancetvormige roeispaan). Een cacao-plantage, waar de 
boomen ryk met vruchten z\jn beladen, ongeveer twee vuisten groote, gele of 
roode cacaonoten, die tusschen het jgebladert glanzen, geeft een prachtigon 
indruk. Als de vrucht ryp is, wordt ze geplukt of afgestooten, op de plaats 
zelve nog opengeslagen, de inhoud, een witte, donzig, zuur ruikende massa, 
waarin de cacaopitten in rtfen naast elkander liggen, er uit geschud en in bas- 
kieten (manden) naar het vaartuig gebracht. De witte pitten worden in een 
broeihuis te broeien gelegd, dan gedroogd, tot zy een gewenschte bruine 
kleur hebbeji verkregen en hebben verder geen bewerking noodig, dan ingepakt 
te worden in balen van meest 100 K.G. en te worden verkocht. Koffie geeft 
meer werk; voor het drogen, pulpen en sorteeren hebben de plantages reeds 
machines. Zy wordt in balen 100 K.G. gepakt en verkocht. 

De bananen (bacoven) z\jn planten van ± 12 voet hóóg, 9-12 duim dik. 
De vruchtentros, die zich tot een donkerblauwe knop ontplooit, buigt zich naar 
beneden en is soms wel 50 a 60 pond zwaar. De bladeren zyn lang en breed 
en leveren een goed beschuttingsmiddel tegen den regen. De bananen leveren 
oon voornaam voedingsmiddel in de kolonie, dat op allerlei wyzen wordt toe- 
bereid. De cultuur voor den uitvoer neemt toe. 

De directeurswoningen op de plantages geven den indruk van ouderwetsche 
buitenplaatsen in Holland. Het ztyn meestal flinke, ruime gebouwen met breede 
galerij, veelal niet op den grond gebouwd, maar een paar meters hooger en 
van onder open, waardoor zy beter droog bUjven. Een laan van palm-, amandel-, 
tamarinde- of andere boomen geeft er toegang tot een open plaats voor het tront. 
In de nabyheid vindt men de opzichterswoning, het broeihuis, de loods, winkel, 
stallen en de blokken woningen der koelie's, de immigranten. Meestal worden 
ook koeien, paarden, ezels enz. op de plantage gehouden en veelal kippen. Voor 
het verkeer te water, dat hoofdzaak is, heeft men er korjalen, tentbooten, ponten, 
sloepen enz. Vele dier plantages hebben Oud-Hollandsche namen, als „Vreden- 
burg", „Zorgvliet", .Rust en lust" enz., doch ook vindt men er met vreemde 
namen genoemd. 

Des morgens te 6 uur, als de zon opgaat, luidt de bel en vangt de werk- 
zaamheid op de plantage aan ; dan ziet men mannen en vrouwen met hun blikje 
li 85 



540 



met kost voor den dag, met baakieten (manden), houwers (breede lange messen), 
spaden enz. in lange reeks achter elkander de plantage opgaan, om tegen 4 uur 
in den middag terug te keeren. De arbeiders werken in ploegen onder blanke 
opzichters, vroeger iblank officier" genoemd (verbastering van „blanke overseer" 
— blanke opzichter). Des avonds klinkt de gamelan- muziek der Javanen of de 
eentonige zang der Britsch Indische koelies over de plantages en vermengt 
zich met het gesjirp der krekels, het brommen der padden en andere avond- 
dieren der tropen. 

Iets over de geschiedenis dei' grook cultures. De groote landbouw van Suri- 
name is begonnen kort na de vestiging der eerste kolonie, in de tweede helft 
der 17de eeuw. H\j bestond toen in het aanleggen van eenige plantages aan beide 
oevers dor Suriname, waar hoofdzakelijk suikerriet geplant werd. Ook werden 
eenige proeven met tabaksteelt genomen, die echter niet aan de verwach- 
ting beantwoordden. Van meer beteekenis was het vellen van hout, waaraan 
de kolonie rijk was. Evenwel ging men hiermede meestal ruw te werk, daar 
enkel de beste soorten werden gekapt, en men het minderwaardige hout liet 
staan, zonder betere soorten opnieuw aan te planten. Daardoor verkreeg het 
minderwaardige hout in de geëxploiteerde streken, die meest bij de hand lagen, 
meer en meer de overhand. Tot de bewerking van den grond werden Neger- 
slaven gebezigd. Men beproefde ook de Indianen tot slavenarbeid te dwingen, 
doch deze verzetten zich en trokken meer en meer naar de binnenlanden, ten- 
einde daar hun vrije leven te bewaren. 

Den 23aten Sept. 1682 ging de kolonie Suriname over aan de West-Indische 
Compagnie. In art. 6 van het octrooi werd bepaald, dat deze Compagnie ver- 
plicht was jaarlijks zooveel slaven ten behoeve der kolonisten te leveren als 
noodig zouden biyken te zijn. Hoewel de Compagnie in 1685 haar rechten op 
de kolonie verkocht, voor i \ i aan de stad Amsterdam, en 7j aan Cornelis 
van Aerssen, heer van Sommelsdijk, bleef de slaveninvoer geheel door haar 
behouden. Het aantal in te voeren slaven werd in het octrooi niet bepaald, 
maar bü vernieuwing daarvan in 1730 verbond zij zich jaarlijks op zijn minst 
2500 slaven te leveren, welke bepaling in 1762 werd gehandhaafd. Door den 
aanvoer van slaven konden de plantages worden uitgebreid, en terwijl in 1763 
b\j het optreden van Aerssen van Sommelsdijck het aantal 50 bedroeg, nam 
het toe tot 200 onder zijn bestuur. 

De slavenaibeid in Suriname werd evenwel niet verkregen zonder harde, 
schier onmenschelijke behandeling der Negers, en velen dezer trachtten aan die 
mishandeling te ontkomen door in de bosschen te vluchten. Daar ook b\j de 
achtergeblevenen door slechte behandeling on door kindersterfte de arbeiders- 
bevolking der Negers niet voldoende vermeerderde, ontstond er niet zelden ge- 
brek aan werkkrachten, en alleen door sterken toevoer van buiten kon daaraan 
worden tegemoet gekomen. De slaveninvoer was dientengevolge zeer aanzienlijk ; 
van 12 Aug. 1731 tot 24 Aug. 1738 werden niet minder dan 13 012 slaven 
ingevoerd, terwijl de slavenbevolking gemiddeld 60 000 ü 70 000 zielen bedroeg. 

Daardoor kon de plantagebouw bloeien en bi) eigenaren en neringdoenden 



ized by Google 



547 



heerschte welvaart Vooral werden in dien tijd uitgevoerd: suiker en hout, 
meeat letterhout. Van de 400 plantages, in 1730 in bebouwing, dienden de meeste 
mede voor de suikercultuur. 

Op de plantages aan de Tempati, Peninca, BovenCommewijne en Para waren 
houtveilingen; voor de arbeiders- en slavenbevolking verbouwde men nog ba- 
nanen en aardvruchten. Indigo werd er verbouwd sedert 1708; van 
3710 -1722 werden er 150-1328 Amsterd. ponden uitgevoerd. 

De indigo-teelt werd evenwel in 1721 door die van de koffie vervangen, 
welke in dit jaar het eerst geplant en in 1724 het eerst werd uitgevoerd naar 
Amsterdam. Zij was afkomstig van de plantage Nieuw-Levant, aan den rechter- 
oever der Cottica. Deze proef had financieel succes en werd nagevolgd, zoodat 
de koffiecultuur veel bijdroeg tot den bloei van Suriname. Op vele plantages 
werd het suikerriet vervangen door koffie, en over 't geheel liet men de 
indigoteelt hiervoor varen. Het aantal koffieplantages nam sterk toe en in 1775 
werden uitgevoerd 8 893 020 K.G koffie. Doch hiermede was ook het hoogtepunt 
bereikt. Langzamerhand nam de koffieproductie door verschillende oorzaken at 
De volgende statistiek leert ons dat verloop kennen. ') 

Uitvoer van koffie. 

1724 - 1729 gemidd. per jaar 74 447 K.G. 

1730-1739 „ „ , 791 65G „ 

1740-1749 „ „ „ 1872 588 , 

1750-1759 „ „ „ 2 886 708 „ 

1760-1769 „ , n 5 584 402 „ 

1775-1784 „ „ , 6 091462 „ 

1804-1812 , , „ 2 808 728 

1818 „ „ „ 4164 598 

1819 „ , „ 2 762 062 



Na 1820 tot 1850 schommelde de uitvoer van koffie op en neer, maar na 
1850, toen de uitvoer bedroeg ± 376 986 K.G., daalde dió zeer, en in het slechte 
jaar 1890 bedroeg hij niet meer dan 213 K.G. Sedert nam de uitvoer wel 
schommelend weer eenigszins toe, doch in 1903 beliep hij niet meer dan 
238 733K.G., in 1904: 185 231 K.G. 

De koffiecultuur, eens zoo belangrijk, is thans op bijna alle ondernemingen een 
bijprodukt geworden, en ze wordt bijna enkel nog voor eigen gebruik geteeld. Op 
de schoone plantage Voorburg aan de Surinarae-rivier is de koffie nog hoofdzaak. 

De koffie, welke hier geteeld wordt, is de Coffea Arabica of de z.g. Suri- 
naamsche koffie en de Coffea Liberica of de Liberia- kofffe. De laatste werd in 
1883 ingevoerd en heeft eerstgenoemde bijna geheel verdrongen. De Liberia- 
koffie is over 't geheel taaier, draagt het geheele jaar door, de bessen vallen bij 
rijpheid niet af en vordert dus minder arbeidskrachten. Zij verkiest meer een 



1) Volgens Dr 6. E. Mkinickb: Veriuch eiocr Gcichichte der Enropai»chcn Colonicn in 
Wntiadien nach den Qaellen bcarbeitet 1S31. Bij Lotu. Overzicht t. d. Landbouw in Suri. 
Bijl. Kol. Veril. G.G. 1905. 



I 



548 

kustklimaat met frissche winden, gedyt daardoor best in de alluviale kuststreek. 
Doch wegens de ondiepe wortels hjdt de plant eerder dan de cacao aan droogte. 
De Arabische koffie overtreft die der Liberia en wordt meer voor eigen gebruik 
geteeld. 

De eerste Kngelsche bewoners waren reeds begonnen met de tabaks- 
plan t e r ij in Suriname onder M arechal in 1680, en in 1706 werd zy opnieuw aan 
gevangen. De opbrengst was van dien aard, dat in 1749 ongeveer 15 000 K.G. 
naar Holland werd verzonden. Toch bleef de cultuur niet bestaan; zy werd eindelyk 
geheel door de koffie verdrongen. 

Reeds ih 1706 werd de eerste cacao geplant in de kolonie, doch het 
schynt tot 1732 geduurd te hebben, vóór er van werd uitgevoerd. Wel is de 
cacaoteelt sedert bUJven bestaan, maar zy had niet altyd groote beteokonis. Van 
1780, toen de uitvoer van cacao bedroeg 570 350 Amst. pond, nam die schom- 
melend af tot 8715 Amst. « in 1820, de geringste uitvoer, dien wg opgeteekend 
vinden. Sedert nam de uitvoer weder toe; in 1870 bedroeg die 1 164309 Amst % 
in 1880: 2 687067 en in 1890: 8 912 676 Amst. «. Daarna ging de uitvoer 
weder achteruit, als een gevolg van de krullotenziekte, die zich in 1892 bij de 
cacaoplant vertoonde, welke, gepaard met het versteenen der vrucht, de pro- 
ductie sterk deed verminderen, en in 1903 bedroeg de uitvoer nog 4 449 336 
Amst «, in 1904 slechts 1 708 068 Amst. «. 

De cacao is hierdoor een twyfelachtig produkt geworden voor den Suri- 
naamschen landbouw, dat in de laatste jaren veel teleurstelling heeft veroorzaakt. 

De Cacaoboom is een vyand van stagneerend water, omdat de wortels nog 
al vry diep in den grond dringen, wat by hoog grondwater niet mogeiyk is, zoodat 
dan de boom in droge tyden veel ïydt. Daarom is goede waterloozing een eerste 
vereiscbte voor een cacao-district. Het Saramacca-district, vroeger het cacao-gebied 
by uitnemendheid, heeft veel geleden door het ontstaan van een modderbank vóór 
de rivier, welke de uitwatering belemmerde. De boomen zyn by onvoldoende 
waterloozing niet krachtig genoeg om de aanvallen van ziekten te weerstaan. 
De laatste jaren met lange droge seizoenen, hebben nadeelig op de cacaocultuur 
gewerkt. Het is een behoefte, dat er aan het loshouden van den bodem veel 
zorg wordt besteed. 

De katoenuitvoer van Suriname bedroeg: 



Uitvoer van katoen. 



1706 






296K.G. 


1712-1727 gemidd. per jaar 


716 „ 


1731-1740 , 


1 n 


» 


506 „ 


1741 - 1750 , 




n 


531 , 


1751 - 1764 


> a 


•f 


2890 „ 


1775-1784 


i n 




301790 „ 


1784-1794 


t n 




457 810 „ 


1794 


1 » 




604 358 „ 


1804-1812 


t B 


n 


1057 600 , 



ized by Google 



De katoenteelt in Suriname is reeds vroeger begonnen, maar in 1785 
ving men eerst aan met katoen te exporteeren naar Amsterdam. Opnieuw werden 
pogingen tot katoenteelt gedaan in 1752 op de plantage aan de Matappicakreek, 
welke hier beter slaagden dan de koffie, en spoedig werd die teelt uitgebreid. 

De aanzienlijkste uitvoer van katoen had plaats in 1825, toen die bedroeg 
1 164 803 K.G., en ook in 1880 was de uitvoer nog byna op hetzelfde bedrag. 
Doch sedert ging hy achteruit: in 1845 was hij 420 252 K.G., in 1875 : 219 179 K.G. 
en tien jaren later niet meer dan 1766 K.G., waarna de katoenuitvoer ophield. 
In den laatsten tyd wordt, wegens de toenemende behoefte aan katoen, waarin 
de Vereenigde Staten niet volledig meer voorzien, terwtyl door speculaties 
de prijzen worden opgedreven, de katoenteelt op nieuw beproefd. 

De meeste plantages in Suriname verbouwden vroeger suikerriet, dat 
in molens, gedreven door paarden en muilezels of door een onderslagrad, ge- 
malen werd. De laatste werden in beweging gobracbt door het water, dat by 
vloed in kanalen stroomde en by eb terugliep. Op geen enkele plantage werden 
de velden kunstmatig bemest. Als de productie op een perceel verminderde, 
liet men het een tyd lang braak liggen, en liet het onder water loopen, om 
hei na een reeks van jaren op nieuw op loozing te brengen en te ontginnen. 

De suiker was eens een belangryk produkt voor den uitvoer van Suriname. 
In 1775 vertrokken van de reede van Paramaribo 63 schepen, waarvan de lading 
bestond in 8 893 620K.G. koffie, 7 510 168 K.G. suiker, 296 454K.G. cacao, 
74113K.G. katoen. In 1794 werden in Suriname nog gevonden: 109 suiker- 
plantages, 1 suiker- en koffieplantage, 119 koffieplantages, 259 koffie- en katoen- 
plantages, 8 koffie- en cacaoplantages, 30 katoen-plantages, 1 indigo plantage, 
139 houtgronden, 4 kostgronden (gronden met produkten voor eigen gebruik). 

Volgens de statistiek van G. £. Meinecke was de loop van den uitvoer 
van suiker als volgt: 



van 


1700—1709 gemidd. per jaar 


6499 209 


K.G. 


» 


1710-1719 




» 


n 


8 791 837 




n 


1720- 1729 


n 


•n 


» 


12 386 588 


B 


1 


1730—1739 


n 


n 




11189063 


n 


r 


1740-1749 


n 


V 


l> 


11 159 269 


i> 


» 


1750-1759 


rt 


s 


tl 


10 492 914 


r> 




1760-1769 


n 


n 


tt 


10 439 924 


rt 


n 


1770-1779 


n 


71 


n 


8 389 302 


» 


1» 


1780-1784 


u 




n 


7 905 835 


n 


n 


1784-1794 


>1 


» 


n 


9 209 688 


n 


n 


1804-1812 


" 


n 


n 


12 804 984 


n 


rt 


1818-1825 




n 


» 


9 059 337 


« 



Daarna nam de suikerproductie toe. De grootste suikeruitvoer had plaats 
in 1835, toen hy bedroeg 18 886 430 K.G., doch sedert ging de uitvoer schom- 
melend achteruit. In 1904 bedroeg de uitvoer 9 374 905 K.G. 

Die achteruitgang der suikercultuur was aan verschillende oorzaken te wyten, 



Digitized by Google 



550 



welke hier niet vallen na te gaan. Tegenwoordig wordt slechts op oen vijftal 
plantages de suikercultuur volgehouden, waarvan eenige door de Ned. Handel 
maatschappij worden geëxploiteerd. 

WiJ laten een overzicht volgen van het aantal plantages in vier verschillende 
tijdperken. 



Aantal plantagos. 



Jaren. 


Suiker. 


Koffie. 


Koffie en 
Cacao. 


Cacao. 


Koffie en 
katoen. 


Katoen. 


H.A. in 
caltnur. 


Aantal 
arbeiders 


1796 


109 


119 


3 




259 


30 


167 806') 


6O0O0 


1862 


85 


33 


n 


28 


n 


16 


16 866 


32 875 


1873 


56 


2 


3 


52 


n 


2 


11527 


12 66G 


1903 


5 


n 


21 


56 


n 


i» 


18 040 *) 


31 990 ») 



De groote landbouw heeft, zooals uit het bovenstaande blijkt, in den loop 
der 19do eeuw groote verandering ondergaan. Gelijk wij zeiden, heeft de opheffing 
der slavernij daaraan veel nadeel gedaan, en vele plantages moesten sedert, 
wegens gemis aan arbeidskrachten, worden verkocht en werden verlaten. De 
vry geworden Neger-arbeiders trokken in menigte naar Paramaribo, waar zij' niet 
zelden in ledigheid en armoede den tijd doorbrachten. De kapitalen tot schadeloos- 
stelling aan de slavenhouders toegekend, gingen voor de kolonie verloren, daar 
z\j ze niet meer in de bedrijven konden aanwenden, en de landbouw ging sterk 
achteruit. 

Op ultimo Dec. 1862, zes maanden voor de vrijverklaring der slaven, 
werden in Suriname gevonden 85 suikerplantages, 83 koffieplantages, 28 cacao- 
en bananenplantages en 16 katoenplantages, te zamen 118 297H.A., waarvan 
14°/ 0 *n cultuur, en in 1873 na het eindigen van het staatstoezicht: 56 suiker- 
plantages, 2 koffieplantages, 2 katoenplantages, 3 katoen- en cacaoplantages, 
53 cacao-plantages, 3 korfie- en cacaoplantages, 3 cacao- en bananenplantages, 
tezamen 70 356 H.A., waarvan 14,6 °/ 0 in cultuur. 

Onderscheidene cultures verloren daarbij hun waarde, gedeeltelijk ook door 
andere oorzaken. De cultuur van katoen, indigo en tabak gingen te niet, en die 
van suikerriet leed onder de concurrentie met de beetwortel en de lage suiker- 
prijzen. Zoo had de groote landbouw een lijdensperiode door te maken. Toen 
men uitzag naar een meer loonend produkt, meende men dat gevonden te 
hebben in de cacao, en aanvankelijk werd de cacaocultuur van groote beteekenis 
Duizenden H.A. werden met cacao beplant, die voor de markt een winstgevend 
produkt leverde. Voornamelijk nam de cacao-aanplant toe, nadat door de koelie- 



1) Deie oppervlakte is bet totaal dor plantages, waarop laodboaw werd gedreven, doek btt 
is twijfelachtig;, of die alle io cultuur waren. 

2) Hierbij en ook bij het aantal arbeiders wordt do kleine landbouw gerekend. 



ized by Google 



551 

verordening van 1895 in het gebrek aan werkkrachten voor de kolonie werd 
voorzien. Toen scheen toekomst van den bloei der kolonie in deze cultuur te 
liggen, totdat de krullotenziekte omstreeks 1802 haar verwoestingen hierin begon 
aan te richten, en plantage na plantage te gronde deed gaan, zonder dat de 
wetenschap iets vermocht om het kwaad te stuiten. 

De gouverneur der Kolonie C. Lely zag in die omstandigheden rond naar 
andere cultures voor Suriname en bood der Nederlandsche regeering een ontwerp 
aan tot een verordening op de teelt van bacoven, welk ontwerp werd aan- 
genomen. 

Hiermede werd in den laatsten tyd een nieuwe cultuur in Suriname ge- 
vestigd. Wel was deze plant er lang bekend en werd die voor eigen gebruik geschat, 
doch zy diende niet om te leveren voor den uitvoer. Onder bacoven verstaat 
men in WesMndie de vruchten, die in Oost-Indië als pisangs worden aan- 
geduid, op de eilanden van Britsch-West-Indiè bananen worden genaamd. In 
de laatste jaren zyn de bananen of bacoven op de Noord- Amerikaansche en 
Engelsche markten een gewilde vrucht geworden, en de vraag daarnaar neemt 
steeds toe. De vruchten zyn gezocht wegens haar voedzaamheid, gepaard aan 
een aangenamen, roomzoeten smaak. In ons land zijn bananen tot heden een 
lekkernij, die in de fruitwinkels nog te duur wordt betaald, maar zelfs te 
Londen z;jn zy, evenals in de Amerikaansche steden, een vrucht geworden, die 
binnen het bereik der kleine beurzen valt. 

Jamaica, waar men voor een 18-tal jaren geleden er nog niet aan had 
gedacht fruit te telen voor den uitvoer, had in het jaar, eindigende in Maart 
1904, reeds een uitvoer aan bananen van meer dan 7 millioen gulden by een 
uiterst lagen prys. Men vond daar in 1904: 240 plantages die een oppervlakte 
van ±83 000 acres besloegen. 

Dit voorbeeld is sprekend en heeft de regeering er toe geleid, de productie 
van bacoven in Suriname te organiseeren en te bevorderen. 

Ook is in den laatsten tijd de teelt van de Hevea guanensis Aubl. 
toegenomen, gedeeltelijk om als schaduwboom te dienen, maar tevens omdat 
die een even goede qualiteit caoutchouc levert als de Hevea brasiliensis, waar- 
van de Para-rubber afkomstig is. 



Toen de slavenhouder!) was opgeheven, trachtte men den 
bouw? 116 411,1 kleinen landbouw aan te moedigen door gunstige bepalingen, waar- 
onder land kon worden verkregen. Men had in 1863 met de 
regeering van Britsch-Indiö een contract voor immigratie gesloten, en hoopte 
dat vele Hindoes na verloop van het contract zich in Suriname blijvend zouden 
vestigen. Dit was aanvankelijk weinig het geval. Echter werden allerlei milde 
bepalingen voor de uitgifte van grond gemaakt. Sedert 1895 zag men die dan 
ook snel toenemen. Terwijl in 1873 een oppervlakte van 1228 H.A. door de kleine 
landbouwers in cultuur was gebracht, was die oppervlakte in 1903 geklommen 
tot 7886 H.A., tegen 10 299 H.A. in cultuur bij den grooten landbouw in 1873 
en 10 154 H.A. in 1903. De kleine landbouw werd in 1905 gedreven door 6726 
eigenaren en 8816 pachters. 



552 



Om de toestanden der kleine landbouwers beier te regolen z|Jn er van 
regeeringswege een aantal centrale vestigingsplaatsen in verschillende streken 
der kolonie aangelegd en van deze worden de meeste gronden in gebruik ge- 
geven. Z\j zv)n: Fort Nieu w-Amsterdam (Beneden-Suriname), Livorno 
(Beneden-Para), by het pad van Wan i ca (Beneden-Para), Domburg (Boven- 
Para), Laar w ijk (Boven-Suriname), Totness (Coronie), Alkmaar (Beneden* 
Commewyne), Johan en Margaretha (Beneden-Commewyne), Kroonen- 
burg (Beneden-Commewyne), Parad is e (Nickerie) en Nieu w-Waldeck 
(Nickerie). 

Dat de kleine landbouw nog niet is, wat die weten kan, werd herhaal- 
delijk besproken, en men achtte het steeds noodzakelijk de aandacht te vestigen 
op gewassen, waarvan de cultuur loonend en de afzet verzekerd is. Daartoe is 
aangewezen de r ijst , welke jaarlijks voor een aanzienlijk bedrag wordt ingevoerd, 
en die men hier goed kan verbouwen. Dat blijkt in Demerara, waar de rijst- 
cultuur een groot succes heeft, zoodat men er thans reeds niet meer invoert 
voor de consumptie, maar zelfs begint uit te voeren. Ook de bacoven-cultuur 
kan voor den kleinen landbouw van beteekenis worden. 

In den laatsten tijd scbynt de toestand te verbeteren. Het verslag voor 1905 
vermeldt, dat de rijstcultuur een flinke uitbreiding onderging, vooral onder de als 
kleine landbouwers gevestigde Britsen Indische en Javaansche immigranten. Ook 
had er toename plaats in het district Beneden-Para, door nieuwe vestigingen 
langs den spoorweg. Eveneens onder de gekleurde Creolen breidde de rijstcultuur 
zich uit, doch niet in die mate als onder de immigranten. 

De groentencultuur wordt tegenwoordig door de om de stad gevestigde 
Britsch-Indiërs op vrij groote schaal gedreven, gewoonlijk gecombineerd met 
veeteelt, terwijl ook de vruchtenteelt in deze streken en langs den spoorweg 
toeneemt. In 1905 werden op enkele plaatsen proeven genomen met de uien- 
cultuur. Tot aanmoediging van den aanplant van verschillende cultuurgewassen, 
vruchtboomen en groentensoorten, werd prima zaad- en plantmateriaal beschik' 
baar gesteld. Ook de bacovencultuur dient mede voor den kleinen landbouw. 

Een belangryk produkt van uitvoer is de balata, welke 
brengst. ' een niet onaanz *6niyke industrie heeft doen ontstaan. Vóór een 
25 jaren werd er wel balata verkregen, doch eerst ruim een 15- 
tal jaren geleden begon men met Engelsen geld in Suriname naby de Corantyn 
en de Nickerie balata stelselmatig te verzamelen. 

De balata of bolletriemolk is het sap, dat verkregen wordt uit de schors 
van den bolletrieboom (Mimusops Balata), die in Midden-Amerika op Jamaica 
en Trinidad en in Guyana veelvuldig voorkomt. Volwassen is de bolletrieboom 
een mooie, zware woudboom van ± 120 voet hoogte met een prachtige, volle 
kroon van glinsterend groene bladeren, waarvan de onderkant lichtbruin gekleurd 
is. De stam bereikt een hoogte van 60-70 voet en een nnddelhjn van 4 — 5 
voet. De boomen komen groepsgewys voor in het binnenland, doch soms dagen uit 
elkander; gewooniyk vindt men ze op hoog terrein of aan den rand der zwampen 
(moerassen), weinig op de bergen. 



5Ó3 



In den handel wordt de balata voor alle doeleinden gebruikt, waarvoor getah 
pertsja geschikt is, maar zU vormt een beter produkt, dat langer bestand is tegen 
het weer en den tijd. Gewoonlijk bestaat een expeditie om balata te verzamelen 
uit een twintigtal personen, met een voorwerker, die zich voor zes maanden 
of langer verbinden in het bosch te gaan. Verschillende voorwerkers (collectors) 
vereenigen zich ook wel met hun arbeiders tot grootere expedities. Dergelijke 
expedities vertrekken in Januari of Februari uit Paramaribo (in Nickerie uit 
Nw. Nickerie) om dan de eerstvolgende maanden, tot eind Augustus in het bosch 
aan bet werk te blijven. Alleen in de maand Mei is het in den regel met de 
werkzaamheden in het bosch gedaan wegens de vele regens, waardoor er te 
veel water in het bosch staat. De inzamelaars heeten balatab leedera (vanto 
bleed = bloeden), omdat ztf het sap uit de boomen tappen. Het tappen gaat zeer 
eenvoudig toe; men maakt V-vormige insnijdingen in de bast van den bolletrie- 
boom tot op het hout en tot ongereer 25 voet hoogte. De melk, welke hier uit- 
vloeit, wordt opgevangen in schalen van de kalabasvrucht, die tusschen de bast 
en den boom worden vastgeklemd, en als die schalen vol zyn, wordt het aap 
overgegoten in blikken, die in het kamp worden leeggegoten in grooter ver- 
gaarbakken, waarin het sap kan gisten. BU behoorlijk tappen kunnen de boomen 
eerst na 4 a 5 jaar weder getapt worden. De gewone opbrengst van een vol- 
wassen boom, naar behooren „gebleed", is ± 2 L., doch zi) kan gaan tot4'/ 2 liter. 
Het Gouvernement staat terreinen af in concessie voor balata-inzameling. Als 
alles goed gaat, is de balata inzameling voordeelig, doch de voorschotten kunnen 
ook grootendeels verloren worden, als de arbeiders wegloopen enz. Marcheert 
alles voorspoedig, dan worden de bedrijfskosten op ±/"2 per K.G. gerekend, 
terwijl de marktwaarde dikwijls ƒ3 bedraagt, hoewel in den laatsten tijd geringer. 
De uitvoer naar Amsterdam is gering. In de laatste tien jaren bedroeg de uit- 
voer van balata uit Suriname: 





Ton. 




Ton. 




Tod. 


1895 


134 


1899 


119 


1902 


321 


1896 


210 


1900 


209 


1903 


371 


1897 


160 


1901 


240 


1904 


255 


1898 


113 











Een ander product van Suriname is het goud. Reeds van de 
name ° eerste ontdekking des lands af was de meening beerschend, dat 
Guyana een goudland is. De legenden van het El Dorado, van de 
bewoners om een meer Parima, waar volksstammen woonden, wier tempels vol met 
massief gouden beelden zouden zijn, welke legenden gaarne geloofd werden, waren 
aanleiding tot het oprichten van de eerste ondernemingen om goudvelden te ont- 
ginnen. In 1742 werd o.a. aan een Compagnie, opgericht door zekeren Willem 
Hack, een uitgebreid octrooi verleend tot onderzoek naar en ontginning van gouden 
andere metalen in de kolonie. Daar de Compagnie geen succes had, ging zy te gronde. 

Eerst in de 19do eeuw kwam werkelijk de goudrijkdom van den bodem 
van Guyana aan het licht en werd de exploitatie daarvan aangevangen. Vene- 
zuela ging voor, Cayenne volgde, en in beide landen ontwoekerden gelukkige ont- 



ginners schatten aan den bodem. Jhr. C. A. van Svpestevn, die in 1873 gou- 
verneur werd, kwam al spoedig tot de overtuiging, dat ook Suriname' s bodem 
goud bevat; op zyn initiaüef werd in 1874 de landstreek tusschen de Suri- 
name- en Marowyne-rivieren onderzocht, . en het bleek, dat daar op vele plaatsen 
met succes goud kon worden ontgonnen. Weldra werd er door velen concessie 
gevraagd, welke aanvraag toenam, toen in opdracht van den Gouverneur wegen 
naar de goudvelden waren opengekapt. Toch geschiedde de exploitatie op kleine 
schaal, omdat er niet over middelen kon worden beschikt om voldoende wegen 
aan te leggen in het binnenland. Trots slechte hulpmiddelen was de opbrengst 
van dien omvang, dat jaarlyks meest van 800 tot 960 K.G. goud kon worden 
uitgevoerd. Van 1895—1904 had het uitgevoerde gond een totale waarde van 
29,2 mill. gulden. De opbrengst der enkele jaren was als volgt: 



De goudvelden, welke in exploitatie zyn genomen, liggen tusschen de Coppe- 
name en de Marowyne, tusschen 3 en 5 , / 2 °N.Br. Vooral langs de Marowyne, de 
Tapanahony en Lawa en de Suriname wordt naar goud gezocht. Het goud komt 
hier voor in aderen van graniet, dioriet, kwarts enz. By het verweeren van 
deze gesteenten ontstaan hoofdzakeiyk twee grondsoorten, een granietacbtigo, 
gravel genoemd, en een klei soort, die beide goud bevatten. De verweerde 
massa's worden door de kleine bergstroompjes of kreekjes naar de grootere rivier- 
takken afgevoerd, en het goud wordt mede verplaatst. Behalve het medegevoerde 
materiaal moeten by het goudzoeken ook onderzocht worden de gronden, waaruit 
de beekjes te voorschijn komen. 

Men vangt de goudgraver^ aan met de aanvrage van concessie op het bureau 
van den gouvernementslandmeter, waar een figuratieve kaart wordt nedergelegd 
van het perceel, dat men in concessie wenscht te ontvangen. Als hiertegen geen 
bezwaren (byv. als het perceel voor een ander doel in concessie is gegeven, 
of er een dorp van Bosch-Negers gevestigd is) bestaan, betaalt men voor de con- 
cessie 10 cents per H.A., en het perceel moet op zyn minst 200 H.A. groot zyn. 
In 1904 werden 114 nieuwe concessiön verleend en [bestonden er totaal 316. 
Dan heeft men voor een jaar vergunning om daar, met uitsluiting van ieder 
ander, delfstoffen te ontginnen. 

Vervolgens begint de werkzaamheid op het terrein ; het wordt opgemeten, een 
kamp wordt gemaakt, d.i. er worden hutten gebouwd, het hout wordt gekapt 
en de humuslaag aan de oppervlakte moet verwyderd worden om by de goud- 
houdendo „gravel" te komen. Een geconcessioneerd terrein, dat in orde is gebracht, 
noemt men, als de goudwinning aan den gang is, „placer." Dan begint de goud- 
wasschery, hetzy op primitieve wyze met de „longtom", een houten bak, uit 
twee deelen bestaande, of met meer ingewikkelde machines op grootere placers, 
waar men over kapitaal kan beschikken. Er mag geen goud uit een placer ver- 
voerd worden, ot er moet voldaan zyn aan verschillende voorschriften; de ver- 



1895 
1896 
1897 
1S98 



749K.G. 
846 „ 
903 , 
893 „ 



1899 893 K.G. 

1900 876 „ 

1901 753 „ 



1902 58S K.G. 

1903 682 0 

1904 802 „ 



ized by Google 



555 



voerder moet een geleibillet bezitten van den directeur. Langs de rivieren ztyn politie- 
posten geplaatst, welke alle goudzoekers moeten aandoen om zich te laten visiteeren 
en de billetten te laten teekenen. Dit z\jn maatregelen ten behoeve van den fiscus, 
daar van het gevonden goud 7 cent per gram, d. i. ± 5 % moet betaald worden. 

Het verkeer met de goudvelden langs de rivieren is uiterst moeieiyk, geiyk 
wu reeds aanduidden. De spoorweg naar het Lawagebied zal daarin bü zyn vol- 
tooiing groote verbetering brengen. 

Volgens de aangifte werden in 1905 de volgende hoeveelheden goud ge- 
vonden : 

aan de Boven- Suriname ... 416 108 gram. 

„ „ Saramacca 213 509 „ 

„ „ Marowtyne 188 545 „ 

, „ „ Lawa 253 156 „ 

„ „ Corantyn 18 „ 

Totaal . . . 1 071 336 gram. 

Die opbrengst vertegenwoordigt, volgens den pr^js van /"1,37 per gram, een 
waarde van ƒ1467 702. De goudopbrengst van 1905 overtrof die van alle vorige 
jaren ; de grootste vroegere opbrengst was die van 1897 met 903 K.G. 

Suriname heeft geen ligging, die gunstig is voor handel en 
scheepvaart* 11 8Cüee P vaar ^ Het land mist een ontwikkeld achterland en kan 
evenmin wegens de gesteldheid der kust tot een tusschenstation 
of stapelplaats voor den handel dienen. Suriname was en is een plantage- kolonie, 
en handel en scheepvaart zyn er beperkt tot het verruilen der eigen produkten. 
Daar er geen industrie van beteekenis is, moet in de meeste beboetten der be- 
woners voorzien worden door invoer. Ook verschillende artikelen van levens- 
behoeften worden ingevoerd. Thans heeft de exploitatie der goudvelden in het 
binnenland een klein achterland doen opkomen, dat grooter kan worden. 

Uitvoer van Suriname in 1905, met aanduiding der landen 

van import. 

Suiker (vac. l»te produkt) 7 488 317 K.G. (f 1346 997) naar: Vereen. St. v. 

N -A. (4 349 600 K.G.), Demerary (3091050 KG.), Cura?ao (24000 K.G.), 

Nederland 10 600 K.G.) 
Suiker (naprodukt) 922 175 K.G. (/ , 110611), naar: Vereen. St. v. N.-A. (568400 

K.G ), Demerary (216 775 K.G.), Curarao (10 000 K.G.) 
Cacao 1 681 828 K.G. (voor / 975 461), naar: Vereen. St. v. N.-A. (1 338 106 K.G.), 

Nederland (205 244 K.G.), Frankrijk (125 671 K.G.) 
Rum of dram van 50%, 459 264 L (voor ƒ59 705) naar: Demerary 283 434 L, 

Curacao 146 782 L., Nederland 29 048 L. 
Koffie 105 270 K.G. f/47 372) naar Vereen. St. v. N.A. (101 747 K.G. ), Neder- 

land (3205 K.G.) 

Balata 244 447 K.G. (f 415 560) naar: Nederland (160 654 K.G.), Vereen. St. 
v. N.A. (26 238 K.G.), Demerary (34 177 K.G.), Frankrijk (23 356 K.G.) 



556 



Hout 2103 M', (ƒ43 860) naar: Nederland (1538 M»), Barbados (348 M*). 
Letter hout 125 504 M» (/*12 55L) naar: Nederland (43 881K.G.). Frankrijk 
(77 246). 

Goud 1028 485 gram (voor fl 402 176) naar: Nederland (1018 677 gram), 
Vereen. St. v. N.A. (4808 gr.) 

Van de invoerartikelen van 1905 hadden de volgende de meeste waarde. 
Invoer in Suriname met opgave der landen van herkomst. 

Bier, meest uit Nederland (539 407 L) ook uit Groot- Brittannie (11 208 L.) 
Meel, meest uit Vereen. St. v. N. A. (2 677 685 K.G.), verder uit üemerary 

(235 723 K.G.). 
Boter, meest ui't Nederland (147 731 KG.). 
Gedistilleerd, meest uit Ned. (199 014 L.), Gr. Brit. (4182 L.). 
Fabriek s- enStoomwerkt. (meest uit Ned. voor f 97 266), Gr. Brit. f 33 349), 
Granen, peulvruchten: Nederl. (291 775 K.G.), Groot-Brit. (167 470 K.G.), 

Detuerary (121 669 K.G.), Vereen. St. v. N.A. (100 514 K.G.). 
Katoenen manufacturen: Nederl. (ƒ379 275), Groot-Britt. (ƒ103 864), De- 

merary (ƒ73 536), Vereen. St. v. N. A. (/"52 684\ 
Gemaakte kleederen: Nederl. (ƒ89 903), Gr. Brit. (ƒ16970). 
Hijst: Nederl. (4 209 577 K.G.), Gr. Brit. (370 307 K.G.), Demerary (64 648 K.G.). 
Gezouten vleesch: Vereen. St. v. N.A. 520 517K.G. 

Als men den totaal-invoer met den totaal-uitvoer vergelijkt, blijkt, dat sedert 
1870 o.a. de waarde van den invoer die van den uitvoer overtreft. Dezo passieve 
handelsbalans toont geen gunstige verhouding aan. In 1903 werd ongeveer voor 
2 mill. meer in- dan uitgevoerd. Terwijl in het land nog groote natuurlijke rijk- 
dommen onaangetast liggen, is bet te verwachten, dat daarin verbetering zal 
komen, als de exploitatie des lands door goede verkeerswegen is vergemakkelijkt 
Ook is Suriname als staatkundige kolonie economisch nog niet zelfstandig, want 
jaarlijks moet een gedeelte der uitgaven door het moederland gedragen worden. Van 
1898—1902 bedroegen in 5 jaar gemiddeld per jaar de uitgaven f 2 826 000, 
de inkomsten f2 174000, zoodat er elk jaar gemiddeld een subsidie van fl 52 000 
door het moederland voor de uitgaven der kolonie moest worden verstrekt. Van de 
jaren 1863 - 1808 (na de afschaffing der slaverny) af bedroeg die bijdrage gemiddeld 
/' 821 000 per jaar; of 46,8 °/ 0 van de totale uitgaven, van 1869—1873 per jaar ge- 
middeld een subsidie van 26,5 °/ 0 , van 1888—92: 10,2 Dit wijst op verbetering. 

De scheepvaart op Suriname heeft moest plaats met Nederlandsche schepen. 
In 1905 behoorden var. de aangekomen schepen, totaal 224 (185 stoomschepen 
en 69 zeilschepen) er 90 tehuis in Nederland (85 Stoomsch. en 6 zeilsch.) met 
74 629 ton (elk van 2.83 M s j inhoud. Verder behoorden te huis in Engeland 41 
stoomsch. en 48 zeilschepen, met 35 229 ton inhoud, in Frankrijk 24 stoom- 
en 5 zeilschepen (met 12 303 ton inhoud) en daarenboven 6 Noorsche schepen 
(2512 ton), 3 Itaiiaansche (8058 ton), 4 Russische (1401 Ion). Het grootste aantal 
schepen komt hier aan van Demerary (84), van Nederland (34) en van New- York 
via Cura<,ao (26). 



ized by 



557 



V. BESCHRIJVING VAN GEDEELTEN DES LANDS EN DER 

NEDERZETTINGEN. 

Suriname wordt administratief ingedeeld in 13 districten, nl. 
pLamaïïba 8, het Stadsdistrict, en verder van het W. af: Nickerie, Coronie, 
Beneden Sararoacca, Boven-Saramacca, Beneden-Para, BovenPara, 
Beneden-Suriname, Boven-Suriname, Beneden-Commewyne, Boven-Commewyne, 
Cottica en Marowyne. Deze districten worden bestuurd door Districts-Commis- 
sarissen, door den Gouverneur benoemd. 

Het aantal nederzettingen in Suriname is gering, en slechts eene er van 
heeft de beteekenis van een flinke stad, nl. Paramaribo aan de Suriname. 
Wij zullen in de eerste plaats deze rivier iets nader beschouwen en haar volgen 
tot de hoofdstad der kolonie. 

Als men van de blauwe wateren der ruime zee de kust van Suriname nadert, 
wordt het zeewater weldra brak en troebel en vuil-geel of groenachtig van kleur, 
een toeken, dat wy in het gebied komen, waar de rivieren hun slib uitstorten. 
Weldra ziet men aan den horizon de groene kustzoom met zUn mangrove-for- 
matie opduiken. Waar het geoefende oog een breede opening daarin ontdekt, 
ligt de monding der Suriname-rivier, die zich als een ruime trechter naar het 
N.W. opent (zie pag. 522). 

De bovenloop der Suriname en haar oorsprong z\jn nog niet bekend. De 
onderzoekingstochten van den laatsten tyd hebben het waarschyniyk gemaakt, 
dat zy ontspringt in het bergland tusschen den bovenloop der Tapanahony 
en het Van-Asch-van-Wyckgebergte. Terwyi zy wordt gevoed door talryke by- 
stroomen, slingert zy met een echt rivierkarakter over het afbellend plateau 
naar het noorden, waar de Suriname in gemeenschap met de Commewyne, 
die uit het oosten komt, een broeden mond in het aanspoelend kustland heeft 
opengehouden. 

Als men het statige water van zee opstoomt en het aan den mond der 
Commewyne gelegen fort Amsterdam is gepasseerd, heeft het lage landschap 
langs de rivier (het district Beneden-Suriname) in uiterlyk veel overeenkomst 
met dat in Holland. Slechts weinig komt het land boven het water te 
voorachyn. De oevers zyn heelemaal groen, met witte stippels er tusschen, 
vriendeiyke houten plantagewoningen, boven welke hier en daar de schoorsteenen 
van somtyds verlaten suikerfabrieken uitsteken. Strepen van golfjes in het 
water toonen de plaatsen aan, waar natuuriyke of gegraven stroompjes in de 
rivier uitmonden en hun slib laten vallen. Een reeks van plantages, meestal 
voor cacao en eeu weinig koffie, ziet men liggen aan beide zyden der rivier, 
vooral aan den linkerkant; de landingsplaats van Mariönburg, de groote suiker- 
onderneming der Nederlandsche Handelmaatschappy, spoedig daarna den hoogen 
boom, die de plantage Jachtlust kenmerkt, tot eindeiyk aan de rechterhand 
een lange ry van witte huizen met een stuk of wat stoombooten er voor wordt 
bereikt. Dat is de stad Paramaribo, die een zelfstandig district vormt. 

Paramaribo, by de komst van Van Sommelsdyck in 1683 nog slechts een klein 
dorp, met niet meer dan 28 huizen, meest herbergen en kroegen, was op het 



558 



eind der 18do eeuw reeds een fraaie stad met meer dan 1000 huizen. In de 
laatste eeuw is de plaats veel verfraaid en verbeterd. Onder Gouverneur Smidt 
werd in 1886 de eerste straatverlichting aangebracht, doordien de voornaamste 
straten van lantarens (petroleumlicht) werden voorzien. Onder diens bestuur werden 
vele straten met schaduwboomen beplant, de straten door naamborden aange- 
wezen. Paramaribo is nu een betrekkelijk groote stad geworden, met 33 500 zielen, 
ongeveer de helft van de geheele kolonie. De plek der vestiging is gunstig ge- 
kozen, doordien de poreuse schelpbodem het overvloedige regenwater spoedig 
doorlaat. Bestrating is er in de stad niet aangebracht, wat met het oog op dien 
bodemtoestand zeker goed is. De witte huizen der stad, twee a drie verdiepingen 
hoog, zijn, een paar aan het Gouvernementsplein en aan den waterkant uitge- 
zonderd, van hout gebouwd en zien er net uit. Evenals in de Europeesche 
binnensteden staan de huizen dicht by elkander gobouwd, en hoewel z\j in den 
regel tuinen missen, breidt zich achter de woningen meest een erfje uit, dat 
door huishoudelijke gebouwtjes wordt ingenomen, of door kleine woningen, vroeger 
de verblijfplaats der slaven, thans aan arme lieden verhuurd. 

Aan het begin der stad bU de rivier ligt een groot grasveld, waaromheen 
de groote en offlcieele gebouwen verrijzen. Daar staat het Gouvernementshuis, 
de woning van den gouverneur, met een prachtig belommerden tuin er achter en 
aan beide zijden. Hier tegenover ziet men de sociëteit „het Park", een groot, 
luchtig, houten gebouw, dat door een palmentuin is omringd. Men vindt er 
verder de regeeringsgebouwen, kazernes, woningen der officieren enz. en eenige 
walletjes, die overgebleven zijn van het oude fort Zeelandia. De straten in Para- 
maribo z\jn met palmen en ander hoog geboomte omzoomd, en dikke tamarinden 
hebben van het eind der Heerenstraat een beschaduwden, koelen wandelweg 
gemaakt. Vele straten dragen echt Hollandsche namen: men vindt er de Kerk- 
straat, Heilige weg enz. 

De verkeersinrichtingen der moderne Europeesche steden ontbreken nog 
in Paramaribo, behalve de telefoon. Trams vindt men er niet, en rijtuigen zelfs 
zijn er zeldzaam. De huizen van Paramaribo zijn schier alle eenvoudig gebouwd ; 
monumentale gebouwen, behalve genoemde en de houten kathedraal der Roomsen 
Katholieken, ontbreken, en evenzeer de luxueuse winkels, die wij in hoofdsteden 
verwachten. 

De stad Paramaribo ligt op een terrein, dat ongeveer 11 voet boven laag- 
water komt en slechts weinig boven hoog water. De kanalen, die de stad door- 
snijden, hebben evenals de rivier regelmatig eb en vloed. Hierdoor heeft de 
waterverversching er dagelijks plaats, en dit heeft ten gevolge, dat Paramaribo 
een vrij gezonde stad is, trots het tropisch klimaat. De vreemdeling, die Suriname 
bezoekt, wordt echter getroffen door den omvang, welke de melaatschheid hier 
heeft; het aantal door deze ziekte aangetasten wordt op ongeveer 500 geschat. De 
temperatuur is er hoog ; over dag is 't op de heete uren stil op straat, en ziet men 
er weinig anders dan Negers, die rondslenteren of langs de kade liggen. Men is 
'8 morgens vroeg in de weer, en 'smiddags nemen de meesten een behoorlijke siësta. 
Doch als de zon daalt en de lucht iets afkoelt, begint de drukte op straat weder. 

Do bevolking van Paramaribo ia gemengd ; vertegenwoordigers van alle rassen, 



559 



die Suriname telt, kan men er opmerken. Door de toeneming der bevolking is de 
stad uitgebreid zuidwaarts tot de Dominó-kreek en westwaarts tot den Eersten 
Ryweg, terwyi de voorstad Zeelandia, ten N. van de Sommelsdykkreek, er toe- 
behoort. Ten westen van de stad, in het district Beneden-Suriname, liggen de weidon 
der Hollandsche boeren, (zie pag. 543) de nakomelingen der emigranten van 1846, 
die door veeteelt en tuinbouw in hun onderhoud voorzien. Zy hebben de voor 
een veertigtal jaren daar nog bestaande bosschen in landhoeven herschapen. 
Ten N. der stad liggen in Beneden-Suriname talryke plantages. 

Van Paramaribo voert een rijweg over het zuidwaarts loopend Wanicapad 
naar het district Beneden-Para, met onderscheidene plantages aan de Suriname. 

Bo ven-Para ligt langs de Para-rivier, een linker bystroom, die by de 
plantage Onoribo in de Suriname valt en tot de nederzetting Hannover met 
stoombooten bevaren wordt. Onderscheidene plantages liggen langs de rivier. 
Aan de Coropinokreek ligt La Prosperitó, met het Hernhutter-etablissement 
Borseba, met kerk en school. De zetel van het bestuur is het station Dom- 
burg, aan den linkeroever der Suriname. 

Het district BovenSuriname strekt zich uit aan beide oevers der rivier, 
waarop stoombootdienst is van Paramaribo tot Boschland op byna 5° N.Br. Langs 
de rivier liggen onderscheidene plantages; voorby den grond Carolina ligt de Jod en 
Savanne, thans een verlaten woest gebied (zie pag. 515). Van Berg-en-Dal 
loopen verschillende voetpaden naar placers, waar goud gewonnen wordt. De 
boven-rivier, het gebied waar Bosch-Negers vertoeven, is nog onvoldoende bekend. 

Van Paramaribo uit kan men langs drie wegen de Marowyne 
Commew^jne^ ne ' Derei ^ en> De meest gebruikte weg is die over zee naar Albina, 
doch in den regentyd (anders niet) kan men ook de Cottica door 
het land volgen en van den bovenloop dezer rivier door de Coermatibo en de 
Wane naar de Marowyne varen. De Cottica ontspringt in het heuvelachtig 
land ten W. der Marowyne, dat als laatste uitlooper van het Nassaugeb. kan 
worden beschouwd. Zy stroomt byna geheel in een richting van het O. naar 
het W. door de lage kustlanden, en heeft onderscheidene kreeken in het lage 
land, terw(jl kanalen zyn gegraven tot afsnyding van groote bochten. Langs 
den benedenloop liggen onderscheidene plantages. By de nederzetting Sommels- 
d y k stort zy zich in de Commewy ne. De Comtnew|jne ontstaat uit de Tem- 
pati, die van het Nassaugeb. komt en zich met de Commewy ne-kreek vereenigt. 
Met een boog naar het W. stort zy zich by het fort Nieuw-Amsterdam in de 
Suriname. Een andere weg loopt langs de Boven Suriname naar de Sara kreek 
en verder langs een pad naar de Tosa-kreek in de Tapanahony. In 1876 werd 
oon tracé aangelegd van Brokopondo aan de Suriname naar de Marowyne en 
een ander in het zuiden van de Lawa naar de Tapanahony. Eveneens word een 
tracé opengekapt naar de Coermotibo. Wy volgen den eersten weg in gedachten 
en zien de breede rivier voor ons. 

De Mar o wy n e is de oostelijke grensrivier van Suriname en is het best tot don 
bovenloop bekend als gevolg van de goudindustrie. De hoofdbronrivier van dezen 
stroom is de Lawa, die ontstaat in het Tumuc-Humacgeb. Deze neemt rechts 



Digitized by Google 



560 



de Marowy ne-kreek op en de Ininikreek, links de Drietabbetje- 
kreek en de Gonini-rivier, welke laatste de Emma-rivier nog ontvangt 
uit het Z.O. en de Wil bel min a-rivier uit het Z.W. Kort voor de Lawa-rivier 
zich vereenigt met de Tapanahony verdeelt zy zich in twee armen, die het 
Stoelman-eiland insluiten. De Tapanahony komt uit het Z.W., neemt onder- 
scheidene bystroomen op, vereenigt zich onder het vormen van een menigte 
watervallen met de Lawa en hieruit ontstaat de Marowyne. 

De BovenMarowyne is op vele plaatsen bezet met klippen; hier en daar 
ligt een dicht op elkander gestapelde rotsmassa, die den stroom schynt te willen 
keeren ; op sommige plaatsen liggen de rotsen als een opgeworpen dam tusscben 
de oevers, waarlangs het water met donderend geweld zich schuimend voort- 
beweegt. Ook Lawa en Tapanahony hebben vele vallen; in de laatste o. a. de 
reuzen val Oranholo, te midden van een labyrinth van eilanden en rotsen. 
Benedenwaarts zyn de laatste vallen in de Marowyne de Fe ti- en de Arm i na- 
val, waar do rotsen een natuuriyken afefuitdam vormen, die den vloed belet 
verder door te dringen. Aan den voet lag de vroegere militaire post Armina. 

De monding der Marowyne is wel een uur gaans breed, maar vol zand- 
banken, die het binnenkomen bemoeielyken ; het varen over de Tygerbank 
is zeer bezwaariyk. De oevers zyn niet zoo modderig als by de andere rivieren, 
en hier en daar hoog, begroeid met „Kasjou" en „wilde goejave", waar geen „parwa- 
boomen" voorkomen. Binnenkomend staat op Galibi de yzeren vuurtoren op Ned. 
gebied en die van les Hattes op den Franschen oever. By kentering van het gety kan 
het dlkwyis zeer onstuimig zyn op de Marowyne. De rivier is door tal van eilandjes 
afgebroken, vele zoo hoog, dat zy by den hoogsten waterstand niet overstroomd 
worden en uit de verte er uitzien als reusachtige bouquetten, dry vend op het water. 
Ook in de bystroomen dezer rivier vindt men vele eilandjes. 

De rivier de Marowyne opvarend liggen voorby den vuurtoren aan den linker- 
oever eenige Indiaansche dorpen, en voorby de Arouabo-eilanden komt de neder- 
zetting Albina in het gezicht. Op deze plek vestigde zich in 1853 Auc. 
Kappler met eenige Württembergsche houtwerkers, om er houthandel te dry ven; 
Kappler noemde de nederzetting naar zyn echtgenoote Albina. De zaak ging 
aanvankelijk goed, doch toen de houtuitvoer na eenigen tyd niet meer gelukte, legde 
hy zich op landbouw en veeteelt toe. Kappler, een Duitscher, werd hier de vriend 
en raadsman der Indianen en Bosch-Negers. Uit die primitiave nederzetting is 
thans een fraai dorp geworden (de Negers spreken nog altyd van Kapplari), 
met gouvernements en particuliere gebouwen, met een hospitaal, een kerk en 
school van de Broedergemeente en van de Katholieke missie. Albina is onder- 
scheidene jaren een doorgangsplaats geweest voor de gouddelvers vanhetLawa- 
gebied naar de stad; hier werd het goud ingevoerd en verkocht. 

Van hier wordt de weg met corjalen afgelegd naar de boven-Marowyne 
en haar bystroomen. Voorby eenige nederzettingen van Indianen komt men by 
de monding der Aroe war wakreek in de goudstreek, en van verre vallen 
in het W. do toppen van het Nassaugeb. in het oog. Tusscben een dicht gorden 
van door lianen omstrengelde booinen, hetwelk de rivier omsluit, terwyi de 
berghellingen amphitheatersgewyze opryzen, bereikt men na lange riviervaart, 



Digitized by Google 



561 



telkens afgebroken door schietstroouien en watervallen, bet gebied van de 
Lawa en Tapanabony. Daar liggen onderscheidene goudvelden in exploitatie, waar- 
hoon de spoorweg van Paramaribo in aanleg is, om gemakkelijker verbinding 
met de goudvelden te verkrijgen. Als deze weg gereed is, zal Albina weder in 
boteekenis achteruitgaan. 



en de Coppename uitmonden. Aan beide zijden van den benedenloop dezer 
rivier, uitgezonderd voor een klein gedeelte van het westen, strekt zich het 
district Benede n-Saramacca uit. Langs een kanaal van Dominé-kreek ten 
Z. van Paramaribo kan men de Wanica-kreek bereiken en aldus de Saramacca. 
Langs deze rivier ziet men, behalve gronden, die aan den kleinen landbouw 
gewyd zyn, onderscheidene plantages en bet station Groningen, waar het 
districtsbestuur gevestigd is, en een fraaie kerk der Moravische Broedergemeente 
staat. Naby den mond der Saramacca ligt de politiepost Nassau. Aan de Sara- 
macca, in het district Boven-Saramacca, zijn slechts enkele perceelen in cultuur 
gebracht. In het dorp Maripaston verblijft het opperhoofd der Bosch-Negers, 
die aan den bovenloop wonen, van de monding der kleine Saramacca af. Aan de 
Hindrinetti-kreek liggen eenige placers; deze kunnen van Paramaribo per boot be- 
reikt worden. In de Savannestreek verblijven Indianen. Langs de Coppename liggen 
goon andere nederzettingen dan van enkele Indianen-stammen en Bosch- Negers. 

Ten W. der Coppename ligt langs de kust het district Coronie, dat van 
Paramaribo uit alleen over zee valt te bereiken. Het districtsbestuur is gevestigd 
op de vroegere plantage Friendship. Vroeger werden hier talrijke bloeiende 
katoenplantages gevonden, welke cultuur heeft opgehouden. Slechts enkele 
plantages bestaan er nog, doch de meeste zijn verdeeld in kleine perceelen, 
waar landbouw op kleine schaal wordt gedreven, en hoofdzakelijk cacao en kokos- 
noten geteeld worden. Op een scbulpbank, een oude stranden, is een rijweg 
aangelegd, evenwijdig met de kust op ±; één K.M. afstand. 

Ten W. hiervan ligt het district N i c k e r i e, in het stroomgebied dezer rivier, 
die het doorstroomt. Een smalle, in zee uitstekende landtong scheidt de uit- 
monding der Nickerie van de 7 K.M. breede monding der Corantyn. Aan den 
linkeroever ligt N i e u w-N i c k e r i e , de tegenwoordige hoofdplaats van het district, 
met witte gebouwen, die langs breede, elkander rechthoekig snijdende ongeplaveide 
straten om de kerkjes gegroepeerd zijn, omgeven door statige kokospalmen. In 1876 
werd deze nederzetting aangelegd, toen de vorige hoofdplaats van het district, 
Nieuw-Rotterdam, noordelijker gelegen, door afspoeling moest worden verlaten. 

Behalve Protestantsche vindt men er kerken der Moravische broeder- en 
R.K. gemeenten. De luchtig gebouwde particuliere huizen geven de plaats een 
gezellig uiterlijk. 

Westelijk en Oostelijk van de plaats en aan den benedenloop der Nickerie 
liggen plantages. De bosschen tusschen de Nickerie en de Corantyn leveren 
balata en timmerhout op. 



riname. 



Westelijk-Su- 



Ten W. der Suriname wordt de moerassige kuststreek omsloten 
door een zoom van mangrove-bosschen, zonder nederzettingen. 
Een breede inham opent zich vervolgens, waarin de Saramacca 



li 



36 



DE KOLONIE CURAQAO. 



De Nederlandsche kolonie Curacao omvat twee eilandengroepen : 
i era uur. Curaï;a0) Aru t, a en Bonaire, behoorend tot de „Eilanden 

onder den Wind" en St. Eustatius, Saba en St. Martin, tot de „Eilanden 
boven den Wind". Dikwijls ziet men, zelfs in officieele stukken, de uitdrukking 
gebezigd: „ Curacao en onderboorigheden." Die aanduiding is onjuist. De overige 
eilanden vormen geen onderhoorigbeid van Curacao maar een integreerend dee! 
der Kolonie, bestuurd door een, door de Koningin benoemd gezaghebber. Over 
de gebeele kolonie staat een gouverneur, vertegenwoordigende H.M. de Koningin 
en resideerende op bet grootste en belangrijkste eiland, nl. Curacao. Sedert 
1633 is Curacao een Nederlandsche bezitting. 

De oudere litteratuur over de Nederlandsche West-Indische eilanden is niet 
talrijk en niet belangrijk, zoodat wij die meestal kunnen voorbijgaan. Een hoogst 
belangrijke beschrijving: De West-Indische eilanden, verscheen in 1836—37, 
(Amsterdam), bewerkt door M. D. Teenstra, in twee deelen. De schrijver, die van 
1828-1834 in de West-Indische bezittingen verblijf hield, en in 1833 - 34 bepaald 
op de eilanden, waar hy in verschillende commissies land en volk leerde kennen, 
behandelt deze gewesten geographisch, statistisch, economisch en historisch. 
Zijn werk vormt voor dien tijd de hoofdbron onzer kennis dier eilanden. 
Later verschenen nog de volgende werken: G. J. Simons, Beschryving van het 
eiland Curacao, Oosterwolde 1868. — A. M. Chumaceiro Azn , De natuurlijke hulp- 
bronnen van de kolonie Curacao, 's Qravenhage 1879. — ibid. De natuurlijke 
hulpbronnen van de kolonie Curacao. Kritiek en Anti kritiek, 's-Gravenhage 1880. 
— A. T. Brusse, Curacao en zijne bewoners, Curacao 1882. - J. Havelaar, 
Rapport betreffende eene reis naar de kolonie Curacao, ingevolge art. 2 van het 
K. Besl. 20 Juli 3901. N°. 30. Bij). C' Versl. v. Suriname van 1902). — 
Prof. F. A. F. C. Went, Rapport omtrent den toestand van land- en tuinbouw 
op de Ned. Antillen. Verb. druk 1902. Den Haag. — Een belangrijke studie is: 
R. H. Rijkens, De landbouw van Curacao en zyn toekomst, waarin ook voor 
goographische kennis veel gegevens voorkomen. (In Cultura 1905). Een interessant 
boek is ook H. van Kol, Naar de Antillen en Venezuela. Leiden 1904. - 
Curacao- nummer van Neerlandia. (Orgaan v. h Algem. Ned. Verbond), Juli— Aug. 
1905 met kaart. 

Verder: Een beschrijving van het eiland Curacao en Onderfworige eilanden 
uil onderscheidene stukken, bedragen en opmerkingen, opgemaakt door een bewoner 



ized by Googl 



563 



van het eiland, Haarlem 1819. - C. G. W. Reinwardt, Waarnemingen aan- 
gaande de gesteldlieid van den grond van het eiland Aruba en het goud aldaar 
gevonden. Met kaart. — A. M. Chumaceiro, Hel eiland Bonaire, Omschrijving 
der kavels en voorwaarden van verkoop van het meerendeel der domeingronden 
en zoutpannen aldaar op 1 Sept. 18GS. Met een schetskaart, den Haag 18C7. 

— J. H. J. Hamelberg, De beteckenis van St. Eustatius als Ned. bezitting. Wel- 
vaart, verval en oorzaken, die daartoe geleid hebben (Vragen v. d. Dag 1894). 

- ibid. De kolonie Curacao. (Eigen Haard 1901). - Prof. G. A. F. Molengraaff, 
Nationale belangen in Wcst-Indiè verwaarloosd. (Vragen v. d. Dag VII, 1892.) — 
Een studie der volkstaal leverde A. Jesurun, Het Papiementsch. (Tweede Versl. 
v. h. Geschied-, Taal-, Land- en Volkenk. Genootschap te Willemstad, 1898). 

De geologie dier eilanden is bet eerst behandeld door K. Martin, Geolo- 
gische Studifn über Niederlandisch West- Indien : Die Insein Curacao, Aruba und 
Bonaire. Met 4 col. Karten. Leiden 1888. — Geologische kaart, 1 van Curacao, 
schaal 1 : 150 000, 2 van Aruba, schaal 1 : 100 000 ; 3 van Bonaire, schaal 
1:150000, ontworpen door Prof. K. Martin, (Tydschr. Ned. Aardr. Oen. 
2<io Serie IV. afd. Versl. en Meded.). — J. H. Kloos, J. I.orié und M. M. 
Schepman. Beitrdge zur Geologie von Niederl. West- Indien und angrenzenden Ge- 
bieten (Band I der Samml. des Geol. Reicham. in Leiden von K. Martin und 
A. Wichmann 1887-89. Leiden). - Dr. G. A. F. Molengraaff, De geologie van 
het eiland St. Etistatius, Acad. Proefschr. Leiden. 1886. Met kaart. - Prof. Karl 
Sapper, In den Vidkangebieten Mittel- Amerika' 's und Westlndicns. Reiseschilde- 
rungen und Studiën, Stuttgart 1905. — De beste kaart van Curacao is die van 
Majoor R. F. Raders, welke op de schaal 1 : 100 000 in 1835 hel licht zag 
(Amsterdam), en met onbelangrijke verbeteringen in 1S71 en 1886 weder her- 
drukt werd. Van Aruba is de kaart van Reinwardt (in zijn werk, zie boven) 
op de schaal 1: 72 000, de beste, volgens in 1820 door den Kap. ter Zee W. A. 
van Spengler gedane opmetingen, en in 1825 met verbeteringen van Raders 
voorzien. Van Bonaire werd in 1867 een kaart gepubliceerd in genoemd werk van 
Chumac eiro. Door het Ministerie van Marine werden uitgegeven kaarten van Cu- 
racao, schaal 1 : 8000, en Curacao, Bonaire en Aruba, schaal 1:300000. 



/. HET EILAND CURA«,AO. 

Op 70 K.M. van de noordkust van Venezuela 
tcrreingestèid- 1'gt het eiland Curacao, 550 K.M.' groot (ongeveer 
heid en j» eol °- 7, 0 van Noord-Brabant) en met 31 090 inwoners op 
g 1 Jan. 1906. 

Het eiland heeft een langwerpige gedaante met 50 K.M. 
lengte, gemiddeld ongeveer 10 K.M. breedte, op zijn meest 
12 K.M., en strekt zich in de richting N.W. ten W. naar Z.0. ten 
O. uit tusschen 1 2 en 13° N.Br. De bodem rijst met steile hellingen 



564 



op uit de Karaïbische zee, in de kustzone hier 2000—4000 M. diep. 
De noordkust van Curacao is weinig geleed, steil en ongenaakbaar, 
doch de zuidkust heeft eenige baaien, van welke de St. Anna- 
baai een goed afgesloten inham in het land vormt, waardoor 
dit een der beste en veiligste natuurlijke havens is van West- 
Indié. Op deze baai ontstond dan ook in vroegere eeuwen een 
drukke scheepvaart en de grootste nederzetting van het eiland, 
nl. Willemstad, werd hier gebouwd. Nog eenige andere 
baaien dringen van het Z. in het eiland door, als de Spaan- 
sche baai, de Golf van St. Michiel, de Oaracasbaai e.a. 

Het geheele eiland is meer of minder heuvel- of bergachtig, 
doch de hoogte der verheffingen gaat niet boven 378 M. Naar 
den orographischen bouw kan men op Curacao een hooger 
westelijk gedeelte en een lager oostelijk gedeelte onderscheiden, 
welke door een smalle landstreek van ongeveer 3 K.M. breedte 
gescheiden is. Dit laatste gedeelte behoort tot den z.g. Kleinen 
berg, die slechts 78 M. hoogte bereikt. Het westelijke hoogere 
gedeelte des eilands, heet in den mond der bevolking het „be- 
neden gedeelte", het lagere oostelijke, het «bovengedeelte", een 
benaming, die in verband staat met den passaat. (Zie pag. 5 1 4). 
De hoogste bergtop is de scherpe rug St. Christoffel in het N.W., 
die 378 M. hoog is, en welke zich bij een reeks lagere ver- 
heffingen aansluit, als de Tafelberg, 218 M. e.a. Doch het 
binnenland van W. Curacao verheft zich niet hooger dan ± 60 M., 
die bergen uitgezonderd. 

Het binnenland van Oost-Curacao kan als een zacht golvend 
heuvelland van niet meer dan 40 M. hoogte beschouwd worden, 
terwijl de kusten meest hooger zijn en het eiland door een rand- 
gordel omsluiten met hoogere toppen. Aan de oost- en aan de 
noordoostkust vindt men een reeks van meer of minder breede 
plateau s, die meestal terrasgewjjze naar zee afdalen. Deze plateau's 
bestaan bijna overal uit koraalrots zonder eenige bedekking met 
teelaarde, en zijn van een netwerk van spleten doorsneden, 
waaruit heesters en kleine booraen opschieten, en die tot voedsel 
dienen voor de geit, het huisdier bij uitnemendheid vau Curacao. 

Geologisch beschouwd bestaat Curacao in het oostelijk en 
het westelijk gedeelte uit twee groote kernen van diabaas (de 
westelijke nog in tweeën gescheiden) in het midden, die om- 



Digitized by Google 



565 

ringd zijn door gordels uit de Krijtformatie en uit Quartaire 
rifkalk en conglomeraten, welke genoemde twee kernen tot één 
eiland verbinden en uitbreiden. In het Z.0. vindt men nog 
jongere rifkalk en alluvium. Het is dus een kern van vulkanische 
vorming, die steil uit de zee oprijst tot de diepte, waarop 
de rifbouwende koraaldiertjes leven, zoodat deze daaromheen hun 
kalkformaties hebben gevormd. De oudste Quartaire kalkge- 
steenten van Oost-Curacao vormden in den tijd van hun ont- 
staan een ovaal atol, dat aan de noordkust het meest volkomen 
gesloten was; aan dien kant is de kalkzone ook het breedst en 
vindt men slechts kleine inhammen. Aan de andere zijde echter, 
in de luwte van den N.0. passaat, was het koraalrif niet zoo 
goed ontwikkeld, had het vele openingen, waardoor het water 
bij vloed in de atol kon doordringen, om vervolgens weer weg 
te stroomen, waardoor er koraalzand werd neergelegd. Door 
erosie en andere oorzaken is deze formatie in den loop der tijden 
weder geheel gewijzigd aan de oppervlakte. Ook West-Curacao 
is in hoofdtrekken op dezelfde wijze ontstaan als het oosten. 

De heuvelketen van de zuidelijke kust van Curacao is 
overal met teelaarde bedekt, die boschcultuur mogelijk maakt, 
en op onderscheidene plaatsen is een karige boomgroei voor- 
handen. In het binnenland zijn de heuvels meestal zonder boom- 
groei, en alleen in het W., waar de grootere hoogte aanzien- 
lijken regenval doet ontstaan, vindt men boomgewas. Behalve 
waar de koraalrots aan de oppervlakte komt, is de bodem met 
een meer of minder dikke laag bebouwbare aarde bedekt, bruine, 
zoogenaamde gruisgrond, een verweeringsprodukt van diabaas, op 
enkele plaatsen met humus vermengd. Van de hoogere gedeelten 
is dit verweeringsprodukt meest afgevoerd door het stroomend 
water en in ravijnen en dalen tot zware lagen neergelegd. 

De bodemgesteldheid van Curacao wordt door den heer 
Rijkens, die dit eiland met het oog op den landbouw bestudeerde, 
gunstig geacht voor de ontwikkeling eener bloeiende bodem- 
cultuur. Het klimaat van Curacao echter heeft een slechten 
naam. Men karaktiseerde het eiland als „een barre rots onder 
een koperen hemel." Dit is eenzijdig voorgesteld, want al prijkt 
er geen weelderige plantengroei, toch vindt men er heel wat 
vriendelijke plekjes, zelfs in den drogen tijd. 



Digitized by Google 



566 



De -Eilanden onder den Wind" liggen in het 

Klimaat ^ ■ 

gebied van den N.0. passaat, die met uitzondering 
van de maanden Sept. — Nov., gedurende het geheele jaar waait, 
en in de maanden April tot en met Juni met zulk een kracht, 
dat hij dikwijls gelijkt op een storm. In dezen tijd van het jaar 
raast hij onophoudelijk dag en nacht, wolken stof voor zich uit 
jagend, zegt de heer Rijkens. Overal, waar de kracht van den 
passaat zich kan doen gevoelen, en dat is bijna op het geheele 
eiland het geval, wijzen de boomen door hun helling en de 
richting van den kruin naar het Z.W. de heerschende Curacaosche 
windrichting aan. De maanden, dat de N.O. passaat het zwakst 
is of niet waait, zijn tevens die van de meest drukkende hitte 
voor Curacao, welke in dien tijd zeer onaangenaam kan worden. 
Vooral in October en November, wanneer ook de nachten weinig 
verfrissching brengen, is dit het geval. Toch stijgt de tempe- 
ratuur niet buitengewoon hoog, zeer zelden komt zij boven 
35° C. in de schaduw, doch meestal niet hooger dan 29° C, terwijl 
bij het ondergaan der zon de thermometer dikwijls daalt tot 
20° C. Daardoor is het klimaat hier geenszins zoo afmattend als 
in andere tropische landen en wordt Curacao een der gezondste 
van de West-Indische eilanden geacht. Van St. Domingo, Jamaica 
en Porto-Rico komen teringlijders en lijdenden aan andere ziekten 
zich hier tijdelijk of voor goed vestigen, om hun gezondheid 
terug te erlangen. 

Deze eilanden, hoewel midden in zee gelegen, hebben deels 
oen echt landklimaat, dat zich vooral kenmerkt door een geringen 
regenval. De regenrijkste en regenarmste jaren uitgezonderd, 
zal de gemiddelde neerslag 500 a 600 ru.M. bedragen, in enkele, 
bijzonder regenrijke jaren, als bijv. 1887 — 88, steeg die tot 
900 iu.M., doch er komen ook regenarme jaren voor van niet 
meer dan 300 a 400 m.M. regen. Niet alleen is de jaarlijksche 
regenval gering'), doch hij valt ook hoogst ongeregeld, waardoor 
men niet op den regenval kan rekenen, en dit is een groot 
bezwaar voor de cultuur. Gemiddeld vallen de hoofdregens van 



1) In Nederland valt gemiddeld 710 m.M. ragen, maar men bedenke daarbij we), dat de 
verdamping hier teel geringer is, en dat genoemde regenval in ons land meer economisch 
verdeeld is. 



ized by 



567 



October tot in Februari, terwijl in Juli en Augustus een zwakkere 
regenperiode voorkomt. Daartusschen vallen af en toe wel eens 
meer of minder aanzienlijke regena, maar zeer onregelmatig. 
En van de hier genoemde gemiddelde regentijden wijkt niet 
zelden de werkelijkheid af, zoodat soms in October en ook in 
November nog vruchteloos de regen verwacht wordt Zelfs kan 
de regentijd nog in Dec, Januari en Februari uitblijven, waar- 
door alles verdroogt en de oogst vernietigd wordt. Dan kan er 
in werkelyken zin waternood heerschen op Curacao, waarbij 
de regenbakken worden uitgeput. Het water wordt in dien tijd 
hier een artikel van belangrijke handelswaarde. De prjjs van 
het regenwater, die in gewone jaren 5— 10 cents bedraagt, stijgt 
wel tot 25 a 30 cents per blik van 18 liter, en de stoombooten 
van den West-Indischen Maildienst voeren niet zelden het water 
van elders, van New-York, aan. Het putwater toch, al is het 
te verkrijgen, is dikwijls bij droge tijden brak. En als na lange 
tijden van droogte de regen eindelijk valt, zijn het ware water- 
stroomen, waardoor in enkele uren 9— lOc.M. water valt. Die 
stortregens werken weder schadelijk, doordien het snel vallende 
water den grond dichtslaat en elders in bruisende stortvloeden 
van de heuvelen neerdalend, de bouwaarde wegspoelt, ravijnen 
erodeert, en het medegevoerde materiaal in de laagte over jonge 
aanplantingen uitspreidt, die daardoor vernield of beschadigd 
worden. Verder doet die overvloedige regenval weinig nut voor 
den bodem, daar het te spoedig wegstroomt naar de zee, of ver- 
dwijnt in den bodem als grondwater. 

De regenwaarnemingen werden op dit eiland, waar die 
van zooveel belang moeten zijn, eerst in 1894 aangevangen in 
Willemstad, terwyl zij vroeger reeds geschiedden te Savonet, 
een plantage aan de westpunt gelegen bij den Christoffelberg, 
waar de neerslag veel aanzienlijker is. Van Kol vond uit de 
gegevens van Willemstad ') als gemiddelde telkens van 2 jaren 
in 1895-96: 571 m.M. regen per jaar, voor 1897— 98: 526 m.M., 
1899—1900: 377 m.M., en 1901— 02 : 472 m.M. Als men alleen de 
buien van meer dan 10 m.M. regen in aanmerking neemt, dan 



1) De cijfert vinden wij in het Rapport van den beer Havelaah, boren genoemd pag. 87, 
geheel gepubliceerd tot 1901. Zie ook de cijfers in de Kol. Verslagen. 



Digitized by Google 



50S 



vielen er in bovengenoemde jaren resp. 34, 23, 19 en 24 buien. 
De natste maanden waren: October tot en met Januari, in 
welk kwartaal in de drie jaren (1895—1902) 73 malen meer 
dan lOm.M. regen viel; de droogste maanden waren Maart tot 
en met Juni, in welken tijd jaarlijks slechts 7 malen zulke buien 
vielen, of jaarlijks resp. 97* en 7h« De heer Van Kol meent, 
uit enköle gegevens, die tot eenige vergelijking aanleiding geven, 
hoewel ze niet voldoende zijn, toch niet tot achteruitgang van 
den regenval in de 19 d ° eeuw te moeten besluiten. 

Eigenaardig is het, dat hier zelden donder voorkomt, doch 
als zich een donderbui ontlast boven het eiland, kan dat vree- 
selijk zijn. Mist en nevel behooren er eveneens tot zeldzaamheden. 

Geven wij ten slotte nog een citaat van den heer H. van 
Kol, over de droogte van het eiland, »de kwaal die Curacao 
op zulke vreeselijke wijze teistert". „De droogte doet de velden 
verdorren, de oogsten verschroeien, en geeft het geheele eiland 
het uiterlijk eener woestenij, maakt er een schaduwrijk plekje 
zeldzaam en plantengroei gedurende de lange tijden van droogte 
nagenoeg een onbereikbaar iets. De sterke passaatwind, die er 
soms maanden lang aanhoudt, verdrijft de wolken, die nu en 
dan opstijgen aan den helder blauwen hemel; alles snakt er 
dan naar regen, doch geen droppel water komt er de dorre aarde 
lesschen. Uit het oosten aankomende naderen de met water 
bevrachte wolken het uitgedroogde eiland, doch worden door 
de heete lucht van den bodem weer naar boven gedreven, om 
zich wat verder weg in de Caralbische zee te gaan ontlasten. 
Terwijl men op Curacao sedert lange maanden reikhalzend uit- 
zag naar een flinke regenbui, hadden wij op onzen tocht over 
de Middellandsche Zee van Amerika veel last van ware stort- 
buien. Even goed als op Bonaire stierven er in die dagen dieren 
van gebrek aan voedsel en drinkwater ; even goed als daar leden 
op Curacao de menschen zwaar door de droogte, die hun aan- 
plant vernielde, hun tuintjes deed verdorren, en waaraan alleen 
wat divi-divi en cactussen weerstand boden." En de heer Van 
Kol vervolgt, „dat zoowel Bonaire als Curacao, wat den land- 
bouw betreft, alleen kunnen gered worden, wanneer men er in 
slaagt hun meer water te verschaffen. Gemakkelijk moge dat 
niet zijn, onmogelijk kan het niet worden genoemd. 1 ' Hierbij 



Digitized by Google 



509 



heeft de schrijver het oog op kunstmatige besproeiing, waardoor 
de gevallen regen meer economisch wordt aangewend. 

Door het droge klimaat kan de plantengroei er 
Plantengroei. on t w ikk e i eil tot die beteekenis, welke het 

tropisch klimaat overigens meestal kenmerkt. De plantengroei 
ziet er op Curacao treurig uit. Als de regentijd aanbreekt, wordt 
de bodem spoedig, zelfs op de hoogste heuveltoppen, met groen 
bedekt, maar het is niet duurzaam. Dit tijdelijk groen bestaat 
voor het grootste deel uit grassen en één- of meerjarige kruiden, 
waaronder windensoorten, die, in gewone tijden onzichtbaar, 
bij aanhoudenden regen zich zoo ontwikkelen, dat de voor Curacao 
typische plant, de cactus, er soms onzichtbaar door wordt. Doch 
twee a drie weken na het vallen van den laatsten belangrijken 
regen ziet men dat heerlijk groen verwelken, ten minste op de 
aan den drogen wind blootgestelde plaatsen. In de valleien, die 
diep en beschut liggen, blijft het groen nog lang bewaard, als 
de hellingen des heuvels reeds kaal zijn. De zonnebrand ver- 
schroeit de stengels en bladeren, en de felle wind doet ze spoedig 
verbrokkelen. Doch de planten, eigen aan het droogte-klimaat, de 
cactussen, blijven bestaan en bedekken geheele uitgestrektheden, 
alsof ze cultuurplanten waren. Zij behooren tot onderscheidene 
soorten, en de voornaamste is wel de z.g. „Spaansche Juffer", 
een Opuntia, welker zonderlinge, doornige stengels, gelijkende op 
op elkander geplaatste raquetten, tot 2 M. hoog en nog grooter 
worden, en die vaak in zulke dichte massa's voorkomt, dat geen 
mensch er zich doorheen kan werken. Op kalkriffen komt deze 
weinig voor. Verder komt er veel voor een cactus, de z.g. cadoesji, 
een Cereus, die met zijn kantige, zuilen vormige stengels zich bij 
hoogen ouderdom tot gedrochtelijke boomen ontwikkelt, welke 
op grooten afstand op de kale heuveltoppen en ruggen zicht- 
baar zijn. Zij komen voornamelijk voor langs wegen, waar zij 
oorspronkelijk zijn geplant of gestekt voor het maken van heggen, 
en zijn, bij goed onderhoud, ondoordringbaar. De Meloen-cactus 
komt minder voor en valt weinig in het oog; zjj groeit uit- 
sluitend op woeste, droge hellingen, vaak op naakte kalkrots. 
Typisch voor dat droge klimaat zijn de verschillende Agaves, 
„pita's" geheeten, die veel gebruikt worden om grensscheidingen 



Digitized by Google 



570 



aan te duideD, en aloës, die nog in evenwijdige reeksen langs 
de hellingen der heuvels staan, wat er op wijst, dat het over- 
blijfselen zijn van een vroegere cultuur. Verder komen er nog 
tal van booraen voor, klein van stam, zelden hooger dan 8 voet, 
de kroon door den wind meer in de breedte dan in de hoogte 
ontwikkeld. Tot deze behooren de divi-divi, indio en wabi, welke 
met de cactussen, agave's en aloé's het Curacaosehe planten- 
landschap karakteriseeren. Langs de kust strekken zich op onder- 
scheidene plaatsen mangrovebosschen uit. 

Aldus de plantenphysionomie van het landschap in de vrije 
natuur op de meeste plaatsen. De lagere gedeelten hebben een 
hooger plantenwereld, meer groen. En de z.g. „hofjes" hebben een 
geheel ander uiterlijk. Hieronder verstaat men die gedeelten van 
plantages en kleine grondjes, waar een grooter of kleiner aantal 
boomen gevonden worden. De eigenaar van een grondje van 2 H.A., 
die daarvan een klein gedeelte met boomen heeft beplant, noemt 
dit gedeelte zijn „hofje". Op groote plantages hebben de hofjes niet 
zelden een uitgestrektheid van verscheidene H.A. Die hofjes zijn 
clan zonder uitzondering aangelegd in een vallei of ravijn, waar 
de bodem altijd vocht genoeg bezit om den boomgroei te onder- 
houden. Doch op vele gronden geeft de bodem uit de natuur 
geen gelegenheid om een hofje aan te leggen, en dan moet men 
door kunstmatige besproeiing daarvoor zorgen. In die hofjes 
vindt men vele vruchtboomen der tropische landen: manga's 
(Mangifera indica), papaya (Carica papaya), mispel of sapatille 

— sawoe manilla — (Achras sapote), schubappel — sirakaya 

— (Anona squamosa), zuurzak (Anona^rauricata), banaan of ba- 
cove — pisang, (Musa sapientum), kokospalm (Cocos nucifera), 
in de droogste gronden de dadelpalm (Phoenix dactilifera). In 
de hotjes groeien deze boomen tot mooie, hooge exemplaren, 
die koele schaduw spreiden. Als overblijfsel misschien van ver- 
dwenen hofjes komt ook de Tamarinde veel op het eilandje voor, 
zij het ook niet zoo prachtig als op Java, en blijft hij zich hand- 
haven zelfs in dit droge klimaat. Buiten de vruchtboomen vindt 
men nog den mahonieboom in de hofjes, waarvan vele meubelen 
worden vervaardigd. ') 



1) Wij volgden hierbij voornamelijk de studie van den heer Rijkens. 



571 



Omstreeks hot einde der vijftiende eeuw werd Curacao door 
0 H mSkin Ch en de SP*™'*" 0613 ontdekt, doch eerst in 1527 officieel door hen in 
«T'bevoüdng. Dez ^ genomen en met Aruba en Bonaire gesteld onder het gezag 
van den Gouverneur van Coro in Venezuela. Ruim een eeuw lang 
bleef het eiland in het bezit der Spanjaarden. Omtrent de af komst van den naam 
is men in onzekerheid. In oude geographische werken wordt die verschillend 
geschreven, nl. Quirayao, Corossel, Cerossel, Curazaö. De Franschen noemden 
het Corossel, naar een vrucht „zuurzak" geheeten, die er in het wild groeide 
en van hier naar de Fransche koloniön overgebracht, daar denzelfden naam heeft 
behouden. De afleidingen van „Cura hazao" van Cura = priester en huzao = 
braden, naar een priester, die dfiar door de oorspronkelijke bewoners, menschen- 
eters, zou zijn gebraden, of van „Curaquirra" d.i. „hij wordt gezond", nl. wie 
er heen gaat, — zijn gezocht; dat de ontdekker van bet eiland „Quirazao" zou 
geheeten hebben en het eiland naar zich noemde, is evenmin bewezen. Het 
waarschijnlijkst is, dat de oorspronkelijke bewoners dit eiland reedB een naam 
hebben gegeven, dien de Spanjaarden op hot gohoor overnamen. 

De oorspronkelijke bewoners van Curacao waren Indianen, die door de 
Spanjaarden zoogenaamd tot het Christendom waren bekeerd, doch overigons 
aan hun lot werden overgelaten. Zy werden beschreven als een zwak, traag 
volk, dat zich met zeedieren voedde, zooals de overblijfselen van kreeften, mos- 
selen en oesters, die gevonden werden op plaatsen, waar zij vroeger gewoond 
hebben, doen vermoeden. Het moet dan een volk zijn geweest als dat in 
Europa de Kjökkenmöddings deed ontstaan. Onbekend met het ijzer en met de 
middelen om den grond te bewerken, hielden zij zich meest op in de nabijheid 
van door de natuur gevormde putten en bronnen, o. a. daar, waar de latere 
plantages St. Barbara, Ascencion, Hato en St. Jan gevestigd werden. De Span- 
jaarden bleven ruim een eeuw in bet bezit van het eiland, bouwden een dorpje 
St. Anna aan de baai van dien naam, dwongen de Indianen zich daar te vestigen 
en er heerendiensten te verrichten, kweekten er eenige vruchten, en voerden 
het tamme vee als huisdieren in, zoodat bij de komst der Nederlanders dezen hier 
vonden omstreeks 2000 stuks hoornvee, 750 paarden en meer dan 0000 schapen. 
Volgens een opgaaf trokken de Spanjaarden jaarlijks van bet eiland ±600 
buiden, 500 bereide schapenvellen en een aanzienlijke hoeveelheid verfhout. 

Den 29»ton Juli 1633 namen de Nederlanders onder Boudf.wijn Hendricks 
bezit van het eiland, evenals van Aruba en Bonaire. Op Curacao had de vesti- 
ging plaats aan de St. Annabaai, waar Willemstad werd gesticht. By de komst 
der Nederlanders werden er nog ruim 1400 Indianen gevonden, die bij de ver- 
overing van het eiland op de Spanjaarden sneuvelden of naar elders vertrokken, 
en in 1635 bleven er niet meer dan 75 over. 

De economische beteekenis van dit eiland voor Nederland bestond voor- 
namelijk in de veilige haven en in de rijke zoutpannen, die zoowel hier als op 
Bonaire werden gevonden. Daar het zout destijds een artikel was, dat de Neder- 
landers tijdens den oorlog met Spanje niet gemakkelijk uit Portugal, hetwelk aan 
Spanje behoorde, konden verkrijgen, was deze bezitting van belang. De overgebleven 
Indianen werden vervolgens door de Nederlanders te vriend gemaakt, door het geven 



Digitized by Google 



572 

der uitdeelingen van rantsoenen in vleesch en brood, en z\j vermengden zich weldra 
geheel met de nieuwe kolonisten, zoodat er thans geen enkele van hen over is. De 
laatste der onvermengde Indianen werd hier gevonden in het laatst der 18de eeuw ; 
het was toen een stokoud man, die, zegt Teenstra, maandelijks op zyn ezel naar de 
stad reed om rantsoen in brood en vleesch te halen. Daar de Indianen btfna ver- 
dwenen waren, werden na den vrede van Munster Negers als werkslaven ingevoerd. 

De bevolking op Curacao nam spoedig sterk toe, toen de beteekenis van 
dit eiland met zyn veilige haven als handelsplaats bleek. In de r.abyheid lagen 
de Spaan sche koloniën op het vasteland van Midden- en Zuid-Amerika, waar 
het Spaansche monopoliestelsel alle ny verheid verbood en den handel met vreemden 
eveneens. De Spaansche kolonisten wisten echter in 't geheim hun produkten 
tegen Europeesche waren te verruilen, ook tegen aangovoorde slaven uit Afrika. 
Voor dien voordeeligen smokkelhandel was Curacao by uitstek gelegen, en daar- 
door werd de haven van dit eiland een belangryke handelsplaats. Toen Neder- 
land in 1654 de bezitting in Brazilië moest prys geven aan Portugal, verlieten 
onderscheidene Nederlandsche familiën dat land, die zich te Curacao vestigden. 
Ook kwamen na 1650, toen de Israëlieten uit Portugal verdreven werden, met 
toestemming der W. I. Compagnie zich velen dezer op Curacao, waar bun aan 
het einde van het Schot tegat, wyi zy zich niet in de stad mochten vestigen, 
een plek tot verbiyf werd aangewezen, thans nog Jodenkwartier geheeten. Dit 
exclusivisme ten opzichte der Joden duurde bier echter niet lang, zoodat zy 
weldra vr\J waren zich te vestigen, waar zy wilden. 

Curacao, aldus gunstig gelegen voor den handel, die er zeer bloeide, was daar- 
door ook onderscheidene malen blootgesteld aan den aanval van vreemde mogend- 
heden, vooral van de Franschen, waarvan het telkens verliezen en herwinnen 
van het eiland het gevolg was. Van 1807—1816 was het in bezit der Engel- 
schen, doch in 1816 werd het eiland, volgens het verdrag van Parys, aan Neder- 
land teruggegeven. In 1828 werden deze eilanden met Suriname tot eón kolonie 
vereenigd, doch in 1845 er weer van gescheiden. In 1848 werden op St. Martin de 
oorste slaven vrygemaakt, doch eerst in 1863 werd de slaverny voor goed op- 
geheven. Aan 6958 slaven op Curacao, 161 op Bonaire, 493 op Aruba, 1138 
op St. Eustatius, 730 op Saba en 2254 op St Martin, in 't geheel dus 11734 
slaven, werd toen vryheid verleend. 

De bevolking der geheele kolonie Curacao bedroeg op 1 Jan. 
Bevolking. 1906 54 171 zielen( a]8 yolgt verdee i d . 





Bevolking. 


Oppervlakte. Be 


wonen, per K.M.* 


Curacao . . . 


. 31090 


550 K.M. 1 


57 


Aruba . . . 


. 9,541 


165 


58 


Bonaire . . . 


. 6 063 


335 


18 


St. Martin . . 


3 792 


46,80 „ 


81 


St. Eustatius . 


. 1499 


20,70 „ 


72 


Saba. . . . 


2 186 


12,83 , 


170 


Totaal . 


. 54 171 







Digitized by Google 



573 



De bevolking van Cura^ao, hier speciaal het eiland bedoeld, is samengesteld 
uit onderscheidene elementen, een gevolg van zyn eigenaardige geschiedenis en 
ligging. De blanke bevolking bestaat uit nakomelingen van allerlei naties en 
landen. In 1815 woonden er 2780 blanken, 2160 vrije mulatten, 1870 vrye Negers, 
690 Mulatten-slaven, 5386 Negerslaven, totaal 12 840 menschen; in 1838: 15027 
inw., waarvan 2602 blanken, 2701 kleurlingen, 3830 vrye Negers en 5894 slaven. 
In 1862 bedroeg de bevolking totaal 31 800 menschen, waarvan */» slaven. Na 
dien tyd daalde de bevolking in aantal tot 25 365 in 1885, en steeg vervolgens 
weder, zy het ook in geringe mate, tot het tegenwoordig getal. 

De tegenstelling van het Blanke en Zwarte ras, waarvan de laatsten nog 
voor een halve eeuw gedeeltelik slaven waren, is wel verminderd maar nog 
niet opgeheven. Het gekleurde deel der bevolking staat nog scherp tegenover 
de Blanken, zegt de heer Hamelberg, een kenner der bevolking by uitnemendheid. 
Als een kleurling maar eenig blank bloed in zyn aderen heeft, is hy er tuk op, 
zyn minder bevoorrechten rasgenoot den scheldnaam „Neger" naar het hoofd 
te werpen, hoewel het zelfs moeieiyk valt beide te onderscheiden. In den blanke 
ziet de zwarte nog iets van zyn vroegeren meester, en als zoodanig eerbiedigt 
hy hem, maar hy minacht den kleurling, die vaak tegen hem wil optreden op 
een wyze, waartoe hy naar zyn meening niet gerechtigd is, en die alleen aan 
den blanke toekomt. Doch „gelukkig komen op Curacao de verschillende ge- 
kleurde elementen der bevolking zelden met elkander in botsing, en heeft een 
rechtvaardig bestuur de gevolgen van den rassenhaat weten te verzachten, ja 
zal het deze geheel en al kunnen doen ophouden en alle vooroordeelen doen 
uitwisachen door verstandig beleid. Wel is waar vertegenwoordigen de blanken en 
kleurlingen het kapitaal en de zwarten de werkkrachten, doch de industrie heeft 
er nooit zulk een vlucht genomen, dat de klassenstryd er scherpe verhoudingen 
behoefde aan te nemen." Aldus de heer Van Kol. 

De Curacaosche Neger wordt beschreven als te zyn „eenvoudig in leefwyze, 
gehecht aan zyn geboortegrond, hulpvaardig en gastvry. In gewone tyden is hy 
matig, doch op feesten dol op muziek en dans en verre van afkeerig van rum. 
Daar hy eerhjk is en rechtvaardig, is het aantal diefstallen er gering en zyn 
moorden er een groote zeldzaamheid. Menschlievend en gedwee, is hy bij goede 
behandeling zeer werkzaam, leergierig en ook vatbaar voor hoogere ontwikkeling." 

De maatschappy van Curacao is door die vele rassen een gemengde, en 
vormt weinig een geheel. Zy is niet verdeeld in standen, zooals in Europa en 
elders, doch de meest gegoede ingezetenen vormen op zich zelf staande kringen, 
en by verbetering van positie gaat men er over tot een hoogeren kring. Tus- 
schen die kringen bestaat een zekere nayver, afgunst en vyandigheid, en niet 
licht zal iemand in een kring komen, waarin hy niet behoort. Ten opzichte van 
vreemdelingen is het anders. De gastvryheid der Curacaonaars is spreekwoordeiyk, 
en wordt soms wel wat ver gedreven, zoodat zy geëxploiteerd wordt door niet 
vertrouwbare vreemdelingen. 

Wat de taal betreft is Curacao een uiterst polyglottische kolonie, waar ver- 
schillende talen gesproken worden en in den handel de Engelsche en Spaansche 
taal het meest in gebruik zyn. Alle ingezetenen van den beschaafden stand 



574 



spreken op zyn minst drie talen: Spaansch, Engelsch en Nederlandsen, terwijl 
het Fransch en het Duitsch ook niet onbekend zyn. Het Bestuur der kqlonie 
en de Nederlanders gebruiken het Nederlandsen als voertuig der gedachten, in 
de Protestantsche kerk wordt alleen in die taal gepredikt doch in de R.K. kerken 
geschiedt dat alleen op Zondag en heilige feestdagen ten behoeve van ambte- 
naren van de land- en zeemacht, doch overigens in het Papiamentoe. In de Israë- 
litische kerken geschiedt de dienst in het Spaansch en het Engelsch en op natio- 
nale gedenkdagen in het in het Nederlandscb. In den familiekring wordt er echter 
weinig Nederlandsch gesproken, en vreemdelingen, hier gevestigd, spreken hun 
eigen taal. 

De eigenlijke volkstaal, die men meest hoort, zoowel in de salons van den 
aanzienlijken Curacaonaar als in de huizen der mindere kringen, is het zjg. 
Papiamentoe (van het werkwoord paplar = spreken), een taal uit Hollandsche, 
Spaansche en Indiaansche woorden samengesteld. Het Papiamentoe heeft een 
b\)zonder taaleigen, verkortingen en samensmeltingen, waarby vooral op de accen- 
tuatie dient te worden gelet, die een woord niet zelden een bijzondere betee- 
kenis geeft. Er zijn twee soorten van Papiamentoe, nl. het Hollandsche en het 
Spaansche Papiamentoe. Het eerste, wemelend van Nederlandsche woorden, wordt 
gesproken aan de „Otra Banda" of Spaansche zyde der haven; het tweede, 
waarin het Spaansch de hoofdrol vervult, in de stadsdistricten tot aan Oostpunt, 
het z.g. „Banda Ariba" van het eiland. Een eigen letterkunde bezit het Papia- 
mentoe niet, eenige godsdienstige schoolboekjes uitgezonderd. By het godsdienst* 
onderwys voor de lagere klasse, die ongeveer 7 / 8 der geheele bevolking inneemt, 
is de R.K. geesteiykheid wel verplicht het Papiamentoe te handhaven. 



Br De West- Indische eilanden hebben in economisch opzicht i 

besuan^Èco^ merkwaardige ligging. Evenals de Nederlandsch Oost-Indische be- 
nomische toe- zittingen liggen zy in een middelzee, die eigeniyk twee wereld- 
standen op Cu- deelen scheidt: Zuid- en Noord- Amerika. Doch de West-Indische 
racao. eilanden zyn meer versnipperd dan die van het Oosten. De ligging 

verleende hen een beteekenis om de bemiddeling tusschen N. en Z., O. en W. tot 
stand te brengen. Van die vele eilanden trachtten onderscheidene zeevarende natiën 
er een of meer in bezit te verkrygen, om daar een vast punt te bezitten, van- 
waar handel op de naburige vastelanden kon worden gedreven. Hoewel deze 
eilanden zelf ook door den landbouw veel geleverd hebben in vroegere tyden, 
vooral katoen en suiker, is deze opbrengst voor den wereldhandel toch niet te 
vergelyken met die van den Oost-Indischen Archipel, en in den nieuwen tyd 
is de beteekenis der opbrengsten van West-Indté achteruitgegaan, door het af- 
schaffen der slaverny. De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, zyn meest te 
gronde gegaan, en de vrygelaten slaven hebben niet de gewenschte arbeidskracht 
geleverd. Voor den handel echter hebben onderscheidene eilanden nog beteekenis 
door hun ligging en goede havens. 

Bepalen wy ons thans nader tot de economische toestanden op bet eiland 
Cura<*ao. 

Do grond op Cura<;<io is meest particulier eigendom, een kleiner, niet on- 



d by Googl 



575 



aanzienlek deel, behoort aan het Gouvernement. De particuliere gronden behooren 
meest tot de z.g. plantages. Zulk een plantage bestaat in den regel uit een 
groot, vierkant huis zonder verdieping, dat men langs een trap en hooge stoep 
bereikt. Rechts en links van de binnengaleri) vindt men woon- en slaapkamers 
en verder een keuken. Door de veelheid der vertrekken kan men op elk uur 
van den dag een koel plekje uitzoeken, terwijl de eigenaar van de galerij uit- 
zicht heeft op de stallen en op de hutten, waarin de arbeiders wonen. Het geheel 
is door een terras omgeven en door een muur omringd. Op het erf vindt men 
een of meer putten, onder de woning] vaak de reservoirs voor het regenwater, 
dat van het dak afvloeit en bewaard wordt als drinkwater. Een fraaie poort 
aan den ingang, een brug en een voorhof met zuilengalerij, voor leesten bestemd, 
waren vroeger meer algemeen, doch zijn thans uitzondering geworden. De plantage- 
eigenaren wonen tegenwoordig meest in de stad, en dezen bemoeien zich niet veel 
meer met hun bedrijf, dan dat zij een paar malen in de week er heen gaan, 
om te zien, wat er gebeurt, en met den Neger-opzichter te bespreken, wat er 
geschieden moet. Van de plantagegronden wordt weinig aan kleine landbouwers 
in gebruik afgestaan, en ook het Gouvernement geeft aan de Negers meestal 
slechts kleine stukjes van a 1 H.A. in gebruik. Daardoor is er geen kleine 
landbouwersstand, maar naast de groote plantagehouders zijn er slechts arbeiders, 
die alleen zooveel grond hebben, als voor hun bestaan noodig is. Die toestand 
te behouden achten de plantagebezitters gewenschl, omdat zij daardoor beter 
arbeiders kunnon bekomen, doch is niet in het belang van de moesten der bevolking. 

Uit de beschrijving, die wy van de natuurlijke gesteldheid van het eiland 
Curac,ao gaven, valt reeds af te leiden, dat landbouw en veeteelt geen belang* 
rijke bron van bestaan kunnen vormen. Jaren lang kon de landbouw alleen 
aan den ijverigen, volhardenden en met veel geduld toegerusten landbouwer 
een karig bestaan verschaffen. In vroeger tijd, toen de slaven de goedkoope 
werkkracht leverden, bracht de landbouw aan de plantagehouders iets meer op, 
als de droogte den oogst niet deed mislukken. De landbouw bestond toen hoofd- 
zakelijk in de teelt van mals, pinda's (olienoten of grondnoten) en boon en. 
De mats was het hoofdvoedsel der buitenbevolking en werd op alle plantages 
op groote schaal verbouwd, doch van uitvoer was geen sprake. Pinda's werden 
op bijna alle plantages, tuintjes en savannen verbouwd en naar New- York ver- 
zonden. Doch do groote aanvoer van grondnoten uit Afrika heeft de prijs doen 
dalen, waardoor dit produkt geen voordeel meer oplevert. De boonen werden 
evenmin uitgevoerd, maar door de buitenlieden op het eiland gegeten. Ook op 
de aloëteelt hebben enkelen zich vroeger toegelegd, om aloëhars te leveren, 
doch ook deze hield op met den aanvoer van elders. De veeteelt bestond vroeger 
in de teelt van runderen, geiten, schapen, paarden en ezels. Alleen ezels werden 
van tijd tot tijd uitgevoerd, paarden werden voor eigen gebruik gefokt en het 
slachtvee voor verbruik verkocht. Doch langdurige droogte met gebrek aan drink- 
water deed niet zelden onder het vee ziekten en sterfte ontstaan. De schapen- 
teelt, die door invoering van eenige merino's wol leverde, is verminderd in den 
tijd van den achteruitgang der wolpryzen. 

De landbouw houdt zich tegenwoordig op Curacao bezig met de teelt van 



576 



mals (echte maïs, Zea Mats, slechts zelden, meest Sorghum), boonen, pinda's en 
rankvruchten. Hier en daar werden eenige H.A. met paragras beplant en proeven 
met Johnson-gras werden genomen, die gelukten. Een der voordeeligste vrucht- 
boomen is de mispelboom; de Curacaosche mispel is bekend en gezocht op 
de Antillen. Brazllie-boomen werden in byna alle tuinen aangetroffen, by eenige 
dikte tegen ± 50 gulden per ton verkocht en naar New- York gezonden, om tot 
verfstof te worden gebruikt. Doch ook dit is opgehouden. 

De belangrykste cultuur, hoewel die nauwelijks aldus mag worden genoemd, 
is die der divi-divi. Divi-divi is een kleine boom tot de familie der vlinder- 
bloemigen behoorend, welker glanzende, donkerbruine peulen xyk zyn aan looi- 
zuur. De prys der divi-divi is vry vast en bedraagt ± / 90. - per ton. De zorg 
voor dezen boom is echter nog onvoldoende, de verbreiding er van geschiedt 
meest nog door de geiten, die de peulen eten, en het onverteerbare zaad in den 
mest achterlaten. Door beter zorg en deskundige behandeling der divi-divi zou 
deze meer kunnen opleveren. 

Om den landbouw op dit eiland en op de andere tot bloei te kunnen brengen 
zou er kunstmatige besproeiing noodig zyn, door het water in vergaarkommen 
te bewaren voor het wegvloeion en economisch te verdeelen. Dit kan alleen 
mot vrucht geschieden by den grooten landbouw; de kleine landbouwers, die nog 
daarenboven met de minst gunstige terreinen genoegen moeten nemen, kunnen 
zich zelf niet helpen en zyn aangewezen op regeeringshulp. 

In de laatste jaren is men er op Curac.ao toe gekomen bevloelingsputten 
aan te leggen. Dergelyke putten zyn alle grondwaterputten, waarop meestal 
Amerikaansche windmolens zyn geplaatst om het water op te voeren in 
kleine, gemetselde reservoirs, welke overloopen, of waaruit het water meestal 
door yzeren pypleidingen geleid wordt naar het te bevloeien land. Door den 
steeds krachtig waaienden wind (zie pag. 566) kan dat vry geregeld geschieden. 
Behalve deze kunstmatig aangelegde putten worden ook hier en daar zoogenaamde 
watergaten aangetroffen, natuurlyke of gegraven verdiepingen in den bodem, al 
of niet bemetseld, waar men door de groote diepte er in slaagt lang water te 
behouden voor het vee enz. 

Wy geven hier een overzicht van den veestapel der eilanden van de kolonie. 



Veestapel der kolonie Cura<;ao in 1905. 



ElULÜDK.V 


Paarden. 


1 


Muil- 


Runderen. 


Geilen. 


Sehapt-n. 


Varkenf. 




187 


1883 


113 


1240 


25086 


10035 


665 




108 


1050 


14 


88 


11430 


7810 


1525 




115 


1702 


10 


283 


16340 


2525 


642 




280 


11 


28 


1307 


600 


1298 


680 




SI 


215 


4 


582 


901 


306 


197 




20 






163 


293 


246 


281 



Op het droge Curagao vormen geiten en schapen hoofdzakelyk den veestapel. 



ized by Googl 



577 



Wy wezen er reeds op (zie pag. 571), dat handel en scheepvaart Curacao, 
met de gunstig gelegen en veilige haven, tot groote welvaart hebben gebracht. 
Aanvankelijk bepaalde zich die handel hoofdzakelijk tot sluikhandel, zoowel op 
den vasten wal, waar Spanje door de strenge monopolie-bepalingen ten opzichte 
van z|jn koloniën daartoe aanleiding gaf en die voordeelig maakte, als op de 
omliggende eilanden. Die handel werd meerendeels met schoeners en kleine 
vaartuigen gedreven, waarby de schippers tevens de bandelaars waren, en deze 
schepen vormden de eigen koloniale vloot Ook werd er handel in slaven ge- 
dreven, welke by duizenden van hier naar de vaste kust werden vervoerd. Die 
voordeden gingen grootendeels verloren, toen in 1764 de Spanjaarden de ge- 
meenschap met hun koloniën door een pakketvaart gingen openen. De slaven- 
handel hield in 1778 op, toen het [laatste slavenschip hier aankwam. Nog bloeide 
de handel op Curacao in den oorlog tusschen Engeland en Frankryk, toen dit 
land zich aansloot .by de Noord-Amerikanen in hun opstand tegen het moederland 
(1773—1784), zoodat Curacao het] grootste pakhuis en de stapelplaats der goe- 
deren van alle hier handeldry vende natiën werd. Omstreeks 1780 had de handel 
zyn hoogsten bloei bereikt, toen de haven dikwyis zoo vol was, dat het laatst 
binnenkomende schip in den mond moest ankeren, en er eens op één dag 58 
groote, ryk geladen schepen met convooi naar het moederland vertrokken, die 
ladingen Europeesche waren terugbrachten. Doch ook deze bloei was tydehjk, 
uit abnormale staatkundige verhoudingen voortgekomen, en nam weer af na den 
vrede van Versailles, 1783. Toen de onafhankelijkheid der Spaansche koloniën 
van 1818—1826 bevochten werd, schynen de op Curacao ingevoerde bepalingen 
den handel zeer te hebben belemmerd, zoodat hy zich verplaatste naar het 
Deensche eiland St Thomas, dat weldra een belangryke stapelplaats werd, niet 
alleen voor de West-Indische eilanden, doch ook voor het vasteland van Zuid- 
Amerika. In 1836 schreef Teenstra, dat de handel van Curacao geheel verloopen 
was, en sedert 1795 werd het eiland zoozeer van Nederland vervreemd, dat er 
jaariyks slechts één kleine brik uit het moederland aankwam. „Men vindt er nu 
(1886) niets dan oon centenhandel van levensmiddelen voor eigen consumptie." De 
uitvoer was gering en bestond enkel uit huiden, eenig slecht vee, oranjeschillen 
en zout. De vryzinnige bepalingen, die allengs voor het verkeer op Curacao werden 
vastgesteld, deden den handel er wel verbeteren maar niet terugkeeren als 
vroeger. Eerst veel later, toen Curacao in rechtstreeksche betrekking kwam met 
Europa, en met zeilschepen uit Engeland en Hamburg waren ontving, die in 
Zuid-Amerika werdon afgezet, ging het weer vooruit. 

Curacao heet nog een vryhaven, hoewel er een recht van invoer wordt 
geheven, „patentrecht" genoemd. De handel en scheepvaart zyn er afwisselend in 
beteekenis. De meeste landen en steden in Centraal Amerika, die voor enkele jaren 
zich op Curacao voorzagen van koopmanschappen en levensmiddelen, als tarwemeel 
enz., zyn in onmiddeliyke verbinding gekomen met Europa en de Vereenigde Staten 
van N.A. Daarby kwam nog de vyandelyke houding der elkander opvolgende regee- 
ringen van Venezuela, het belangrijkste handelstand voor Curacao, waar de beide 
havens tegenover Curacao vaak voor buitenlandschen handel werden gesloten; 
terwyi Coro en Maracaïbo niet dan langs een omweg over Porto Cabello waren 
II 37 



ized by Google 



578 



te bereiken, en daarenboven een additioneel recht van 30°/ c op den invoer uit 
de Antillen den handel drukte. Daardoor werd het verkeer zeer belemmerd. Terwjjl 
van 1892—94 jaarlijks de scheepvaart een inhoud van 1210 ton (a 1000 M 1 ) 
aanvoerde, bedroeg die van 1899—1901: 1047 ton. Na 1901 schijnt er weer 
een eenigszins betere toestand te zijn aangebroken. 

In 1903 bedroeg de totale waarde van den invoer voor Curacao f 2 939 088, 
in 1904: f2 719 440, in 1905: fS 196 113, zoodat er een geringe progressie 
valt waar te nemen. 

De scheepvaart heeft plaats op de volgende gewesten. Er kwamen in 1904 
aan uit Europeesche havens 61 schepen (286 000 M 3 .), uit Noord- Amerikaansche 
havens 62 schepen (207 000 M'.), uit Zuid- Amerikaansche havens 540 schepen 
(8(36 000M*.) en uit de Ned. West-Indische havens 613 schepen (21 000 M») 
inhoud. Verder kwamen er nog 74 schepen uit de overige Antillen in de haven 
(193 000 M 3 ), wat voor 1904 een scheepvaartverkeer (inkomst alleen) van 1367 
schepen en 1660 000 M 3 geeft voor de haven van Curacao. In 1905 bedroeg 
dat totaal 1344 schepen en 1 672 591 M 3 , in 1895 : 1309 schepen en 1 398 000 M\ 

De scheepvaart van Curacao is in de laatste 30 jaren iets toegenomen. 
Doch dit is geen koloniale scheepvaart, zooals vroeger. Desttyds bestonden hier 
ook wel geen eigenlijke reederjjen, maar de meeste schoeners hadden den eigenaar 
tot kapitein, die tegelijkertijd handel dreef. Door het in de vaart komen van 
stoomschepen in deze wateren is de eigen koloniale scheepvaart afgenomen, 
ovenals elders. Doch daar is voor in de plaats gekomen een meer geregeld ver- 
keer, en dientengevolge heeft de handelsstand de concurrentie sterker te voeren. 
Vroeger waren er slechts enkele huizen, die in onmiddellijke betrekking stonden 
met N. Amerika en Europa, thans is dat aantal aanzienlijker. 

Zal de opening van het kanaal van Suez voor de haven van Curacao van 
groote beteekenis worden? Wij gelooven niet, dat daarvan veel te verwachten 
zal zijn, doordien St. Thomas wellicht de voorkeur zal blijven genieten, omdat men 
daar goed drinkwater heeft en de steenkolen even goedkoop kan verkrijgen. 

Van de verdere bronnen van bestaan noemen wij nog de visschery. Deze 
tak van bedrijf wordt, hoewel er visch in overvloed is, nog te zeer verwaarloosd. 
Visschery geeft hen, die er zich mede bezighouden, goede verdienste, doch zij 
kan veel worden uitgebreid. Ook de sponsvisscherij heeft hier een goed gebied. 

Ook het winnen van zout heeft hier nog plaats. Echter is het bedrilf technisch 
slecht, zoodat, terwijl het zout het beste kon zijn, dit nu nog op verre na het 
geval niet is. 

In 1874 werden hier phosphaatlagen ontdekt op de plantage Santa Barbars. 
Deze werden in 1875 het eigendom van John Godden, die de verplichting op 
zich nam jaarlijks een minimum van 2000 ton phosphaat uit te voeren, waarbij 
de bepaling was opgenomen, dat het in een jaar te veel uitgevoerde in mindering 
kon gebracht worden van volgende jaren. Spoedig werd van deze stof, die als 
voor het grijpen lag, en waarvan elke ton /*50— fGO winst opleverde, zooveel 
uitgevoerd, dat tot 1945 de eigenaar niet meer behoeft uit te voeren om aan 
zijn verplichtingen to voldoen. In 1895 is de uitvoer, die 3345 ton bedroeg, 
wolke /3389 rechten opleverde aan het Gouvernement, gestaakt, en thans liggen 



ized by Googl 



579 



die mijnen stil, door de willekeur van den eigenaar. Het zou ons te ver voeren 
die quaestie nader te bespreken (Zie Van Kol 1. c. 331. - Molengraaff, 
Vragen v. d. Dag 1892 pag. 673). Thans is een wetsontwerp in behandeling 
om hieraan een eind te maken. 



. De hoofdplaats en eenige stad van Cura9ao is Willemstad, 

gen. Willem- waarschijnlijk genoemd naar Prins Willem II, die overleed, toen 
da muur om deze nederzetting voltooid werd. Willemstad ligt 



in het Z.O. aan de St Anna- baai, de smalle toegang tot het 
Schot tegat. De uitgang van de haven met twee vroeger sterke, thans verouderde, 
forten is niet meer dan 100 M. breed doch wel 15 M. diep, zoodat zeer groote 
schepen er met gemak binnen kunnen loopen. Verder landinwaarts verbreedt 
zich deze ingang tot ±150M. en behoudt een diepte van 10—15 vadem. 
Zoo biedt zij over een lengte van ongeveer 20 minuten gaans bijna overal 
aan schepen de gelegenheid, om vlak tegen den wal te meeren. Vervolgens wordt 
de ingang weer nauwer en loopt uit in een groot bassin, het Schottegat, dat 
±drie uren gaans omtrek heeft en wel 300 zeeschepen kan bergen. 

Aan weerskanten van de haven strekt zich de stad uit met ruim 14000 
inw. Aan den rechterkant ligt het eigenlijke Willemstad, door de eerste 
kolonisten gesticht, aan den overkant O tra ban da, de Spaansche zijde, en verder 
achterwaarts liggen de stadsgedeelten Pietermaai en Scharloo. 

In het eigenlijke Willemstad vindt men de voornaamste Gouvernements- 
gebouwen en de woning van den Gouverneur. Onder de poorten van het Gou- 
vernementsgebouw door komt men op een binnenplein, het „fort Amsterdam'* 
genoemd, waar op den achtergrond de Prot. kerk verrijst en de Gouverneroents- 
secretario met aan weerszoden officierswoningen. Naast het Gouvernements- 
gebouw vindt men de kazerne voor ±180 manschappen. Dit gedeelte wordt 
door een zwaren, gekanteelden muur beschermd tegen de aanrollende zee. De 
groote handelswijk wordt gevormd door de Breedestraat, Prinsestraat en Keuken- 
straat, welke een geheel vormen, gewoonlijk „Punda" geheeten, met groote 
winkels, die alle bijna „warenhuizen" kunnen heeten, waar vroeger de Venezuelanen 
meest koopers waren. Voorbij de handelswijk komt men aan het Stadhuis, met 
een ruim plein er voor. Op een dorre klip, waar voor tien jaren nog geen gras- 
sprietje groeide, heeft de damesclub „Entre-nous" een tuin met weelderig groen 
aangelegd, met een muziekkiosk; thans wordt die Wil hel min a Park geheeten. 
Het kerkgebouw der Ned. Portug. Israelietische gemeente, aan een andere straat 
in de nabijheid, is een ernstig gebouw, welks drie gevels den omtrek beheerschen. 

Uet rijke kwartier der stad is de wijk Scharloo, het kleinste der stads- 
deelen, grootendeels bewoond door Israelietische kooplieden, met schoone ge- 
bouwen. Op den achtergrond van] het plein Concordia verrijst de berg Altena, 
die oen schoon panaroma geeft overj de stad van het eene einde tot het andere, 
zooals die is doorsneden van ;haven en Waaigat. De berg is bebouwd met prachtige 
huizen; hier hebben ook Katholieken en Israëlieten hun begraafplaatsen aan- 
gelegd. Het gedeelte der stad, dat aan de Westzijde der haven is- aangelegd, 
heet Otrabanda of Spaansche zijde, waar vele fraaie woningen, hospitalen 



5S0 



en kerken worden aangetroffen. Een schipbrug verbindt dit deel met Willemstad. 

Bü het binnenkomen van de haven, met het Waterfort, in 1827 rechts go- 
bouwd, en het Riffort, links gelogen, doet Willemstad sterk denken aan een oud- 
Hollandsche stad, aan sommige deelen van Utrecht of Dordrecht, zegt Van Kou 
De nette huizen, ietwat plomp en massief gebouwd, worden keurig onderhouden. 
Doch van riolen is in deze dichtbevolkte stad geen sprake, en de fecaliên wor- 
den eenvoudig in tonnen naar het Waaigat gebracht, waaruit zy bü eb naar 
zee dry ven, terwijl de wind er de voornaamste straatreiniger is, en de zonne- 
stralen het meest voor ontsmetting zorgen. Boomgroei wordt er, het genoemd 
Wilhelmina-park uitgezonderd, gemist, en de witte huizen weerkaatsen het zonne- 
licht in volle kracht en met verblindende intensiteit 



II. HET E1LAKD ARUBA. 

W\j zyn in de beschrijving van het hoofdeiland der kolonie iets uitvoeriger 
geweest. Voor de andere eilanden moeten wty ons tot enkele mededeelingen 
bepalen. Klimaat en bodem hebben op de Eilanden beneden den Wind veel over- 
eenkomst. 

Op een afstand van 14 Geogr. M. ten W. van Curacao ligt het eiland Aruba. 
De naam wordt op oude kaarten en geschriften „Oruba" en „Orua" geheeten, 
volgens sommigen afgeleid van „Ora abo" <ü. „goud gisting", volgens anderen van 
het Sp. ora (aurum) = goud, terwyi het ook verklaard is als een Guaranisch woord, 
dat „begeleidster" beteekent (Zie: Egli, Nomina Geographica, 2<1« dr. pag.227). 

Aruba, met een oppervlakte van 165 K.M.* (27,1 E.M. lang en 9,5 KM. 
breed), telt 9541 inwoners. Het eiland strekt zich in de lengte uit van Z.O. 
naar N.W. en bestaat grootendeels uit laagland, met een rug, die op zijn meest 
183 M. hoog is, in het Z.W. Hoofdzakelijk is het eiland opgebouwd uit kwarts- 
dioriet en diabaas, met quartaire formatie in hetZ.O., aan den Z.W. kant omgeven 
door een zoom van rif kalk van jonge formatie. Evenals op Curacao is de regenval 
er gering, en hoewel midden in zee heeft het een droog klimaat. Voor land- 
bouw is het eiland weinig geschikt; alleen de aloëteelt heeft er belang. De 
bodem levert goud, en men vindt er phosp haat- mijnen te Sero Colerado, 
die geëxploiteerd worden door de Aruba-phosphaat-maatschappij. De uitvoer van 
Aruba bestaat hoofdzakelijk uit goud (in 1905 voor /"201 111), phosphor- 
zure kalk (/-lOéOOO^Jaloohars (ƒ21 200) en divi-divi 1/58B5). Er kwamen 
aan 400 schepen, met 59 000 ton inhoud. 

De bevolking van Aruba is meest Katholiek, en zy vertoont nog duideiyk de 
sporen van vermenging der Caralbische oorspronkelijke bewoners met blanken ; het 
ncgerbloed is er minder en komt alleen onder de geringere standen voor. Men 
spreekt er het papiamento. De hoofdplaats is Oranjestad; het armeujk dorp, 
dat dien naam draagt, bestaat uit kleine steenen huizen en armoedige stroohutten. 



Digitized by Google 



5S1 



III. HET EILAND BONAIRE. 

Bonaire, met een oppervlakte van 335 K.M. 1 (± '/ l0 van Friesland) en 
6063 inw., ligt ruim 50 K.M. ten O. van Curacao en strekt zich uit in een richting 
N.W.-Z.O. (33,5 K.M. lang en 5,5 K.M. breed), evenals de reeds behandelde 
eilanden. Het westehjk gedeelte is bergachtig en herinnert iets aan het Zeven- 
gebergte ; de hoogste top, de Brandaris, is 254 M.; het oostelijk gedeelte is laag 
en vlak, nauwelijks boven den oceaan uitkomend. De bodem bestaat in het N.W. 
uit glimmerporphyriet en diabaas, in het Z.0. uit jonge koraalkalk en alluvium, 
terwijl in het midden de Krijtformatie en Quartair voorkomen. Aan de kust 
vindt men, evenals op Curacao, onderscheidene afgesloten zeebekkens. Aan de 
zuid- en westkust vindt men goede ankerplaatsen, aan den noordkant niet. 

Het westelijk gedeelte van het eiland is vrij waardeloos voor den land- 
bouw ; een oppervlakte van 50 000 H.A. behoort hier aan een onkelen eigenaar, 
die het voor ƒ40 000 kocht en nu bijna ongebruikt laat liggen, een landschap, 
waar geiten, ezels en paarden vrij rondloopen, een weinig zout wordt gewonnen 
enz. Het oostelijk gedeelte is in handen van groote bezitters, en alleen het midden 
is nog Gouvernementsgrond, waar kleine landbouw wordt uitgeoefend. Het ge- 
heele eiland was vroeger een plantage van hot Gouvernement, door slaven be- 
werkt, waar geen particuliere eigendom bestond, en waar alleen na bekomen 
vergunning zich bewoners mochten vestigen. In 1863 telde men er 700 slaven. 
Na de opheffing der slavernij worden de domeingronden grootendeels in groote 
kavels verkocht tegen ƒ4—/ 11 per H.A. ; de voormalige slaven en on vermogenden 
konden daardoor hier geen eigendom verwerven. 

Vroeger werd er cochenille, aloë en campi-chehout geteeld door het Gou- 
vernoment, en er werd zout gewonnen en vee geteeld. Het eiland was toen 
ook een verbanningsplaats voor te Curacao veroordeelde slaven. De opbrengst 
was echter gering. Onderscheidene fiscale maatregelen hebben ook na den over- 
gang van bet eiland in particulieren eigendom de opkomst lang belet. Het levert nog 
eenig zout, dat niet economisch gewonnen wordt, divi-divi, verfhout, geiten, schapen, 
ezels. Doch de welvaart is gering, en de handel onbelangrijk. In 1905 kwamen 
aan 502 schepen met 37 000 M s inhoud. De uitvoer bestaat hoofdzakelijk in 
divi-divi (in 1905 voor ƒ35 700), zout (voor ƒ 35 300), boutskolen (voor 
ƒ9700), mest (voor ƒ9000). De hoofdplaats Kralendijk,d. i. koraal-wal, met 
een goede roede, ziet er even armelijk uit als Oranjestad op Aruba. 



DE EILANDEN BOVEN DEN WIND. 

De noordelijkste bezittingen in WestlndiG zijn de kleine eilandjes St. Martin, 
St. Eustatius en Saba; zij behooren tot de „Eilanden Boven den Wind." Terwijl Suri- 
name ligt op 6° N.Br., Curacao op 12° N.Br., liggen de laatstgenoemde op 18° 
N.Br. Het grootste dezer eilanden is St. Martin, 46,80 K.M. en 3792 bew., 
daarop volgen St. Eustatius met 20,70 K.M. 3 en 1499 bew. en Saba met 
12,83 K.M. 2 oppervlakte en 2186 bew. (op 1 Jan. 1906). Het zijn kleine rots- 



582 



blokken in den Oceaan, de Nederlandsche te zamen niet meer dan ( /i7 van 
de oppervlakte der provincie Utrecht uitmakend. De drie Nederlandsche eilandjes 
liggen als in een klaverblad, en zoo dicht bij elkander, dat van het eene de 
twee overige eilanden gezien kunnen worden. 

De Eilanden Boven den Wind rusten op een onderzeeschen drempel, die 
in een boog met de convexe zijde naar het N.O. de Oaraïbische zee van den 
Atlantischen Oceaan scheidt. Deze smalle rug tusBchen twee diepe inzinkingen 
in do aardkorst vormt een onvaste aardzone, die dan ook herhaaldelijk door aard- 
bevingen en vulkanische uitbarstingen geteisterd wordt. De kernen van vele 
eilanden zijn van vulkanischeu oorsprong terwijl er nog werkende vulkanen 
worden gevonden. De Nederlandsche eilandjes liggen op de N.O. zijde van 
den onderzeeschen rug, waar die ombuigt naar het W. Werkzame vulkanen vindt 
men op de Nederlandsche eilanden niet, doch ook zij zijn gedeeltelijk uit vulkanische 
gesteenten opgebouwd, en aardbevingen doen zich hier van tijd tot tijd meer 
of minder hevig gevoelen. St. Martin is geologisch de oudste dezer eilandjes; het 
bestaat hoofdzakelijk uit kwarts glimmer dioriet, Saba uit andesiet, en St. Eustatius 
uil vulkanische tuffen en augiet-andesiet. 

Deze eilanden liggen wel binnen de grens van de heete luchtstreek, doch 
naderen dicht den keerkring. Daardoor is de jaariyksche temperatuur- 
schommeling grooter dan op Curacao en in Suriname (Zie pag. 527). St. Thomas 
heeft een gemiddelde temperatuur van 26,7° C. met 28,3° C. in de warmste 
maanden (Aug.— Sept.) en 25,2° C. in de koudste maand (Febr.) De heerschende 
windrichting heeft weinig wijziging in den loop der jaargetijden. Het geheele 
jaar door waait hier vrij regelmatig de N.O. passaat, die in Juli meer oostelijk 
wordt. De West-Indische eilanden liggen in een baan, welke hier veelvuldig door 
cyklonen wordt gevolgd, als zij van ongovoer 10° N.Br. komend een W.N.W. 
richting volgen over de Noordelijke Kleine Antillen, en op 29 a 30* N.Br. hun 
koers ombuigen naar het N.O. en over de Z.O. staten der Vereenigde Staten v. 
N.A. en over den Golfstroom naar het N.O. gaan. De beruchte West-Indische 
cyklonen, die voor 88°/ 0 in de maanden Aug., Sept. en October voorkomen, 
treffen meest de N.O. eilanden, en de Nederlandsche zijn er dus vooral aan 
blootgesteld De vreeselijke en zware verwoesting veroorzakende cyklonen komen 
gelukkig zelden voor; op St. Thomas in l*/ a eeuw 7 maal. 

In geheel West-IndiS zijn Februari en Maart de droogste maanden, terwijl 
een dubbele regentijd bestaat in Mei en in October, en ook in Januari veel regen 
valt. Op Barbados, dat in dezelfde omstandigheden verkeert, is Maart de droogste 
en October de regenrijkste maand. 

De regenval te Philipsberg, op het Z. van St. Martin, bedroeg van 1879 tot 
1901 van 595 tot 1462 m.M. per jaar; meest meer dan 1000 m.M. en gemiddeld 
in die jaren 1084 m.M. 



Digitized by Google 



583 



IV. HET EILAND ST. MAARTEN (ST. MARTIN). 

* 

Het noordelijkste der drie eilanden is St. Maarten, of, gelijk men veelal 
naar den Franschen naam zegt, St. Martin, dat een gezamenlijke bezitting is 
van Nederland on Frankrijk. Het kleinste zuidelijke gedeelte behoort aan Neder- 
land, het grootste noordelijk gedeelte aan Frankrijk. Het schijnt, dat dit eiland 
onbewoond was, en toen in 1627 de Engelschen en Franschen van St. Christopher 
door de Spanjaarden verdreven waren, zetten zij onder den naam van „boe- 
kaniers" (boucaniers, oorspr. do naam der eerste Fransche kolonisten op St. Do- 
mingo, van „boucan", de West-Ind. naam voor gevlochten horde, waarop 
vleesch wordt gebraden, als ook de plaats waar die horde staat, verder: een Ameri- 
kaansche strooper, wilddief), zich hier neder en werden als zeeschuimers berucht. 
In 1636 waren eenige kooplieden van Vlisslngen onder aanvoering van zekeren 
Van Ree op St. Eustatius gekomen en dreven van daar een kleinen handel 
met deze boekaniers, tot zij in 1637 zich aan de zuidzijde van St. Martin vestigden. 
In 1640 werden dezen, evenals de Franschen, verdreven door de Spanjaarden, 
doch de laatsten verlieten het eiland weder in 1641, na vooraf de aanwezige 
forten en regenbakken te hebben vernield. Vier Franschen, vijf Nederlanders 
en een Mulat hadden zich in de bosschen verscholen en namen nu bezit van 
het eiland ; zij wisten bericht te zenden naar den gouverneur van St. Eustatius, 
die het eiland in bezit liet nemen voor de Nederlanders. Doch de Franschen 
van St Christopher meenden evenzeer tot bezit gerechtigd te zijn, omdat onder 
de achtergeblevenen ook vier Franschen waren. Na eenigen strijd over het bezit 
tusschen Nederlanders en Franschen werd een tractaat van verdeeling tusschen 
beide gesloten, en sedert bleven beide natiën de bezitters van bet eiland. 

St. Martin, met een driehoekige gedaante, is een heuvel- en bergachtig eiland, 
welks bergen zich tot de zee uitstrekken, waarin zij steil afdalen, en die ongeveer 
s / s van het eiland in beslag nemen. De hoogste top de Mt. Paradise, 412 M. 
ligt in het Fransche gedeelte, de Centry Hill in het Nederlandsche is slechts 
half zoo hoog. Tusschen de bergen vindt men vruchtbare valleien, terwijl ook 
de heuvelhellingen met goede teelaarde overdekt zijn. 

Rivieren vindt men op het eiland niet, maar wel vele beken, welke even- 
als vele bronnen brak zijn, uitgezonderd die welke van de toppen der bergen 
komen, en goed water geven. 

De bevolking van St. Martin bestaat uit blanken, kleurlingen en negers, de 
laatsten het talrijkst. In 1816 bestond de bevolking uit 9000 zielen : 1000 blanken, 
1000 kleurlingen en 7000 slaven. In dien tijd was de landbouw de hoofdbron 
van bestaan en vooral de teelt van suikerriet. In 1820 bestonden in het Neder- 
landsche gedeelte nog 18 suikerplantages. In 1816 leverde het eiland op 14 000 000 
ponden suiker. Na het orkaanjaar 1819 nam de opbrengst af, en de opheffing 
der slavernij in 1863 heeft de suikercultuur bijna geheel te gronde doen gaan. De 
groote plantages zijn door schulden gedrukt, en aan den kleinen landbouw wordt 
bijna niet gedaan. De veeteelt is er betrekkelijk nog al van belang. Men vindt 
er 1380 runderen, 248 paarden, 1800 schapen, 600 geiten en ongeveer even zooveel 
varkens. Boter wordt er nog op kleine schaal uitgevoerd naar Guadaloupe. 



Digitized by Google 



584 

De hoofdbron van bestaan voor de mingegoede bevolking op St. Hartin ia 
de zoutbereiding. De welvaart is er afhankeiyk van het meer of minder slagen 
der zoutpannen. De natuur vormde aan de kusten zoutpannen van meer dan 
200 H.A. oppervlakte. Evenwel de oogsten zyn zeer afwisselend tengevolge van 
het binnendringen van het regenwater en het doorsijpelen van zeewater door 
den poreuzen bodem, daar alle zoutpannen ver beneden de oppervlakte der zee 
gelegen zyn. De zoutwinning geschiedt hier nog op de meest primitieve wijze, 
door de pannen vol zeewater te doen loopen en dit te laten verdampen, waar- 
door het zout overblijft. De qualiteit van het zout is goed, maar de opbrengst 
was sedert vele jaren gering, en daardoor nam de welvaart er af en vermindert 
de bevolking. De zoutuitvoer bedroeg in 1903 voor /"3195, in 1904 voor 
/"49Ü9, in 1905 voor /"28900 en schommelt dus zeer. In het Zuiden ligt 
Philip8berg, een dorpachtige nederzetting. 



V. HET EILAND ST. EUSTAT1US. 

St. Eustatius ligt tusschen St. Martin, St. Bartholomeus, St. Christopher 
en Saba. Het is langwerpig rond, met een peervormige gedaante, de lengteas 
van N.W. naar Z.O. loopend, en vertoont zich op eenige mijlen afstands van 
zee gezien enkel als twee uit zee oprijzende bergen, die bij nadering door een 
vlakte vereenigd blijken te zijn. De berg in bet Z.O. van het eiland is de hoogste, 
581 M.; het is een regelmatig gebouwde berg met de gedaante van een afge- 
knotten kegel, door sommige schrijvers daarnaar „Punchbowl" genoemd. Op 
den top vindt men geen krater maar eon diep, naar alle zyden gesloten, ketel- 
dal, welks vlakke bodem niet meer dan 297 M. boven den zeespiegel ligt, door 
steile, niet zelden loodrechte wanden ingesloten. De buitenhelling van den berg 
is boven zeer steil, verder beneden langzamer glooiend. Blijkbaar is dit een oude 
vulkaan. De noordwestelijke berggroep bestaat uit een groot aantal heuvels, met 
afgeronde toppen, waarvan de hoogste, Boven, 295 M. bereikt. Dit heuvelland 
boataat uit overblijfselen van oude vulkanen, die door langdurige verweering 
zoo van gedaante zijn veranderd, dat hun onderlinge verhouding en de vorm der 
kraters meestal niet meer is aan te geven. Alle losse uitwerpsels zijn hier 
reeds lang door de golven verzwolgen, en alleen zyn de vastere deelen, de eigen- 
lijke geraamten der vroegere vulkanen, blijven bestaan. 

Van de vlakten op St. Eustatius is alleen de groote vlakte, die de beide 
bergmassa's verbindt, van beteekenis, en verder vindt men er kleine vlakten 
in den ketel van den hoofdvulkaan en eenige andere. Dalvorming heett er slechts 
weinig plaats gehad, zooals op een klein eiland met geen aanzienlijken regenval 
niet anders valt te verwachten. Stroomend water vindt men op St. Eustatius 
nergens, maar gedurende do stortregens, die soms in den regentyd vallen, worden 
alle ravynen en dalen tot beddingen van krachtige stroomen, zoodat de bodem 
der ravynen dan ook tydeiyk met water bedekt is. De kust van St. Eustatius 
is gedeeltelijk een steilkust, gedeeltelijk een strandkust met steilen landzoom. 

De bodem van het eiland bestaat uit gesteenten van dezelfde geologische 



Digitized by Google 



585 

periode, meest van vulkanischen oorsprong, die door verweering gedeeltelijk tot 
lateriet zün overgegaan, en in het noordelijk gedeelte tot fijne, goede teelaarde, ont- 
staan uit vulkanische asch, meestal gemengd met stukjes lapilli. De kraterrand 
van den hoofdvulkaan is het vriendelijkste plekje van het eiland; hoog woud 
en koelte, die men in de vlakte te veel mist, zijn zeer overvloedig. 

St»Eustatius werd in 1639 door de Zeeuwen in bezit genomen. Bij de komst 
der Nederlanders was het eiland onbewoond, en de eigendom werd door de 
Staten vergund aan eenige Vlissingsche kooplieden, die zorg droegen, dat het 
bevolkt werd, terwijl het onder de W. I. Compagnie kwam. Herhaaaldeltfk be- 
twistten de Engelschen ons deze bezitting: van 1664— 1G67 en van 1672—1673 was 
zty in Engelsche handen, en in 1689 werd het eiland door de Franschen bemachtigd. 
In 1697 kwam het echter weer in handen van de Nederlanders. Door zUn ligging 
en mede door toevallige omstandigheden kreeg St. Eustatius groot belang als 
een stapelplaats van allerlei koopwaren en had een levendig handelsverkeer. Aan de 
reede „ziet men de katoen en suiker hoog opgestapeld in de open lucht liggen ; 
honderden vaten van het laatste voortbrengsel, waarvoor geen plaats is in de 
pakhuizen en welke de schepen nog niet kunnen inladen, slechts door zeilen 
gedekt onder den blooten hemel. In verscheidene huizen zjjn vertrekken tegen 
onmatige prijzen gehuurd om de koopwaren onder dak te krijgen", aldus meldt 
C. de Jong in 1807 bty zijn bezoek aan dit eiland. In 1780 bestond de bevolking 
uit 25 000 zielen. Behalve handel vond men er ook plantages als bron van 
bestaan; in 1819 werden er nog 16 suikerplantages gevonden, welke gezamen- 
lijk 800 vaten van 1000 ponden opbrachten. De katoenbouw, die er eens ge- 
dreven werd, was al vroeger opgeheven. 

In den loop der negentiende eeuw nam de economische beteekenis van 
dit eilandje af. De suikerplantages verminderden, mede door het verbod van den 
slavenhandel, de handel verliep, en de bevolking ging achteruit, zoodat die in 
1818 reeds gedaald was tot 2668 zielen, en thans bedraagt dit aantal niet meer 
dan 1600, waarvan 8 in Nederland geboren. De inlanders zün voor 1100 Prot., 
voor 400 Katholiek, en zeer gemengd van ras. De bewoners leven hoofdzakelijk van 
den landbouw en de veeteelt; men vindt er 31 paarden, 215 ezelB, 582 
runderen, 900 geiten, 306 schapen en 200 varkens. Dit eiland voert uit: 
aardappelen (in 1905 voor ƒ2289), jams (/"2119) en runderen (ƒ4760). 
De totale uitvoer had in 1905 een waarde van ƒ11683. Men vindt er ook 
nog eenige katoencultuur en bijenteelt. 

De hoofdplaats, Oranjestad, ligt op een steile kust, „de Cliff"; zij is het 
overblijfsel der eens fraaie bovenstad, die er thans haveloos en vervallen uitziet, 
met een toren zonder kerk, een verlaten synagoge en verschillende verwaar- 
loosde en vervallen gebouwen. De vroegere „Benedenstad" aan het strand is 
door afslag der zee gedeeltelijk vernietigd, terwijl verder door het verlaten van den 
handel de oude kustplaats in sombere ruines veranderde. Het eiland is slecht 
bebouwd, groote gedeelten liggen braak, door het tenietgaan der groote cultures; 
de suiker-, indigo-, tabaks- en koffieplantages en de kleine landbouw kunnen er 
zich niet voldoende ontwikkelen. Daardoor is de economische toestand er treurig. 



586 



VI. HET EILAND SABA. 

Saba is een rond rotseiland, dat steil uit de zee oprijst, door de natuur 
gevormd tot een onwinbare vesting. Op een atstand van 15 geogr. mijlen ziet 
men het reeds als een enkelen berg uit zee opreien. Aan de N.W. zijde van 
bet eiland ligt een hooge, steile, naaldvormige klip. de Diamant geheeten. 

Men kan het geheele eiland beschouwen als één grooten berg, welks hoogste 
top, „de Piek", 1048 M. hoog is. 

Door die natuurlijke gesteldheid is Saba moeieltfk te bereiken, want op de 
meeste plaatsen is de kastrand van zee onbeklimbaar. Naar gelang van weer en 
wind moet men nu eens in de Fortbay'', dan weer aan de Ladder afstappen, 
,om de als cyklopenmuren opgestapelde rotsblokken te beklauteren", «egt Vak 
Kol. „Deze onvindbare en moeiüjk te bereiken plaats was dan ook vroeger 
een echt nest voor „boekaniers", die zich boven in de holten konden vestigen, 
om nieuwe waagstukken te beramen in hun heldhafUgen strijd tegen Spanje'*. 
Rivieren, kreken, baaien of havens worden er niet gevonden; er zijn drie zoet- 
waterbronnen en vijf heetwater sprengen. Het drinkwater wordt ook hier in 
regenbakken verzameld. 

Op dit eiland kan geen aanzienlijke bevolking wonen. In 1816 bestond de 
bevolking uit 1146 zielen, waarvan 666 blanken, allen creolen, 27 vrije kleur- 
lingen en zwarten en 462 slaven ; in 1829 bedroeg de bevolking in totaal 1200 
zielen, en thans 2186, waarvan 6 in Ned. geboren. Van de inlanders zijn 1631 
Prot. en 665 Katholieken. De bewoners zijn van gemengden landaard, doch 
waarbij blanken en negers zorgvuldig gescheiden bleven. Zij worden beschreven 
als ijverig, moreel hooger staande dan die van de meeste andere eilanden, maar 
het land verschaft hun geen welvaart. Daar de bodem te arm was voor het in- 
voeren van de suikercultuur, was hier geen prikkel om het aantal slaven te 
vermeerderen, en de weinigen, die de bewoners bezaten, werden meer als vrienden 
en huisgenooten beschouwd. De blanken en zwarten leefden vreedzaam van 
de oogsten hunner tuinen en de emancipatie bracht hier slechts geringe ver- 
andering in de feodale verhoudingen, die er nog gedeeltelijk bestaan. Hoewel 
er weinig bouwgrond gevonden wordt, is het toch veel dichter bevolkt dan het 
grootere St. Eustatius, waar veel meer bouwgrond bestaat. (Zie pag. 672). De 
blanke bewoners zijn meestal zeelieden of gaan als timmerlieden te Demarara 
of elders werken ; de Negers vormen de klasse van sjouwerlieden en daglooners. 

De hoofdbron van bestaan op het eiland is landbouw met veeteelt verbonden. 
Huisnijverheid is er weinig ontwikkeld, handel en scheepvaart zijn er onbeduidend. 
Men teelt er aardappels, zoete pataten, uien, cassave, bananen, lemoenen. In 1005 
werden er uitgevoerd voor /"1076 aardappelen, voor ƒ 1100 uien en voor fQOO 
runderen. De totale uitvoer beliep /"4127. De exploitatie der zwavelmiJnen, welk 
produkc hier goed gevonden wordt, is na veel gesukkel in 1876 gestaakt 

Het grootste dorp van het eiland is TheBottom, gebouwd op den bodem 
van een uitgebranden vulkaan. 



Digitized by Google 



Digitized by Google 



This book should be returned to 
the Library on or bofore the last date 
stamped below. 

A fine of flve cents a day is incurred, 
by retainlng it beyond the specifled 
time. 

Pleaso return promptly. 




Digitized by Google